De Bond en de revolutie: De rol van de BGPN en de revolutie van november 1918
Op 12 november 1918 kondigde de leider van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) Pieter Jelles Troelstra voor een volle Tweede Kamer aan dat de tijd voor verandering was aangebroken. De SDAP had de tekenen des tijds verstaan en was bereid de politieke macht in handen te nemen.
Vier lange oorlogsjaren waren moeizaam voorbij gegaan. Nederland was weliswaar neutraal gebleven, maar het land ontkwam niet aan de gevolgen van de wereldbrand. Er was sprake van een voortdurende crisissituatie. Levensmiddelen en brandstof waren op de bon en vooral de arbeidersklasse had zwaar te lijden.
De laatste oorlogsmaanden in 1918 hadden zich gekenmerkt door grote onzekerheden.. Internationaal was de toestand alarmerend. Een krachtig geallieerd offensief dwong de Duitse troepen tot de terugtocht en in oktober bereikte de fontlijn de Nederlandse grens bij Zeeuws-Vlaanderen. Eind oktober 1918 brak muiterij uit aan boord van de Kriegsflotte in Kiel. De revolutie sloeg over naar München en Berlijn. De macht kwam in handen van de Duitse sociaal-democratische partij.
Ook in Nederland gistte het. Binnenlands vertoonde de nijpende voedselsituatie geen verbetering. Hier en daar kwam het tot voedselrellen. In het leger bereikte de ontevredenheid na vier jaren van voortdurende mobilisatie een hoogtepunt. In de laatste week van oktober braken in verscheidene legerplaatsen ongeregeldheden uit. De hevigste rellen deden zich op 25 oktober voor in het militaire schietkamp bij De Harskamp.
De rellen maakten een diepe indruk op de SDAP. Het partijbestuur herkende er een politieke ondertoon in. Uit een later ingesteld onderzoek zou echter blijken dat het vooral een uiting was van ontevredenheid over het intrekken van de verloven, maar voor Troelstra en anderen was het een teken dan niet mocht worden genegeerd. De gewapende macht zou wellicht een revolutiepoging willen steunen en die steun was een onmisbaar. Toen Troelsta op 12 november 1918 de Tweede Kamer toesprak, deelde hij echter mee niet alleen te kunnen steunen op de krijgsmacht, maar beweerde hij ook dat een aanzienlijk deel van de politie achter hem stond. De regering hoefde niet langer op de politie te rekenen, zo sprak Troelstra,
'Ik bedoel niet dat er onder de politieagenten misschien een gering deel zou zijn, dat niet tegen ons zou optreden, ik bedoel de politie voor het overgrote deel, minstens tweederde of drievierde, Dit is geen snoeverij, maar ik zeg het omdat ik daarvoor mijn gegevens en mijn cijfers heb'.
Waar kwam deze informatie vandaan? De socialist H. Schaper schreef later in zijn memoires dat Troelstra kort voor de Kamervergadering een briefje kreeg toegestopt van redacteur De Roode van het socialistische dagblad Het Volk,. Daarop stonden de gegevens over de politie. De Roode had dit papiertje gekregen van één of andere politieagent. Over welk deel van het politiepersoneel ging het dan? De verdenking viel al snel op de Bond van Gemeentepolitiebeambten in Nederland (BGPN), onder collega's ook wel aangeduid als de 'roode bond'.
De kwestie of een deel van het politiepersoneel inderdaad bereid was om Troestra te dienen, is nooit onderzocht. Tot nu toe richtte de aandacht zich vooral op de krijgsmacht, maar de rol van de politie – de gezagsdrager in eerste lijn – bleef onderbelicht. Was het politiepersoneel werkelijk geneigd om een revolutie te steunen of niet? Deze vraag ligt ten grondslag aan dit artikel. Het antwoord kan alleen worden gegeven wanneer de voorgeschiedenis van de hoofdrolspeler, de BGPN, wordt belicht.
De BGPN tot 1914
De BGPN ontstond in 1903 uit een initiatief van de lokale Leidse en Amsterdamse agentenbonden. Deze beide bonden waren aan het einde van de negentiende eeuw opgericht als een reactie op het behoudende karakter van de Algemene Nederlandsche Politiebond (ANPB). De ANPB, die al in 1887 was gesticht, had nog weinig weg van een echte vakbond. Zij bood onderdak aan zowel werknemers als werkgevers. Tot de eerste groep behoorde het politiepersoneel, tot de tweede de burgemeesters. Ofschoon de ANPB plechtig beloofde zich te zullen inzetten voor de 'verheffing' van de politieman, werd er aan echte belangenbehartiging nog maar weinig gedaan. En juist op dat gebied was rond de eeuwwisseling nog veel werk te doen. De arbeidsvoorwaarden voor het politiepersoneel waren slecht. Vergeleken met andere categorieën van ambtelijk personeel behoorde de politie tot de laagst betaalde. De ANPB deed niets om hier iets aan te veranderen. Het feit dat ook werkgevers deel uitmaakten van de bond werkte in dit opzicht ronduit verlammend. Voor hen waren de gewenste verbeteringen te duur.
Het was dit onvermogen van de ANPB dat aan het einde van de negentiende eeuw aanleiding gaf tot scheuring in het politievakbondswezen. De Amsterdamse agenten namen het voortouw en stichtten in 1894 de Amsterdamse Politiebond. Die daad vond navolging. In een groot aantal gemeenten werden politiebonden opgericht. Deze waren niet alleen strikt lokaal gebonden maar in de meeste gevallen ook slechts toegankelijk voor één enkele rang. Zo waren er bonden voor agenten, brigadiers, inspecteurs etc.
De Leidse en Amsterdamse agentenbonden namen zoals gezegd het initiatief tot samenwerking in de BGPN. Nog vier andere lokale agentenbonden sloten zich bij deze federatie aan. De voorman van de Leidse bond, Gerrit van Putten, werd voorzitter van het federatiebestuur. De BGPN ontpopte zich al snel tot een echte vakorganisatie in de moderne zin van het woord. De aangesloten bonden voerden veelvuldig actie, voor een betere bezoldiging, voor meer vrije tijd, voor betere dienstroosters, voor uitkeringen bij ziekte en voor de invoering van scheidsgerechten, die een eind moesten maken aan de willekeur van de rigide straffenstelsels. Deze acties kregen vorm in petities, gericht aan de gemeentebesturen. Er werden ook contacten gelegd met gemeenteraadsleden, onder wie opvallend veel sociaal-democraten, die sympathiek stonden tegenover de politie. Andere acties dan deze werden niet gehanteerd. De staking als pressiemiddel behoorde niet tot het arsenaal van de politievakbeweging.
Contacten met andere ambtenarenbonden waren er nauwelijks. De bondsbesturen huldigden het standpunt dat een politiebond te allen tijde onafhankelijk moest zijn. Dat deed ook het BGPN-bestuur. Een politiebond vertegenwoordigde een aparte categorie ambtenaren en mocht zich nooit binden aan welke politieke stroming dan ook. De politie was de dienaar van het gezag en hoorde zich afzijdig te houden van het partijpolitieke discours. Ook de aansluiting bij een algemene vakfederatie was in dit opzicht ondenkbaar, ook al bood zo'n verband in praktische zin zeker voordelen.
Toch drukten de andere politiebonden de BGPN voortdurend in de linkse hoek. De leden werden voor 'roodhuiden' uitgemaakt. Dit was ook niet verwonderlijk. De manier waarop men zowel de andere bonden, als ook de gemeentebesturen en de korpsleiding benaderde, maakte de BGPN tot een organisatie die voortdurend de confrontatie zocht. Dit bezorgde de bond het imago van een linksgeoriënteerde organisatie. Sommige bestuursleden, onder wie Van Putten, werden vanwege hun strijdvaardige houding herhaaldelijk bedreigd met ontslag of disciplinaire maatregelen. Dergelijke intimidaties waren de belangrijkste reden om Van Putten in 1912 aan te stellen als eerste bezoldigd bestuurder. Hij kwam nu los te staan van zijn voormalige broodheren. Vanuit het 'informatiebureau' coördineerde hij de activiteiten van de bond.
