De Vlaamse korpschef doorgelicht
Het onderzoek Discoursen van korpschefs bestudeert het profiel en het politiediscours van de Vlaamse korpschefs van de lokale politie. In deze Vlaamse versie van Blauwe Bazen maakt Sofie De Kimpe een kritische analyse van het politiediscours van de Vlaamse korpschef. Ze interviewde 75 Vlaamse korpschefs van de lokale politie over de werking en het functioneren van de politie. Dit artikel beperkt zich tot een bespreking van de typificatie van de politiediscoursen.
Leider van de lokale politie
De korpschef van de lokale politie is een belangrijke publieke leider. Hij staat mee aan het roer van het lokale politie- en veiligheidsbeleid en neemt de leiding van de lokale politieorganisatie waar, hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid en hij stuurt samen met de burgemeester(s) en de procureur des Konings het lokaal politiebeleid in zijn politiezone. Het onderzoek gaat uit van de stelling dat de korpschef via zijn leidinggevend gedrag belangrijke invloed uitoefent op de lokale politieorganisatie en de uitvoering van het lokaal politiebeleid. Verder wordt hij beschouwd als een belangrijk veranderingsvoorvechter, waardoor hij een cruciale rol speelt in het veranderen van de politieorganisatie naar een Community Oriented Policing -organisatie.
We onderzoeken wat deze lokale politieleiders drijft, welke veronderstellingen ze hebben over het functioneren en de werking van de lokale politie. Het onderzoek is gericht op de onderliggende intenties die aan de basis liggen van leidinggevend gedrag. Deze intenties zijn geoperationaliseerd in het concept ‘politiediscours’: ‘Het geheel van betekenissen, representaties, verhalen, visie, verklaringen, veronderstellingen, denkbeelden, idealen, waarden en normen enzovoort die een bepaalde versie van een bepaalde gebeurtenis ophangen met betrekking tot de werking en het functioneren van de politie in hoofde van de korpschef’ (Burr, 1995; Enhus, 1999). In dit artikel staan we stil bij een van de onderzoeksvragen: welke verscheidene korpscheftypes onderscheiden we in de verscheidene politiediscoursen en COP-discoursen van de korpschefs en welke factoren generen diversiteit tussen de types? De discoursen die gecreëerd werden tijdens de interviews, vormen de bouwstenen voor het antwoord op deze vraag.
De korpscheftypes
We onderscheiden vier types korpschefs die elk een zeer geëigend politiediscours en COP-discours voeren, namelijk (1) de wijkteamchef, (2) de democraat, (3) de politiechef en (4) de manager. De kenmerken van de persoon , de tijdsgeest waarin deze korpschefs fungeren en de aard en de kenmerken van de zone waarin ze zijn aangesteld, geven invulling aan de politiediscoursen. Deze factoren genereren samenhang en divergentie tussen de verscheidene discoursen van de korpschefs en vormen de basis voor de types. Het politiediscours van een korpschef is het product van diverse discoursen waarmee de korpschef in interactie is gekomen en staat in interactie met de situationele context, de ruimere culturele en sociaal-politieke omgeving waarin het politiediscours gecreëerd wordt.
De wijkteamchef
De wijkteamchef is korpschef van een politiezone in een kleine stad of een politiezone met een landelijk karakter (type 1 en 2). Hoewel hij in zijn carrière vaak een repressief discours heeft gekend, heeft hij een breed discours over de rol van de politie in de maatschappij. De politie moet samen met haar partners, onder wie de burger, maatschappelijke problemen identificeren en het ontstaan van problemen voorkomen. De wijkteamchef is terughoudender tegenover een privaatpublieke samenwerking.
Hij komt zowel uit de rijkswacht als uit de gemeentepolitie en is geboren tussen 1955 en 1965. De wijkteamchef komt uit een arbeidersgezin of heeft een vader bij het leger of de politie. Hij ging al op zeer jonge leeftijd bij de politie. Hij heeft geen universiteitsdiploma of behaalde op latere leeftijd zijn diploma criminologie aan de universiteit. Deze korpschef is gestadig geklommen van basis- naar hoger kader. Hij heeft steeds een leidinggevende functie geambieerd, maar was daarin minder gedreven dan de manager. Hij blijft in de eerste plaats een politiemens.
Volgens het criminaliteitsdiscours van deze korpschef is de criminaliteit toegenomen sinds hij bij de politie is. Hij nuanceert deze conclusie door aan te manen tot voorzichtigheid met cijfers. De verandering in registratie- en de aangiftebereidheid vertaalt zich immers in een cijfermatige toename van de criminaliteit. De oorzaak van de criminaliteitsgroei ligt volgens de wijkteamchefs vooral in materialisme, zucht naar winstbejag en toenemende migratie als gevolg van de Europese eenmaking en de val van de Muur. Hij romantiseert het maatschappijbeeld uit het verleden: de maatschappij was vroeger veel verdraagzamer met meer sociale banden. Verder beweert hij dat het zeer moeilijk is om te klimmen op de sociale ladder en een betere maatschappelijke positie te verwerven. De sociaal-economische achtergrond van het individu is hiervan de voornaamste oorzaak.
Deze korpschef heeft een goede relatie met zijn burgemeester(s) en lokaal bestuur. Maar de burgemeester of het politiecollege beantwoordt niet aan zijn ideaalbeeld. Hij klaagt over de geringe betrokkenheid van de burgemeester en zou graag hebben dat de burgemeester of het politiecollege meer aandacht voor en kennis van de politiematerie heeft. Doordat hij vaak korpschef is van een kleine zone, heeft het ongenoegen over de burgemeester vaak te maken met de tijdsbesteding van laatstgenoemde.
De wijkteamchef maakte op latere leeftijd kennis met COP via het korps of door bijkomende studie. Hij is een sterk sociaal gedreven mens en vertaalt dat in zijn COP-beleid. Hij is een fervent voorstander van dit discours en hecht veel aandacht aan de POP -pijler en het partnerschap met de bevolking. In zijn COP-discours staan aanspreekbaarheid, zichtbaarheid, openheid en wijkwerking centraal. Door zijn brede visie op de rol van de politie verlaat hij soms het idee van integrale veiligheid, waardoor hij er in zijn discours regelmatig van uitgaat dat politie de motor is van het lokale veiligheidsbeleid. In de meer landelijke zones is politie vaak nog steeds de enige actor in het veiligheidsbeleid. Verder wijst hij er regelmatig op dat de uitvoering van zijn COP-beleid niet haalbaar is door gebrek aan financiële middelen of steun van de lokale overheid. De wijkteamchef hanteert een zeer rationeeltechnisch discours als hij over COP spreekt. COP staat synoniem voor projectwerking. Hij probeert COP te implementeren via verschillende methodes en successtrategieën, die hij via ‘benchmarking’ uit andere zones in zijn beleid implementeert. Hij stelt vragen over de wijze waarop hij verantwoording moet afleggen aan de bevolking en weet niet goed hoe hij daar invulling aan moet geven. Hierdoor beperkt zijn accountabilitybeleid zich tot het afleggen van rekenschap via de pers. Ten slotte is men het in het discours van ‘zero tolerance’ niet eens over de vraag of hij deze politiestrategie in bepaalde gevallen kan toepassen en hoe hij dit moet doen.
De democraat
Volgens deze korpschef is de politie in eerste instantie een dienstverlenende organisatie voor de burger. De politie is van nature ingeburgerd in de samenleving en de enige overheidsorganisatie waarop de burger 24 uur per dag een beroep kan doen. De politie heeft daardoor een brede maatschappelijke opdracht. De democraat schenkt veel aandacht aan aanwezigheid van politie in het straatbeeld en de sociale (controle) rol van de politie. De politie mag volgens hem evenwel geen hulpverlenende instantie worden en mag niet ‘misbruikt’ worden door de burger. Verder wijst hij regelmatig op het discours van de geïntegreerde veiligheid, maar in mindere mate dan de managers en meer dan de brigadechefs. Democraten vinden vooral het idee van partnerschap belangrijk. De politie moet samenwerken met de privé-sector, ook die draagt immers bij tot het verhogen van de veiligheid van de burger. Hij onderscheidt zich van de manager omdat hij een minder managementgericht discours voert en hij verschilt van de wijkteamchef door zijn sterker beleidsgericht discours.
De democraat is korpschef in een stad, een zone met het karakter van een stedelijke agglomeratie of in een korps van een regionale stad (type 3 of 4). In dit type treffen we alle leeftijdscategorieën, maar in tegenstelling tot in andere types is een aantal korpschefs van de oudere generatie aanwezig. Deze korpschef is meestal afkomstig van de gemeentepolitie. Hij komt uit een middenklassegezin, heeft een vader die een vrij beroep uitoefende of een kaderfunctie had. Hij beschikt over een universiteitsdiploma dat hij heeft behaald tijdens zijn loopbaan. In een aantal gevallen bezat deze korpschef al een diploma voordat hij bij de politie kwam. De democraat kwam, in vergelijking met de andere types, op latere leeftijd bij de politie.
Hij gaat er in zijn criminaliteitsdiscours van uit dat de criminaliteit toegenomen is of gelijk gebleven: criminaliteit is een maatschappelijk gegeven is dat niet echt gestegen is of gedaald, maar vooral veranderd. Hij hamert er op dat criminaliteit op kwalitatief gebied gewijzigd is. Volgens zijn discours is de criminaliteit vooral toegenomen door het gewijzigde maatschappijbeeld. Dalende sociale cohesie en de afname van sociale controle, de stigmatisering van sommige bevolkingsgroepen en de prestatiemaatschappij zorgen volgens hem voor een toenemende druk op de mensen, waardoor verdraagzaamheid en tolerantie afnemen. Deze korpschef heeft een minder eenzijdig maatschappijbeeld. Hij stelt dat de maatschappij aan het verrechtsen is door de toenemende individualisering en de daling van het normbesef. Mensen krijgen niet allemaal dezelfde kansen in het leven en niet iedereen beschikt over de mogelijkheid om te klimmen op de sociaaleconomische ladder. Hij schrijft dat vooral toe aan de sociale uitsluiting of de sociaaleconomische situatie waarin sommigen vastgeroest geraken.
Als geboren democraat streeft hij een goede samenwerking na met zijn burgemeester. Hij is tevreden over zijn relatie met de burgemeester – op een aantal werkpunten na – en is zeer loyaal tegenover hem in zijn beleidsondersteunende opdracht. Sommige democraten spreken zelfs van een samenwerking met de burgemeester.
De democraat heeft via zelfstudie kennisgemaakt met COP en meent dat COP bij de gemeentepolitie eigenlijk altijd al heeft bestaan. In zijn COP-discours hamert hij sterk op de gemeenschapsgerichte pijler en de pijler van accountability. COP is synoniem aan ‘policing by consent’. Hij heeft veel oog voor de verwachtingen van de burger en hecht veel belang aan burgerconsultatie. Daarnaast legt hij op verschillende wijzen verantwoording af aan zijn bevolking en de politieke overheid. Hierbij gaat hij er soms van uit dat hij sterk geïntegreerd is in zijn gemeenschap en dat hij de problemen van zijn zone kent. Hij onderscheidt zich van de wijkteamchef door zijn minder rationeeltechnisch discours. De democraat is sterk bekommerd om de verdere evolutie van COP en vreest een achteruitgang van het discours. Ten slotte is de democraat fel gekant tegen een ‘zero tolerance’ beleid. Hij acht dit niet verzoenbaar met een COP-beleid.
De politiechef
De politiechef is korpschef in een korps van een regionale stad of een ruraal gebied (type 2 en 3). Hij hanteert een zeer eng discours over de rol van de politie in de maatschappij. De politie moet allereerst bezig zijn met haar ‘core business’: problemen in de maatschappij oplossen. De sociale sector laat regelmatig steken vallen, waardoor de politie niet anders kan dan haar taak op sommige vlakken over te nemen. De politie moet de motor zijn van het veiligheidsbeleid, aldus deze korpschefs.
De politiechef is ofwel van jonge ofwel van middelbare leeftijd. Zijn vader werkte in het leger en zijn moeder was een huisvrouw.
Volgens de politiechef is de criminaliteit toegenomen door de immigratie en de drang om veel geld te verdienen door zo weinig mogelijk te doen. Men pleegt criminaliteit uit gemakzucht. Politici en de media zorgen voor stemmingmakerij, die leidt tot toenemend onveiligheidsgevoel en maatschappelijke onrust. Iedereen heeft de kans heeft om te klimmen op de sociaal-economische ladder. Het hangt af van iemands persoonlijkheid of men de top kan bereiken.
Hij heeft een hekel aan bureaucratie en zou liever meer bij ‘de mannen buiten’ zijn. Hij heeft een goede relatie met zijn burgemeester en het bestuur, maar vindt het goed dat elk op zijn terrein blijft. De korpschef is immers de expert in politiematerie, niet de politicus. Sommigen zouden echter liever wat meer sturing op het politiebeleid willen.
De politiechef heeft kennisgemaakt met COP tijdens een opleiding of in het korps, maar volgens hem is COP ‘passé’. Het model heeft aangetoond dat alleen ‘zachte’ politie niet werkt. De criminaliteit vraagt soms een hard repressief optreden. Hij schuwt het woord ‘zero tolerance’ dan ook niet. Een dergelijke strategie is noodzakelijk om waarden en normen in bepaalde buurten te kunnen herstellen. De politie moet vooral een ‘problem oriented policing’ organisatie zijn en een doelgericht beleid voeren. De omzendbrief van het ministerie van Binnenlandse Zaken is niet toepasbaar, wat zich weerspiegelt in zijn beleid. Zo heeft de politiechef weinig oog voor burgerconsultatie.
De ‘manager’
De manager is eveneens korpschef in de grotere politiezones (type 3 en 4). Hij hanteert sterk het discours van geïntegreerde veiligheid. Hierbij moet de politie de criminaliteitsproblemen geïntegreerd aanpakken. Ze moet een beroep doen op haar partners. De politie is te vaak en te veel motor van het lokale veiligheidsbeleid. De manager is sterk voorstander van een publiekprivate samenwerking. Een aantal managers hanteert daarbij een discours waarbij ze een zeer verregaande vorm van samenwerking suggereren. Publiekprivate samenwerking zorgt vooral voor een kostenbesparing en capaciteitswinst, zodat de lokale politie meer aandacht kan hebben voor haar ‘core business’.
De manager vinden we terug bij de gemeentepolitie en vooral de rijkswacht. Hij komt uit een middenklassegezin. Hij werd geboren tussen 1955 en 1965, maar onderscheidt zich van de wijkteamchef door zijn gedrevenheid. Deze korpschef is zeer ambitieus en steeds een hoogvlieger geweest. Hij onderscheidde van zijn korpsgenoten en maakte zeer snel carrière. Hij heeft een universiteitsdiploma en veel aandacht gehad voor managementopleidingen. Verder is hij een echte ‘netwerker’. Hij maakt deel uit van verschillende organen en commissies, schrijft regelmatig artikelen in tijdschriften of vakbladen.
Volgens de manager is de criminaliteit gelijk gebleven of toegenomen. De managers die ervan uitgaan dat criminaliteit gelijk gebleven is, stellen dat criminaliteit van alle tijden is en net als de wijkteamchefs waarschuwen ze voor het gebruik van statistieken. De managers die het discours hanteren van criminaliteitsstijging, verklaren de toename door immigratie, materialisme en hebzucht. Hun discoursen onderscheiden zich van die van democraten doordat ze minder aandacht hebben voor maatschappelijke oorzaken van het ontstaan van delinquent gedrag.
Volgens de manager is het niet mogelijk om te klimmen op de sociaal-economische ladder. Vooral iemands afkomst zorgt ervoor dat de klim veel trager verloopt. Volgens deze korpschef stijgt de onverdraagzaamheid: hij leidt dat hoofdzakelijk af uit de stijgende overlast. ‘Mensen bellen voor alles’. De gedaalde sociale cohesie zorgt ervoor dat zekerheden in het leven verdwijnen en onverdraagzaamheid toeneemt.
Uit dit discours leiden we af dat de manager een goede relatie heeft met zijn burgemeester(s), maar dat hij aan zijn sturingsbevoegdheden gehecht is. Hij houdt van de samenwerking, maar heeft niet graag tegenwerking. Een sterke burgemeestersfiguur aan de andere kant van de tafel zorgt ervoor dat de machtsbalans in evenwicht blijft.
De managers kennen met COP via het korps, literatuur, zelfstudie of studiedagen in het buitenland. Bij de rijkswachtersmanagers in dit discours was dat vooral via medewerking aan het BPZK-project. Dat heeft tot gevolg dat ze vooral kennis hebben gemaakt met de managementversie van COP. De manager hanteert een COP-discours, waarbij sterk de nadruk wordt gelegd op ‘problem solving’ en externe oriëntering. Zijn discours over COP is zeer ambigu. Hij wijst erop dat COP naar de sociale rol van de politie verwijst, maar eveneens een repressieve rol heeft. COP heeft er soms toe geleid dat de politie haar professionaliteit verloor. De politie moet blijven toezien op haar voldoende professioneel en kwaliteitsvol optreden. Verder mag ze niet ‘soft on crime’ worden. Ze moet voor een deel hard en repressief blijven optreden waar dat nodig is! Deze managers zijn het onderling oneens over ‘zero tolerance’ optreden. Managers hanteren een sterk managementgericht COP-discours, waarbij politie vooral efficiënt en doelgericht ingezet moet worden om maatschappelijke problemen zo efficiënt en effectief mogelijk op te lossen.
Besluit
Na een vergelijking van de individuele discoursen van de korpschefs aan het ideaaltypische discours stellen we vast dat de individuele discoursen tamelijk verdeeld zijn over de ideaaltypes democraten, managers en wijkteamchefs, wat erop wijst dat het COP-discours in grote mate aanwezig is in de individuele discoursen van de korpschefs. