Actieve burgers in onveilige wijken: naar een gezamenlijke en effectieve aanpak

Door Dr. B.A.M. van Stokkom en P.L.B. Toenders, 01 augustus 2009 09:57 uur0 Waardering:

Actieve burgers in onveilige wijken: naar een gezamenlijke en effectieve aanpak Uit veel onderzoek blijkt dat kansarme wijken geen geschikte bewonersorganisaties hebben. Vooral in buurten met veel uiteenlopende bevolkingsgroepen is het vermogen zelf problemen op te lossen vaak slecht ontwikkeld. Over het algemeen heerst er een cultuur van ‘afwachten’. De politie heeft moeite burgers meer te laten melden en zelf toezicht te laten houden.

In de studie ‘De sociale cohesie voorbij. Actieve burgers in achterstandswijken’, die binnenkort verschijnt in opdracht van het lectoraat Gemeenschappelijke Veiligheidskunde, is nagegaan hoe bewonersactivisme in achterstandswijken kan worden bevorderd. Hoe kan onder moeilijke omstandigheden activisme gestimuleerd worden? In welke opzichten kan dat activisme bijdragen aan veiligheid? Wat kunnen professionals doen? Wat zijn prioriteiten? In het onderzoek zijn vele uiteenlopende literatuurbevindingen samengenomen en zijn gesprekken gevoerd met actieve bewoners en met professionals.

 

In de literatuur keren twee problemen voortdurend terug. Ten eerste is het moeilijk mensen uit etnische groepen te betrekken. Zij verkeren vaak in het relatieve isolement van het eigen sociale netwerk. Daarbij speelt dat bestaande bewonersorganisaties relatief gesloten zijn. Nieuwkomers worden er vaak onbedoeld van weerhouden binnen die verenigingen te participeren. Participatie beperkt zich aldus tot eenzelfde klein groepje van (relatief oudere) bewoners dat weinig openstaat voor nieuwe kansen en vooral naar het verleden kijkt. Ten tweede brengen tijdelijke projecten en impulsen risico’s met zich mee. Er is een gebrek aan afstemming tussen al die projecten. Bewoners kunnen snel gefrustreerd raken wanneer de ondersteuning plotseling wegvalt en de betreffende professionals worden weggehaald. De ‘projectencarrousel’ kan dan ook aanzetten tot veel scepsis en wantrouwen.


Verder blijkt uit veel studies dat bewoners niet zitten te wachten op van bovenaf ‘gedropte’ en ‘voorgekookte’ projecten inclusief meetinstrumenten als ‘straatladders’ (zoals de Rotterdamse aanpak Mensen Maken de Stad). Zij voelen zich dan niet serieus genomen. Niettemin, uit het recente proefschrift ‘Buurten bij beleidsmakers’ van Erik van Marissing kan worden opgemaakt dat het activeren van bewoners in kwetsbare buurten alleen mogelijk is wanneer professionals een initiërende en stimulerende rol spelen. Daadkracht en een goede stijl van communiceren bepalen of burgers zelf ook actief worden. Omgang met doortastende professionals vergroot ook de bereidheid van bewoners hulp in te schakelen en incidenten te melden, en zelf mensen aan te spreken op hinderlijk gedrag. Wel speelt volgens Van Marissing de vraag of dat nieuwe afhankelijkheden en een ‘vraaghouding’ bij bewoners voortbrengt.
Uit veel onderzoek blijkt dat het aspect van sterke sociale bindingen in de straat weinig ter zake doet voor de activering van bewoners. Sterke bindingen en dichte netwerken zijn zelfs vaak een hindernis voor actief burgerschap. Die netwerken kunnen bijvoorbeeld een onverschillige houding stimuleren of in het teken staan van de illegale straateconomie. Het ontwikkelen van een lokaal sociaal netwerk en ‘herstel van het sociale weefsel’ zijn dan ook geen strikte voorwaarden voor participatie van bewoners. Informele sociale controle (onder andere toezicht op kinderen) en andere vormen van publieke dienstverlening (onder andere straat schoonhouden) worden eerder bevorderd door een gedeelde perceptie van de kwaliteit van de buurt (en de rol van de politie en de lokale overheid daarin). Het gaat niet om de hoeveelheid sociale contacten of bindingen of de intensiteit ervan, maar om de kwaliteit ervan: staan ze in dienst van burgerschap of vooruitkomen?


De belangrijkste voorwaarde voor burgerparticipatie is gehecht zijn aan de buurt (‘je thuis voelen’), vooral identificatie met een toekomstige imagined community. Het gaat dus niet om een ‘overgeërfd buurtbeeld’ of een nostalgisch terugkijken naar vroeger. Dat maakt mensen niet actief. Identificatie met een krachtige en vitale wijk duidt op een mentale investering in ‘heel de buurt’. Daardoor krijgt men oog voor en maakt men zich zorgen om buurtproblemen, en gaat men vanuit gedeelde toekomstverwachtingen (‘een veilige wijk’) oplossingen bedenken.


Te weinig steun vanuit instanties

De interviews die we hebben gehouden met actieve bewoners leren dat deze bewoners moeten beschikken over een grote portie assertiviteit en doorzettingsvermogen. Anders worden zij niet gehoord en vinden zij niet de weg. Zij moeten daarnaast over communicatieve vaardigheden beschikken om toegang te verkrijgen tot de relevante netwerken. Sekse, klasse en etniciteit zijn daarbij belemmerende factoren. Vrouwen, lageropgeleiden en mensen uit etnische minderheden moeten over een veel hogere drempel heen om actief te worden. Die drie factoren wegen alle drie zwaar, zodat het benadrukken van enkel etniciteit als belemmerende factor een vertekening geeft.
De activisten steken wekelijks veel uren in het buurtwerk maar zij voelen zich niet overbelast. De buurtproblemen die als meest vervelend worden ervaren zijn overlast van hangjeugd en zwerfvuil. Er is sprake van een ‘improvisatiepolitiek’: men gaat van het ene probleem of incident naar het andere. Er bestaat nauwelijks een structurele visie op de ontwikkeling van de wijk.


De actieve bewoners oordelen positief over politiemensen als er sprake is van een zekere persoonlijke relatie en zij een communicatieve en handhavende werkstijl hanteren. Met andere woorden, de bewoners zijn er voorstander van dat een zichtbaar en vertrouwenwekkend optreden gecombineerd wordt met hard optreden als dat moet. Over de instanties is men veel minder te spreken; deze worden als bureaucratisch en matig functionerend ervaren.
De geïnterviewde politiemensen en professionals van sociale instanties geven aan dat je niet zomaar een project kunt ‘droppen’ zonder dat je weet wat de bewoners willen. Ze beseffen dat je responsief, attent en vitaal dient op te treden, zodat bewoners uit hun schulp komen. Je moet bewoners serieus nemen en aansluiten bij hun behoeften. Om bewonersactivisme te bevorderen achten de professionals initiatieven van onderop noodzakelijk.


De professionals zijn zonder uitzondering voorstander van het invoeren van reguliere consultatie van bewoners, waarbij iedereen plannen en ideeën kan inbrengen. Een solide ondersteuningsteam, een zogenoemd wijkkwartet, bestaande uit de wijkagent, de opbouwwerker, de wijkmanager en een medewerker van de woningbouwcorporatie, ziet men als een goede structuur om tot een integrale wijkaanpak te komen. Er moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan wil dat ‘wijkkwartet’ succesvol zijn. De eigen organisaties en de andere instellingen die werkzaam zijn in de wijk moeten zorg dragen voor back-up. De plannen die de bewoners aandragen en de hulp die nodig is, moeten ook daadwerkelijk en relatief snel worden geëffectueerd. Een andere voorwaarde is dat de vier organisaties zich moeten committeren aan deelname en inzet. Dat geldt vooral voor de politie. Volgens de geïnterviewde sociale professionals is de politie in de huidige samenwerkingsverbanden te vaak een onbetrouwbare partner omdat zij haar afspraken niet nakomt of simpelweg niet meedoet. Dat sluit aan op de bevindingen van Jan Terpstra die eerder had vastgesteld dat wijkagenten minder energie besteden aan lokale netwerken zonder zich echter helemaal terug te trekken. Zij hebben te maken met gebrek aan steun vanuit de eigen organisatie (zie onder andere zijn boek Wijkagenten en hun dagelijks werk).


Daadkrachtige professionals en regulier overleg met ‘doeners’

In veel achterstandswijken kan de invoering van een duurzame en voor een ieder toegankelijke overlegstructuur tussen bewoners en professionals profijt bieden. Het community policing-model van Chicago kan daarbij als leidraad fungeren. In Chicago wordt nu al meer dan vijftien jaar met grote volharding een veiligheidsbeleid toegepast waarin veel misdaad- en overlastproblemen in partnerships met burgers en ondernemers worden aangepakt. Die rigoureuze aanpak kent zijn weerga niet binnen de traditie van community policing. De aanpak is uniek omdat het vertrouwen van etnische groepen in de politie flink is toegenomen en omdat juist in de meest geplaagde wijken de onveiligheid is teruggedrongen.


Op basis van dat model zou je in achterstandswijken samenwerkingsverbanden kunnen creëren die verantwoordelijk zijn voor een doorlopende bespreking, agendering en prioritering van problemen van veiligheid en leefbaarheid, samen met bewoners. Buiten de effectieve bestrijding van onveiligheid biedt een dergelijke duurzame overlegstructuur een aantal belangrijke potentiële winstpunten.


Op de eerste plaats kunnen geplande interventies vooraf worden besproken en toegelicht, zodat de aard van de problemen en de verantwoordelijkheid van de verschillende professionals (en de instanties waar zij werken) duidelijk worden. De deelnemende partijen krijgen hierdoor ook een reëel beeld van wat zij kunnen verwachten, krijgen zicht op mogelijkheden en onmogelijkheden van handhaving van regels en het beheersen van soms onoplosbare problemen.
Met alle bewonersorganisaties en straatgroepen binnen de wijk kan een werkzame band worden ontwikkeld. Bewoners uit etnische groepen kunnen door actieve werving explicieter worden betrokken. Voorkomen kan worden dat de politie alleen of voornamelijk in contact treedt met groepen die hun visie delen (de ‘preferente burgers’). Professionals kunnen bescherming bieden zodat verwijten dat bepaalde (jeugd/etnische) groepen binnen de buurt ‘het probleem’ vormen, niet op conflicten hoeven uit te lopen.

 

Dit ingrijpende model van coproductie – zoals in Chicago is beproefd – zou niet in alle achterstandswijken geïmplementeerd moeten worden. Dat zou te veel van de betrokken instanties vragen. Wellicht kan invoering beperkt blijven tot de meest onveilige wijken waar vermijding en non-communicatie eerder regel zijn dan uitzondering. Verder is van belang dat deelname van een selecte groep van actieve bewoners volstaat. Dat zijn niet zozeer de ‘vergrijsde’ vergadertijgers in de oude bewonersorganisaties, maar eerder mensen die in de toekomst van de wijk geloven, onder wie allochtone stijgers in de gezinsfase en nieuwkomers in koopwoningen. Die schaarse groep verdient maximale ondersteuning door professionals. Hun inzet zou publiekelijk geprezen moeten worden en de buurtbevolking zou voortdurend van de vorderingen op de hoogte moeten worden gehouden.
Wij menen dat professionals in sterkere mate open moeten staan voor de taal van de burger en meer moeite moeten doen aan te geven waarom ingrijpen of hulpverlening nodig is. Zij zouden concreter kunnen aangeven wat zij precies willen bereiken. Zij zouden zich er ook van bewust moeten zijn dat zij ‘de’ bepalende factor vormen die activisme in de buurt stimuleert dan wel afhoudt. De beroepskrachten zijn op elkaar aangewezen en zouden elkaar onderling moeten corrigeren. Zo kunnen opbouwwerkers tegenwicht bieden aan de neiging van politiemensen zich te beperken tot criminaliteitsbestrijding en kunnen politiemensen opbouwwerkers erop wijzen wanneer zij zich te veel identificeren met de belangen van bewoners.

 

Vaak wordt verondersteld dat het herstellen en versterken van sociale cohesie tussen burgers een bijdrage levert aan burgerparticipatie. Maar gebleken is dat ‘herstel van samenhang’ en ‘buurtcohesie’ geen strikte voorwaarde zijn voor de bereidheid van bewoners actief te worden. Het gebruik van tools als straatcontactladders zou kritischer benaderd kunnen worden. Dat wil niet zeggen dat contacten er überhaupt niet toe doen. Sociale netwerken zouden echter sterker in het teken moeten staan van ‘overbruggend sociaal kapitaal’. Dat wil zeggen: ontmoetingen die ‘burgerschap’ en ‘vooruitkomen’ aanmoedigen.


Ten slotte, niet-participatie wordt te snel afgeschilderd als problematisch. Maar niet-meedoen kan ook voortvloeien uit een gevoel van tevredenheid. Een belangrijke aanbeveling uit ons onderzoek is dan ook: richt je op ondersteuning van een kleine groep die echt wil. Succesvolle coproductie staat of valt met het betrekken en ondersteunen van overtuigde ‘doeners’.

 

Foto: Roel Dijkstra

Bron: Het Tijdschrtift voor de Politie, jrg. 71, nr. 6, 2009

0 reacties

Reageer op dit artikel