Adsum Qui feci; Hier ben ik, die het heeft gedaan
Volgens artikel 53 en 54 van de Strafvordering moet een ieder die is aangehouden, worden voorgeleid voor een HOvJ.
Inleiding
De eerste voorgeleiding voor een HOvJ is procedureel van aard en heeft tot doel de verdachte door de HOvJ te doen horen. De voorgeleiding verschaft daardoor de mogelijkheid tot controle op de rechtmatigheid en aanvaardbaarheid van de voorafgaande aanhouding, alsook een mogelijkheid tot beoordeling of voortzetting van de vrijheidsbeneming nodig is.
In de praktijk blijkt dat het contact tussen de HOvJ en de verdachte gemiddeld 3 à 5 minuten in beslag neemt. De waarheidsvinding is in dit verband een bijkomstige zaak en vindt hooguit plaats indien tijdens de voorgeleiding onderwerpen worden besproken die dienstbaar zijn aan de bewijsvergaring. Waarheidsvinding door middel van materiële verhoren vindt in beginsel plaats vanaf het moment dat de verdachte – na de voorgeleiding door de HOvJ – naar een plaats van verhoor is geleid.
Tijdens de voorgeleiding wordt tevens van de gelegenheid gebruikgemaakt om de identiteit van de verdachte vast te stellen, deze te informeren omtrent de gronden waarop en hetgeen waarvoor hij/zij aangehouden is, de procedure die hij/zij in dat kader kan verwachten, alsmede de rechten en plichten die hij/zij daarin heeft.
De HOvJ beslist naar aanleiding van de voorgeleiding of de vrijheidsbeneming zal voortduren in het kader van de ‘ophouding voor onderzoek’ en bepaalt waar de verdachte zal worden verhoord. De fase van de aanhouding neemt hiermede een einde.
De regio IJsselland
De regio IJsselland is sinds 1997 opgedeeld in drie districten; Noord (Kampen/Steenwijk), Midden (Zwolle/Hardenberg) en Zuid (Deventer/Raalte). Vanaf 1994 was per locatie (zes districten) 24 uur per dag één HOvJ in dienst. Dit betekende dat er zes HOvJ’s 24 uur per dag beschikbaar waren voor onder andere voorgeleidingen en inverzekeringstellingen.
Voorheen waren de politieambtenaren vanaf de rang van brigadier van politie (huidige schaal 8) in de functie van wachtcommandant aangewezen als HOvJ. Sinds de inwerkingtreding op 28 november 1996 van de Regeling hulpofficieren van justitie 1996 betreffen dit alle gecertificeerde politieambtenaren vanaf schaal 9 en hoger. Mede hierdoor diende er een organisatorische aanpassing te komen. Het aantal beschikbare hulpofficieren was beduidend minder geworden dan voorheen. Een 24-uursdekking kon dan ook niet meer voor de gehele regio gerealiseerd worden.
De oplossing van het gesignaleerde probleem werd door de regiopolitie IJsselland in eerste instantie gezocht in het treffen van organisatorische maatregelen door de inzet van HOvJ’s districtelijk te organiseren. De inzet van de HOvJ’s is binnen de regiopolitie IJsselland voor de avond- en nachtelijke uren en in het weekend districtelijk georganiseerd, met dien verstande dat de districten Noord en Midden gezamenlijk bediend worden door één HOvJ.
Gedurende de genoemde tijdstippen beschikt de regio IJsselland dus over twee HOvJ’s. Buiten deze uren beschikt de regio over zes hulpofficieren van justitie. De reden hiervoor is de schaarse capaciteit aan hulpofficieren van justitie vanaf schaal 9 en hoger binnen de regio IJsselland. Tevens draaien regionale ondersteuners vanaf schaal 9 met een executieve status mee in de HOvJ-diensten in het district Zuid.
