Bestel in beweging? Beweging in het bestel?
Het politiebestel staat weer ter discussie. De commissie-Leemhuis heeft haar werk nog niet afgerond, maar er liggen al wetsvoorstellen om de verhoudingen binnen het politiebestel ingrijpend te veranderen. Van waar die haast? Is het nu echt nodig om het politiebestel op stel en sprong om te gooien?
De commissie-Leemhuis – de Stuurgroep Evaluatie Politieorganisatie – is in het najaar met haar werkzaamheden begonnen en moet komende zomer rapporteren. Maar nog voordat de commissie haar werk heeft afgerond, liggen bij de Tweede Kamer wetsvoorstellen die de verhoudingen binnen het politiebestel ingrijpend veranderen. Vooral het wetsvoorstel 'Versterking rijksbevoegdheden ten aanzien van de politie' wordt door velen gezien als een ingrijpende verandering van het bestel. Veel meer dan tot nu toe krijgt (met name) de minister van Binnenlandse Zaken mogelijkheden om de inhoud van het regionale en lokale politie te sturen. De vraag die zich opdringt, is of het nuttig en nodig is om het politiebestel nu al weer ingrijpend te veranderen.
Tien jaar bestel
Het tienjarig bestaan van het regionale politiebestel in ons land is het afgelopen jaar zonder enig feestelijk vertoon aan ons voorbijgegaan. Dat is opmerkelijk; het twintigjarig jubileum van het rapport Politie in Verandering (Projectgroep Organisatie Structuren, 1977) was enkele jaren geleden nog goed voor een congres (mede georganiseerd door het NPI) en een boekje (Cachet e.a., 1998). Kennelijk valt er momenteel rond het politiebestel weinig te vieren.
Het ontbreken van feestgedruis wil echter niet zeggen dat het inmiddels stil is geworden rond het politiebestel. Eigenlijk zou het heel mooi zijn als dat wel zo geweest was. Nadat de stofwolken van de ingrijpende reorganisatie zijn opgetrokken en (vrijwel) iedereen zijn of haar nieuwe plek heeft gevonden, zou het dan nu weer tijd zijn om gewoon aan het werk te gaan en er – geheel in de lijn van het kabinetsbeleid – voor te zorgen dat Nederland veiliger wordt. Niet het bestel maar het politiewerk zou dan centraal staan: kwalitatief zowel als kwantitatief.
Helaas. Niets is minder waar. Het politiebestel staat alweer – of misschien is het beter te zeggen: nog steeds – volop ter discussie. De titel van de nota waarmee de ministers Dales en Hirsch Ballin indertijd de discussie over een nieuw politiebestel begonnen – Een nieuw politiebestel in de jaren negentig – lijkt onbedoeld veelzeggend te zijn; inderdaad 'in de jaren negentig'. De houdbaarheid van het huidige bestel lijkt beperkt.
Opmerkelijk
Dat het bestel nu alweer ter discussie staat, is allereerst opmerkelijk, gegeven de voorgeschiedenis van het huidige politiebestel. Bijna lijkt vergeten hoe bijzonder het indertijd was dat het bestel in beweging kwam, na zoveel decennia van onbeweeglijkheid.
In de periode na de Tweede Wereldoorlog was er een vrijwel permanent debat over het politiebestel. Maar alle commissies en regeringscommissarissen en al de bijbehorende debatten veranderden niets aan de fundamenten van het bestel. Ondanks snel groter wordende maatschappelijke problemen – na het midden van de jaren zestig – en ondanks sterk toenemende kritiek op de politie – ook toen al – bleef het politiebestel lange tijd fier overeind.
De onveranderlijkheid was zo groot dat Rosenthal (1987) ooit suggereerde dat alleen een echte crisis tot bestelverandering zou kunnen leiden. Hij kreeg gelijk, zij het dat de crisis meer een 'creeping crisis' was – de stormachtige groei van de criminaliteit – dan een plotselinge acute crisis (vergelijk ook Ringeling 1985).
Dat het bestel nu al weer ter discussie staat, is ook opmerkelijk omdat velen kennelijk al weer vergeten zijn hoe ingrijpend en kostbaar de vorige verandering was. De overgang van 17 Rijkspolitiedistricten en 148 gemeentepolitiekorpsen naar 25 regiokorpsen en het KLPD was kostbaar. Kostbaar: in termen van tijd, van inspanningen van velen en vooral in termen van personele consequenties.
Bovendien bleek ook bij deze reorganisatie dat werken en reorganiseren slecht samengaan. Organisaties houden zich óf vooral met de buitenwereld bezig óf vooral met zichzelf. Intern en extern gerichte activiteiten gaan maar moeilijk samen. Dat geldt ook voor de politie (Vereniging voor Bestuurskunde, 1997).
Natuurlijk ging 'tijdens de verbouwing de verkoop gewoon door', zoals menig politiechef vol trots meldde. Maar hij vergat erbij te zeggen dat de omvang en de kwaliteit van die verkoop wel op een erg laag niveau terecht waren gekomen. Het heeft na 1993 jaren en jaren gekost om het politiewerk weer echt op niveau te krijgen. In veel gevallen is dat pas in dit millennium gelukt.
Bestel als panacee?
Dat het bestel nu (alweer) ter discussie staat, heeft alles te maken met onvrede over de veiligheidssituatie in onze samenleving. Onvrede over objectieve en subjectieve veiligheid, onvrede ook over opheldering en straf en over handhaving of tolerantie.
Maar de directe koppeling tussen onbehagen over onveiligheid en kenmerken van het politiebestel geeft wel aanleiding tot kritische vragen. De meest fundamentele vraag is: ligt het veiligheidsprobleem wel primair bij de politie?
Dat er problemen op het gebied van veiligheid zijn en geweest zijn, is duidelijk. Maar wentelen we onze maatschappelijke en bestuurlijke onmacht niet al te gemakkelijk af op de politie? Is de politie wel de eerstverantwoordelijke voor veiligheid? Of is dat eerder het bestuur of misschien zelfs wel de maatschappij; burgers en organisaties die, in vele rollen, hun verantwoordelijkheid beter zouden moeten kennen en bovendien vooral ook beter zouden moeten nemen?
Ik vrees dat in veel gevallen ook voor de politie geldt wat André Klip, hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht in Maastricht, recent (8 januari 2005) in de NRC over het strafrecht zei: 'De politiek grijpt naar het strafrecht uit onvermogen om maatschappelijke problemen aan te pakken'.
De constatering dat de problemen elders – bijvoorbeeld in Engeland – niet anders zijn dan hier, relativeert misschien de veronderstelde invloed van het Nederlandse bestel. Ook in Engeland is sprake van een aanzienlijke stijging van criminaliteit en ordeproblemen. En ook daar leeft aanzienlijk onbehagen over onveiligheid en de bijdrage van de politie aan het bieden van meer veiligheid. Toch is het Engelse politiebestel in een aantal opzichten wezenlijk anders dan het Nederlandse. De chief constable heeft veel meer autonomie dan de Nederlandse korpschef en de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke inbedding van de politie is heel anders geregeld.
Zelfs de veelgewraakte bestuurlijke drukte binnen het politiebestel is niet iets exclusief Nederlands. Wie dat denkt, doet er goed aan te kijken naar het politiebestel in België, dat onlangs heel ingrijpend is vernieuwd. De eenwording van de politie heeft (ook) daar niet bepaald geleid tot een simpel en overzichtelijk bestel (Fijnaut, 2004).
Politie(bestel) en veiligheid
Hoe het ook zij, de politie is natuurlijk wel medeverantwoordelijk voor de veiligheid in onze samenleving, in het bijzonder voor de sociale veiligheid. En – zo luidt dan een volgende vraag – als het probleem dan minstens voor een deel bij de politie ligt, ligt het dan wel vooral aan het politiebestel of zijn er andere factoren in het geding? Zouden de problemen niet even goed kunnen voortkomen uit het tekortschieten van politiek-bestuurlijke actoren (vgl. Huberts e.a., 2004), aan opleiding, cultuur en mentaliteit binnen de politie, of misschien zelfs wel aan het politieleiderschap? (Vgl. Boin e.a., 2003.)
Misschien zijn dergelijke proces- en cultuurfactoren wel veel belangrijker dan dat eeuwige bestel. Uiteindelijk zou het wel eens zo kunnen zijn dat de kwaliteit van welk bestel dan ook staat en valt met de wijze waarop mensen daarbinnen inhoud geven aan hun rollen, hun verantwoordelijkheid wel of niet nemen, leidinggeven of niet.
Een bestel is in veel opzichten een lege huls. Het krijgt pas zin en betekenis door de invulling die mensen aan hun formele en informele posities geven. Positief, stimulerend, werkt het bestel vooral door de ruimte die het actoren biedt om hun werk goed te doen. Een bestel – elk bestel – kan echter ook negatief werken, indien het al te knellende kaders stelt; al te veel zinnige opties onmogelijk maakt. Dat dat het geval zou zijn, moet dan wel aangetoond in plaats van verondersteld worden. Te vaak wordt bij voorbaat verondersteld dat het huidige politiebestel iets onmogelijk maakt.
De laatste tijd wint de opvatting terrein dat binnen het huidige bestel veel meer kan dan politieministers tot nu toe hebben beweerd en waargemaakt. Het adagium van Dijkstal dat de minister van BZK (vrijwel) nergens over gaat, waar het de politie betreft, wordt steeds meer in twijfel getrokken.
Op een recente expertmeeting van de VNG over het politiebestel waren vrijwel alle aanwezigen het erover eens dat het politiebestel veel meer mogelijkheden biedt dan bewindslieden en andere gezagsdragers tot nu toe hebben benut.
Voor het huidige politiebestel geldt (Huberts e.a., 2004, p. 134): 'dat de tamelijk stabiele invloedsverhoudingen tussen politie, bestuur en OM er fundamenteel anders uitzien dan de wet voorschrijft'. Huberts constateert dat de regionale driehoek, vooral de korpsbeheerder en de korpschef, de regionale besluitvorming domineren. Niet alleen die over beheer, ook die over inhoud. 'Wet en werkelijkheid liggen ver uit elkaar, maar iets anders is of dat moet worden betreurd.' (o.c.)
Verandering van het bestel
Laten we gemakshalve toch even voor waar aannemen dat het bestel een belangrijke rol speelt. Dan dringt zich vervolgens de vraag op of dat bestel dan ingrijpend of incrementeel veranderd zou moeten worden. Hoe ziet de kosten-batenverhouding er uit bij deze verschillende veranderstrategieën?
De recent op volle kracht losgebarsten discussie over één ministerie van Veiligheid zou een aardige casus kunnen zijn om tot een dergelijke gefundeerde winst- en verliesrekening te komen. Wat zou er inschattenderwijs (ex ante) empirisch overblijven van de veronderstelde voordelen, qua coördinatie en slagkracht? En, welke nadelen c.q. verliespunten staan daartegenover, bijvoorbeeld in de zin van het verloren gaan van een uitgekiend stelsel van checks and balances tussen Justitie en Binnenlands bestuur (Nijpels en Opstelten, de Volkskrant, 24 januari 2005)? En, niet te vergeten, hoe hoog zijn de veranderkosten en welke invloed zullen ze voor welke termijn hebben op de effectieve uitvoering van het beleid?
Terug naar het politiebestel. Als je dat verandert, moet je dan wel streven naar een (zo) sterke mate van centralisatie als in het wetsontwerp 'Versterking rijksbevoegdheden', terwijl de ervaring leert dat dat zelden – en zeker niet in ons type netwerk samenleving – de oplossing is? Centralisatie lijkt een vreemde route, in een samenleving waar differentiatie en fragmentatie overheersen.
En, als je het bestel wilt veranderen, moet je dan niet eerst grondig analyseren wat het probleem precies is, hoe je daar wat aan kan doen en vooral: wat inschattenderwijs de voor- en nadelen van verschillende opties zijn?
De kans dat beoogde oplossingen alleen maar voor- en geen nadelen hebben, is buitengewoon klein. Dat geldt en gold in elk geval niet voor de vele oplossingen die de afgelopen jaren in de politiewereld de revue passeerden; van wijkagenten en wijkteams, via gebiedsgebonden politiezorg en digitaal rechercheren, tot aan informatiegestuurd politiewerk, het aanpakken van veelplegers of prestatiesturing en vele vele andere modes.
Maar het is natuurlijk ook een illusie te denken dat veel en goed onderzoek vanzelf zal leiden tot beter beleid en beter politiewerk.
Niets is minder waar, in een zo politieke context, als die van het politiewerk en -beleid (cf. Reiner 2000 en Boin 2003).
Hoe lastig soms ook, wetenschappelijke input in het beleid is mogelijk en kan nuttig zijn. Kennis en inzicht kunnen veelal bijdragen aan een (wat) beter beleid.
Wat dat betreft is de huidige besteldiscussie een stap terug vergeleken bij de vorige. Toen immers – begin jaren negentig – mochten universiteiten allerlei onderdelen van het proces en van het beoogde resultaat onderzoeken en begeleiden. Het IVA in Tilburg publiceerde in opdracht van het project Reorganisatie Politie een reeks onderzoeken over de wijze waarop het politiebestel begin jaren negentig uiteindelijk dan toch veranderde (o.a. IVA,1993). Rotterdamse en Leidse bestuurskundigen deden – eveneens in opdracht – onderzoek naar een van de grootste knelpunten in het beoogde bestel, de politiek-bestuurlijke inbedding van de regionale politie (Cachet e.a., 1994). Wat later in de tijd gaven de politiedepartementen opdracht voor een grootschalige eerste evaluatie van het bestel; de zogenoemde breedte- en diepteonderzoeken die uiteindelijk aan Bestel in Balans ten grondslag lagen (Evaluatie, 1993).
Nu lijkt het armoe troef. Van een systematische evaluatie van de stand van zaken binnen het huidige bestel is geen sprake. In de commissie-Leemhuis zit één vertegenwoordiger van de wetenschappelijke wereld, die zich niet eerder met politie of politiebestel heeft beziggehouden. In hoeverre de stuurgroep onderzoek laat doen, is onduidelijk.
Bestel, nu!
Dat brengt me bij de huidige stand van het besteldebat. De laatste jaren verscheen een aantal studies waarin het bestel een prominente plaats inneemt. De meeste studies vielen binnen het programma Politie en Wetenschap (Terpstra 2002, Struiksma 2002, Huberts 2004), sommige vielen buiten dit kader (o.a. Rekenkamer 2003).
De teneur van de wetenschappelijke bestelstudies is – heel globaal – de volgende. Het politiebestel verdient geen schoonheidsprijs. Het is complex en in sommige opzichten past het maar moeizaam binnen de normale politiek-bestuurlijke verhoudingen in ons land (Thorbeckes drie bestuurslagen).
Maar alle schoonheidsfouten ten spijt: het bestel werkt inmiddels wel. Actoren hebben redelijk hun weg weten te vinden binnen het bestel, al is dat niet altijd helemaal het formele door de wetgever uitgezette traject (vergelijk het eerdere citaat uit Huberts 2004). Van grote conflicten binnen het bestel is niet of nauwelijks sprake. De spanningen en tegenstellingen die er zijn, worden min of meer bevredigend en min of meer effectief door partijen opgelost. Nieuwe ontwikkelingen als prestatiesturing lijken bovendien zonder al te veel moeite in het bestaande bestel te kunnen worden geïncorporeerd. Van een ernstige crisis binnen het bestel lijkt dus momenteel geen sprake. Wel blijkt – ook uit onderzoek – dat lang niet alle mogelijkheden die het bestel aan actoren biedt, feitelijk ook worden gebruikt (Struiksma o.c., Huberts o.c.).
Dat het bestel wekt, is mooi. Maar tegelijkertijd lijkt de toekomst van dit bestel niet via de voordeur, maar via de achterdeur te worden beslecht.
Twee voorbeelden:
N Terwijl de met de Kamer afgesproken evaluatie van de kernteams nog liep, besloten de politieministers al vast tot instelling van een nationale recherche (vgl. Klerks, 2002).
N Nog voordat de commissie-Leemhuis aan haar werk begonnen was, lagen er al wetsvoorstellen bij de Kamer die de verhoudingen binnen het politiebestel (en vooral die tussen het landelijke en het regionale niveau) ingrijpend veranderen.
Wetsvoorstellen
Ik ben zeker niet de enige die meent dat de wetsvoorstellen die nu in behandeling zijn (met name wetsvoorstel 29 704 inzake het versterken van de bevoegdheden op rijksniveau) ingrijpende wijzigingen in het huidige politiebestel inhouden. Dat geldt vooral voor de meer dwingende inhoudelijke sturing door de ministers van BZK en Justitie (artt 43a t/m 43g). Ik ben ook zeker niet de enige die de vraag heeft gesteld of deze vergaande ingrepen in het bestel niet beter kunnen wachten tot de Stuurgroep haar werk heeft gedaan (vgl. Fasseur, 2005 en Korpsbeheersberaad/Raad van Hoofdcommissarissen 2005).
Overigens past het wetsvoorstel (29 704) wel binnen een lijn die zich al wat langer aftekent. Sinds Bram Peper als minister van BZK aantrad, heeft het departement al veel inhoudelijke sturingsmacht naar zich toe getrokken. Dat begon met de vaststelling van het Beleidsplan Nederlandse Politie (1998) en het Integraal Veiligheids Programma (1999 ), werd voortgezet in het Veiligheidsprogramma 2002 (Naar een veiliger samenleving) om voorlopig uit te monden in het Landelijk kader Nederlandse Politie 2003-2006 en de inhoudelijke prestatieafspraken tussen de minister(s) en de korpsen, die daar deel van uitmaken.
Via deze wetsvoorstellen kondigt zich ook een heel fundamenteel debat aan, waarvan we de komende tijd nog veel zullen horen: een nieuwe ronde in het eeuwige debat over beheer versus gezag inzake de politie en wie daarover gaan.
Tot de unieke aspecten van het politiebestel behoort sinds lang de scheiding van verantwoordelijkheden voor gezag en beheer. De ouderen onder ons herinneren zich nog de klaagzangen van vroegere Rijkspolitieburgemeesters dat ze niets met hun gezagsrol konden omdat ze geen zeggenschap over mensen en middelen hadden; gezag zonder beheer is een lege huls, luidde hun boodschap.
In de Politiewet 1993 bleef het gezags- en beheersdualisme gehandhaafd. De wetgever wrong zich zelfs in bochten om gezag en beheer bij verschillende actoren onder te brengen.
Vreemde constructies als de korpsbeheerder en het regionaal college waren het gevolg. Bovendien – zo blijkt onder meer uit de eerder aangehaalde studie van Huberts – werkt de duale scheiding in de praktijk van geen kant.
In de werkelijkheid is het kennelijk onontkoombaar dat over gezag en beheer dicht bij elkaar besloten wordt. Zoals in elke normale organisatie: 'structure follows strategy'; middelen volgen normaliter beleid.
Voorzover zich op dit moment de contouren van een nieuw politiebestel in het maatschappelijke en politiek-bestuurlijke debat aftekenen, lijkt er vrij brede consensus te ontstaan over het scheiden van gezags- en beheersverantwoordelijkheden. Het is niet erg, integendeel het is aan te bevelen, dat de minister van BZK meer bevoegdheden in de beheerssfeer krijgt, zo luidt de consensus (vgl. Staal, 2003). Maar, voegen velen eraan toe, de minister moet zich dan wel tot dat beheer beperken en de inhoudelijk sturing vooral aan de regio's en/of gemeenten laten.
Centralisatie van het beheer wordt veelal bepleit, met een verwijzing naar al die verschillende en niet met elkaar communicerende computersystemen, al die verschillende automerken. Ook wordt gewezen op nuanceverschillen in het personeelsbeleid van de verschillende regio's en naar arme versus rijke korpsen, die elkaar over en weer niet willen helpen.
Op zich kunnen dat best valide argumenten voor een meer centraal beheer zijn. Maar, al te lichtvoetig wordt voorbijgegaan aan de meest cruciale vorm van beheer: capaciteitsmanagement; de zeggenschap over geld en menskracht.
Het droevige lot van de oude Rijkspolitieburgemeester: wel gezag, geen mensen, dus geen invloed op het beleid, lijkt snel te worden vergeten. Die Rijkspolitieburgemeester krijgt postuum overigens steun van Cees Fasseur, de ontwerper van de huidige politiewet. Het is, zegt Fasseur (o.c., 2005) een misverstand te denken 'dat beheer een afgeleide is van het gezag en dat de zeggenschap over de politie bij de gezagsdrager ligt en niet bij de beheerder. Het is net andersom.' Dat laatste onderschrijf ik overigens zeker niet. 'Beleid volgt middelen' lijkt me een vorm van inputsturing uit de wel heel oude doos.
Wat wel waar is, is dat beheer, in de vorm van verdeling en toedeling van capaciteit, allerminst een neutrale activiteit is. Beheer is onvermijdelijk een vorm van politieke en beleidsmatige sturing. Geen formule om sterkte te verdelen is volledig objectief en neutraal. Nu niet, en in de toekomst evenmin.
Bovendien, wat let de minister(s) om middelen en mensen geoormerkt toe te wijzen aan de korpsen, zoals dat al eerder al het geval was voor milieutaken?
De wetsvoorstellen die momenteel bij de Tweede Kamer liggen, bieden de minister van BZK ruime mogelijkheden om mee te sturen; ook inhoudelijk. In de toekomst zou diezelfde minister van BZK wel eens de enige functionaris binnen het bestel kunnen worden waar beheer en gezag juist wel in één hand liggen.
Dat is strijdig met de beginselen van het huidige (en het vorige) politiebestel. Maar misschien is dat niet zo'n sterk argument.
Het is vooral – of het moet vooral – een teken aan de wand zijn als het gaat om de sturingsmacht of doorzettingsmacht van verschillende actoren in een vernieuwd politiebestel. Blijft er nog wel voldoende ruimte voor sturing op decentraal niveau, voor lokaal maatwerk, naast een zo machtige speler op centraal niveau?
Slot
Er zijn veel redenen om het politiebestel ter discussie te stellen. Er zijn ook goede redenen om dat niet of niet te ingrijpend te doen.
Voor- en tegenstanders van ingrijpende bestelwijziging hebben argumenten die soms wel, soms niet empirisch gefundeerd zijn, zoals dat in een politiek debat gebruikelijk is. Alleen de tijd zal leren welke argumenten uiteindelijk valide blijken te zijn. Zoals altijd is veel wijsheid, wijsheid achteraf.
Dat we bij een zo complex onderwerp niet alle voors en tegens volledig kunnen overzien, is niet erg; het is zelfs onvermijdelijk. Maar het schept wel verplichtingen. Met name de verplichting om zo goed mogelijk na te denken over de gevolgen van mogelijk beleid en daarover met elkaar te debatteren. Dat debat kan ons misschien voor sommige fouten behoeden.
Het is al met al dus hoog tijd voor meer en beter gefundeerd debat over de gewenste toekomst van het politiebestel. De Stuurgroep Evaluatie Politie Organisatie probeert debat ook te stimuleren (www.politiebestel.nl).
Het zou kabinet en Kamer sieren als ze niet – via de wetsontwerpen die nu ter discussie staan of anderszins – vooruit zouden lopen, op het werk van de Stuurgroep. Er is geen acute crisis die ingrepen in het politiebestel op dit moment absoluut noodzakelijk maakt of rechtvaardigt. Integendeel. Er is alle reden om te wachten tot de Stuurgroep haar werk – komende zomer – heeft afgerond. Niemand is gebaat bij slordige en haastige besluitvorming over een kwetsbaar en complex iets als het politiebestel.
Dit artikel is een bewerkte versie van een inleiding, gehouden op het congres Nieuwe reorganisatie van het politiebestel?, Leidschendam 9 februari 2005.
Literatuur
Algemene Rekenkamer, Zicht op taakuitvoering van de politie. Den Haag: februari 2003.
Boin, A. e.a. Blauwe Bazen. Het leiderschap van korpschefs. Zeist: Kerkebosch, 2003.
Cachet, A., E.J. van der Torre en W. van Natijne (red), De blijvende betekenis van Politie in Verandering, Den Haag, Elsevier, 1998.
Cachet, A., E.R.Muller, e.a. Politiebestel in verandering. Verhoudingen tussen politie, bestuur, justitie en gemeenteraad onder de oude en de nieuwe Politiewet. Arnhem: Gouda Quint, 1994.
Evaluatie Politiewet 1993, Breedteonderzoek resp. Diepteonderzoek, Den Haag: VUGA, 1998.
Fasseur, C., Nationale politie is de enige oplossing, de Volkskrant, 21 januari 2005.
Fijnaut, C., De lusten van de eenvoud en de lasten van het meervoud. Nederlands politiebestel in Belgisch perspectief, in: Lex Cachet en Hans Drayer, Themanummer Politiebestel, het Tijdschrift voor de Politie, jrg. 65, no.6, juni 2004.
Huberts, L.W.J.C., Paradoxaal Politiebestel. Burgemeesters, Openbaar Ministerie en Politiechefs over de sturing van de politie. Zeist: Kerkebosch / Politie en Wetenschap, 2004.
IVA, De reorganisatie van de organisatie. Tilburg: november 1993.
Klerks, P.P.H.M. e.a., De voorhoede van de opsporing. Evaluatie van de kernteams als instrument in de aanpak van zware georganiseerde criminaliteit. Den Haag: Reed Business Information, 2002.
Korpsbeheerderberaad / Raad van Hoofdcommissarissen Brief en notitie inzake het Wetsvoorstel versterking bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie. Den Haag: 3 februari 2005.
Projectgroep Organisatie Structuren, Politie in verandering, Staatsuitgeverij, Den Haag: 1977.
Reiner, R., The politics of the police, Oxford: Oxford University Press, 2000.
Ringeling, A.B., De voortdurende discussie over het politiebestel, in: Redenen van Wetenschap: Opstellen over de politie veertig jaar na het Politiebesluit 1945, Arnhem: Gouda Quint, 1985.
Rosenthal, U., Wachten op de nieuwe Politiewet, in: J.F.M. Koppenjan e.a. (red.), Beleidsvorming in Nederland, Den Haag, 1987.
Staal, B., Nationaal beheer versterkt lokaal gezag, in: Lex Cachet en Hans Drayer, Themanummer Politiebestel, het Tijdschrift voor de Politie, jrg. 65, no.6, juni 2004
Struiksma, N en H.B. Winter, Bevoegdheden overd(r)acht. Een onderzoek naar delegatie en mandaat van beheersbevoegdheden in de politiepraktijk. Zeist: Kerkebosch / Politie en Wetenschap, 2002
Terpstra, J., Sturing van politie en politiewerk.Een verkennend onderzoek tegen de achtergrond van een veranderende sturingscontext en sturingsstijl. Enschede: IPIT / Politie en Wetenschap, 2002.
Vereniging voor Bestuurskunde, Permanente herstructurering in maatschappelijke sectoren, Den Haag, VUGA 1997.
1 In een debat met enkele leden van de Tweede Kamer op het congres Nieuwe reorganisatie van het politiebestel? op 9 februari 2005, bleek dat de Kamer aarzelt of de nu voorliggende wetsontwerpen wel behandeld moeten worden, vooruit lopend op de rapportage van de Stuurgroep.
2 Een studieproject binnen het Programma Politie en Wetenschap – Uit balans: Politie en bestel in de knel – komt tot vergelijkbare conclusies. NRC 16 februari 2005.

Reageer op dit artikel