Cybercrime in Nederland: verspreiding van kinderporno en haat zaaien

Door E.R. Leukfeldt BSc, M.M.L. Domenie BSc en dr. W.Ph. Stol, 01 mei 2009 11:31 uur0 Waardering:

Cybercrime in Nederland: verspreiding van kinderporno en haat zaaien Dit artikel is het eerste deel van een tweeluik over cybercrime in Nederland. Het is gebaseerd op de literatuurstudie van de criminaliteitsbeeldanalyse cybercrime die we uitvoerden in opdracht van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).1 In dit eerste deel gaan we in op verspreiding van kinderporno en haat zaaien. In een vervolgartikel komen hacken, e-fraude en identiteitsmisbruik aan bod. We selecteerden deze vijf omdat ze van alle cybercrimes de ernstigste maatschappelijke problemen vormen en (dus) de meeste aandacht krijgen van politie en justitie.2

Op dit moment zijn er verschillende definities van cybercrime in omloop.3 Wij hanteren cybercrime als overkoepelend begrip voor alle vormen van criminaliteit waarbij ict een wezenlijke rol speelt. We onderscheiden vervolgens twee subcategorieën. Voor delicten waarbij ict zowel doel als middel is, hanteren we de term ‘cybercrime in enge zin’. Hieronder vallen alle vormen van criminaliteit waarbij ict zowel instrument als doelwit is, zoals hacken en de verspreiding van virussen. In de tweede subcategorie, cybercrime in ruime zin, vallen delicten waarbij ict van wezenlijk belang is voor de uitvoering, maar waarbij ict geen doelwit is, zoals in geval van fraude of verspreiding van kinderpornografie.


Verspreiding van kinderporno
Kinderpornografie is iedere afbeelding – of gegevensdrager die een afbeelding bevat – van een seksuele gedraging waarbij iemand, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar betrokken is (artikel 240b Sr, zie figuur 1). De aard en inhoud van kinderpornografisch materiaal kan sterk variëren, maar gemeenschappelijk kenmerk is dat er altijd elementen van seksueel misbruik, geweld en/of seksuele exploitatie in zijn terug te vinden.4


De maatschappelijke bezorgdheid over de verspreiding van kinderpornografie is terecht in die zin dat we uit eerder onderzoek weten dat internet in belangrijke mate bijdraagt aan de verspreiding van kinderpornografie en dat internet met zich meebrengt dat mensen eerder dan voorheen de grenzen van het toelaatbare opzoeken – en overschrijden.5 Dat de verspreiding van kinderporno ook een politiek issue is, zien we in een debat over de aanpak van kinderpornografie, eerste helft 2006, waarin de Tweede Kamer een motie aanneemt waarin zij de minister van Justitie verzoekt ‘om de verdere uitbouw en toepassing van de technische mogelijkheden tot het blokkeren, filteren of afsluiten van kinderpornografisch materiaal op internet en andere media te bevorderen’6. Een van de conclusies van het onderzoek dat hieruit volgde was echter dat het door de overheid op internet filteren van kinderpornografisch materiaal zowel juridisch als technisch gezien een lastige kwestie is.7 Het is volgens de minister van Justitie echter ondenkbaar dat Nederland stopt met het filteren en blokkeren van kinderporno op het internet.8 Het uitgangspunt blijft volgens de minister dat ‘kinderen moeten worden beschermd tegen deze vreselijke vorm van misbruik’.9 Om dat te bereiken blijft volgens de minister opsporing en internationale samenwerking cruciaal en moeten websites met kinderpornografisch materiaal worden geblokkeerd. De taak die nu door het KLPD wordt uitgevoerd, het bijhouden van een zwarte lijst, zal echter worden beëindigd nadat de activiteiten zijn overgenomen door een particuliere organisatie zoals een op te richten Autoriteit Bestrijding Kinderpornografie10.


Strafbaarstelling
Kinderpornografie is in Nederland strafbaar gesteld in artikel 240b Sr (figuur 1). Dat artikel geeft weer wat onder kinderporno is te verstaan. De ratio van artikel 240b Sr komt erop neer dat jongeren beschermd moeten worden, en wel tegen gedragingen en uitingen die hen kunnen aanmoedigen of verleiden om deel te nemen aan seksueel verkeer, alsook tegen gedragingen en uitingen die bijdragen aan een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.11 Artikel 240b Sr werd op 1 oktober 2002 laatstelijk gewijzigd. In overeenstemming met internationale verdragen, in het bijzonder het Cybercrimeverdrag dat door Nederland is ondertekend in 2001, is de leeftijdsgrens toen bepaald op achttien jaar (dit was zestien). Tevens is bij die wijziging, met het zinsdeel ‘of schijnbaar betrokken’, de zogenoemde virtuele kinderpornografie onder de werking van de wet gebracht. Virtuele kinderpornografie is ogenschijnlijk echte kinderpornografie, niet vervaardigd met echte kinderen maar met behulp van digitale technieken.

 

Figuur 1.
 


Artikel 240b Wetboek van Strafrecht
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding – of gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in bezit heeft.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of gewoonte maakt.
 


 

Kinderporno op internet is een grensoverschrijdend probleem. Ondanks internationale verdragen gericht op de verdere harmonisatie van wetgeving zijn er diverse verschillen tussen nationale wetgevingen, ook tussen die van landen binnen Europa. In Noorwegen bijvoorbeeld zijn alle kinderpornografische uitingen strafbaar terwijl de Nederlandse wet alleen spreekt over beeldmateriaal; in Noorwegen is ook het bewust kijken naar kinderporno strafbaar (zonder te downloaden), in Nederland niet. In Zweden vallen kinderen van achttien jaar of ouder wiens puberteitsontwikkeling nog niet is voltooid onder bescherming van de kinderpornowetgeving, in Nederland niet.12


Verspreidingsvormen
Uit de cijfers van het Meldpunt Kinderporno13 gecombineerd met eerder onderzoek naar kinderpornografie op internet14 kunnen we afleiden dat kinderpornografie via verschillende onderdelen van het internet worden verspreid: websites, chatkanalen, nieuwsgroepen, spam, peer-to-peernetwerken (P2P) en virtuele harde schijven. We weten niet precies welk aandeel van de kinderporno op internet wordt verspreid via welke route, we weten wel dat de wijze waarop de verspreiding loopt aan verandering onderhevig is, deels omdat er voortdurend nieuwe technische mogelijkheden ontstaan15 en deels omdat de aanbieders van kinderporno reageren op repressieve maatregelen.16 Uit de jaarverslagen van het Meldpunt Kinderporno blijkt dat in de beginjaren van internet kinderporno, ook in Nederland, nog geregeld werd aangeboden op gewone webpagina’s.17 Deze opvallende manier van verspreiden verdween gaandeweg nadat in de zomer van 1996 het Internet Meldpunt Kinderporno (IMK) werd opgericht en de politie zich gaandeweg op internet begaf. Kinderporno verdween naar minder opzichtige delen van internet, vooral nieuwsgroepen. De trend van de afgelopen jaren is dat nieuwsgroepen een minder grote rol spelen dan in het verleden en dat peer-to-peernetwerken18 aan belang winnen19, onder meer vanwege de via die weg te realiseren anonimiteit en de mogelijkheden tot het versleutelen van bestanden.


De websites en P2P-netwerken waar mensen onderling kinderpornografisch materiaal uitwisselen zijn goed verborgen.20  Voor de bezoekers van dergelijke plekken op het internet lijkt dit geen groot probleem; zij weten elkaar toch wel te vinden. Commerciële sites daarentegen kampen met een probleem van bedrijfseconomische aard. De verkoper verschuift zijn aanbod dan wel naar een verscholen plek, maar moet toch reclame maken voor zijn waar. Nadat opzichtig aanbieden via websites te gevaarlijk werd ontstond de combinatie website-nieuwsgroep, waarbij de website bestaat uit een portal met reclame met daarachter een betaalsite en waarbij via de nieuwsgroepen reclame werd gemaakt middels nieuwsgroepberichten. Later zien we de combinatie website-spam, met eenzelfde soort website, maar nu met reclame via spam.21 Dat is meteen de achilleshiel van het commerciële circuit: aanbieders moeten aan hun locatie bekendheid geven omdat ze anders niets verkopen.


Haat zaaien
Er is in Nederland niet een algemeen geldende definitie van haat zaaien. Wij definiëren haat zaaien als het (opzettelijk) beledigen of discrimineren van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, zonder een bijdrage te leveren aan het publieke debat, waarbij ict essentieel is voor de uitvoering.22

 

In onze huidige samenleving heeft een aantal gebeurtenissen plaatsgevonden die, zelf het gevolg van tegenstellingen, fungeerde als katalysator voor het ontstaan van ongenoegen. Voorbeelden zijn de aanslagen op de Twin Towers in New York in 2001, de onstuimige opkomst van Pim Fortuyn en zijn moord in 2002, later de aanslagen in Madrid (2004) en Londen (2005), en de moord op Theo van Gogh eind 2004. Vrijwel alle radicale groeperingen en personen met extreme opvattingen maken intensief gebruik van websites en chatboxen om propaganda te voeren, opponenten te bedreigen en te provoceren en op te roepen tot geweld.23 Daarnaast verschaft internet volgens Van Stokkom e.a. een podium waarin mensen op relatief eenvoudige wijze hun (haat)gevoelens kunnen uiten.24


Strafbaarstelling
Haat zaaien staat niet als zodanig in het wetboek. Aan de hand van de geformuleerde definitie van haat zaaien kunnen wetsartikelen worden onderscheiden die van toepassing zijn. Een eerste artikel dat in aanmerking komt is artikel 147 Sr, godslastering. Godslastering impliceert een in het openbaar geuite (smalende) belediging die betrekking heeft op de persoon van God. Dit artikel is afkomstig uit de jaren twintig van de vorige eeuw en er wordt in de praktijk geen gebruik van gemaakt, er wordt zelfs gesproken over afschaffing van dit artikel.25 Verder is artikel 131 Sr (opruiing) van toepassing en natuurlijk de artikelen die handelen over discriminatie (artikel 90quater en artikel 137c-g Sr; zie ook figuur 2).

 

Figuur 2.
 


Artikel 90quater Wetboek van Strafrecht: discriminatie
Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast.
 


 

Uit de nota Grondrechten in een pluriforme samenleving (2005) blijk dat de betekenis van artikel 137c Sr ten aanzien van de belediging van homoseksuelen en personen wegens hun godsdienst of levensovertuiging beperkt is. Indien er sprake is van een bijdrage aan het maatschappelijke debat vervalt de strafbaarheid. Volgens de nota mag verwacht worden dat dergelijke uitlatingen worden tegengesproken en dat het debat wordt aangegaan. Op die manier kunnen vooroordelen tijdig uit de weg worden geruimd en kan de escalatie van sluimerende conflicten worden voorkomen.26 In het geval dat wordt aangezet tot haat (artikel 137d Sr) wordt volgens de nota echter een grens overschreden waarbij eerder een inperking van de meningsuiting en godsdienstvrijheid kan worden gemaakt. De uitspraken van Wilders illustreren de complexiteit omtrent haatzaaiende uitspraken. Ten tijde van de start van onderhavig onderzoek besloot het Openbaar Ministerie om Wilders niet te vervolgen voor haat zaaien, omdat de uitspraken gedaan waren in een politieke context en omdat ze zouden bijdragen aan het publieke debat. Tijdens de afronding van het rapport besloot het Hof echter dat Wilders toch moest worden vervolgd (artikel 12-procedure). Het is nog niet duidelijk wanneer een uitspraak wel of niet haatzaaiend is. Hierover is nog te weinig jurisprudentie.


Verspreidingsvormen
Uit de cijfers van het Meldpunt Discriminatie Internet27 kunnen we afleiden dat haatzaaiende content in ieder geval wordt verspreid middels spam (e-mail), websites, peer-to-peernetwerken, nieuwsgroepen en chatkanalen. We weten niet precies welk aandeel van de haatzaaiende content via welke route op internet wordt verspreid, wel weten we dat de wijze waarop de verspreiding loopt aan verandering onderhevig is. Onbekend is echter of dit komt doordat er voortdurend nieuwe technische mogelijkheden ontstaan en doordat er gereageerd wordt op repressieve maatregelen. Gezien het geringe aantal veroordelingen, vermoeden we het eerste. Populaire weblogs waar mensen kunnen reageren op berichten krijgen steeds meer te maken met haatzaaiende reacties.28 Uit de analyse van jaarverslagen van het MDI29 blijkt dat over de jaren heen de meeste meldingen betrekking hebben op haatzaaiende uitingen op websites. Hieronder vallen ook weblogs en webdiscussiefora. Het aantal meldingen over nieuwsgroepen neemt af en is in 2007 bijna nihil. Hier is overigens een duidelijke tegenstelling met de verspreiding van kinderpornografisch materiaal te zien; daar neemt de verspreiding via websites juist af. Een verklaring hiervoor is dat de verspreiders van haatzaaiende teksten juist een zo groot mogelijk publiek willen bereiken en nieuwe groepen mensen aan willen spreken met hun boodschap, terwijl verspreiders van kinderporno juist uit de publiciteit willen blijven en met gelijkgestemden materiaal willen uitwisselen of alleen een specifieke klantengroep willen bereiken.
Dat meldingen over haatzaaiende content op internet in verband staan met gebeurtenissen die plaatsvinden in onze maatschappij, zoals van Stokkom e.a. stellen30, zien we in 2004. In dat jaar is een stijging van het aantal meldingen bij het MDI te zien. Het MDI concludeert dat het jaar 2004 met de nasleep van de moord op Van Gogh achteraf gezien een uitschieter is geweest. In de periode kort na de moord op Van Gogh stond internet bol van haatzaaiende uitingen, zowel van mensen die van mening waren dat de islam een halt toegeroepen moest worden, als mensen die hun vreugde uitten over de moord op Van Gogh en blij waren dat de ‘jihad in Nederland’ was begonnen. Daarnaast was er in 2004 driemaal sprake van op grote schaal verstuurde extreem rechtse e-mail. Deze mails waren in 2004 verantwoordelijk voor enkele honderden meldingen.31


Rutger Leukfeldt, Miranda Domenie en Wouter Stol zijn respectievelijk junioronderzoeker, onderzoeker en lector van het Lectoraat Cybersafety van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden.

 

Foto: Lucas Rozenboom

 

Lees verder»

Cybercrime in Nederland: hacken, e-fraude en identiteitsmisbruik
 

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, jrg 71, nr 5, 2009

Noten

1 Leukfeldt, E.R., M.M.L. Domenie en W.Ph. Stol (te verwachten). Criminaliteitsbeeldanalyse Cybercrime. Een verkennend onderzoek naar aard en omvang van cybercrime in Nederland.
2 Stol, W.Ph. (2004). Trends in cybercrime. In: Justitiële Verkenningen nr. 8 uit 2004 (Cybercrime) p. 22-33. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
W.Ph. Stol, H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens, E.R. Leukfeldt en A.R. Lodder (2008b). Internetcriminaliteit: kinderpornografie in meervoudig perspectief. Ars Aequi 57, 07/08, p. 531-540.
3 PAC (2008a). Definities van Cybercrime. Een onderzoek naar- en toetsing van diverse bestaande definities van Cybercrime, om te komen tot één werkbare, herkenbare en gedragen definitie voor intern en extern gebruik door het PAC. De Bilt: interne notitie.
PAC (2008b). Programmaplan. Programma Aanpak Cybercrime. De Bilt: interne notitie.
KLPD, DNR (2007). Cybercrime - Focus op High Tech Crime: Deelrapport Criminaliteitsbeeld 2007. Rotterdam: Thieme MediaCenter.
Hulst, R.C. van der en R.J.M. Neve (2008). High-tech crime: Inventarisatie van literatuur over soorten criminaliteit en hun daders. Den Haag: WODC.
4 Bullens, R. (2007). Kijken naar kinderporno op internet: ‘onschuldige’ drang? In: A.Ph. van Wijk, R.A.R. Bullens en P. van den Eshof (red.). Facetten van zedencriminaliteit. ’s-Gravenhage: Reed Bussiness Information bv.
5 Stol, W.Ph., H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens, E.R. Leukfeldt en A.R. Lodder (2008a). Filteren van kinderporno op internet. Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland. Den Haag: BJU.
6 TK (2006:12).
7 Stol, W.Ph., H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens, E.R. Leukfeldt en A.R. Lodder (2008a). Filteren van kinderporno op internet. Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland. Den Haag: BJU.
8 Leukfeldt, E.R., W.Ph. Stol, H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens en A.R. Lodder (aangeboden). Filteren op internet: de rol van de Nederlandse overheid in het blokkeren van kinderpornografische websites. Tijdschrift voor de Veiligheid.
9 Kamerstukken II 2007-2008, 28 684 en 31 200 VI, nr. 166.
10 Andersson Elffers Felix (te verwachten). Publiekprivate bestrijding van kinderporno op internet. Een oplossingsrichting.
11 Zie bv. Kamerstukken I 2001/02, 27 745, nr. 299b en Aanwijzing kinderpornografie (artikel 240b Sr) Staatscourant, 30 juli 2007, 162.
12 Zie artikel 204a van de Noorse strafwet en artikel 10a van paragraaf 16 van de Zweedse strafwet.
13 MKI (2008). Jaarverslag 2007 Amsterdam: Stichting ter bestrijding van kinderporno op internet.
14 Stol, W.Ph., R.J. van Treeck en A.E.B.M. van der Ven (1999). Criminaliteit in cyberspace – een praktijkonderzoek naar aard, ernst en aanpak in Nederland. Den Haag: Elsevier.
Stol, W.Ph. (2004). Trends in cybercrime. In: Justitiële Verkenningen nr. 8 uit 2004 (Cybercrime) p. 22-33. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Schell, B.H., M.V. Martin, P.C.K. Hung en L. Rueda (2007). Cyber child pornography: A review paper of the social and legal issues and remedies and a proposed technological solution. Aggression and Violent Behavior 2007, 12, p. 45-63.
Oosterink, M. en E.J. van Eijk (2006). Opsporing Kinderpornografie op internet. Een statusoverzicht. Den Haag: Ministerie van Justitie.
Stol, B.H., H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens, E.R. Leukfeldt en A.R. Lodder (2008a). Filteren van kinderporno op internet. Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland. Den Haag: BJU.
15 Deibert, R.J., J.G. Palfrey, R. Rohozinski en J. Zittrain (2008). Access Denied; The Practice and Policy of Global Internet Filtering. Cambridge, Mass: The Mitt Press.
16 Stol, W.Ph. (2004). Trends in cybercrime. In: Justitiële Verkenningen nr. 8 uit 2004 (Cybercrime) p. 22-33. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
17 MKI (Meldpunt Kinderporno op Internet) (1997). Internet Meldpunt Kinderporno, jaarverslag 1996/1997. Amsterdam: Stichting ter bestrijding van kinderporno op internet.
18 P2P-netwerken stellen gebruikers in staat om een-op-een te communiceren en bestanden uit te wisselen, dus zonder dat anderen daar deelgenoot van zijn.
19 Oosterink, M. en E.J. van Eijk (2006). Opsporing Kinderpornografie op internet. Een statusoverzicht. Den Haag: Ministerie van Justitie.
Schell, B.H., M.V. Martin, P.C.K. Hung en L. Rueda (2007). Cyber child pornography: A review paper of the social and legal issues and remedies and a proposed technological solution. Aggression and Violent Behavior 2007, 12, p. 45-63.
Stol, W.Ph., H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens, E.R. Leukfeldt en A.R. Lodder (2008a). Filteren van kinderporno op internet. Een verkenning van technieken en reguleringen in binnen- en buitenland. Den Haag: BJU.
20 Kleef, van J. (2004). Kinderporno kinderspel. Nieuwe Revu, nr. 52.
21 Stol, W.Ph. (2004). Trends in cybercrime. In: Justitiële Verkenningen nr. 8 uit 2004 (Cybercrime), p. 22-33. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
22 Leukfeldt, E.R., W.Ph. Stol, H.W.K. Kaspersen, J. Kerstens en A.R. Lodder (aangeboden). Filteren op internet: de rol van de Nederlandse overheid in het blokkeren van kinderpornografische websites. Tijdschrift voor de Veiligheid.
Tienstra, J. (2008). Cybercrime Haatzaaien. Leeuwarden: NHL.
23 Stokkom, B.A.M. van, H.J.B. Sackers en J.P. Wils (2007). Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen. Een inventariserende studie. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, p. 190.
24 Zie Van Stokkom e.a. (2007:217).
25 Zie bijvoorbeeld de Volkskrant 11 december 2008: ‘Impasse in debat over blasfemie’ of Trouw 10 december: ‘Nog geen steun voor compromis godslastering’.
26 Van Stokkom e.a. (2007:22).
27 MDI (2008). Jaarverslag 2007. Amsterdam: Stichting Magenta, Meldpunt Discriminatie Internet.
28 Eissens, R. (2004). Hate speech and hate crime on the ‘Dutch’ Net. In: Bronkhorst, S. en Eissens, R. (red.). Hate on the Net Virtual nursery for In Real Life crime.
www.inach.net: International Network Against Cyber Hate (INACH).
29 Leukfeldt, E.R., M.M.L. Domenie en W.Ph. Stol (te verwachten). Criminaliteitsbeeldanalyse Cybercrime. Een verkennend onderzoek naar aard en omvang van cybercrime in Nederland.
30 Zie Van Stokkom e.a. (2007).
31 MDI (2006). Jaarverslag 2005. Amsterdam: Stichting Magenta, Meldpunt Discriminatie Internet.


 

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel