Achtergrond rellen in Franse voorsteden: Geweldsexplosie was niet te vermijden

Op 27 oktober 2005 drongen drie jongens uit een Parijse voorstad een elektriciteitshuisje binnen. Twee van hen werden geëlektrocuteerd. Het (vermeende) causale verband tussen het politieoptreden en de dood van de jongens was de vonk in het spreekwoordelijke kruitvat. Banlieues in heel Frankrijk vormden drie weken lang het decor van ongekend felle sociale onlusten. Welke factoren speelden een rol in de aanloop naar en in het verloop van de ongeregeldheden?

De explosieve situatie die in oktober en november 2005 in Frankrijk tot een uitbarsting kwam, kon ontstaan door een complex mengsel van factoren dat in de loop van de jaren heeft kunnen rijpen en gisten. De voorsteden, of banlieues, zijn veelal synoniem voor immigratie, armoede, criminaliteit en gebrek aan perspectief: een problematiek die gevoelig is voor politisering en annexatie door extreemrechts of extreemlinks. De vrees daarvoor lijkt er debet aan dat het in het verleden heeft ontbroken aan een fundamenteel debat over de sociaal-maatschappelijke realiteit in de voorsteden en een integrale aanpak daarvan. Oplossingen werden eerder gezocht in deelmaatregelen voor deelproblematieken.
In het verleden zijn dergelijke violences urbaines vaker opgetreden. De omvang bleef echter beperkt en meestal keerde de rust na enkele nachten terug, zeker nadat de CRS en de Gendarmes Mobiles, de Franse ME, zich uit de wijken hadden teruggetrokken. Met deze 'terugtrekstrategie' heeft verantwoordelijk minister Sarkozy van Binnenlandse Zaken nadrukkelijk willen breken. Hij gaf aan niet te kunnen accepteren dat er, zelfs maar tijdelijk, zones de non-droit in Frankrijk zouden zijn.
Overigens zijn er geen aanwijzingen dat de rellen van vorig jaar een religieuze achtergrond hebben. Sterker nog, de fatwa's van een aantal imams, waarin het geweld scherp werd veroordeeld, sorteerden geen enkel merkbaar effect. Tekenend in dit verband is wellicht dat men ook heeft geprobeerd brand te stichten bij enkele moskeeën.
 

Aanleiding en gevolg
Op donderdagmiddag 27 oktober 2005 vonden in Clichy-sous-Bois, een voorstad van Parijs, twee jongens de dood en raakte er één zwaar gewond toen zij een elektriciteitshuisje binnendrongen en werden geëlektrocuteerd. De overleden jongens waren Turkse en Malinese komaf. Al snel deed het verhaal de ronde dat het drietal op de vlucht zou zijn geweest voor de politie, die onderzoek deed naar een inbraak c.q. vernieling van een bouwkeet in een aanliggende gemeente. Het (vermeende) causale verband tussen het politieoptreden en de tragische dood van de jongens was de vonk die het kruitvat in eerste instantie deed ontploffen. Fel taalgebruik van minister Sarkozy aan het adres van de geweldplegers en andere maatregelen, zoals het uitroepen van de noodtoestand, hielden het vuur – letterlijk – brandend of wakkerden het zelfs verder aan. Na 21 dagen van ongeregeldheden, verspreid over heel Frankrijk, kon de balans worden opgemaakt: ruim 10.000 auto's gingen in vlammen op, meer dan 3000 verdachten werden gearresteerd en aan overheidsgebouwen en particulier bezit werd voor ongeveer 250 miljoen euro schade aangebracht. Verder vele tientallen gewonden, niet alleen onder actievoerders en de ME, maar ook onder burgers en passanten en tot slot enkele overlijdensgevallen die in meer of mindere mate aan de ongeregeldheden zijn toe te schrijven.
Uit analyses blijkt dat deze uitbarsting van maatschappelijke onrust het gevolg was van een mengsel van sociaal-economische factoren in de Franse achterstandswijken. Hier volgen de belangrijkste elementen.
 

Huisvesting en stadsvernieuwing
Probleemwijken in Frankrijk zijn over het algemeen veel groter dan in Nederland. In Frankrijk zijn hele (combinaties van) steden als quartier sensible aan te merken. Veel moeilijke wijken (ZUS: zone urbaine sensible) in de Franse voorsteden bestaan voor 80 procent uit sociale woningbouw. Enkele uren voor de rellen uitbraken, was minister Pechtold op werkbezoek in Parijs. De sous-préfet van Seine-Saint-Denis vertelde bij deze gelegenheid dat binnen haar préfecture, de noordelijke voorsteden van Parijs, 340.000 inwoners zijn gehuisvest in HLM's (habitation à loyer modéré, sociale woningbouw). Het overgrote deel van de bewoners, vooral (al dan niet legale) immigranten of hun kinderen, leeft bovendien op of onder het bestaansminimum.
Naast het hoge percentage sociale woningbouw en de slechte staat van onderhoud draagt ook de ligging van wijken bij tot de problematiek. Bij de ontwikkeling van de nieuwe, moderne, functionele wijken van de jaren '60 en '70, die veelal ver verwijderd liggen van centra en stadskernen, is nauwelijks rekening gehouden met economische en sociale activiteit. Mede daardoor ontbreekt het aan lokale werkgelegenheid en voorzieningen voor jongeren.

De slechte huisvesting van immigranten en asielzoekers haalde het afgelopen jaar meerdere malen indringend de publiciteit. Zo vielen er veel slachtoffers toen een hotel afbrandde waarin asielzoekers waren ondergebracht, en bij branden in twee onbewoonbaar verklaarde panden die door illegale migranten waren gekraakt. Hierop werden brandgevaarlijke panden gesloten en kwamen veel illegale bewoners op straat te staan. Deze gebeurtenissen hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de bestaande onvrede over de woon- en leefsituatie en het gevoel te worden achtergesteld.
 

Werkgelegenheid
Het gebrek aan werkgelegenheid is in de buitenwijken een groot probleem. Volgens officiële statistieken was in 2003 gemiddeld 20 procent van de bewoners van een ZUS werkloos, het dubbele van het nationale gemiddelde. Bijna 40 procent van de generatie geboren tussen 1973 en 1983 en wonend in een ZUS is inactief, dat wil zeggen niet werkend en niet schoolgaand. Bovendien is voor een werknemer van buitenlandse afkomst de kans dat hij zijn baan verliest 15 à 17 procent hoger dan voor iemand van Franse origine in vergelijkbare omstandigheden. Het gevoel slachtoffer te zijn van discriminatie op grond van afkomst en woonplek leeft dan ook sterk onder de bevolking van de banlieues.
 

Onderwijs
Het Franse onderwijssysteem is gericht op de selectie van de beste leerlingen. Vanaf het begin van de lagere school zijn kinderen met elkaar in competitie. Alleen de besten worden toegelaten tot de betere vervolgopleidingen. Inherent aan de voortdurende competitie en selectie is de geringe aandacht voor de afvallers, waardoor een soort 'alles of niets'-situatie ontstaat.
Het volgen van openbaar onderwijs is bovendien geografisch bepaald; kinderen gaan naar de school in de eigen wijk. Alleen kinderen van ouders die zich de kosten van een privé-school kunnen veroorloven en van ouders die zwaarwegende argumenten in stelling brengen, zijn hiervan vrijgesteld. Privé-scholen hanteren vaak strenge selectie-eisen; scholen zijn immers ook met elkaar in competitie over de schoolprestaties van hun leerlingen. Een valse start op een 'zwarte' school in een buitenwijk maakt het dus voor een leerling vrijwel onmogelijk later ooit een grande école binnen te komen. De wijkgebonden benadering zorgt ervoor dat ieder kind vlak bij huis naar school kan. De keerzijde is dat kinderen uit achterstandswijken niet via de schoolkeuze kunnen ontsnappen aan de achterstandsomgeving. Het fenomeen dat hieruit voortkomt, wordt door criticasters aangeduid als de 'reproductie van sociale klassen'.
Tijdens de rellen zijn zo'n vijftig schoolgebouwen in vlammen opgegaan. Ongetwijfeld heeft dat met de ligging van de gebouwen te maken, maar scholen staan juist in de banlieues ook symbool voor de aanwezigheid van de staat en het gebrek aan perspectief dat deze leerinstellingen bieden.
 

Discriminatie
Discriminatie een belangrijke factor bij de hoge (jeugd)werkloosheid in de banlieues. Veel jongeren gaven bij straatinterviews aan het gevoel te hebben te worden buitengesloten: een gevoel dat wordt ondersteund door de rapportagegegevens van de Haute Autorité de lutte contre les discriminations et pour l'égalité (HALDE), de Groupe d'étude et de lutte contre les discriminations (GELD) en het Observatoire des discriminations. Het beeld dat zij in recente studies schetsen over de relatie tussen discriminatie en werkgelegenheid is zonder meer somber.
Discriminatie is een beladen begrip in het land waar égalité een van de fundamentele waarden is. De overheid treedt streng op tegen discriminatie, er zijn veelvuldig civiele acties tegen (soms vermeend) discriminatoir gedrag, maar de keerzijde van de gelijkheid is wel dat zij ook nauwelijks ruimte biedt voor positieve discriminatie. Het politieke debat over de toelaatbaarheid van positieve discriminatie is momenteel volop gaande. De uitkomst van dit debat is nog onzeker. Voorlopig is de regering beperkt in de keuze van instrumenten bij de aanpak van de problemen in de voorsteden.
Het gelijkheidsbeginsel levert bovendien een handicap op voor de regering bij het bepalen van het integratiebeleid; statistieken over de bevolkingssamenstelling mogen niet worden bijgehouden. Er bestaat geen equivalent voor de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie, laat staan een koppelingswet.
 

Integratie
Het Franse integratiemodel gaat uit van gelijkheid en gelijke kansen zodra iemand de Franse nationaliteit bezit. Onder deze omstandigheden zou de integratie als vanzelf moeten verlopen. Daarbij wordt vanzelfsprekend aangenomen dat iedereen er trots op is de Franse nationaliteit te mogen dragen en zich zo snel mogelijk aanpast. Multiculturalisme is vanuit die gedachtegang uit den boze en wordt zelfs geassocieerd met extreemrechts. Het in stand houden van de eigenheid van de immigrant zou namelijk betekenen dat iemand nooit volwaardig Fransman zou kunnen worden. In die optiek kan integreren dan ook alleen via assimilatie.
De praktijk blijkt weerbarstiger. Veel immigranten zijn in de eerste plaats naar Frankrijk gekomen in de hoop geld te kunnen verdienen en niet vanwege de Republikeinse normen en waarden. Daar waar grote concentraties immigranten samen wonen, is de identificatie met Frankrijk zwak. Wetenschappers die vanuit criminologische invalshoek onderzoek verrichtten naar de banlieues, concludeerden dat veel buitenwijken zelfs amper banden hebben met 'Frankrijk' en de Franse systemen: men kent er eigen regels en de lokale economie is geheel in zichzelf gekeerd, zonder banden met de reguliere Franse economie. Daarentegen zijn er wel economische relaties met de landen van oorsprong.
 

Rechtshandhaving
Het is onmiskenbaar dat in het afgelopen jaar de repressieve druk vooral in de banlieues fors is opgelopen. Reeds eind 2004 werd duidelijk dat de politie er maar niet in slaagde de sinds 2002 landelijk dalende trend in de criminaliteitscijfers ook in deze gebieden af te dwingen. In een reactie daarop werden 22 extreem problematische wijken aangewezen, waar de politie de violences urbaines tegen elke (vooral repressieve) prijs diende terug te dringen. De regering besloot deze wijken medio 2005 een 'eigen' ME-esquadron toe te delen om de rust en veiligheid te handhaven. Tegelijkertijd werd de grip van de GIR's, de gecombineerde opsporingsteams van Police Nationale, gendarmerie, douane, FIOD-ECD en de uitkeringsfraude-opsporingsinstanties op de ondergrondse economieën van de banlieues steeds groter. Het 'domein' van de onderwereld werd tevens bedreigd door een aangescherpt uitzettingsbeleid voor illegale vreemdelingen en een hardere aanpak van de illegale arbeid. De operationele uitwerking van deze prioriteitstellingen laat zich het zwaarst voelen onder de bevolking van de sociaal zwakke voorsteden.
 

Wijkpolitie
Met het introduceren van een meer resultaatgerichte cultuur binnen Police Nationale en de gendarmerie nam de regering impliciet afscheid van het onder de vorige – socialistische – regering ingevoerde streven naar wijkgericht politiewerk naar Noord-Europees model. In het Franse denken liggen preventieve en repressieve politiezorg niet per se in het verlengde van elkaar. 'Wijkgericht politiewerk dat niet leidt tot toename van het aantal arrestanten, leidt tot niets', zo verklaarde minister Sarkozy meerdere keren. Onlangs voegde hij hieraan toe dat aanhouding en bestraffing van strafbare feiten de beste vorm van preventie zijn. Hoewel het concept van een meer buurtgerichte politiezorg nog lang niet tot volle wasdom was gekomen en de regiefunctie van de politie over de veiligheid in de wijk in het Franse model nauwelijks reliëf kreeg, betekende deze koerswijziging het verlies van de moeizaam verkregen relatienetwerkjes in veel probleemwijken. Voorzover er contacten zijn met organisaties in de buurt is het maar sterk de vraag of deze 'associations' enige grip hebben op het gedrag van de jongeren in hun wijk.
De relatie tussen de politie en de veelal jeugdige bevolking van de banlieues is vooral van repressieve aard. De politie heeft nauwelijks krediet. Het proces van verharding en vijanddenken aan beide zijden is al geruime tijd aan de gang.
 

Organisatie, criminaliteit en bendevorming
In eerste aanleg hebben minister Sarkozy en directeur-generaal Gaudin van de Police Nationale zich uitgelaten in termen van een goed georganiseerd massaal verzet tegen de politie. Dit beeld is niet bevestigd in het later uitgevoerde onderzoek van onder meer de Renseignements Généraux (Inlichtingendienst). Zeker op nationaal niveau was er geen sprake van een centrale aansturing en organisatie van de rellen. Op lokaal niveau blijkt het beeld divers: in sommige wijken waren de geweldsuitbarstingen 'spontaan', terwijl zij in andere leken te zijn georganiseerd. Daar probeerden vooral criminele elementen de regie naar zich toe te trekken: immers, criminele bendes hebben er belang bij dat hun territoir voor de politie een gebied blijft waarin alleen gepland en met inzet van extra mensen en middelen kan worden geopereerd. Dat heeft niet alleen met status te maken ('de politie is, net als andere bendes, de vijand en wij accepteren geen vijand op ons grondgebied'), maar ook met een zo ongestoord mogelijke voortzetting van illegale activiteiten na de rellen.
Gewezen wordt nog op het aspect van onderlinge rivaliteit tussen groepen en bendes uit aanliggende banlieues en soms zelfs binnen wijken: ook hier speelde zonder twijfel territoriumafbakening en competitie om media-aandacht een rol. In zekere zin heeft Frankrijk tijdens de rellen een soort nationale competitie auto-in-de-brand-steken beleefd. Op enig moment hebben de media zichzelf merkbaar beperkingen opgelegd ten aanzien van de berichtgeving rond aantallen in brand gestoken auto's en de precieze locaties waar massale incidenten plaatsvonden.
 

Maatregelen
Reeds tijdens de rellen stelde de Franse regering ingrijpende maatregelen in het vooruitzicht ter verbetering van het woon-, werk- en leefklimaat in de banlieues en de sociale omstandigheden van zwakkeren in de samenleving. Als uitvloeisel daarvan bereiken nu met regelmaat nieuwe wetsvoorstellen het Franse parlement.
Zo staat stadsvernieuwing al jaren centraal in het Franse grotestedenbeleid. Dit beleid is erop gericht grote flatgebouwen neer te halen en te vervangen door kleinere wooneenheden. Het programma voorziet tevens in een vermindering van het aantal wooneenheden in risicowijken. Omdat, afgezet tegen de aard en spreiding van de problematiek, de nieuw- en verbouwprojecten niet leidden tot een echte doorbraak op huisvestingsgebied, besloot de regering de middelen hiervoor de komende twee jaar met 25 procent te verhogen zodat de uitvoering versneld kan worden. Flankerend beleid moet nog verder gestalte krijgen: een meer gemengde (economische en culturele) samenstelling van wijken en een oplossing van de problematiek van illegale bewoning blijven pièces de résistance.

Ook op onderwijsgebied zijn nieuwe maatregelen aangekondigd. Het bestaande programma ter verbetering van het onderwijs kent zones d'éducation prioritaire (ZEP). In deze gebieden zijn de klassen kleiner en is meer geld beschikbaar voor taal- en bijscholing. Het aantal ZEP's zal worden opgevoerd. Ook moet het in de toekomst mogelijk worden getalenteerde leerlingen op basis van een dossierselectie toe te laten tot prestigieuze scholen. De kwaliteit van het onderwijzend personeel in de banlieues zal worden verbeterd door plaatsing van duizend ervaren leerkrachten op de 250 meest problematische middelbare scholen.
Tegelijkertijd is de regering De Villepin een groot offensief gestart om de werkgelegenheid te bevorderen. Zo probeert het Franse arbeidsbureau ANPE met een grootscheepse actie jongeren uit de ZUS aan een baan te helpen, zullen er meer gesubsidieerde banen (soort 'Melkert-banen') worden gecreëerd, komen er meer leer-/werkplekken en er zal een premie worden ingevoerd op het vinden van werk. In het verleden zijn zones franches urbaines (ZFU, zone waarin het bedrijven fiscaal aantrekkelijk wordt gemaakt zich op die plek te vestigen en mensen uit de wijk in dienst te nemen) ontwikkeld in reactie op het gebrek aan economische activiteit in de ZUS. Deze zones hebben laten zien een economische dynamiek op gang te kunnen brengen. Gezien dit succes zal het aantal ZFU's worden uitgebreid van 85 naar honderd. Verder hoopt men het in dienst nemen van jongeren zonder arbeidservaring te stimuleren door de ontslagbescherming in de eerste twee jaar van het dienstverband drastisch te verminderen.

De (ultra)rechtse flank van het politieke speelveld aarzelde niet om de problemen in de buitenwijken te wijten aan ongebreidelde immigratie. Er is onder de bevolking veel steun voor de ferme aanpak van minister Sarkozy voor herstel van de orde in de buitenwijken en een restrictiever immigratiebeleid. Voorts zet de Franse regering stevig in op het tegengaan van illegale immigratie, onder meer door het beboeten van werkgevers die illegalen in dienst hebben en door het systematisch uitzetten van illegalen. Inmiddels zijn nieuwe wetsvoorstellen ingediend die tot doel hebben gezinshereniging in te perken en selectieve arbeidsmigratie te stimuleren.

Of de maatregelen een herhaling van deze geweldsexplosie kunnen voorkomen, zal de toekomst leren. De jaarwisseling, die met vrees werd tegemoetgezien, is naar Franse begrippen rustig verlopen. De violence urbaine is de afgelopen weken weer op haar oude niveau terug: per nacht gaan in Frankrijk gemiddeld weer 'maar' honderd auto's in vlammen op.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2006, jrg. 68, nr. 4, p. 17-20