De BGPN zou het stigma van een linkse organisatie niet meer van zich af weten te schudden. De slechte materiële positie van het lagere politiepersoneel en de weinig coöperatieve houding van de overheid als werkgever maakte ook dat de bond steeds meer opschoof in de richting van de sociaal-democraten. In het bondsorgaan De Politiebode werd regelmatig verwezen naar de politieke strijd van de SDAP. Het dreef de leden niet weg. Integendeel zelfs, de bond maakte in de eerste tien jaar van zijn bestaan een forse groei door.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telde de bond meer dan 3400 leden. Daarmee was de BGPN uitgegroeid tot een machtsblok waarmee terdege rekening moest worden gehouden.
Eerste Wereldoorlog
De oorlogscrisis van 1914-1918 trof ook het politiepersoneel. Vooral de lagere rangen gingen gebukt onder de gestegen prijzen van levensmiddelen en brandstoffen. Compensatie in de vorm van structurele loonsverhogingen of tijdelijke duurtetoeslagen werd op dat moment nog niet verstrekt. In het bondsorgaan van de BGPN, De Politiebode, verschenen ontstellende berichten over gezinnen van agenten die door de aanhoudende crisis in diepe armoede waren gedompeld en die huisraad moesten belenen om nog enigszins rond te kunnen komen, over chefs die de problemen volkomen negeerden en over gemeentebesturen die slechts de hogere politieambtenaren ter wille waren en de lagere rangen lieten stikken.
Tot onmiddellijke actie kwam het nog niet. Het bondsbestuur volgde de lijn van de sociaal-democraten. De SDAP, die in augustus 1914 omwille van de plotseling ontstane noodtoestand had toegezegd het regeringsbeleid te zullen steunen, hield zich vooralsnog afzijdig. Na de zomer van 1915 kwam het protest tegen het overheidsbeleid weer op gang. De agitatie was vooral afkomstig van uit extreemlinkse hoek, van syndicalisten en communisten. Het Nederlandsche Verbond van Vakverenigingen (NVV) mengde zich vanaf 1915 eveneens in het protest.
Ook de toon van de BPGN werd gaandeweg feller. In maart 1915 riep Van Putten voor het eerst op om te protesteren tegen de groeiende misstanden. Honger was een scherp zwaard zo betoogde hij, waaronder de dienstprestaties hadden te lijden. Deze nijpende omstandigheden konden de betrouwbaarheid van de politie aantasten, zo waarschuwde hij. De politie was niet langer onkreukbaar.
Steeds openlijker betoonde de bond ook zijn steun aan het NVV. Eind 1916 nam een vertegenwoordiging van de BGPN voor het eerst deel aan een antiduurtecongres dat was georganiseerd door het Algemeen Comité ter Behartiging van de Belangen van het Overheidspersoneel, een aan het NVV gelieerde ambtenarenorganisatie. In maart 1917 riep het bestuur de leden op om zich niet langer afzijdig te houden en acties 'tot verzekering en verbetering in de volksvoeding met alle kracht te steunen'. Het politiepersoneel moest zich niet langer als een aparte groep beschouwen, maar zich zien als een onderdeel van de arbeidersklasse. Blijkbaar vond dit standpunt onder de lagere rangen volop weerklank. Het ledental bleef groeien van 3454 in 1914, tot 3722 in 1917 en zo'n 4300 in het najaar van 1918.
In de loop van 1918 raakte de BGPN steeds verder bij het politieke gewoel betrokken. Ook de actiemethoden werden agressiever. Op het informatiebureau circuleerden 'zwarte lijsten' van gemeenten die een slecht personeelsbeleid voerden en de leden kregen het advies niet langer in die plaatsen te solliciteren. De staking van de Londense collega's in augustus 1918 werd zonder enige schroom gesteund. Er werd openlijk gesproken over de houding die de politie zou moeten aannemen tegenover het gezag, dat haar de laatste jaren zo ongewillig was geweest. De voorzitter van de Amsterdamsche Politiebond, Gerrit Vink, zei daarover in een bondsvergadering van 16 oktober 1918:
'De politie moet dan neutraal zijn, doch dan rijst ogenblikkelijk de vraag of de politie wel neutraal geweest is, nu ze alles de laatste vier jaar heeft toegelaten wat hier die jaren door de kapitalistische wereld is gedaan.'
Achter die woorden ging een diepe wrevel over het gevoerde overheidsbeleid schuil.
De novemberrevolutie van 1918
Troelstra liet zich op zijn weg naar de revolutie leiden door de omstandigheden; van een vooropgezet plan was beslist geen sprake. De SDAP had zich tot aan oktober 1918 gematigd opgesteld. Mede als gevolg van de invoering van het algemeen mannenkiesrecht behaalde de partij in juni 1918 maar liefst 22 Kamerzetels. Regeringsdeelname werd overwogen, maar de meningen daarover waren verdeeld. Het onderwerp zou nader worden besproken op een partijcongres op 22 en 23 november 1918. Het waren echter de ontwikkelingen in Duitsland en de onrust in het Nederlandse leger die de partij een andere richting in drongen.
Troelstra vond reeds op 28 oktober 1918 dat de internationale toestand niet langer kon worden genegeerd. Afgaande op de toenemende onrust concludeerde hij dat ook binnen de eigen landsgrenzen een revolutionaire toestand heerste. De partij mocht geen afwachtende houding aannemen en moest bij een eventuele omwenteling de leiding nemen. Op zaterdag 2 november kwam het partijbestuur bijeen. Er werd fel gedebatteerd over de binnenlandse politieke situatie. Na lang beraad stelden de aanwezigen een manifest op dat op 4 november openbaar werd gemaakt. Daarin kondigde Troelstra aan dat de moderne arbeidersbeweging – waartoe ook de SDAP behoorde – door de revolutionaire toestand in Europa gedwongen was haar houding te bepalen. Wanneer de tijd rijp zou zijn, dan zou zij bewust en krachtig haar taak vervullen om 'het stelsel van uitbuiting van de heerschende klasse' omver te werpen.
Het was dit manifest dat de BGPN tot actie aanzette. Op 8 november 1918 deed Van Putten het bestuur van de SDAP een schriftelijk verzoek om aanwezig te mogen zijn op het aanstaande partijcongres. Hij had daarover reeds mondeling contact gehad met de partijsecretaris, maar deze had hem te kennen gegeven dat hij daarover pas op 16 november uitsluitsel kon geven. Daarop wilde Van Putten niet wachten. Hij wilde voorbereid zijn op de komende ontwikkelingen. In zijn brief schreef hij daarover:
'Waar wij moeten weten wat wij aan elkaar hebben, moeten wij vooraf onze maatregelen treffen en onze menschen voorbereiden op eventueele gebeurtelijkheden. Roepen wij daartoe een congres bijeen, dan wekt zulks achterdocht bij autoriteiten. Eveneens verdient het onzerzijds geen aanbeveling over deze kwestie en de uit het congres eventueel voortkomende gevolgen, schriftelijk van gedachten te wisselen, zodat een onzer persoonlijk de eventualiteiten met de diverse voormannen in onze organisatie moet bespreken. De eventuele gevolgen uit bedoeld congres voortvloeiende, moeten de politie voorbereid vinden. Na deze korte uiteenzetting onzer motieven zal het u duidelijk zijn, dat spoed gewenscht is en wien wij gaarne zo spoedig mogelijk uw antwoord tegemoet'.