In de dienstuitvoering kwam het regelmatig voor dat de dienstdoende politieambtenaren (HOvJ’s) uit dien hoofde enorme reisafstanden moesten afleggen (bij hoge werkdruk soms wel 400 tot 500 kilometer per dienst) met alle veiligheidsrisico’s van dien (weersomstandigheden, fysieke omstandigheden, risico’s in het verkeer). Naast de genoemde veiligheidsrisico’s kleefden er nog andere bezwaren aan het vorenstaande:
N Als gevolg van de lange wachttijden (reistijd HOvJ) werd niet toegekomen aan een snelle, adequate rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets van de vrijheidsbeneming c.q. aanhouding van de verdachte. De HOvJ was vaak niet in staat om binnen een kort tijdsbestek aanwezig te zijn op de plaats waar de verdachte werd opgehouden. Dit terwijl de artikelen 53 en 54 Sv de eis stellen dat de voorgeleiding ‘ten spoedigste’, respectievelijk ‘onverwijld’, dient te geschieden.
N Verder hechtte het Openbaar Ministerie aan een snellere interventie van de HOvJ als voorpost van de officier van justitie, daar waar het gaat om een kwalitatief goede aanpak van de opsporing in de eerste fase – in dit geval zodra de verdachte is aangehouden.
N De vrijheidsbeneming duurde in die gevallen langer dan noodzakelijk.
(In gevallen waarbij inverzekeringstelling niet geïndiceerd is, dient de voorgeleiding op een zodanig vroegtijdig tijdstip na de aanhouding te geschieden dat het verblijf aan het politiebureau zo kort mogelijk duurt.)
Als aanvulling op deze organisatorische aanpassing is vanuit het regionaal management van IJsselland nadrukkelijk verzocht om samen met het Openbaar Ministerie de mogelijkheden te bezien van het gebruik van audiovisuele middelen bij de eerste voorgeleiding voor de HOvJ als bedoeld in de artikelen 53 en 54 Sv, inclusief de direct daaruit voortvloeiende bevoegdheden (zie bijvoorbeeld artikel 61a Sv.)
Ervaringen in Nederland
In 1995 speelde in Rotterdam dezelfde problematiek. Toen werd de oplossing gezocht in het gebruik van audiovisuele middelen oftewel televoorgeleiding voor een HOvJ ter toetsing van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanhouding (als bedoeld in artikel 54 Sv.) In een bepaalde casus werd, nadat de eerste voorgeleiding had plaatsgevonden met gebruikmaking van audiovisuele middelen, de verdachte op een later tijdstip in persoon door de hulpofficier in verzekering gesteld. De rechter-commissaris achtte de inverzekeringstelling onrechtmatig, omdat bij de eerste voorgeleiding niet voldaan zou zijn aan de dwingende eis dat een verdachte in persoon moet worden voorgeleid. De rechtbank te Rotterdam (Raadkamer) was van oordeel dat bij televoorgeleiding inderdaad niet wordt voldaan aan hetgeen daaronder door de wetgever wordt verstaan: een lijfelijke presentatie van een verdachte aan de HOvJ. De rechtbank merkte verder op dat uit artikel 1 Sv voortvloeit dat bij de uitleg van bepalingen van het Wetboek van Strafvordering de interpretatievrijheid van de rechter beperkter is dan op veel andere rechtsgebieden, zeker waar het gaat om inperking van grondrechten (Rb Rotterdam (Raadkamer), 28 maart 1995, NJ 1995, 478).
In het arrondissement Assen is van 9 februari tot 2 maart 1995 een experiment uitgevoerd met een televerbinding tussen het HvB De Grittenborg en de rechtbank. Tijdens het experiment werd de televerbinding gebruikt voor de formele verhoren van verdachten (hoorplicht in artikel 65 Sv) door de raadkamer van de rechtbank in het kader van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de gevangenhouding. Het betrof uitdrukkelijk de eerste of tweede verlenging van de ‘dertigdagentermijn’ en niet de eerste termijn. Daarnaast zijn via telehoren verzoeken van verdachten tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis behandeld.
Door middel van observaties en interviews met de betrokken deelnemers zijn de psychologische, technische, juridische en organisatorische factoren die een rol speelden bij dit experiment onderzocht en beschreven in het rapport Verdachten verhoren; ervaringen met televerhoor in kaart gebracht door prof. dr. J. Hoogstraten en R. Trier, Universiteit van Amsterdam, mei 1995. De algemene teneur van de geuite opinies en ervaringen van alle betrokkenen was positief te kwalificeren. Uiteraard leggen de participanten niet steeds dezelfde accenten; daarvoor lopen de belangen te zeer uiteen. Globaal waren de resultaten:
N De rechter en een tweetal officieren van justitie waren positief, vooral vanuit overwegingen van pragmatiek en efficiëntie.
