Analyse van criminele loopbanen met behulp van politiegegevens

Opsporingsdiensten slaan allerlei gegevens op over criminaliteit en verdachten, maar het is lang niet altijd eenvoudig om deze gegevens voor analysedoeleinden te gebruiken. Met de komst van DEX2000 is het gemak om data van het herkenningsdienstsysteem te ontsluiten aanzienlijk vergroot. In dit artikel worden de mogelijkheden, maar ook de valkuilen van DEX2000 beschreven. Tevens wordt ter illustratie een analyse gepresenteerd van het geregistreerde criminele debuut van verdachten.

Het Herkenningsdienstsysteem (HKS) is operationeel sinds 1986 en is van oorsprong een landelijk uniform systeem. Tegenwoordig beheren de politieregio's het systeem zelf en daarmee is er feitelijk sprake van meerdere, nagenoeg identieke, systemen (Huls e.a., 2001, pag. 269). Het HKS is ontwikkeld als gereedschap voor de recherche. In het systeem worden vele persoonskenmerken van een verdachte vastgelegd, evenals diens werkwijze en strafbare feiten. Wanneer er nu bijvoorbeeld een overval wordt gepleegd en het personeel ziet dat de overvaller een opvallende tatoeage in zijn hals heeft, dan kan een mogelijke verdachte worden getraceerd, onder de voorwaarde dat hij in het HKS voorkomt én dat dit kenmerk inderdaad ook als zodanig bij zijn gegevens staat geregistreerd. Naast verdachtenkenmerken worden in HKS aangiftegegevens vastgelegd. Dit gebeurt echter niet in alle politieregio's even contentieus.
Hoewel de ontwerpers van het HKS dit misschien niet als zodanig hebben benoemd, gaat het systeem impliciet uit van de gedachte dat een deel van de verdachten recidiveert en dat daar een zekere continuïteit in is te ontdekken – dat zij een eigen werkwijze ontwikkelen. Het veronderstelt eveneens dat er sprake is van een zekere mate van specialisatie – een verhoogde kans dat het volgende delict gelijk is aan het voorgaande (zie ook Van de Bunt, 1988).
Het systeem is bedoeld om rechercheurs te ondersteunen bij het oplossen van misdrijven, maar het bevat eveneens een schat aan gegevens, die interessant zijn voor beleidsdoeleinden. Met name criminaliteitsanalisten en onderzoekers zijn geïnteresseerd in het ontsluiten van HKS-gegevens. Vanwege het feit dat het systeem voor operationele doeleinden is ontworpen, is het niet zonder slag of stoot mogelijk om de gegevens voor andere zaken te gebruiken. Begin jaren negentig is de Data-extractie (DEX) module ontwikkeld, waarmee een dBase-bestand uit het HKS kan worden gegenereerd (Kruize, 1994). DEX wordt wel gebruikt in den lande, maar het strategisch gebruik van HKS-gegevens heeft een krachtige impuls gekregen door de introductie van het gebruikersvriendelijke DEX2000. Daar waar het met DEX vrij lastig is om de gewenste gegevens te verkrijgen, levert DEX2000 panklaar een aantal overzichtstabellen. Daarnaast levert DEX2000 een aantal bestanden, die goed bruikbaar zijn voor analysedoeleinden. DEX2000 is ontwikkeld door Leen Prins – werkzaam bij regio Haaglanden en tegenwoordig gedetacheerd bij de dNRI – in opdracht van de Abrio-werkgroep Landelijke Criminaliteitskaart. Iedere politieregio wordt verzocht HKS-gegevens aan de dNRI te leveren. Deze gegevens worden op een geautomatiseerde manier in een landelijk bestand samengebracht en verdachten die in meerdere regio's voorkomen worden als zodanig geïdentificeerd en zo mogelijk herleid tot één unieke verdachte. Indien een verdachte in meerdere regio's voorkomt, dan wordt deze in het landelijke bestand geregistreerd bij die regio, waar hij de meeste antecedenten op zijn naam heeft staan. Sinds 2002 is een 'metabestand' gecreëerd, waarin de verdachten ook over de jaren heen uniek zijn gemaakt. De regio's krijgen een CD-rom met hun eigen gegevens retour.

HKS-gegevens hebben – net als andere gegevensbronnen – hun beperkingen. De belangrijkste – en tegelijkertijd de meest begrijpelijke – beperking is wel dat alleen de geregistreerde misdrijven en alleen de bekend geworden verdachten in het systeem voorkomen. Hoewel deze beperking logisch en begrijpelijk is, worden de consequenties lang niet altijd volledig onderkend. Er worden op basis van politieregistraties vaak uitspraken gedaan over de aard, omvang en ontwikkeling van criminaliteit. Dat is inhoudelijk alleen verdedigbaar als de geregistreerde criminaliteit geen enkele vorm van selectiviteit vertoont. Die aanname kan snel worden verworpen, want er zullen niet veel deskundigen zijn, die durven te beweren dat het aangiftegedrag van slachtoffers onafhankelijk is van het type misdrijf en de specifieke omstandigheden waaronder het delict plaatsvindt. Ook de eigen opsporing van politiezijde – bij zogeheten slachtofferloze delicten – is niet willekeurig. Het gebruik van uitsluitend politieregistraties levert onvoldoende informatie voor het beschrijven van de aard en omvang van criminaliteit en daarom wordt er veel geld en energie gestoken in het verzamelen van aanvullende informatie door middel van slachtofferstudies. In hoeverre de geregistreerde criminaliteit een goede indicatie vormt voor de ontwikkeling van criminaliteit zijn de meningen verdeeld. Het gaat hierbij om de vraag in hoeverre er sprake is van een systematische vertekening. Met andere woorden, in hoeverre het aangiftegedrag van het publiek en de opsporingsactiviteiten van de politie min of meer constante factoren zijn in de loop der jaren.
Naast voorgenoemde beperking van het HKS zijn er tal van systeembeslissingen die invloed hebben op de betrouwbaarheid van het systeem. Het voert te ver in het kader van dit artikel om alle haken en ogen van HKS uitputtend te bespreken, maar we geven een enkel voorbeeld. In het HKS worden verdachten geregistreerd. Een verdachte is echter niet noodzakelijkerwijs de dader. Als een verdachte wordt vrijgesproken, wordt dit niet gecorrigeerd in het HKS. Het is daarom zuiver om consequent van verdachten te spreken, wanneer een analyse is gebaseerd op HKS-gegevens. De praktijk wijst uit dat dit lang niet altijd gebeurt.

Maar terug naar DEX2000. Er kunnen, zoals gezegd, diverse overzichten worden aangemaakt. De indeling die daarvoor wordt gebruikt, komt overeen met de CBS-misdrijfstatistiek: een opdeling van Wetboek van Strafrecht-artikelen in ca. 25 rubrieken ('misdrijven tegen de openbare orde' enz.), een uitsplitsing van de diefstalartikelen naar object (fietsendiefstal, winkeldiefstal enz.) en een uitsplitsing van bijzondere wetten – bij voorbeeld Opiumwet en Wegenverkeerswet. Per jaar – vanaf 1996 – wordt aangegeven hoeveel misdrijven binnen die categorieën zijn aangegeven in de regio. Dit beeld kan worden verfijnd naar districts- of gemeenteniveau. Naast de aangiftekant bevat DEX2000 ook gegevens over verdachten. Er kunnen bijvoorbeeld overzichten worden aangemaakt met de leeftijds- en sekse verdeling uitgesplitst naar antecedententype.
Een andere mogelijkheid die DEX2000 biedt – het genereren van gegevensbestanden – is van groot belang voor strategische criminaliteitsanalisten en wetenschappelijke onderzoekers. Er wordt een aangiftebestand samengesteld met gegevens over het type criminaliteit, de pleegplaats en de pleegtijd. Tevens worden er vier verdachtenbestanden gemaakt. De eerste drie bestanden bevatten gegevens op verdachtenniveau, terwijl het vierde bestand uitgaat van het strafbare feit. De persoonsgegevens staan in het eerste bestand. In het tweede bestand zijn onder meer antecedenten en feiten van verdachten bij elkaar gebracht, Het derde bestand bevat ook verdachtengegevens, maar veel van deze gegevens zijn ingedeeld naar beleidsmatig relevante categorieën, zoals 'harde-kernjongeren' of 'de vier grote steden'. De eerste drie bestanden gaan dus uit van een verdachte, terwijl het vierde bestand uitgaat van een strafbaar feit.
In de eerste categorie bestanden is de onderzoekseenheid een persoon (verdachte). Het is (praktisch) onmogelijk om alle informatie van een verdachte op één regel weg te schrijven en de maker(s) van DEX2000 hebben daarom keuzes moeten maken. Ze hebben ervoor gekozen om mee te nemen hoeveel antecedenten iedere verdachte per jaar op zijn/haar naam heeft staan en voor hoeveel en welke strafbare feiten de persoon in kwestie is geregistreerd in HKS. In dit bestand kan niet worden aangegeven welke feiten in welk jaar zijn gepleegd. Op de consequentie(s) van deze keuze komen we later terug.
In de tweede categorie is – uiteraard – een strafbaar feit de onderzoekseenheid. Een persoon die honderd strafbare feiten op zijn naam heeft staan, komt dus honderd keer voor in dit bestand. Verdachten zijn te onderscheiden aan de hand van een uniek nummer.
In dit artikel gaan we in op de mogelijkheden die de verdachtenbestanden bieden voor de analyse van criminele loopbanen en welke praktische oplossingen er zijn om een aantal problemen te omzeilen. Voordat we daaraan toekomen, geven we eerst kort een historisch overzicht van onderzoek naar criminele loopbanen en welke analytische constructies daarbij worden gebruikt.
 

Criminele-loopbanenonderzoek
Het idee dat er zoiets zou bestaan als een criminele loopbaan, krijgt voor het eerst serieuze wetenschappelijke aandacht in het begin van de 19e eeuw. Sociologen en etnografen van de Chicagoschool bestudeerden niet alleen conventionele loopbanen, maar ook deviante. The Professional Thief van Edwin Sutherland (1937) is een van de meest spraakmakende studies uit die tijd. Hij stelt dat criminelen het vak in de praktijk moeten leren, dat ze de neiging hebben zich te specialiseren en dat hun deviante loopbaan parallel loopt met hun zelfbeeld. In diezelfde periode worden er ook kwantitatieve studies verricht. Zo volgden Glueck en Glueck (1930) de criminele loopbaan van 500 jonge delinquenten. Zij kwamen tot de conclusie dat slechte schoolprestaties, verkeerde vrienden en misbruik van alcohol en drugs van invloed zijn op de criminele loopbaan van een persoon.
Onderzoek naar criminele loopbanen krijgt een nieuwe impuls met het verschijnen van het rapport van een panel onder voorzitterschap van de Amerikaanse criminoloog Alfred Blumstein – Criminal Careers and Career Criminals (1986). Het begrip criminele loopbaan wordt in deze studie op een andere wijze gedefinieerd dan bij de Chicagoschool. Het gaat niet zozeer meer om persoonlijke ontwikkeling en zelfbeeld, maar om een optelsom van strafbare feiten. Een belangrijk aspect van de benadering van Blumstein ea. is dat zij tevens een politiek instrument aandragen: selectieve onschadelijkmaking. Als het mogelijk is om carrière criminelen in een vroegtijdig stadium te identificeren en vervolgens lang op te sluiten, dan wordt er a) veel criminaliteit voorkomen en b) het gevangenissysteem niet overbelast (in tegenstelling tot het huidige 'three strikes and you're out'-politiek). Er is veel kritiek gekomen op deze benadering, met als voornaamste argument dat het niet goed mogelijk is om een betrouwbare voorspelling te geven van iemands toekomstig crimineel gedrag (voor een uitvoerige discussie hierover: zie Mathiesen, 1990). In Nederland is eind jaren tachtig van de twintigste eeuw onderzoek gedaan naar criminele loopbanen en het voorspellen van recidive. Het bekendste voorbeeld is de WODC-studie van Block en Van der Werff (1991). Zij komen onder andere tot de conclusie dat het criminele verleden de beste indicatie geeft over de kans op recidive. Delinquenten met diefstal met geweld in hun loopbaan hebben volgens deze studie de kortste misdrijfvrije periode – dat wil zeggen de tijd die zit tussen het plegen van het ene en het andere delict – gevolgd door zedendelinquenten.
Het onderzoeksdesign van Blumstein ea. wordt daarentegen wel in brede kring overgenomen. Zij onderscheiden vier dimensies van een criminele loopbaan – deelname, frequentie, ernst en duur. De eerste dimensie – deelname – verwijst naar het zich al dan niet schuldig maken aan strafbare feiten. Frequentie staat voor hoe vaak een persoon strafbare feiten pleegt; ernst verwijst naar de aard van de strafbare feiten en duur refereert tenslotte aan de periode waarbinnen de strafbare feiten zijn gepleegd.
 

Verdachtenmodule in DEX2000
Het raamwerk van Blumstein ea. veronderstelt dat de gegevens op persoonsniveau worden geanalyseerd. Wat dat betreft sluit het ene verdachtenbestand van DEX2000 hier goed bij aan. De bestanden zijn op jaarbasis gemaakt en men is gestart met het jaar 1996. Iedereen die in 1996 één of meerdere antecedenten op zijn /haar naam heeft staan, is geselecteerd. Hetzelfde is gedaan voor de jaren daarna. Het is wezenlijk om goed doordrongen te zijn van de implicaties van deze wijze van selecteren. De meeste studies naar criminele loopbanen gaan namelijk 'omgekeerd' te werk. Normaal gesproken wordt een groep personen (alleen wetsovertreders of een willekeurige groep personen) geselecteerd en worden zij over een reeks van jaren gevolgd. Op die wijze kunnen we zien wie doorgaat met het plegen van criminaliteit, wat voor een type van criminaliteit, maar geeft tevens inzicht in de belangrijke vraag wie ophoudt met het plegen van criminaliteit. Het DEX2000-bestand geeft in eerste aanleg geen inzicht in wie ophoudt met criminaliteit.
We beschikken echter momenteel niet alleen over een bestand van 1996, maar ook van 1997 tot en met 2001. Naarmate deze reeks langer wordt, is het beter mogelijk om inzicht te krijgen in welke personen ophouden met het plegen van criminaliteit (of beter gesteld: worden geregistreerd voor criminaliteit). We kunnen immers nagaan of een persoon die in 1996 in het bestand voorkwam in die jaren daarna wederom voorkomt. Nu weten we natuurlijk niet op grond van de HKS-registratie of de persoon in kwestie op vrije voeten was in (heel) die periode, maar naarmate de periode langer is (wordt), zal het beeld ook zuiverder worden. Een gevangenisstraf van drie jaar of meer is eerder uitzondering dan regel voor de meeste delicten die in HKS worden geregistreerd en een straf van drie jaar, betekent in praktijk (meestal) dat een persoon na twee jaar weer vrijkomt.
Een ander bezwaar van dit bestand is, dat het aantal antecedenten per jaar wordt aangegeven, maar dat het niet mogelijk is om te zien welke feiten daarbij horen. Althans niet uitgesplitst naar jaar. Op die manier is het niet goed mogelijk om te onderzoeken wat voor een ontwikkeling in een bepaalde criminele loopbaan is te ontdekken. Is er sprake van een zekere mate van specialisatie? Is er sprake van een toename in de ernst van de strafbare feiten? Om dit probleem te ondervangen zal gebruik moeten worden gemaakt van het vierde bestand – met een strafbaar feit als uitgangspunt. Met dit bestand is het namelijk mogelijk om feiten in chronologische volgorde te plaatsen. Dit klinkt eenvoudiger dan dat het is in praktijk. Het veronderstelt de nodige vaardigheid met een analyseprogramma, zoals SPSS, MS-Access of dBase, om het gewenste bestand samen te stellen, maar het is zeker mogelijk.
Dit betekent overigens niet dat er geen verkeerde interpretaties worden gemaakt. Zo wordt in het hoofdstuk 'Criminaliteit en opsporing' uit 'Criminaliteit en rechtshandhaving 2000' – een gemeenschappelijke publicatie van het WODC en het CBS; volgens Chrisje Brants (2002) de meest prominente publicatie op dit terrein – met beide benen in een valkuil getrapt. Zij beschrijven de verdachtenpopulatie van 1998. Zolang ze het over 1998 hebben gaat het goed, maar bij het tijdsperspectief wordt een gedachtefout gemaakt. Zo worden alle antecedenten van alle verdachten bij elkaar geteld, zonder stil te staan bij het feit dat de crimineel actieve periode van sommige verdachten twintig jaar beslaat en van andere slechts één jaar. Om dan vervolgens de conclusie te trekken dat een klein deel van de verdachten verantwoordelijk is voor een groot deel van de geregistreerde criminaliteit is voorbarig. We kunnen alleen zo'n conclusie trekken als alle verdachten over een gelijke periode zijn gevolgd.
 

Crimineel debuut van verdachten in Noord-Holland Noord
Bij wijze van illustratie geven we de opzet en de belangrijkste resultaten weer van een strategische analyse van het criminele debuut van verdachten in de politieregio Noord-Holland Noord. Deze analyse is gemaakt in het kader van de nieuwe Leergang Strategische Criminaliteitsanalyse (LSCA) van het ICR (voor een uitgebreide beschrijving van de LSCA verwijzen we naar Kruize en Gruter (2000)).
Het onderzoek richt zich op de start van een criminele loopbaan met als belangrijkste onderzoeksvragen wanneer en met welk(e) feit(en) start een verdachte. Voor het in kaart brengen van een crimineel debuut is het HKS niet de meest ideale bron. Verdachten kunnen – voordat ze met de politie in aanraking komen – ook al wel een ander strafbaar feit hebben gepleegd. We kunnen met HKS dus alleen het geregistreerde debuut in kaart brengen. En ook dat is niet geheel waar, want in DEX2000 ontbreken de gegevens over een eventuele Halt-maatregel. Minderjarige verdachten komen hier onder bepaalde omstandigheden voor in aanmerking. Debuterende verdachten die in HKS voorkomen hebben mogelijk al een Halt-maatregel achter de rug en zijn dus al eens geregistreerd voor een misdrijf.
Het onderzoek heeft betrekking op het jaar 1999. Om uitspraken over debutanten te kunnen doen, zijn slechts die personen in dit onderzoek meegenomen, die in 1999 één antecedent hebben dat tevens het eerste antecedent in hun leven is. Een antecedent kan uit meerdere feiten bestaan. Ook feiten die in voorgaande jaren zijn gepleegd. Een verdachte die in 1999 voor de eerste maal een antecedent heeft, kan zijn eerste geregistreerde feit al in bijvoorbeeld 1998 hebben gepleegd. Dat feit is echter pas aan het licht gekomen in verband met het feit uit 1999. Om de kans zo klein mogelijk te maken dat er verdachten worden meegenomen die hun delict(en) al in eerdere jaren hebben gepleegd, is het bestand daarop aangepast. Personen die in 1999 voor de eerste maal een antecedent hebben met daarin meer dan drie feiten, zijn uitgesloten. Personen die in dat zelfde jaar meer dan één antecedent hadden, zijn eveneens uitgesloten. Uiteraard zijn de gemaakte keuzes arbitrair. Het zou mogelijk zuiverder zijn om slechts verdachten te betrekken met één antecedent, bestaande uit maximaal één feit. De keuze voor maximaal drie feiten per antecedent is echter genomen om ervoor te zorgen dat een specifieke categorie van debutanten – namelijk zij die met een serie delicten debuteren – in het beeld worden meegenomen. Het oorspronkelijke bestand bestond uit 5862 verdachten. Na de bewerking bestaat het bestand – met uitsluitend debutanten – uit 2987 verdachten. De helft van alle verdachten die in 1999 met de politie van Noord-Holland Noord in aanraking zijn gekomen, zijn dus debutant op het criminele vlak.
 

Debuutdelict
In Noord-Holland Noord blijken de delicten gepleegd door debutanten voornamelijk verkeersmisdrijven te zijn (34%) gevolgd door vermogensmisdrijven (28%). Rijden onder invloed neemt het leeuwendeel van de verkeersmisdrijven voor haar rekening. Een kwart van alle debuutdelicten heeft betrekking op rijden onder invloed. Bij de vermogensmisdrijven is sprake van een bredere spreiding. Eenvoudige diefstal – voornamelijk winkeldiefstal – is de hoogst scorende categorie, gevolgd door overige gekwalificeerde diefstal en diefstal door middel van braak (De CBS-indeling maakt onderscheid tussen diefstal door middel van braak en overige gekwalificeerde diefstallen; beide misdrijfcategorieën vallen uiteraard onder 311 Sr.). Hoewel geweldsmisdrijven als cluster duidelijk lager scoren dan de vermogensmisdrijven (17% versus 28%), heeft mishandeling een hoge score – hoger dan eenvoudige diefstal. Voor een overzicht van de andere debuutdelicten verwijzen we naar tabel 1.

[Tabel 1]

Een dilemma bij het beantwoorden van de onderzoeksvraag was of de debutanten met een verkeersdelict moesten worden uitgesloten. Tijdens het houden van de interviews in het kader van het kwalitatieve deel van het onderzoek bleek namelijk dat de respondenten een criminele loopbaan niet snel zagen beginnen met een verkeersdelict. Verkeersdelicten worden veelal gezien als incidenten. Overigens onderkennen de respondenten tevens dat er notoire verkeersdelinquenten zijn. Ruim de helft van de geregistreerde verkeersdelicten in 1999 met bekende dader komt voor rekening van debutanten.
Een andere complicerende factor bij verkeersmisdrijven doet zich voor bij rijden onder invloed. Het al dan niet ontdekken van dit feit – en daarmee het identificeren van een verdachte – is vrijwel altijd het gevolg van eigen initiatief van de zijde van de politie (alcoholcontroles). Naar mate er meer controles plaatsvinden, zullen meer verdachten tegen de lamp lopen, naarmate er minder controles plaatsvinden, zullen er minder verdachten zijn. Toch zijn de verkeersmisdrijven meegenomen. Het zijn tenslotte misdrijven en onderzoek suggereert dat er een verband bestaat tussen verkeersgedrag en het plegen van criminaliteit. Volgens Gottfredson en Hirschi (1990) is het plegen van criminaliteit het gevolg van een slecht ontwikkelde zelfcontrole. Weinig zelfcontrole uit zich onder andere ook in roekeloos gedrag – bijvoorbeeld in het verkeer. Op basis van deze theorie veronderstellen we een verband tussen verkeersmisdrijven en andere misdrijven.
 

Leeftijd van de debutanten
Bij de start van een criminele loopbaan denken we onbewust aan jongeren. In het kwalitatieve deel van het onderzoek leggen de respondenten ook impliciet de link met jeugdcriminaliteit wanneer het gaat over het debuutdelict. De gegevens van de regio Noord-Holland Noord bevestigen deze aanname niet. Nu kan het natuurlijk zo zijn dat een debutant zich na zijn eerste antecedent verre houdt van verdere criminele handelingen en dat dit in hoge mate geldt voor de oudere debutant.
Van de debuterende verdachten is 12 procent minderjarig. Het zwaartepunt van de verdeling ligt bij de jongvolwassenen (18-23 jaar) – 20 procent van de debutanten valt in deze leeftijdsklasse. Met het stijgen van de leeftijd neemt het aandeel debutanten geleidelijk af. De oudste geregistreerde debutant is 90 jaar.
Nemen we het type misdrijf waarvoor de debutant staat geregistreerd in ogenschouw, dan zien we opvallende verschillen. Sommige delicten horen typisch bij jongeren, terwijl andere delicten overwegend op naam staan van wat oudere debutanten. Het is te verwachten dat personen die voor een verkeersmisdrijf – veelal rijden onder invloed – staan geregistreerd, meerderjarig zullen zijn. Minderjarigen kunnen immers niet de bevoegdheid hebben om een auto te besturen. De cijfers ondersteunen deze hypothese. Slechts 3 procent van degenen die met een verkeersmisdrijf debuteren, zijn minderjarig; bij de andere misdrijven ligt dit percentage op 17. Daarentegen is 38 procent van degenen die met een verkeersmisdrijf debuteren 40 jaar of ouder, terwijl dat voor 24 procent van de debutanten bij de overige misdrijven geldt (zie grafiek 1).

[Grafiek 1]

De leeftijdsverdeling van de debutanten bij vermogens- en geweldsmisdrijven loopt in de pas met de totale verdeling, maar bij enkele veelvoorkomende delicten binnen deze delictsgroepen zijn wel verschillen te zien. Zo komen bij de vermogensmisdrijven diefstal door middel van braak en de overige gekwalificeerde diefstallen relatief vaak voor onder jongeren. Winkeldiefstal daarentegen kent een meer gelijkmatige spreiding over de leeftijden. Bij geweldsmisdrijven komen mishandeling en bedreiging het meest voor. Mishandeling is vaker het debuutdelict van jongeren en jongvolwassenen dan bedreiging. Een delictsgroep die sterk aan debuterende jongeren is gerelateerd, zijn vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde.
 

Discussie
Vorenstaande beknopte weergave van het onderzoek naar debutanten in de politieregio Noord-Holland Noord (Kool, 2001) laat zien dat het mogelijk is om met behulp van DEX2000 interessante data uit HKS te genereren en nodigt uit tot nader onderzoek. Aan welke kenmerken voldoen personen die op oudere leeftijd hun criminele debuut maken? Wat is hun motief – het motief voor rijden onder invloed laat zich raden, maar dat geldt niet voor de andere wetsovertredingen. Meer inzicht in deze vragen levert naar alle waarschijnlijkheid interessante aanknopingspunten voor het ontwikkelen van een preventief beleid, dat niet – zoals nu – vrijwel uitsluitend is gericht op jeugdigen.
Het HKS is vooralsnog het enige computersysteem waar alle bekende verdachten in zijn opgenomen. Dat geldt niet voor de aangiftekant van HKS. Sommige regio's vullen HKS niet of nauwelijks aan de aangiftekant en vertrouwen daarbij geheel op hun bedrijfsprocessensysteem. Mogelijk dat met de komst van NPOL – in pretentie een landelijk uniform bedrijfsprocessensysteem – definitief de keuze wordt gemaakt om criminaliteitsbeelden op NPOL – met daaraan gekoppeld GIDS – te baseren.
De toekomst van de landelijk criminaliteitskaart wordt waarschijnlijk – de concepttekst is op het moment van schrijven van dit artikel gereed – gewaarborgd door middel van een convenant, waarin de regiokorpsen worden verplicht jaarlijks gegevens aan te leveren voor deze kaart. Wat betreft de verdachtenkant ziet het er naar uit dat HKS de komende jaren nog wel zal worden gebruikt. Het millennium probleem van HKS is met een kunstgreep opgelost tot 2010.
DEX2000 een nuttig hulpmiddel voor onder andere strategische analyses. Wel van belang is om goed te realiseren op welke wijze DEX2000 is opgebouwd en wat er wel en vooral ook niet kan worden beweerd op basis van deze data. De belangrijkste valkuil is – zoals eerder aangegeven – het dubbele tijdsperspectief: enerzijds een momentopname (dwarsdoorsnede) en anderzijds een retrospectief beeld van de antecedenten van een selectieve groep verdachten (lengtedoorsnede).

 

Literatuur
Block, C.R. and C. van der Werff (1991) Initiation and continuation of a criminal career – Who are the most active and dangerous offenders in the Netherlands? Gouda Quint/WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 105.
Blumstein, A., J. Cohen, J.A. Roth and C.A. Visher (eds.) (1986) Criminal Careers and 'Career Criminals' Vol. I and II, Washington, National Academy Press.
Brants, C. (2002) Criminologie en politie: een ongemakkelijke LAT-relatie. Tijdschrift voor Criminologie, jrg. 44, nr. 1.
Bunt, H.G. van de (1988) Criminele carrières en selectieve onschadelijkmaking. Justitiële Verkenningen, jrg. 14, nr. 4, pag. 78-99.
Glueck, S. and E. Glueck (1939) Five Hundred Criminal Careers, New York, Knopf.
Gottfredson, M.R. and T. Hirschi (1990) A General Theory of Crime, California, Stanford University Press.
Huls, F.W.M. e.a. (eindred.)(2001) Criminaliteit en rechtshandhaving 2000, ontwikkelingen en samenhangen. Den Haag, CBS/WODC.
Kool, M. (2001) Van het rechte pad, Alkmaar, Politie Noord-Holland Noord.
Kruize, P. (1994) Dex-Module – Hulpmiddel bij algemene profielanalyse. Modus, jrg. 3, nr. 6, pag. 13-15.
Kruize, P. en P. Gruter (2000) Werving, selectie en opleiding van analisten. In: Moerland, H. en B. Rovers (red.) Criminaliteitsanalyse in Nederland, Den Haag, Elsevier, pp. 391-404.
Mathiesen, T. (1990) Prison on Trial, London, Sage.
Sutherland, E. (1937) The Professional Thief. Chicago, University of Chicago Press.

 

Summary

The Analysis of Criminal Careers on the basis of Police Registers.

In the Netherlands reported crimes and characteristics of known offenders are registered in a computerized system. This system is built for operational purposes, but contains information which has a strategic interest as well. To exact data from the system recently a new tool is developed called DEX2000. In this article the possibilities of this new tool is discussed in regard to the analysis of criminal careers and illustrated by an analysis of offender's registered criminal debut in the police region of Noord-Holland Noord.
This analysis shows that about one third of the novices are registered for traffic crimes, mainly drunken driving. Property crimes – mainly thefts – are in about one quarters of the cases someone's criminal debut, while one out of six starts with a violent crime, mainly assaults. 12% of the debutantes are minors (under the age of 18). The mode of the dispersion finds with young adults (18 to 23 years old); 20% of the starters belongs to this age group. Age and type of crime correlates. Youth is underrepresented by traffic crimes, but overrepresented by violations and disturbance of the public order.


 

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2002, jrg. 64, nr. 11, p. 20-24

0 reacties

Reageer op dit artikel