De politiële zedenzorg in praktijk; een impressie
Begin dit jaar is er een landelijk onderzoek verschenen naar zedencriminaliteit in Nederland. Daarin is op basis van HKS-gegevens een gedetailleerd overzicht gegeven van aangiften van zedendelicten en de verdachten. De politie in de periode 1996-2002 had minder aangiften te verwerken, constateerden we, maar de ernst van de zaken was toegenomen.
Over het algemeen lost de politie ernstige zaken vaker op dan minder ernstige; we verwachtten dus dat door het geringere werkaanbod het oplossingspercentage zou stijgen. Dat bleek niet zo te zijn: het oplossingspercentage daalde en, tegen de verwachting in, vooral bij ernstige zedenzaken. We hadden hiervoor geen pasklare antwoorden. Het kon bijvoorbeeld met de kwaliteit van de opsporing te maken hebben of de uitvoering van de politiële zedentaak.
Achterhaald
In een reactie op het rapport liet de Raad van Hoofdcommissarissen weten dat de bevindingen van het rapport achterhaald waren. Weliswaar waren er in de eerste jaren na de reorganisatie wat problemen, maar die waren inmiddels opgelost. Dat is echter de vraag. Uit een recente inventarisatie blijkt dat er in 2003 weliswaar sprake lijkt van een kleine verbetering, maar over de periode 1996-2004 beschouwd het oplossingspercentage daalt, vooral bij de ernstige zedenzaken.
Voldoende aanleiding dus om eens nader de praktijk van de politiële zedenzaak onder de loep te nemen. Die gelegenheid deed zich in april voor bij een Landelijk coördinatoren overleg voor de aanpak van kinderpornografie en pedoseksuele misdrijven georganiseerd door de DNRI in Wageningen. Ongeveer 40 zedendeskundigen vanuit heel Nederland werden op de hoogte gebracht van de laatste ontwikkelingen op het gebied van zedencriminaliteit. Dertig van hen hebben een korte vragenlijst ingevuld met betrekking tot verschillende aspecten van de politiële zedentaak, variërend van de gevolgde opleiding tot de vereiste vaardigheden. Gelet op het betrekkelijk kleine aantal zijn de uitkomsten als impressie bedoeld. Sommige onderdelen vergen een groter opgezet onderzoek.
Profiel
Van de 30 respondenten zijn er 6 vrouw (20procent). De gemiddelde leeftijd van bijna 47 jaar is tamelijk hoog. De vrouwen zijn met gemiddeld 38 jaar jonger dan hun mannelijke collega's. Tweederde van de groep is zedenrechercheur, de anderen zijn leidinggevenden of hebben een andere functie binnen de zedentaak. De respondenten kunnen buigen op veel ervaring: ongeveer driekwart heeft meer dan vijf jaar werkervaring. Daarvan scoort ruim 40 procent boven de tien jaar.
Zwaar werk?
Een grote meerderheid is tevreden met zijn/haar functie, namelijk 90 procent, ofwel 10 procent is niet tevreden. Meer dan de helft vindt het werk qua emotionele belasting zwaar, waarbij het erop lijkt dat dat vooral voor de mannen geldt. Vrouwen vinden het werk minder emotioneel belastend, eerder 'normaal'. Nadere analyses lijken erop te wijzen dat met name de respondenten met veel ervaring (meer dan 10 jaar) het werk als emotioneel belastend ervaren. Op een respondent na vindt iedereen dat hij/zij qua cognitieve vaardigheden voldoende is toegerust om de functie van zedendeskundige goed te kunnen vervullen. Alle respondenten beschikken naar eigen zeggen voldoende sociale vaardigheden. Slechts twee respondenten vinden van zichzelf dat zij niet over voldoende ervaring beschikken, de rest heeft die benodigde ervaring wel. Opvallend is dat tweederde van de respondenten van mening is dat sommige andere collega's wel bepaalde vaardigheden of ervaring missen om de functie van zedendeskundige goed te kunnen vervullen. Het lijkt erop dat met name de meer ervaren zedendeskundigen (meer dan 10 jaar) deze mening zijn toegedaan.
Opleiding
Ongeveer 60 procent heeft de oude drieweekse zedenopleiding gevolgd (rechercheschool). Voor een kwart van de respondenten is dat de tweeweekse opleiding SPV. De rest heeft de nieuwe zedenopleiding gevolgd of meerdere opleidingen. Een meerderheid beoordeelt de door hen gevolgde opleiding als (zeer) goed; 15 procent vindt de opleiding slecht. Iets meer dan de helft van de respondenten (53%) vindt dat hij/zij voldoende tijd krijgt om de kennis en vaardigheden op peil te houden; de andere helft deelt deze mening niet. Gelet op de aard van het werk is gevraagd of zedendeskundigen omwille van de beroepshygiëne na vijf jaar een andere functie moeten krijgen binnen de politie. Slechts 10 procent is het daarmee eens. Wel geeft een aantal aan dat dat zou moeten na een periode van 10-15 jaar. Op twee respondenten na vindt iedereen dat het Werkproces Zeden conform aanwijzing College van Procureur Generaal goed bruikbaar is in het werk. Dertig procent is van mening dat de zedendeskundige het imago van 'soft' nog steeds heeft; voor de anderen is dat imago eindelijk weg. Iets meer dan de helft (57%) stelt dat zedenzaken in de betreffende regio prioriteit krijgen, voor de anderen is dat niet zo. Een vergelijkbaar percentage (53%) is dan ook van mening dat zij niet alle gelegenheid krijgt om de zedenzaken tot op de bodem uit te zoeken.
Ernstige zedenzaken
Aan de respondenten is gevraagd of zij vinden dat de zedenzaken steeds ernstiger (gewelddadiger) worden in vergelijking met hun begintijd als zedendeskundige. Minder dan de helft (43%) is het hiermee eens. De rest ziet derhalve geen toename van de ernst. Dat ligt anders bij de complexiteit van de zaken: bijna tweederde vindt dat de zaken in de loop van de tijd complexer zijn geworden. Zij dragen daarvoor verschillende oorzaken aan. Veel genoemd is de rol van het internet, netwerken van zedenplegers (pedofielen), kinderporno, betrokkenheid van de georganiseerde misdaad, mobiliteit van de plegers. Daarnaast is ook genoemd de ontkennende verdachten, veranderende seksuele moraal en dat zaken moeilijk bewijsbaar zijn.
De respondenten konden een schatting geven van het percentage valse zedenzaken. Iets meer dan de helft (57%) denkt dat dat in minder dan 10 procent van alle zedenzaken voorkomt; 40 procent denkt in 10-25 procent van de zaken. Met name vrouwen lijken is deze categorie te scoren. Vrij vertaald vinden vrouwen dat er vaker sprake is van een valse aangifte dan mannen. Een kleine 40 procent van de respondenten vindt dat het steeds moeilijker wordt om een zaak op te lossen (is p.v. opmaken en doorsturen naar het OM). De rest ziet hierin geen problemen. De respondenten is gevraagd of zedenverdachten op een andere manier moeten worden gehoord dan andere verdachten. Een meerderheid (85%) is het hiermee eens, hiermee impliciet aangevend dat zedenzaken een aangelegenheid is voor specialisten. Driekwart van de zedendeskundigen zegt dat het etnische aspect bij verdachten een belangrijke rol speelt in zedenzaken. Verder is ingegaan op de rol van de zedenspecialisten van het KLPD. Driekwart van de respondenten heeft een- of meermalen een beroep gedaan op die deskundigen in geval van zeer ernstige of bizarre zaken. De meerderheid (80procent) vond de inbreng van de KLPD-deskundigen goed en waardevol, de rest niet.
Verder onderzoek
Tot slot is aan de zedenspecialisten gevraagd wat naar hun mening belangrijke zedenonderwerpen zijn die nader (wetenschappelijk) onderzoek verdienen. Verschillende respondenten hebben aangegeven dat onderzoek naar kinderpornonetwerken belangrijk is. Kennelijk bestaat er een kennislacune met betrekking tot dit onderwerp. Ook het gedrag van de zogenoemde downloaders van kinderporno is genoemd. Men refereert hier mogelijk aan een onderzoek, uitgevoerd met de polygraaf, waaruit blijkt dat personen die kinderporno downloaden en daarvoor een behandeling krijgen zich ook schuldig maken aan fysiek misbruik van kinderen. Hieraan gekoppeld is ook de opmerking gemaakt om na te denken over uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden op het internet en de relatie tussen internetgebruik en het plegen van zedenmisdrijven. Verschillende respondenten hebben ook te kennen gegeven dat er behoefte is aan meer informatie over de achtergronden van zedenverdachten al dan niet in relatie tot het verhoor.
Conclusie
Zedenzaken kunnen emotioneel belastend zijn. Zedendeskundigen zeggen over voldoende ervaring, cognitieve en sociale vaardigheden te beschikken om hun functie goed te kunnen uitoefenen. Interessant is dat zij wel collega's kennen die dergelijke eigenschappen missen. Niet voldoende gekwalificeerde functionarissen kunnen kwalitatief slecht opsporingsonderzoek verrichten. Het is de taak van de leidinggevenden om dergelijke lacunes te constateren en zondig (aanvullende) opleidingstrajecten aanbieden.
Het dalende oplossingspercentage is hieraan mogelijk te wijten. Weliswaar worden zedenzaken complexer, onder andere door het internet, maar een optimaal kennis- en vaardigheidsniveau zou deze complexiteit moeten kunnen ondervangen. Een fors deel van respondenten vindt dat zij te weinig tijd krijgen om hun kennis en vaardigheden op peil te houden en dat het moeilijker is om een zedenzaak op te lossen. Hierin ligt een mogelijk winstpunt. Zedenzaken krijgen niet altijd prioriteit en de deskundigen niet altijd gelegenheid om de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Dit kan consequenties hebben voor het succesvol afronden van zaken. In hoeverre de afgesloten prestatiecontracten hierin een rol spelen, zou onderwerp van vervolgonderzoek kunnen zijn.
Dat de afhandeling van zedenzaken een taak voor specialisten is, daarover zijn de respondenten het allemaal eens. Dat heeft onder meer te maken met de specifieke vaardigheden die nodig zijn om te praten met slachtoffers en verdachten van zedenmisdrijven. De richtlijnen van de Procureurs Generaal leggen dit in feite ook vast. De specialistische zedenafdelingen zijn na de reorganisatie niet verdwenen, wel verschilt de organisatorische inbedding per regio. Voor een enkele regio heeft de generale taakstelling wel een negatieve invloed gehad; een respondent spreekt over een 'minimale betrokkenheid' en 'mindere controle op de kwaliteit'. Een ander zegt hierover: 'het is een catastrofe geweest, 'de kwaliteit is op grote achterstand gezet'. Mogelijk dat deze constateringen de lage c.q. dalende oplossingspercentages kunnen verklaren. Deze kritische geluiden zijn echter bij een minderheid te horen. De anderen zien juist een toenemend oplossingspercentage. Dat zou goed kunnen passen bij de eerder geconstateerde lichte verbetering van de afgelopen jaren. Men is het als het ware bezig met een inhaalslag, wat niet wil zeggen dat er nu op de lauweren gerust kan worden en de zegeningen geteld.
Gelet op de gemiddelde leeftijd van de zedendeskundigen ligt het voor de hand dat binnen afzienbare tijd er veel kennis en ervaring op zedengebied zal wegvloeien. Het is essentieel dat die kennis en ervaring op een of andere manier wordt bewaard en overgedragen op de jongere generatie zedendeskundigen. Het afhandelen van zedenzaken verdient blijvende aandacht zowel op het gebied van tijd, middelen als kennisontwikkeling. Mogelijk dat daarmee ook meer zedenzaken succesvol kunnen worden afsloten.
1 Wijk, A.Ph. van, Mali, S.R.F., Bullens, R.A.R., Prins, L. & Klerks, P.P.H.M. (2006). Zedencriminaliteit in Nederland. Delicten en delinquenten nader in beeld gebracht.. Zeist, Uitgeverij Kerckebosch. ISBN 90 6720 386 6. En Tijdschrift voor Politie, 3, p. 22-25.
2 Mali, B. (in voorbereiding). Aangiften van zedenmisdrijven in Nederland. In: Wijk, A.Ph. van, Bullens, R.A.R. & Eshof, P. van den (red.). Handboek zedencriminaliteit. Den Haag, Elsevier.
3 Met dank aan Chris Groeneveld (KLPD) voor zijn suggesties bij de vragenlijst en het verschaffen van de gelegenheid om de vragenlijst af te nemen.
4 Gelet op het gemiddeld aantal jaren werkervaring is dit geen verrassende opmerking.
5 Opvallend is dat vooral vrouwen lijken te vinden dat zedenzaken te weinig prioriteit krijgen.
6 Dit is in lijn met de bevinding van het inspectierapport ‘De Politiële Zedenzorg in Nederland’ uit 1998.

Reageer op dit artikel