De Londense politie en 'eerlijk' politiewerk

Door Julio Punch, 01 oktober 2004 11:13 uur0 Waardering:

De Metroplitan Police Service (MPS) van Londen is met ongeveer 30.000 agenten voor ongeveer 7,5 miljoen bewoners de grootste politiemacht in het Verenigd Koninkrijk. Politiewerk in de stad brengt bijzondere problemen met zich mee. De omvang en complexiteit van haar taken als het beschermen van de koninklijke familie en buitenlandse ambassades, het omgaan met frequente demonstraties en grote sportevenementen, de bewaking van grote luchthavens, het omgaan met massatoerisme en de aanpak van hoge criminaliteitscijfers, waaronder ernstige misdrijven, onderscheidt het werk van de MPS van de andere politiekorpsen van het land. Net zoals Amsterdam en New York 'anders' zijn dan de andere politiekorpsen in Nederland en de VS.


Toch leven en werken er in Londen miljoenen mensen van uiteenlopende herkomst, die de politie moet benaderen als gewone burgers met lokale, alledaagse problemen die samenhangen met de sterk verschillende wijken waarin zij wonen.
Hoe denken de bewoners van Londen over hun politie, wat wil men dat ze doet en hoe denkt de politie zelf over hun werk? Deze vragen zijn beantwoord door Fitzgerald en medewerkers (2002) in hun onderzoek Policing for London Study (PFLS). Hun gegevens kunnen worden vergeleken met een onderzoek van twintig jaar geleden. De studies moeten echter in hun eigen context worden bekeken.
 

Raciaal geweld en discriminatie
In 1981 leidde hardhandig politieoptreden tot ernstige rellen in het multiraciale Brixton. In zijn verslag over de ongeregeldheden pleitte Lord Scarman (1981) voor een sterkere nadruk op draagvlak en betrokkenheid bij de gemeenschap voor het optreden van de politie. Dit werd de algemeen geaccepteerde aanpak voor politiewerk in de jaren tachtig. In het spoor van zijn rapport hield het Policy Studies Institute (PSI; Smith: 1983) een onderzoek naar politie en bevolking. In die tijd zorgde het voor veel opschudding omdat er gewag werd gemaakt van racisme, seksisme, ondermaats toezicht en het overtreden van regels door agenten (zoals het manipuleren van bewijs). Een aanzienlijke minderheid van de bevolking had ernstige aantijgingen tegen de politie van wangedrag (bijvoorbeeld onnodig geweld). Het leed geen twijfel dat sommige agenten er racistische meningen op na hielden en zich ook zo gedroegen. Sindsdien heeft men getracht de discriminatie terug te dringen, heeft men geprobeerd meer agenten uit minderheidsgroepen te werven en heeft men moeite gedaan meer bewustzijn te kweken met betrekking tot de inhoud van politiewerk in een heterogene samenleving.
 
In 1993 werd in Londen een zwarte jongen, Stephen Lawrence, zonder enige aanleiding door een groep blanke jongeren vermoord. Als gevolg van fouten in het politieonderzoek werd er niemand veroordeeld, ook al waren de verdachten geïdentificeerd in de media. Wijdverbreide ontevredenheid van burgers en politici leidde tot een openbaar onderzoek (Macpherson: 1997), waarin de MPS werd beschuldigd van 'institutioneel racisme'. Sindsdien probeert de MPS haar politieaanpak in de praktijk op een 'professionele' wijze op een heterogene bevolking af te stemmen en vrij van vooroordelen uit te voeren.

De PFLS stelt ons in staat de huidige meningen over politiewerk in Londen te bezien en deze informatie te vergelijken met de originele bevindingen van de PSI. De informatie was gebaseerd op een representatieve steekproef onder de volwassen bevolking van Londen, waaronder veel zwarte en Aziatische bewoners, en casestudies van drie districten, focusgroepen, interviews en nog wat statistisch materiaal (inclusief het Londense deel van de British Crime Survey 2000).
Wat waren hun voornaamste bevindingen?
 

Zichtbaar politieapparaat
De angst voor criminaliteit is de afgelopen twintig jaar niet wezenlijk toegenomen. Maar de bezorgdheid in arme gebieden was groot. Bewoners die tot etnische minderheidsgroepen behoorden, waren bezorgd vanwege de hoge criminaliteitscijfers en het raciaal geweld in hun wijken. Wat was toegenomen, was de bezorgdheid om 'overlast' ('incivilities'): dealen op straat, tieners die de openbare orde verstoorden, graffiti, vandalisme en de opeenhoping van afval. Mensen wilden dat de politie hen kon geruststellen over het bieden van bescherming tegen misdaad en ongewenst gedrag ('disorder').
Zij wilden vooral een zichtbaar en responsief politieapparaat, dat is betrokken bij de plaatselijke gemeenschap. Er waren verschillen die samenhingen met leeftijd en etnische herkomst. Jongeren en leden van minderheidsgroepen hadden het uiteraard minder begrepen op politie te voet omdat ze eerder werden aangehouden. De overgrote meerderheid was toch van mening dat de politie de mogelijkheid moest hebben om verdachten aan te houden en hen te fouilleren. Tactieken als 'stop and search' (of 'preventief fouilleren' zoals in Rotterdam) zijn sterk bekritiseerd aangezien leden van minderheidsgroepen aangewezen doelwitten zouden zijn. Verzet daartegen leidde in 1981 tot de rellen van Brixton. Men was echter wel voor aanhoudingen bij gevallen waar een redelijke mate van verdenking bestond. Ook was men voor meer aandacht voor 'anderen', het liefst buiten hun eigen gebied, terwijl zwarte ondervraagden het erg vervelend vonden om te worden aangehouden. Deze verregaande steun voor 'aanhouden en fouilleren' klinkt verrassend, maar veel ondervraagden in arme gebieden kunnen zelf het slachtoffer van misdaad worden.
 

Ander soort politie
Ze willen meer politie, maar een ander soort politie. Agenten die zich betrokken voelen bij de plaatselijke gemeenschap en met wie zij op niet-confronterende wijze kunnen omgaan.

Ruim een derde van de bewoners van Londen had de politie in 1999-2000 op een of andere manier om hulp gevraagd. Ruim de helft hiervan betrof misdaad, maar een bijna even groot deel ging over zaken als geluidsoverlast of andere storingen. Slachtoffers van misdaad waren over het algemeen tevreden met de respons van de politie. Maar het percentage van 'zeer tevredenen' was gedaald en het percentage 'niet-tevredenen' was in twintig jaar toegenomen. Ontevredenheid kwam voort uit het gevoel dat de politie een gebrek aan interesse had getoond of te weinig haar best deed. Het 'resultaat' was minder belangrijk dan een politie die interesse toont en je op de hoogte houdt van je zaak.
In dat jaar werd een kwart van de bewoners van Londen door de politie benaderd. Vaak gebeurde dit in een auto, maar ook wel te voet. Veel jonge mannen van onder de 35 hadden ervaring met aanhouding door de politie; dit gold in het bijzonder voor jonge zwarte mannen. De beste demografische kenmerken om te worden aangehouden, waren: jong, zwart, ongetrouwd en uit de arbeidersklasse. Dit doet denken aan Amerikaanse agenten die cynisch spreken over 'zwartrijden' ('driving while black') als aanleiding om een autobestuurder aan te houden. Er werden minder mensen aangehouden dan in de vroege jaren tachtig, maar er werden wel meer Aziaten gecontroleerd. De meeste ondervraagden waren tevreden over het gedrag van de politie tijdens controles, maar degenen die jong waren of in arme gebieden woonden of tot minderheden behoorden, toonden zich eerder ontevreden dan anderen. Een derde van de ondervraagden zei dat zijzelf of iemand die zij kenden zich zeer ergerden aan het gedrag van de politie. Dit gold vooral voor personen die zwart waren, jong, uit de middenklasse en autobezitters (autobezitters worden eerder aangehouden, en mensen uit de middenklasse ervaren al snel als storend als zij door de politie worden aangehouden).
 

Minder vertrouwen
Het vertrouwen in de politie is de afgelopen twintig jaar gedaald. Minder mensen vonden dat ze  hun werk 'uitstekend' doen en meer waren van mening dat ze hun werk niet goed verrichtten. Maar deze daling geldt eigenlijk voor de politie in Engeland in het algemeen en niet alleen voor Londen. De politie werd qua vertrouwen van burgers lager geschat dan de andere overheidsdiensten, maar het hoogst binnen de strafrechtketen. In de onderzochte groepen waren veel jongere mensen, van alle etnische achtergronden en in alle gebieden, die vonden dat de politie bevooroordeeld was. Een derde van de steekproef vond dat de politie etnische minderheden oneerlijk behandelde en dat is sinds 1983 toegenomen. De meeste mensen die dit vonden, waren zelf blank (de mening van minderheidsgroepen was tamelijk stabiel). Wel was er meer bereidheid om de politie te helpen, terwijl meer mensen van minderheidsgroepen overwogen bij de politie te gaan werken.
 

No-win-situatie
De mening van politiemensen over wijken is vaak gebaseerd op hun perceptie van de bereidwilligheid van mensen om met hen samen te werken. Zij die in achtergestelde gebieden met veel misdaad woonden, werden als negatief beschouwd. Dit werd bevestigd door het feit dat assistentie in die gebieden vaak een confronterend karakter had. Veel agenten waren gefrustreerd omdat het hun niet lukte om op een adequate manier te reageren op de behoeften van mensen en de kwaliteit van dienstverlening te bieden die van hen werd verwacht.

Binnen de politieorganisatie was er voortdurende drukte. Men klaagde dat er doelen moesten worden nagestreefd die niet erg relevant waren voor het merendeel van de lokale meldingen waarop zij reageerden, er was te veel papierwerk, teams hadden een tekort aan arbeidskrachten en vaak had men kritiek op het management. Zij vonden dat ze in een 'no-win'-situatie zaten. Een groot deel van de lokale gemeenschap vond hen vooringenomen ten opzichte van andere etnische groepen. En leden van minderheidsgroepen klaagden al snel over discriminatie, zodat er zelfs een tendens was om contact met dergelijke groepen te vermijden. Agenten werden vaak overgeplaatst binnen Londen en vonden het moeilijk zich aan te passen aan nieuwe groepen die zij in verschillende districten tegenkwamen (er is een toename van mensen uit landen uit het Midden-Oosten). Leidinggevenden zaten klem tussen eisen van bovenaf en behoeften van de plaatselijke bewoners. Ze hadden vaak weinig kansen om hun personeel te leren kennen en het moreel en de prestaties hoog te houden.
 

Alternatief paradigma
De overheersende gedachte na de bevindingen van de PFLS is dat de bewoners van Londen in 2000 de politie minder responsief, minder aanwezig, minder toegankelijk, en minder betrokken vonden bij de gemeenschap dan zij hadden gewild.
Kort samengevat: bijna iedereen wil meer politie maar met een andere aanpak; en agenten willen zich aanpassen aan de behoeften en eisen van de bevolking. Dus waarom gebeurt dat niet?
N De criminaliteit is sinds halverwege de jaren ’90 gedaald (met uitzondering van straatroof, tegenwoordig vaak van mobiele telefoons). In bepaalde opzichten is het werk niet zwaarder geworden, behalve wat betreft betrokkenheid bij samenwerking met andere diensten.
N De verwachtingen van het publiek zijn zonder twijfel gestegen omdat de politie zichzelf meer heeft geprofileerd als een dienstverlenende organisatie en door de stijging van de kritische houding van consumenten in de publieke sector.
N De politie heeft minder middelen omdat veel ervaren agenten uit de MPS worden weggehaald door andere politiekorpsen waar het werk minder gevaarlijk is en waar de woningen goedkoper zijn.
N De onophoudelijke druk van de regering om te gehoorzamen aan door hen vastgestelde maatstaven voor het functioneren ('performance targets'), met de nadruk op het bestrijden van misdaad, beperkt de politie in haar mogelijkheden om op vragen uit de gemeenschap te reageren.
N De MPS is een sterk gecentraliseerde organisatie, die de autonomie van lokale gezagvoerders in het politiewerk in hun eigen district beperkt. Bovendien heeft de nadruk op misdaadbestrijding en de reactie op de vele vormen van misdaad geleid tot het formeren van gespecialiseerde eenheden. Hierdoor werd vaak ervaren personeel aan de uniformpolitie onttrokken.
N Agenten in focusgroepen waren cynisch over het management, omdat de nadruk op centralisatie en kwantitatieve doelen tot gevolg had dat het middenkader van hun macht werden beroofd en het personeel werd gedemoraliseerd (het moet echter gezegd worden dat een dergelijk cynisme haast universeel is in de politiecultuur).
N Training werd inadequaat geacht voor de situaties waarmee zij in de straten van Londen te maken kregen. Ervaren hogere kaderleden werden vaak na korte perioden in een district overgeplaatst, zodat zij geen leiderschap konden geven en de continuïteit werd beknot.
 
Al deze factoren samen leidden tot een grote mate van ontevredenheid onder agenten. Zij waren van mening dat de managers boven hen niet of niet genoeg steunden. Ook waren de waardering voor hun werk en de middelen onvoldoende.

Dit is een somber beeld, maar ik vermoed dat het opgaat voor veel grote, stedelijke korpsen (maar waarschijnlijk ook voor veel andere korpsen. Politiewerk is in veel opzichten steeds gecompliceerder geworden, vooral door de diversiteit in de gemeenschappen. Hoewel vele commentatoren vinden dat de politie zou moeten investeren in het 'community policing'-paradigma (of 'COP' voor 'Community Oriented Policing') met serieuze en professionele aandacht voor lokale behoeften, heeft de regering (eerst onder de Conservatieven, maar nu net zo goed onder Labour) gekozen voor een nadruk op het bestrijden van misdaad (Tonry: 2004). Dit, in combinatie met de nadruk op kwantitatieve prestatiedoelen, biedt een alternatief, van bovenaf opgelegd paradigma dat de discretie van de plaatselijke politie belemmert en de pogingen ondermijnt om COP in de diverse districten te implementeren.
 

Conclusies PFLS
Wat dragen de auteurs voor oplossingen aan?
Meer overleg met de gemeenschap, waarbij de nadruk moet liggen op de overlast en verloedering waaraan mensen zich storen. Een meer aanwezige en benaderbare politie op straat, met een duidelijke missie voor ogen en niet als een soort symbolische 'geruststelling'. Verbeter de capaciteiten van agenten om te reageren op meldingen met een betere integratie tussen specialistisch en algemeen werk. Geef plaatselijke managers meer zelfstandigheid met toegenomen flexibiliteit om te reageren op plaatselijke behoeften. Steek meer tijd in samenwerking tussen verschillende diensten.
Niets nieuws dus. Ik kom hier later op terug.

Het PFLS-project bevatte twee belangrijke conclusies:
In de eerste plaats is er een nalatenschap van discriminatie en 'overpolicing' (te veel optredens van een repressieve aard) die relaties met zwarte mensen overschaduwt, maar dit hangt samen met de vicieuze cirkel van armoede in achtergestelde gebieden, waar veel misdaad heerst en waar veel minderheidsgroepen wonen. Omdat de politie disproportioneel veel aandacht aan jongeren schenkt, komen ze vaak in confronterende en conflictueuze situaties terecht met (zwarte en Aziatische) jongeren uit minderheidgroepen. Het is overduidelijk dat de politie vanuit een isolement geen goede relaties kan aangaan met minderheidsgroepen en dit zou een punt van aandacht moeten zijn van veel politiekorpsen.
In de tweede plaats kan de politie de misdaad alleen met succes bestrijden als ze relaties met de gemeenschap aangaat. Het gebruik van kwantitatieve prestatiemaatstaven gericht op een beperkt aantal doelen leidt tot kortetermijndenken en negeert de onderlinge verbondenheid tussen misdaad, orderverstoring en overlast. Het heeft ook hulpbronnen onttrokken aan activiteiten die het vertrouwen van de lokale bevolking winnen. De politie moet echter op dat vertrouwen steunen als zij goed geïnformeerd wil blijven over de plaatselijke patronen van criminaliteit en 'disorder'. Ze kunnen alleen effectief de criminaliteit bestrijden als de plaatselijke bevolking bereid is een actieve rol te spelen in de identificatie en vervolging van betrokkenen.
 

Commentaar
Ook al is Londen een uitzonderlijke stad, ik vermoed dat veel politieagenten en anderen zullen erkennen dat de dilemma's waarmee de politie daar te maken krijgt een weerspiegeling vormen van andere steden en gebieden. Hier zijn mijn algemene gedachten over het materiaal dat de PFLS heeft gepresenteerd.

Wat onmiddellijk opvalt, is hoe de politieorganisatie al minstens twintig jaar met dezelfde dilemma's en oplossingen worstelt. De onderliggende ideeën van COP en POP (afkorting van 'Problem Oriented Policing'), zijn al bekend sinds het werk van Goldstein (1979) en anderen en schijnt periodiek herontdekt, opnieuw uitgevonden of opnieuw opgerakeld te worden. Kelling, die wordt geassocieerd met 'Zero Tolerance Policing' (of ZTP) in New York (ook al ontkent hij dit nu zelf), noemt ZTP een nieuw paradigma van COP. COP is klaarblijkelijk uitrekbaar tot in het oneindige en past alle maten! Al ruim twintig jaar wordt ons verteld dat mensen een zichtbare, benaderbare, responsieve 'lokale' politie willen en er zijn veel leidinggevenden bij de politie en politici die zo`n nieuwe stijl van politiewerk al lang beloven.

Wat is het dan dat de implementatie belet?
De twee belangrijkste struikelblokken zijn politici en politiemanagement. Politici zijn steeds meer gefixeerd op misdaad en de bestrijding daarvan en stellen eisen aan politiemensen die ze niet kunnen inlossen. In elk eerstejaars college over misdaadbeheersing krijgen studenten te horen dat de politie alleen heel weinig kan doen om misdaad te bestrijden, maar politici blijven weigeren het overweldigende bewijs hiervoor onder ogen te zien. Het neoliberale denkwijzen met de nadruk op 'targets', op posities in de prestatierangorde, en een fetisj over kwantificeren, hebben dit eenzijdige beleid van de overheid versterkt en hebben het politiewerk vervormd.
Politiemanagers zitten klem tussen het misdaadbestrijdingmodel en het gebiedsgebonden politiewerk model. Theoretisch gezien, zouden die niet onverenigbaar moeten zijn. Inderdaad, het PFLS-rapport, samen met veel ander materiaal, houdt vol dat ze onderling verbonden en complementair aan elkaar zijn. Er zijn echter twee factoren die het moeilijk maken beide aanpakken tegelijkertijd hard te maken. Eén ervan is dat het politieapparaat zelf geobsedeerd is met misdaadbestrijding, de cultuur is voornamelijk gericht op het vangen van criminelen en activiteiten die geen verband houden met de 'hoofdtaak', worden denigrerend als 'zacht' bestempeld. Ten tweede zijn politiemanagers niet erg bedreven in het uitbalanceren van dilemma`s.
In Londen woont een bevolking die meer en beter politiewerk wil en agenten die dat willen waarmaken. De organisatie en het management zijn de struikelblokken. Te gecentraliseerd, te gespecialiseerd, te veel veranderingen, niet genoeg middelen, en leidinggevenden die te ver van de agenten afstaan en een middenkader met te weinig invloed. Het kan te maken hebben met de omvang van de organisatie in Londen en de complexiteit van de taken, maar ook met hooggeplaatste officieren die simpelweg niet in staat zijn deze flagrante dilemma's op te lossen.
 

Principes van Punch
Dertig jaar ervaring met politieonderwijs en -onderzoek brengt mij tot het volgende betoog. In plaats van een modieus label te kiezen, spreek ik liever van 'eerlijk politiewerk' (zie Bayley: 1994 over 'honest policing'). In essentie betekent dit: eerlijk en goed beargumenteerd aangeven wat jij kunt en niet kunt.
 

Publieke dienst
De politieorganisatie is een complexe, dienstverlenende instelling, die een aantal diensten levert waarvan misdaadbeheersing en -preventie een belangrijke is. De kerntaak is het waarborgen van de veiligheid en leefbaarheid, het zorgen voor rust, wanorde tegengaan en misdaad voorkomen. Om dit te kunnen bereiken, heeft de politie legitimiteit en geloofwaardigheid nodig bij een uiteenlopend publiek. Dit houdt in dat er sprake is van 'policing by consent' met burgers en anderen als medeproducenten van veiligheid. Bij te veel aandacht voor de misdaadbeheersing ontstaat het risico dat het vertrouwen wordt vernietigd en segmenten van de bevolking zich tegen de politie keren.

Politieleiders moeten duidelijk, consistent en ondubbelzinnig zijn. De politieorganisatie is de enige sociale voorziening die 24 per dag bereikbaar is en door het reageren op meldingen van het publiek heeft het een cruciale steunfunctie voor burgers. Onderzoek onderschrijft steeds weer dat politiewerk zich in de praktijk richt op het helpen van mensen en niet in de eerste plaats op het toezien op de naleving van wetten (sommige onderzoeken hebben uitgewezen dat maar twintig procent van politiewerk te maken heeft met misdaadbestrijding). De politie moet worden erkend als een cruciale publieke dienst.
 

'Gepast geweld'
Tegelijkertijd is diezelfde politieorganisatie een zichtbaar instituut van de staat dat zich direct kan bemoeien met de levens van mensen, hen van hun vrijheid kan beroven en, indien nodig, hen van het leven beroven. Aan de ene kant brengt dit een serieuze aandacht voor mensen- en burgerrechten met zich mee, maar, aan de andere kant, vereist het ook 'oprechtheid' ten opzichte van de burgerbevolking. Een korpschef van de politie moet steeds herhalen: 'we zijn een maatschappelijke dienst met de behoeften van het publiek als hoogste prioriteit, maar in het geval van dreiging zullen mijn agenten, in het uiterste geval, dodelijke geweld gebruiken. Als de openbare orde wordt verstoord, zullen mijn agenten gepast geweld gebruiken en mogen zij mensen van hun vrijheid beroven. In het kader van de misdaadbestrijding kan het nodig zijn dat mijn agenten mensen aanhouden en ondervragen die volkomen onschuldig blijken te zijn van elke misdaad of verdenking. Deze taken vormen een onderdeel van ons mandaat en zullen legaal, professioneel, hoffelijk en verantwoordelijk worden uitgevoerd'.
 

Valse verwachtingen
Dit is eerlijkheid zodat het publiek, en de politie zelf, de vitale sociale taken niet zal verwarren als zijnde onverenigbaar met de essentiële en 'harde' controletaken.
Eerlijkheid is ook een vereiste in de delicate, ingewikkelde en langdurige onderhandelingen die nodig zijn voor programma's die voor veiligheid in de gemeenschap moeten zorgen. Leidinggevenden moeten er rekening mee houden dat ze overmatige verwachtingen bij de diverse 'stakeholders' kunnen wekken. Dit betekent dat zij haarfijn duidelijk moeten maken wat de politie wel en niet bereid is te doen. En eerlijkheid is niet het beloven van dingen die je niet kan waarmaken.
Als we erkennen dat het leveren van diensten aan de gemeenschap een essentiële taak van de politie is, moet de organisatie daar strategisch, structureel en cultureel op worden afgestemd. Zoals bij alle dienstverlenende organisaties moet er daadwerkelijke investering in het primaire proces plaatsvinden. Je zou bijna kunnen constateren dat in veel eigentijdse politieorganisaties een complot bestaat om juist deze primaire processen te ondermijnen.
 

Loyaliteit
De politieorganisatie heeft leiders nodig die kunnen managen en managers nodig die kunnen leiden. Zonder de daadwerkelijke inzet van leiders aan de top, die persoonlijk en met overtuiging de boodschap uitdragen, zal er weinig veranderen. Eerlijkheid betekent tegen de essentiële werkers in de voorste linie, die zich bezighouden met het verlenen van de primaire dienst en die de belangrijkste beslissingen binnen de organisatie nemen, zeggen: 'de leiding van deze organisatie erkent het vitale werk dat jullie verrichten om deze dienst aan de gemeenschap te kunnen leveren. Wij identificeren ons met deze functies en zullen alles doen wat in onze mogelijkheden ligt om jullie van adequate middelen en training te voorzien, om continuïteit van personeel en toezichthoudende werknemers te waarborgen, om jullie inspanningen te coördineren met gespecialiseerde eenheden en jullie de autonomie en discretie te geven, binnen duidelijke richtlijnen, die nodig zijn om aan te passen aan lokale behoeften en eisen'. Als een leidinggevende dat niet echt meent, of deze belofte niet kan waarmaken, dan moet hij (of zij) zijn (of haar) mond houden!
Bovendien, het werk moet zijn afgestemd op wat het publiek wil (bijvoorbeeld met betrekking tot het omgaan met huiselijk geweld, dodelijke auto-ongelukken en inbraken) zoals uiteengezet in dienstverleningsprotocollen ('service delivery standards') zoals die worden geëvalueerd door tevredenheidsonderzoek onder consumenten in een voortdurend proces van kwaliteitsverbetering.
 

Targets
Tot slot moet onze 'verlichte' leidinggevende eerlijk zijn over druk van de regering en institutionele 'targets'. Sommige vormen van druk om maatstaven te bereiken en om prestaties te genereren, zijn gezond en gepast. De hoofdzaak is kwaliteit te stellen boven kwantiteit en doelen na te streven die betekenis hebben voor lokale politiebehoeften. Maar te veel nadruk op van buitenaf opgelegde en kwantificeerbare doelen is funest voor de motivatie en voor lokaal politiewerk 'op maat'. Dat is toch zeker wel een van de belangrijkste conclusies van het PFLS-rapport.
 

Maatschappelijke nooddienst
Kort samengevat komt het erop neer dat een groot deel van het onderzoek uitwijst dat politiewerk voornamelijk een maatschappelijke nooddienst is die door de vraag van het publiek wordt gedreven. Zelfs in een heterogene en moeilijke stad als Londen willen mensen niet minder maar meer politie, maar van een ander soort. Mijn punt is: kijk naar het bewijs en naar wat mensen willen en ga dan zaken doen. We moeten slagzinnen, modieuze labels en 'soundbytes' vermijden die misleiden, die meer beloven dan ze kunnen waarmaken of oude wijn in nieuwe zakken aanbieden. Leidinggevenden bij de politie moeten eerlijk zijn, open kaart spelen en zeggen wat ze wel kunnen waarmaken en wat niet. Politiewerk draait om veiligheid, dienstverlening en het bewaren van de orde binnen de wet en dan met de goedkeuring en tevredenheid van het publiek. Elke minister of politiechef die het niet met mij eens is, en ik kan me niet voorstellen dat iemand dat nu nog durft ('go ahead, punk, make my day' om Dirty Harry te citeren), is het negeren van wat dertig jaar onderzoek ons vertelt en wat de PFLS-rapportage bevestigt. Ik kan hun een lange bibliografie aanreiken, of ze kunnen teruggaan naar de werkvloer en herontdekken wat goed politiewerk inhoudt en wat de burgers willen: een zichtbare, toegankelijke, responsieve, competente en van de juiste middelen voorziene lokale politie. Mensen willen hun 'eigen' politie die hen serieus neemt en hen met inachtneming en hoffelijkheid behandelt. Is dat te veel gevraagd?

 

Referenties
Fitzgerald, M., et al (2002), Policing for London. Willan.
Tonry, M. (2004), Punishment and Politics. Willan.
Bayley, D. (1994), Police for the Future. Oxford University Press.
Smith, D. (1983), Police and People in London. Policy Studies Institute.
Goldstein, H. (1979), "Improving policing: a problem oriented approach", Crime and Delinquency. April: 236-158.

Vertaling: Julio Punch

 

Abstract
Policing for London: and "honest" policing.

 The Metropolitan Police Service of London (MPS) is the largest force in the UK with about 30.000 officers. London is a complex and diverse city to police and there have been difficulties with minorities – riots in multi-racial Brixton in 1981 and accusations of “institutional racism” following the death of the black teenager Stephen Lawrence in 1993.  So what do Londoners think about their police, what do they want them to do and what do the police think about their work? These questions have been answered by Fitzgerald et al (2002) in a survey (hereafter PFLS for “Policing for London Study”). The data were based on a representative sample of the adult London population, case studies of three “boroughs”, interviews and statistics from the British Crime Survey 2000. In general they wanted a more visible and responsive police agency that was engaged with the local community. There were differences related to age and ethnic origin; but the majority want more police but a different police. In a diverse city there was often friction between the police and young black males (also Asians). Yong blacks might be stopped and searched on the streets or controlled in their car. They often felt harassed. Yet many officers also were frustrated at their inability to respond to people`s needs and to provide the quality of service they expected. Within the police organization there was pressure to meet central targets, there was too much paper work, teams were short staffed and they were often critical of management. The MPS is highly centralised, officers are moved frequently and experienced people leave for specialised squads or to other forces. As a result the broad thrust of the PFLS findings is that in 2000 Londoners found their police less responsive, less visible, less accessible and less engaged with the community than they would like. The report analyses why this is and makes recommendations for improvement. The author examines the implications of this for police management and argues for “honest” policing where senior officers are clear about what they can deliver and not deliver - and do not unduly raise expectations. They also have to invest in the “primary processes”, avoid a one-sided emphasis on crime control and provide what citizens want – a visible, accessible, responsive, competent and well resourced local police.  

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2004, jrg. 66, nr. 10, p. 27-31

0 reacties

Reageer op dit artikel