N De advocaten waren enigszins aarzelend, vooral vanwege het minder directe contact tussen de advocaat en diens cliënt. Over de toepasbaarheid van deze nieuwe methode bij meer inhoudelijke verhoren waren de advocaten zeer sceptisch. Toch geldt ook voor de advocaten dat het aantal positieve reacties overheerste, althans voorzover het om formele verhoren gaat.
N De verdachten waren verrassend constructief. Veel verdachten voelden zich juist meer op hun gemak tijdens een televerhoor dan tijdens een ‘face to face’ verhoor (Booij, 1999, pag. 33-34).
In 1999 heeft in Den Haag een experiment plaatsgevonden in het kader van de vreemdelingenbewaring. Vreemdelingen werden daarbij door de rechter gehoord op vordering van de Immigratie en Naturalisatie Dienst. Telehoren vond plaats op basis van vrijwilligheid. De rechters, de IND en de tolken waren over het algemeen positief. De advocaten en de vreemdelingen waren in de meerderheid overwegend positief (Booij, 1999, pag. 34). In Den Bosch wordt deze proef voortgezet.
Mols concludeert in zijn internationaal vergelijkend juridisch onderzoek, dat bij formele verhoren het telehoren als een volwaardig alternatief van het klassieke verhoor kan gelden, waarbij de verdachte bezwaar zou kunnen maken tegen het televerhoor. Voorwerp van onderzoek in dezen was het verhoor door de rechter.1
Internationale ervaringen
In de Verenigde Staten, Australië en Engeland is ruime ervaring opgedaan met televerhoor in het strafproces. De ervaringen zijn positief te noemen. In de Verenigde Staten constateerde men minder oponthoud en geen negatieve invloeden op de evaluatie van het gedrag van of op de communicatie met de verdachte. Ook de verdachten hadden een positief beeld van telehoren. Naar hun mening werd de procedure daardoor versneld.
Videoconferencing is enkele malen toegepast door de Rechtbank Curaçao bij het verhoor van getuigen die in Nederland gedetineerd waren. Redenen daartoe betroffen beperking van de veiligheidsrisico’s voor de getuigen en besparing van de kosten van begeleid overbrengen. De Rechtbank Curaçao beoordeelde dat verhoor kon worden gelijkgesteld met een klassiek verhoor in de rechtszaal. Het Hof was het met die conclusie niet eens, maar vond een dergelijk verhoor niet minder waardevol.
In Engeland loopt binnen het strafproces een landelijk Human Prison Project, met dien verstande dat de verbindingen gerealiseerd worden door middel van een eigen netwerk (VPN) en de verbindingen georganiseerd en gecoördineerd worden vanuit één regelcentrum voor geheel Engeland. Aldaar zijn de verschillende gerechtsgebouwen, penitentiaire inrichtingen en enkele politiegebouwen door middel van dit netwerk met elkaar verbonden waardoor de verdachte (VE) met behulp van de audiovisuele middelen (video conferencing) de zitting kan bijwonen. De verdachte kan ook reageren en er kunnen vragen gesteld worden, waarop hij/zij kan antwoorden. Door dit project hoeft justitie de verdachte niet meer te vervoeren. Men hoeft enkel te zorgen dat de verdachte op het aangegeven tijdstip voor het beeldscherm plaatsneemt, waarna de verbinding tot stand gebracht kan worden en de zitting kan plaatsvinden.
Juridische aandachtspunten
Wetgeving
In de literatuur komt op veel plaatsen de vraag aan de orde om aanpassing van wetgeving. Argumenten daartoe zijn gelegen in het wegnemen van de juridische onduidelijkheden rondom het gebruik van audiovisuele middelen, het rendabel maken van dat gebruik, alsmede de toegevoegde waarde die het gebruik ervan kan hebben tijdens het proces (bijvoorbeeld: efficiëntie van het proces door horen en voorlezen van vonnissen op afstand, vergroting van de bereidheid van getuigen tot het afleggen van verklaringen, betere beoordeling van getuigen/verdachten door actoren in het proces, geen vertraging van de zitting omdat de verdachte in de file staat).
Deze aanbevelingen zijn gericht op de integrale toepassing van audiovisuele middelen tijdens het proces.
Lijfelijke presentatie en artikel 1 Sv
Er zijn ook enkele juridische argumenten te noemen die pleiten voor de toepassing van audiovisuele middelen bij de eerste voorgeleiding voor een HOvJ ter toetsing van de aanhouding:
1 Daar waar de Rechtbank Rotterdam concludeert tot beperkte interpretatiemogelijkheden op grond van artikel 1 Sv, kan daartegen worden ingebracht dat over de reikwijdte en de invloed van artikel 1 Sv veel literatuur is verschenen met uiteenlopende meningen. Niet ontkend kan worden dat de Hoge Raad op meer plaatsen, ondanks het bestaan van dat artikel, buitenwettelijke bevoegdheden heeft toegekend aan opsporingsambtenaren. Te noemen valt de bevoegdheid tot staandehouding van getuigen.
2 Mede in verband met het onder 1 gestelde: artikel 110 lid 2 Sv. stelt dat de huiszoeking ter inbeslagneming onder leiding van de rechter-commissaris (RC) dient te geschieden. Dit houdt volgens de Hoge Raad niet in dat de RC steeds ter plaatse moet zijn. Het niet aanwezig zijn van de RC behoeft volgende de Hoge Raad immers niet uit te sluiten dat de huiszoeking nochtans door hem geschiedt, aangezien de moderne communicatiemiddelen het mogelijk maken dat enerzijds de personen bij wie de zoeking plaatsvindt de beslissing van de RC kunnen inroepen en de RC anderzijds nadere instructie kan geven, als ware hij ter plaatse aanwezig (HR 8 november 1998, NJ 1989, 127, en HR 6 december 1988, NJ 1989, 497). Hier wordt via de weg van de teleologische interpretatie uitleg gegeven aan het wetsartikel.
Dezelfde wijze van interpreteren kan worden gehanteerd ten aanzien van het gebruik van audiovisuele middelen bij de voorgeleiding voor de hulpofficier daar waar het gaat om de uitleg dat het zou moeten gaan om een ‘lijfelijke presentatie’. Dat laatste staat overigens niet in de wet. Het gaat erom dat naar de geest van de wetgever wordt gehandeld.
3 Televoorgeleiding door de HOvJ, zoals toegepast in de regio IJsselland, levert geen onevenredige inbreuk op ten aanzien van de rechtsbescherming van de verdachte. Integendeel, aan de rechten van de verdachte wordt met televoorgeleiding juist tegemoetgekomen. De vrijheidsbeneming en het verblijf van de verdachte op het politiebureau worden door toepassing van televoorgeleiding tot een minimum beperkt (snellere processuele afhandeling van de zaak of indien van toepassing snellere invrijheidsstelling).
Daarnaast kan nog worden gewezen op het volgende:
4 De artikelen 53 en 54 Sv spreken over het ‘naar een plaats van verhoor geleiden’ door de officier of HOvJ. Interpretatie heeft ertoe geleid dat deze geleiding niet hoeft in te houden dat de (hulp)officier van justitie zulks ook feitelijk (lijfelijk) doet.
5 De voorgeleiding voor een (hulp)officier van justitie is in de wet opgedragen aan de ambtenaar die de aanhouding verricht. Dit artikel is via de weg van de interpretatie lang geleden reeds zo uitgelegd dat dit niet letterlijk genomen dient te worden, maar dat voorgeleiding ook door anderen kan geschieden (HR 4 maart 1929, NJ 1929, 785).
6 Het Hof Amsterdam (Raadkamer) laat zich in zijn beschikking d.d. 11 december 1998 weliswaar inhoudelijk niet uit over de rechtmatigheid van telehoren/telefonisch verhoor door de rechter-commissaris, maar stelt dat (zelfs al kleven er gebreken aan de procedure) de rechtbank op die grond het bevel gevangenhouding niet achterwege had moeten laten (verwijzend naar HR 4 maart 1975, NJ 1975, 241). De procureur-generaal van het Hof achtte het telefonisch horen rechtmatig, omdat voorgeleiding ten doel heeft de verdachte te horen en er een situatie was ontstaan die een dergelijk verhoor kon rechtvaardigen.
7 De hiervoor beschreven proef met televoorgeleiding vanuit de Grittenborg werd uitgevoerd met betrekking tot de verlenging gevangenhouding en is kennelijk door de Zittende Magistratuur geaccordeerd en rechtmatig bevonden.
8 In het arrondissement Zwolle werd een negental strafzaken, waarbij de verdachten door middel van televoorgeleiding werden voorgeleid, voorgelegd aan de strafrechter. Het gebruik van de audiovisuele middelen werd door deze rechters niet als onrechtmatig beschouwd en de verdachten werden veroordeeld voor de gepleegde feiten (overtreding van art. 8 Wegenverkeerswet en winkeldiefstal).
Een aanpassing in de wetgeving die duidelijkheid zou geven omtrent de mogelijkheden van het gebruik van audiovisuele middelen zou de afhankelijkheid van de zittende magistratuur (de rechter) verminderen en het gebruik bevorderen.
Voordelen televoorgeleiding
Gelet op het vorenstaande kunnen de volgende voordelen worden benoemd vanuit het IJssellandse project.
N Efficiëntiewinst door terugdringing van reistijden en snellere voorgeleiding van verdachten.
N De vrijheidsbeneming en het verblijf van de verdachte op het politiebureau worden tot een minimum beperkt (sneller processuele afhandeling van de zaak of indien van toepassing snellere invrijheidstelling).
N Terugdringing van veiligheidsrisico’s voor politieambtenaren gerelateerd aan reisafstanden al dan niet in combinatie met weersinvloeden.
N Aansluiting op toekomstige ontwikkeling als gebruikmaking van audiovisuele middelen in het algemeen en ontwikkelingen met betrekking tot het digitale dossier in het bijzonder. (Zie ook artikel 10 van de de EU-overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken inzake het verhoor van een persoon in de aangezochte staat middels videoconferentie.)
De voordelen zullen toenemen wanneer een wetswijziging heeft plaatsgevonden, politie en justitie samen het concept gaan uitwerken waarbij het gebruik van video conferencing (het inzetten van audiovisuele middelen) mogelijk wordt gemaakt en ook de rechtspraak bij dit proces betrokken zal worden. Te denken valt hierbij aan:
N geen vertraging meer van een rechtzitting omdat de verdachte in een file staat.
N geen extra beveiliging of bewaking bij een verlening van bewaring of gevangenhouding omdat de verdachte voor tien minuten aanwezig moet zijn.
N geen heen en weer gereis met arrestanten vanuit de penitentiaire inrichtingen naar de rechtbanken.
N geen vervelende reisafstanden en wachttijden voor arrestanten, wat de omgangsvormen ten goede zal komen.
N multi-conferencing, waardoor snel vanuit verschillende aangesloten locaties in het land afstemming kan plaatsvinden tussen diverse ketenpartners.
Nadelen televoorgeleiding
De nadelen van televoorgeleiding zijn het missen van een deel van de non-verbale communicatie door het ontbreken van direct persoonlijk contact (het voelen en ruiken), de neiging tot toepassing van dwang die ontstaat bij onwillige verdachten en de financiële investering die invoering van audiovisuele voorgeleiding met zich meebrengt – die overigens naar verwachting mogelijk snel zal zijn terugverdiend indien meerdere stappen in het strafproces mogelijk worden gemaakt.
Toekomst
Onder de titel Kennissamenleving heeft breedband nodig geeft de heer Eckart Wintzen (oud topman BSO en visionair) in een interview (verschenen in Staatscourant 2003, nr. 146) zijn visie op de toekomst. Welke randvoorwaarden horen bij een sterke kennissamenleving, welke infrastructuur is nodig en welke diensten en producten? Dit zijn enkele vragen die hierbij aan de orde komen.
De economische toppositie die Nederland in 2010 binnen de EU veroverd wil hebben, is alleen haalbaar als ons land zich ontwikkelt tot een sterke kennissamenleving. Dat vereist volgens hem in de eerste plaats individuele werkers die goed opgeleid en toegerust zijn voor het werken met grote informatiestromen.
Volgens Wintzen is breedbandinfrastructuur nodig om collectief gebruik te maken van de mogelijkheden als video conferecing (beeldtelefonie). Toen destijds de PTT werd geprivatiseerd, had de twaalf miljard opbrengst daarvan direct geïnvesteerd kunnen worden in een breedbandnetwerk voor heel Nederland. Dan waren we internationaal gidsland geweest, niet voor ons poldermodel, maar voor onze breedbandinfrastructuur. We zouden in de ontwikkeling van de kennissamenleving voorop hebben gelopen. Nu vertrekken allerlei delegaties richting Zuid-Korea, dat inmiddels ver op ons voorligt.
Dat de politiek, en niet alleen in Nederland, gekozen heeft voor marktwerking is volgens Wintzen volstrekt onbegrijpelijk. Communicatie-infrastructuur is een basisvoorziening. Elke infrastructuur, geen enkele daarvan uitgezonderd, behoort door toedoen van de overheid tot stand te worden gebracht.
Als er eenmaal breedband is, dan maakt hij zich geen zorgen over de ontwikkelingen van de diensten en producten om de kennissamenleving te stimuleren. Dat vinden mensen zelf wel uit. Kijk naar de mobiele telefonie: wie had jaren geleden durven voorspellen dat SMS zo’n belangrijke economisch onderdeel daarvan zou worden als nu het geval is? Bij nieuwe technologieën moet je de ontwikkeling ervan aan de vrije krachten in mensen durven overlaten
Actueel
Door het landelijk overkoepelende orgaan binnen de politie, Coördinatie Informatiemanagement Politie (CIP) wordt het IJssellandse concept, met ondersteuning vanuit de Raad van Hoofdcommissarissen, nader opgepakt en uitgewerkt. Onder de vlag van ‘laaghangend fruit’ zal in de regio IJsselland de doorontwikkeling van de mogelijkheden binnen het strafproces onderzocht gaan worden in goede samenwerking met het Openbaar Ministerie te Zwolle. Er is reeds een zestal regio korpsen dat zich heeft aangemeld om ook de mogelijkheden te onderzoeken om binnen de regiogrenzen Televoorgeleiding te introduceren.
Het Openbaar Ministerie is tevens voornemens om in het kader van jurisprudentieontwikkeling op korte termijn hoger beroep in te stellen in een televoorgeleidingszaak.
Abstract
Appearance before an assistant public prosecutor is of an adjective nature, its aim being to have the suspect heard, as well as providing the opportunity to check the legitimacy and acceptability of the preceding arrest and assess the necessity for continued detention.
In practice, it appears that contact between the assistant public prosecutor and the suspect takes an average of 3 to 5 minutes.
In performing their duties in the region IJsselland, the police officers (assistant public prosecutors) serving in this capacity regularly had to travel huge distances (during busy periods up to 400 or 500 kilometres per duty), with all the accompanying safety risks (weather conditions, physical circumstances, risks on the roads).
The advantages of tele-arraignment are: increased efficiency by reducing travelling times and more speedy arraignment; detention and time spent at the police station are reduced to a minimum; less safety risks related to travelling distances, whether or not in combination with weather conditions, and the link-up with future developments such as the use of audio-visual aids in general and developments in the digital dossier in particular.
The advantages will increase once the law has been amended, the police and judiciary jointly start to flesh out the concept, whereby the use of video conferencing (the use of audio-visual aids) will be made possible, and jurisprudence also becomes involved in this process.
The disadvantages associated with tele-arraignment relate, for the time being, to:
Missing some of the non-verbal communication due to the lack of direct personal contact. (Feeling and smelling)
With hostile suspects, there could be a temptation to use coercion.
The introduction of audio-visual arraignment involves a financial investment, which will possibly pay for itself quite quickly, according to expectations, if several stages in the criminal proceedings are made possible.
The national umbrella organisation within the police, Concern Information Management Police (CIP), is taking up and elaborating the IJsselland concept, with support from the Board of Police Commissioners.
1 G.P.F.M. Mols, Het telehoren, van verdachten en getuigen; een rechtsvergelijkende beschrijving van de toepassing van telecommunicatie in het strafproces, Maastricht: 1995.

Heb je ook nog wat persoonlijkst???