‘Opsporings-TV geeft onveilig gevoel‘

Burgers betrekken bij het opsporingsproces heeft succes. Daarom besluiten steeds meer politiekorpsen om regionale televisie in te zetten voor het opsporen van criminelen. Een recent onderzoek toont echter aan dat maar een beperkte groep mensen naar dergelijke programma’s kijkt. Verder blijkt uit dit onderzoek dat kijken naar een opsporingsprogramma leidt tot een onveilig gevoel bij de kijker. Op basis van het onderzoek valt dus te betwijfelen of dergelijke programma’s daadwerkelijk hun doelen bereiken.

 

Hulp bij opsporing
In de Egyptische oudheid schakelde men al burgers in bij het opsporen van criminelen. Dit gebeurde toen ook met behulp van de ‘massamedia’ (Pluyter, 1974). In die tijd verspreidde men aanplakbiljetten met daarop de wetenswaardigheden betreffende de overtreding en de beloning die men kon krijgen bij het geven van een juiste tip. Op deze wijze werden burgers aangespoord om mee te helpen bij een opsporingsonderzoek.
Tegenwoordig is opsporingsberichtgeving één van de opsporingsmiddelen die de politie en het Openbaar Ministerie (OM) inzetten bij de opheldering van zaken. Steeds vaker en op verschillende manieren worden burgers om hulp gevraagd bij het opsporen van criminelen. Zo probeert het politiekorps Utrecht met een onlangs geopende internetsite burgers actief te betrekken bij rechercheonderzoeken. Het politiekorps Midden- en West-Brabant verstuurt sms-berichten naar burgers voor de opsporing van onder andere vermiste personen, overvallen en inbraken. Naast deze nieuwe media, maken inmiddels acht politiekorpsen gebruik van de mogelijkheden die regionale televisie biedt bij het oplossen van lopende zaken uit de regio. Deze opsporingsprogramma’s zijn vergelijkbaar met het landelijke AVRO’s Opsporing Verzocht, maar dan gericht op een bepaalde regio. Doel van dergelijke programma’s is het verkrijgen van tips over nog onopgeloste zaken uit de regio. Maar dit is niet het enige doel. De programma’s moeten ook een positieve bijdrage leveren aan het imago van de politie en zorgen voor een veiliger gevoel bij de kijker. De politie laat zien dat ze bezig zijn met het opsporen van criminelen en dit zou de kijker gerust moeten stellen. Of deze doelen bereikt worden is niet bekend. Onderzoeksbureau Kuijenhoven toonde in 2005 aan dat er zo goed als niets bekend is over het publiek van regionale opsporingsprogramma’s. De productieteams van de programma’s zenden deze programma’s uit zonder te weten wie er kijken. Dit terwijl puur het zenden van een boodschap niet garant staat voor succesvolle communicatie. De boodschap moet ook ontvangen worden door een individu, deze moet de boodschap begrijpen, uitvoeren en het liefst doorvertellen.

Het politiekorps Limburg-Noord is het eerste korps in Nederland dat een uitgebreid onderzoek heeft laten uitvoeren naar hun regionale opsporingsprogramma. Dit programma, genaamd ‘De Gouden Tip’, wordt in samenwerking met het politiekorps Limburg-Zuid tweewekelijks uitgezonden op de regionale televisiezender L1-TV. Het programma scoort vanaf zijn start in september 2001 hoge kijkcijfers, maar een onderzoek naar het publiek van het programma is nooit uitgevoerd. Het doel van het onderzoek was het in kaart brengen van de kijkers. Daarnaast is in kaart gebracht welk effect het programma heeft op de onveiligheidsgevoelens van de kijkers.

 

Eerdere onderzoeken
Het onderzoek naar De Gouden Tip begon met een uitgebreide literatuurstudie. Op basis hiervan viel te verwachten dat het programma voornamelijk bekeken wordt door ouderen. Een belangrijke doelgroep, namelijk jongeren, wordt waarschijnlijk via dit medium niet of nauwelijks bereikt. Uit vele wetenschappelijke onderzoeken naar het publiek van lokale en regionale televisie blijkt namelijk dat personen naarmate ze ouder worden steeds meer kijken naar regionale televisie (o.a. Westerik, 2001). Jongeren kijken bijna nooit naar regionale televisie omdat hun voorkeur uitgaat naar snelle, flitsende en dure Amerikaanse films en series. Dit is niet terug te vinden op de regionale televisiezenders. Ook muziekkanalen als MTV of TMF zijn binnen de groep jongeren favoriet (Stevens, 2004). Een andere reden dat jongeren niet kijken naar regionale televisie is het gebrek aan betrokkenheid bij de regio. Dit blijkt ook een belangrijke factor te zijn bij het al dan niet kijken naar regionale televisie (Hollander, Vergeer & Verschuren, 1993). Ook blijkt dat indien een kijker eenmaal ingeschakeld is op een televisiekanaal, hij vaak meerdere programma’s kijkt op dit kanaal. Er is sprake van een soort channel loyalty (Goodhardt & Ehrenberg, 1969). En omdat jongeren niet kijken naar de regionale televisie, is de kans klein dat zij wél kijken naar het regionale opsporingsprogramma. De kans is namelijk groter dat zij blijven steken op de eerder genoemde zenders.
Ander onderzoek naar het publiek van lokale en regionale media in Nederland toont dat personen met een lage sociale status oververtegenwoordigd zijn in het publiek van lokale en regionale media. Zowel het gemiddelde huishoudinkomen als het percentage eigen woning bezit is verreweg het laagst van alle onderzochte publieksgroepen. Dit effect tussen inkomen of opleidingsniveau en het mediagebruik valt te verklaren doordat personen binnen de lagere klassen vaak meer vrije tijd hebben en op deze manier ook meer mogelijkheden om gebruik te maken van lokale en regionale televisie (Knulst & Kraaykamp, 1996). Naar verwachting bereiken politie en justitie dus een zeer beperkte groep mensen met een regionaal opsporingsprogramma, bestaande uit voornamelijk oudere personen met een lage sociale status.  

Een andere verwachting op basis van de literatuurstudie is dat een regionaal opsporingsprogramma een onveilig gevoel creëert bij de kijkers. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat mensen die nog nooit slachtoffer of getuige zijn geweest van een misdaad, zich toch onveilig voelen (Liska & Baccaglini, 1990). Ook blijkt dat onveiligheidsgevoelens soms toenemen ondanks lage of zelfs dalende criminaliteit (O’Connel, 1999). Onveiligheidsgevoelens ontwikkelen zich dus niet alleen via ervaringen, ze kunnen zich ook ontwikkelen via communicatieprocessen (Hollander, 2001). De rol van de massamedia bij de ontwikkeling van onveiligheidsgevoelens is de afgelopen decennia herhaaldelijk onderzocht. Hierin komt steeds weer naar voren dat de media een belangrijke rol spelen, zelfs als personen nooit slachtoffer zijn geweest van criminaliteit.
Een andere reden waarom het kijken naar een regionaal opsporingsprogramma mogelijk leidt tot een onveiliger gevoel bij de kijker is dat het programma enkel zaken uit de regio behandelt. Chiricos, Eschholz, en Gertz (1997) stellen dat mensen vooral aandacht hebben voor, en onder de indruk zijn van, misdaadnieuws waarin het slachtoffer gelijkenissen vertoond met de kijker. Aangezien de slachtoffers in een regionaal opsporingsprogramma in dezelfde provincie wonen als de kijker, of zelfs mogelijk in dezelfde buurt, hebben de zaken mogelijk een enorme impact. Indien dit het geval zou zijn, dan zou dit loodrecht staan tegenover één van de subdoelen van het programma: het verhogen van het veiligheidsgevoel. Naast het verkrijgen van tips voor onopgeloste zaken, probeert de politie met het programma namelijk de kijker een veiliger gevoel te geven. Duidelijk is dus dat de literatuurstudie genoeg stof leverde voor een uitgebreid onderzoek.

 

De kijkers van De Gouden Tip
Op basis van de bevindingen uit de literatuurstudie is een vragenlijst samengesteld die binnen 3.000 Limburgse huishoudens is verspreid. Hierin werden de burgers onder andere gevraagd naar hun mediagebruik, hun regionale interesse en het bekend zijn met De Gouden Tip. Op basis van de 700 geretourneerde vragenlijsten is een kijkersprofiel opgesteld. Hieruit blijkt dat zowel mannen als vrouwen naar het programma kijken. De kijkers zijn voornamelijk ouderen. Des te hoger de leeftijd, des te meer men kijkt naar De Gouden Tip. De kijkers hebben een lager niveau wat betreft opleiding en inkomen (figuur 1). Ze hebben een grote interesse in lokale en regionale gebeurtenissen en maken veel gebruik van lokale en regionale media. Behalve naar De Gouden Tip kijken ze graag naar spelprogramma’s, documentaires en Nederlandse series. Uit het onderzoek blijkt verder dat jongeren bijna nooit naar het programma kijken. Zij geven aan zelden naar regionale televisie te kijken, dus kijken ook zeer zelden naar De Gouden Tip. De meeste jongeren kennen de naam van het programma niet als hiernaar gevraagd wordt (figuur 2). Al deze bevindingen sluiten nauw aan bij de verwachtingen op basis van de literatuurstudie.

Binnen de vragenlijst werd de kijkers ook nog twintig positief en negatief geformuleerde stelling voorgelegd. Hierop konden zij reageren door aan te geven in welke mate ze het eens of juist oneens zijn met de stelling. Op basis van de stellingen ontstond een beeld hoe de kijkers het programma beoordelen. Hieruit bleek dat de kijkers het programma over het algemeen zeer waarderen. Ze vinden het een nuttig programma en vooral de manier van presenteren, de reconstructies en de herhalingen worden positief beoordeeld. Als kritiek gaf maar liefst 52% van de kijkers aan dat het programma te weinig wordt uitgezonden (eenmaal per twee weken). Maar liefst 72% van de kijkers vond dat het programma te veel zaken behandeld in een te kort tijdsbestek (18 minuten). Dit laatste zorgt ervoor dat de kijker zich overspoeld voelt met informatie.

Zoals de meeste regionale opsporingsprogramma’s wordt De Gouden Tip ondersteund door een internetsite. Deze site www.degoudentip.tv is een goede mogelijkheid om behandelde zaken nog eens rustig te bekijken. Binnen de vragenlijst is de respondenten gevraagd of zij de site wel eens bezocht hebben. Hierop reageerde slechts 3% positief. Met andere woorden: slechts 23 personen gaven aan de site wel eens bezocht te hebben. De personen die de site wel eens bezocht hadden gaven aan wel tevreden te zijn met de site. De informatie die ze zochten, vonden ze ook op de site. Daarnaast gaven de bezoekers aan dat ze de site een ideale aanvulling vonden op het programma. De site zit dus inhoudelijk goed in elkaar. Maar ook hier geldt net als bij het programma: puur een boodschap maken en verspreiden is niet voldoende. Deze moet ook ontvangen worden.  

 

Opsporings-TV en onveiligheidsgevoelens
Toen de politie begin jaren zestig tot de jaren tachtig een start maakte om de televisie in te schakelen bij het opsporen van verdachten ontvingen zij veel kritiek in de media en de politieke wereld. De incidentele uitzendingen van politiebericht met de bekende openingszin “De politie vraagt uw aandacht voor het volgende…” waren zeer bekend, maar hadden een negatief bijeffect. Het verzoek aan de burgers om mee te helpen bij een opsporing werd namelijk op een dusdanige zakelijke wijze gedaan dat veel kijkers opschrokken dat er blijkbaar iets ergs was gebeurd. Destijds besteedde bijna geen enkele landelijke krant of televisieprogramma veel aandacht aan kleine of grote criminaliteit. Met de komst van AVRO’s Opsporing Verzocht veranderde dit. Dit programma werd in 1982 voor het eerst uitgezonden, in navolging van het populaire Duitse opsporingsprogramma Aktenzeichen XY Ungelöst. Het programma toonde veel beelden en gegevens, maar ook reconstructies van misdrijven waarbij de kijkers om hulp werd gevraagd. De kritiek vanuit de reclassering en de advocatuur was heftig. Het programma zou een heksenjacht aanmoedigen en de angstgevoelens bij de burgers zouden versterkt worden. Deze kritiek nam pas in de jaren negentig af. Onder andere de komst van de commerciële televisie wordt hiermee in verband gebracht.

Hoewel de discussie anno 2007 afgenomen is, is het effect van dergelijke opsporingsprogramma’s op de angst of onveiligheidsgevoelens van de kijker nog altijd onderwerp van discussie. Vooral omdat politiekorpsen een regionaal opsporingsprogramma zien als instrument om het veiligheidsgevoel van de kijker te verhogen. Een tweede onderzoek binnen de studie naar De Gouden Tip onderzocht het effect van het kijken naar het programma op de onveiligheidsgevoelens. Dit gebeurde met behulp van een telefonisch experiment. Een groep frequente ‘De Gouden Tip-kijkers’ werd verdeeld over een controlegroep en een experimentele groep. Door de groepen gelijkmatig te verdelen naar geslacht, leeftijd en opleiding ontstonden twee (bijna) gelijke groepen. Bij de controlegroep werden de onveiligheidsgevoelens gemeten vlak vóór de uitzending van De Gouden Tip en bij de experimentele groep direct ná de uitzending. Eventueel gevonden verschillen in onveiligheidsgevoelens tussen de twee groepen konden op deze manier toegeschreven worden aan het kijken naar De Gouden Tip.
Uit het experiment blijkt dat de personen die De Gouden Tip hebben gezien, zich beduidend onveiliger voelen dan de personen die het programma niet hebben gezien. De onveiligheidsgevoelens zijn op drie verschillende manieren gemeten en op alle drie de manieren scoren de kijkers hoger dan de niet-kijkers (tabel 3). Het effect was ook voor iedereen hetzelfde, ongeacht het geslacht, de leeftijd of het inkomens- en opleidingsniveau van de respondent. Uit een statistische test blijkt dat dit verschil in scores niet op toeval berust. Hiermee is aangetoond dat De Gouden Tip een tegengesteld effect heeft dan bedoeld: het zorgt voor een onveiliger gevoel.

 

En nu?
Het onderzoek naar De Gouden Tip heeft opmerkelijke resultaten geleverd. Resultaten waarover de politiekorpsen Limburg-Noord en Limburg-Zuid zich samen met justitie en L1-TV op dit moment over buigen. Uit het onderzoek komt onder andere naar voren dat jongeren niet bereikt worden via de regionale televisie. Een aanbeveling op basis van het onderzoek luidt de jongeren te bereiken via andere kanalen. Dus naast het regionale opsporingsprogramma een apart medium inzetten om de jongeren te betrekken bij het opsporingsproces. Internet zou een goed medium zijn. Meer dan negentig procent van de jongeren heeft thuis toegang tot het internet. Zij besteden hier steeds meer tijd aan, en steeds minder aan televisiekijken. Zo is het mogelijk een speciale site voor jongeren op te zetten waarin onopgeloste zaken zijn weergegeven. Ook kan op populaire regionale jongerensites aandacht voor onopgeloste criminele zaken worden gevraagd. Er zijn inmiddels veel internetforums voor jongeren. Zij zijn de toegangspoort tot de jongeren.

Een andere belangrijke uitkomst uit het onderzoek is de kritiek op de uitzendduur en de uitzendfrequentie van het opsporingsprogramma. Op basis van dit resultaat is aanbevolen om meerdere malen per week uit te zenden en dan korte uitzendingen. Binnen een uitzending zou dan bijvoorbeeld slechts één zaak worden behandeld. Op deze wijze wordt de kijker niet overspoeld met informatie. Een ander voordeel van vaker en korter uitzenden, is dat een uitzending van een regionaal opsporingsprogramma bijvoorbeeld standaard direct na het regionale nieuws uitgezonden kan worden. Dit zijn vaak de best bekeken programma’s, dus zo bereik je direct een grote groep kijkers. Tot slot heeft vaker uitzenden als voordeel dat zaken sneller behandeld kunnen worden. Indien een misdrijf plaatsvindt, maar de uitzending van De Gouden Tip is net geweest, dan duurt het twee weken voordat een zaak in het programma behandeld wordt. Door de uitzendfrequentie te verhogen komen zaken sneller onder de aandacht wat de kans op een gouden tip verhoogd.

Een derde belangrijke uitkomst van het onderzoek betreft de terugkoppeling naar tipgevers. Het succes van een regionaal opsporingsprogramma is afhankelijk van de tips die kijkers van het programma aanleveren. De kijker heeft het vermoeden dat hij informatie heeft waarmee hij de politie kan helpen en neemt de moeite om dit te melden. Uit het onderzoek komt naar voren dat tipgevers het erg waarderen als vervolgens nog een terugkoppeling plaatsvindt over wat hun tip heeft opgeleverd. Een tip geven over een misdrijf aan de politie is iets wat je als burger niet dagelijks meemaakt. De gemiddelde Nederlandse burger komt één keer per vijf jaar in aanraking met de politie. In de meeste gevallen gaat het dan om een inbraak, ongeval of bekeuring. Getuigen zijn van een misdrijf is iets wat veel minder vaak voorkomt. Indien een burger dit overkomt en hij besluit naar de politie te stappen, dan is dit in veel gevallen een behoorlijke stap. Als een tipgever vervolgens niets meer over ‘zijn of haar tip’ hoort terwijl de zaak nog wel speelt in zijn belevingswereld, dan leidt dit tot onvrede. Uit het onderzoek naar De Gouden Tip komt naar voren dat dit zelfs ertoe leidt dat mensen in het vervolg minder bereid zijn om tips te geven. Terwijl dit met één telefoontje voorkomen kan worden.

Ten slotte leert het experiment dat het regionale opsporingsprogramma het tegenovergestelde effect heeft als bedoeld: kijkers voelen zich juist onveiliger na een uitzending. Een opvallende constatering, maar ook redelijk logisch. De kijker ziet wat er binnen zijn eigen woongebied allemaal aan criminaliteit plaatsvindt; dit geeft een onveilig gevoel. Maar het maakt hen ook alerter, en werkt dus ook positief. En dat is wat het programma ook ten doel moet hebben. Een opsporingsprogramma moet, naast het oplossen van misdrijven, niet als doel hebben een veiliger gevoel te creëren bij de kijker. Het moet burgers juist alert maken. Het zorgen voor een veilige samenleving is niet alleen de taak van politie en justitie, het is de taak van iedereen binnen de samenleving.

 

Periodiek onderzoek
Het onderzoek naar De Gouden Tip heeft de Limburgse situatie in kaart gebracht. De resultaten uit dit onderzoek en de conclusies gelden dus niet automatisch voor alle regionale opsporingsprogramma’s in Nederland. Het onderzoek toont echter wel aan dat een gedegen onderzoek van groot belang is. De huidige regionale opsporingsprogramma’s zijn steeds professioneler qua aanpak. Een degelijk kijkersonderzoek dat periodiek herhaald wordt hoort bij deze professionele aanpak. Zonder inzicht in de kijkers en hun behoeftes, is inspelen op de wensen van de doelgroep onmogelijk. En dit is juist zo belangrijk, want een beperkte groep kijkers heeft als gevolg een beperkt aantal tips.

Dit verhaal is een samenvatting van het onderzoeksrapport ‘De Gouden Tip, boeiend?’ Voor meer informatie over het onderzoek kunt u een email sturen naar menno.gaal@limburg-noord.politie.nl.

 
Literatuur

Chiricos T., Eschholz, S. & Gertz, M. (1997). Crime, News and Fear of Crime: Toward an identification of Audience Effects. Social Problems, Vol. 44, nr 3, p. 342-357.

Goodhardt, G.J. & Ehrenberg, A.S.C. (1969). Duplication of Television Viewing between and within Channels. Journal of Marketing Research. Vol. 6, nr 2, p. 169-178.

Hollander, J.A. (2001). Vulnerability and dangerousness: The construction of gender through conversations about violence. Gender and Society, 15, p. 83-109.

Hollander, E., Vergeer, M. & Verschuren, P. (1993). Het publiek van lokale en regionale media. Massacommunicatie, 21, 22-45.

Knulst, W., & Kraaykamp, G. (1996). Leesgewoonten: een halve eeuw onderzoek naar het lezen en zijn belagers. Rijswijk:SCP.

Kuijvenhoven, A. (2005). Van strohalm tot strategie, p. 38. Vlaardingen. 

Liska, A.E.  & Baccaglini, W. (1990). Feeling Safe by Comparison: Crime in Newspapers. Social Problems, Vol. 37, nr 3, p. 360-374.

O’Connell, M. (1999). Is Irish public opinion towards crime distorted by media bias? European Journal of Communication, 14, p. 191-212.

Pluyter, Th., (1974). Het inschakelen van de burgers bij het opsporen van criminelen door middel van de massamedia. Apeldoorn.

Stevens, F. (2004). Jeugd en media. Het leven zoals het is…Media als verlengstuk van het dagelijks leven. Leuven.

Westerik, H. (2001). De verklaring van het gebruik van lokale media. Nijmegen

 

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2007, jrg. 69, nr. 3, p. 10-15

0 reacties

Reageer op dit artikel