Van Putten was bereid de revolutie te steunen. Mocht het zover komen, dan wilde hij dat zijn leden wisten wat hun te doen stond. Iets anders kon uit dit schrijven niet worden opgemaakt. Daarmee legde hij het lot van de BGPN in handen Troelstra. De partijleider kon aldus rekenen op de steun van meer dan 4300 agenten, ruim eenderde van het totale politiepersoneel. Dat de autoriteiten van dit aanbod geen lucht mochten krijgen, sprak voor zich. Het zou als verraad worden bestempeld. Van Putten verzocht het partijbestuur dam ook om verder niet meer over dit onderwerp te corresponderen. Alle overleg over dit onderwerp mocht nog slechts mondeling plaatsvinden.
Ofschoon dit aanbod van de BGPN geheim bleef, beseften bestuurders dat de mogelijkheid dat een deel van het politiepersoneel een revolutie zou willen steunen wel degelijk aanwezig was. De vraag was in hoeverre de in de BGPN verenigde politiebonden nog te vertrouwen waren. Openlijke uitspraken zoals die van Gerrit Vink van de Amsterdamsche Politiebond bereikten ook de burgemeesters. Stonden de leden van de BGPN massaal achter de revolutie?
Dit wantrouwen kwam op 9 november tot uiting in het onderhoud van de Rotterdamse burgemeester A.R. Zimmerman met twee SDAP-afgevaardigden. Mocht de revolutie uitbreken dan wilde hij zich daartegen niet verzetten. De lokale SDAP-afdeling moest het bestuur van de stad in handen nemen, teneinde hongersnood en chaos te voorkomen. In dit gesprek gaf hij ook aan dat de kans bestond dat zijn politiepersoneel 'zich misschien goeddeels aan de zijde der revolutionairen zou scharen'.
De Rotterdamse agentenbond Hermandad behoorde inderdaad tot de kern van de BGPN. Doordat men werd onderbetaald en gebukt ging onder een hoge werkdruk was de ontevredenheid in het korps groot, daarvan was kennelijk ook de Rotterdamse burgemeester doordrongen. Ook hoofdcommissaris Sirks kondigde aan dat hij bij een revolutie genoodzaakt was zich met zijn gehele korps achter de nieuwe regering te stellen.
Zimmermans aanbod aan de sociaal-democraten bracht de situatie in een stroomversnelling. De SDAP belegde op zondag 10 november twee vergaderingen te Rotterdam, waarin de mogelijkheden voor een revolutie werden besproken. Onder de aanwezigen bevonden zich partijbestuurders, socialistische Tweede-Kamerleden, Rotterdamse gemeenteraadsleden en FNV-bestuurders. Er werd een politiek programma opgesteld en er werd besloten om naar Duits voorbeeld arbeiders- en soldatenraden te stichten, die tijdens de revolutie het bestuur op zich zouden nemen. Politie en leger waren ondergeschikt aan deze raden. Maar de vraag was of dit alles zou lukken. Vooral over de steun van het leger heerste veel onzekerheid. Die steun was een van de belangrijkste voorwaarden voor het slagen van de revolutie. De voorzitter van de Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen geloofde dat de militairen er niet aan zouden denken om de arbeidersbeweging neer te slaan , maar betwijfelde of zij het heft in handen wilden nemen door het stichten van arbeiders- en soldatenraden. Over de steun van de politie werd niet gesproken. Onduidelijk is of Van Puttens aanbod niet tot de aanwezigen was doorgedrongen of dat men zijn verzoek tot geheimhouding respecteerde.
Uit de notulen van deze vergadering kan evenmin worden opgemaakt of er vertegenwoordigers van de BGPN aanwezig waren. Volgens de Bond van Christelijke Politie Ambtenaren in Nederland was dat een dag later wel het geval. Toen werden te Rotterdam de laatste voorbereidingen voor de revolutie getroffen tijdens vier vergaderingen waarbij vertegenwoordigers van het Rotterdamse Hermandad aanwezig waren. Ook zou de vice-voorzitter van Hermandad zich volgens deze zelfde bron meerdere malen tot Van Putten hebben gewend met de vraag wat hem te doen stond. Of deze informatie klopt, valt echter moeilijk te zeggen, omdat deze afkomstig was van een concurrerende politiebond.
Reactie op de revolutie
De poging tot revolutie vatte geen vlam. Slechts in enkele steden kwam het tot kleine demonstraties. De arbeiders- en soldatenraden kwamen nauwelijks van de grond. Toch was er nog hoop, ook bij het bestuur van de BGPN. In Amsterdam was de toon nog strijdbaar. In de bondsvergadering van de Amsterdamse Politiebond van 13 november sprak de Amsterdamse voorzitter Vink nog enthousiast over het naderende einde van de kapitalistische maatschappij. Hij zag de omwenteling met optimisme tegemoet. Hij gaf ook aan hoe zijn leden moesten omgaan met de aanstaande machtswisseling. Van de politie werd immers verwacht dat zij, gedreven door een ijzeren plichtsbesef, het wettig gezag gehoorzaamde. Kon men dan blindelings een nieuwe machthebber volgen die op niet legitieme wijze de staatsmacht in handen kreeg? Vink stelde dat de politie in een situatie als deze twee keuzes had. Enerzijds kon zij de volksbeweging steunen, anderzijds behoorde zij het gezag te blijven steunen, onverschillig welke macht het gezag in handen had. Het was een uiterst pragmatische benadering. 'Mocht dus het gezag in andere handen overgaan, dan zijn wij toch ook weer dienaren van dat nieuwe gezag', zo stelde de voorzitter.
Van Putten, die de vergadering bijwoonde, liet zich in woorden van gelijke strekking uit. Zo zei hij: 'In deze dagen kan zich de ijzeren omstandigheid voordoen dat een andere politieke partij de macht in handen krijgt, en dan moet de leiding van die organisatie worden gevolgd'. Dat de macht op niet-legitieme wijze zou worden verkregen, maakte de bestuurders in dit geval niets uit.
Uiteindelijk adviseerden zij hun leden om het politiewerk op de voor hen gebruikelijke wijze voort te zetten. Ten aanzien van de politieke ontwikkelingen diende 'het juiste moment' te worden afgewacht. Met die woorden adviseerde het bestuur zijn leden impliciet om de sociaal-democratische machtsgreep te steunen. Of dat advies ook zo zou hebben geluid wanneer een andere politieke stroming zijn armen naar de staatsmacht zou hebben uitgestrekt?
Na de revolutie
Direct na Troestra's Kamerrede op 12 november 1918 nam de regering krachtige maatregelen. Sterke militaire eenheden werden naar de grote steden gedirigeerd. Met de hulp van conservatieve politieke krachten werd een enorme vrijwilligersmacht op de been gebracht, die samen met het leger de revolutie het hoofd moest bieden. Toen op 17 november 1918 enkele duizenden mensen op het Haagse Malieveld samenstroomden om de Koninklijke familie toe te juichen, was het voor iedereen duidelijk dat het revolutiegevaar was geweken.
De politiebonden haastten zich nu om aan te tonen dat zij niet bij de revolutieplannen betrokken waren geweest. De mededeling van Troelstra, dat minstens tweederde, misschien wel driekwart deel van de politie de revolutie steunde, had hen ernstig verontrust en in een kwaad daglicht gesteld. De ANPB, de confessionele bonden en verschillende lokale vakorganisaties belegden speciale vergaderingen. De bondsbesturen riepen om het hardst dat het wettig gezag volledig op hun leden kon vertrouwen. De confessionele bonden namen deel aan een nationale steunbetoging aan de regering op 23 november 1918.
Wie waren dan diegenen die de socialisten zouden hebben willen steunen? De nestor van de politievakbeweging, J. van Waning, geloofde dat het door Troelstra genoemde aantal volstrekt uit de lucht was gegrepen. Onder de 4500 leden van de ANPB, de bijna 900 leden van de Rijkspolitievereniging en de duizend leden van de Marechausseevereniging waren Troelstra's verblinde volgelingen verre te zoeken, zo schreef hij. En zij bevonden zich zeker niet in de gelederen van de confessionele organisaties of onder de ongeorganiseerden. Dat de BGPN echter een sterke linkervleugel bezat, bestreed hij niet, maar hij weigerde te geloven dat alle leden van die bond socialisten waren.
Het wachten was op een reactie van de BGPN, want het was de 'rode bond' die volgens de andere politieorganisaties de SDAP bij het beramen van de revolutieplannen gedienstig was geweest. In een reactie op 20 november in het bondsorgaan De Politiebode benadrukte het bestuur de plicht van de politie. Als handhaver van het gezag van de staat moest zij waken over de openbare orde. Dat staatsgezag was niet in handen gekomen van de socialisten en derhalve 'zullen en mogen wij Troelstra niet volgen', zo stelde het bestuur. Het was een uiterst neutrale en zakelijke benadering van de kwestie. Troelstra's revolutie was immers niet gelukt en dus had de bond zijn keuze niet openbaar hoeven te maken. Over de brief van 8 november werd met geen woord gerept.
Over de actie van de SDAP zelf was het bondsbestuur aanmerkelijk milder gestemd. het wees het socialisme niet af en noemde de mislukte staatsgreep niet meer dan een 'glipper'. Hoewel de andere politiebonden het liefst wilden dat de BGPN in het openbaar excuses maakte, was het bestuur niet tot zo´n knieval bereid.
Slotbeschouwing
Troelstra vergiste zich. Historici suggereerden later dat hij met zijn daad juist de revolutie uit handen van de extreemlinkse groeperingen – communisten en syndicalisten – wilde houden en daarom min of meer noodgedwongen het voortouw nam. Dat hij in zijn revolutionaire geestdrift andere organisaties meesleurde, is evident. Onder die organisaties bevond zich ook de BGPN. De agentenbond raakte eveneens bevangen door de revolutionaire koorts. Na een jarenlange vaak vergeefse worsteling met de overheid over betere arbeidsvoorwaarden was het beeld van de sociaal-democratische heilstaat meer dan aanlokkelijk. Dat was de beweegreden om zich aan te sluiten bij deze kortstondige revolutionaire beweging. Het aanbod van Van Putten aan het SDAP-bestuur van 8 november 1918 is in dat opzicht begrijpelijk.
De gebeurtenissen van november 1918 hadden verder geen desastreuze gevolgen voor de politievakbeweging. Ofschoon zij de verhoudingen tussen de politiebonden op scherp zetten, waren de dagelijkse problemen voor het politiepersoneel groot genoeg om spoedig weer tot samenwerking te komen. De concurrentie bleef, maar met mate. Onder de leden van de BGPN waren er maar weinig die na november 1918 hun lidmaatschap beëindigden. Of dat bewijst dat een meerderheid van de leden de revolutie steunde, valt moeilijk te zeggen. De BGPN bleef immers de bond die zich ook na 1918 in naam en daad het meest voor het lagere politiepersoneel bleef inzetten.
Wat de 'revolutie' veel meer aantoonde, was het dodelijk dilemma van de politieman. Hij was de dienaar van het gezag. Maar wat deed hij, of wie volgde hij wanneer dat gezag van de ene op de andere dag in andere handen kwam? En wat deed hij wanneer een politieke beweging dat gezag op niet legitieme wijze in handen kreeg? Moest hij de nieuwe machthebber blindelings volgen omdat deze nu eenmaal het gezag in handen had, zoals het BGPN-bestuur in dit specifieke geval had geadviseerd? Het waren vragen die zich moeilijk lieten beantwoorden. Ruim 22 jaar later, in de zomer van 1940 zou deze vragen zich opnieuw opdringen.
Abstract
In November 1918, P.J. Troelstra, the leader of the SDAP party, made a bid for power. The revolution failed, due to a lack of support, as well as a powerful response from the government and from a conservative and religious counter-movement. The Union of Municipal Police Officers in the Netherlands (BGPN) offered Troelstra their support in his attempted coup. This Union represented the majority of lower police personnel in the big cities and counted as a trade union in the modern sense of the word.
Although the BGPN did not originally adopt any political standpoints because this would have been incompatible with the function of the police to serve authority, the union was clearly sympathetic towards social democracy. This tendency towards the left of the political spectrum was prompted mainly by the poor working climate. The terms of employment and working conditions for police personnel were poor. Compared with other public servants, the police were among the most badly paid.
During the First World War, the situation became even worse. An increasing shortage of food and raw materials led to a -sometimes astronomical- rise in prices. No financial compensation was given for all of this. The lower income groups, including the lower ranks of the police, got into problems. Due to this negative development, the BGPN, which tried to represent the interests of its members as best it could, shifted further towards the social democrats and the modern trade union movement. From 1915 onwards, the BGPN openly towed the NVV (Association of Dutch Trade Unions) line and took part in actions against the high prices. That in itself was a revolutionary act.
When the SDAP started to make plans for a revolution in the Netherlands, in the second half of November 1918, following riots in the Dutch army and reports about the revolution in Germany, the general council of the BGPN pledged its support to the SDAP. It wanted to be prepared for what might happen. Although it wondered how it, as representative of the 'servants of authority', should react to such a coup d'état, it soon came up with a solution that would surely satisfy the members. It declared that it would support authority even if this changed hands from one day to the next. When the BGPN was called to account for itself by rival police unions following the failed coup, it was able to explain its behaviour very simply. The board refused to condemn Troelstra's action, however.
P.J. Troelstra, Gedenkschriften deel 4, Storm, Amsterdam 1931.
1 R. van der Wal, Of geweld zal worden gebruikt! Militaire bijstand bij de handhaving en het herstel van de openbare orde 1840-1920, Hilversum 2003, 274-277.
2 R. Blom en Th. Stelling, Niet voor God en niet voor het vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ‘14-’18, Soesterberg, 2004, 210-217.
3 Handelingen Tweede Kamer der Staten Generaal, 1918-1919, 349-350
4 Schaper, Halve eeuw, dl. I, 222.
5 G. van Putten, De Algemeende Bond van Politiepersoneel in Nederland, Amsterdam 1927, 46-47.
6 Ibidem, 130.
7 I. Kuijpers, Een stille revolutie. De Nederlandse arbeidersbeweging en de overheid 1914-1920, Amsterdam 2002, 76.
8 De Politiebode, 1917, no. 9, jg. 16.
9 Notulen Amsterdamse Politiebond, 16-10-1918, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.
10 J.S. Wijne, De ‘vergissing’ van Troelstra, Hilversum 1999.
11 Ibidem, 13.
12 Van Putten en Koenot aan het hoofdbestuur van de SDAP, d.d. 8-11-1918, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Archief SDAP, invoernummer 16.
13 Ibidem.
14 J. Brautigam, Langs de havens en op de schepen, Amsterdam 1956, 266-267.
15 J. van Woelderen Afd GS III, dagboek 1916-1919, Nationaal Archief, Collectie De Meijer (BVD), inv. 17.
16 H.J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging, Amsterdam 1985, 74.
17 B. Reeder en D. Rook, Crescendo. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het veertig-jarig bestaan van de bond van christelijke politie-ambtenaren in Nederland, Hoorn, 1955, 39-41.
18 Notulen Amsterdamse Politiebond, 13-11-1918, IISG, Archief Amsterdamsche Politiebond.
19 Ibidem.
20 ‘De nationale betoging te Amsterdam’, in De RK Politieambtenaar, 1918, no. 6, jrg. 5.
21 J. van Waning, ‘Om de macht’, in De Politiegids, 1918, no. 37, jrg. 17.
22 ‘De feiten’, in De Politiebode, 1918, no. 35, jrg. 17.

Reageer op dit artikel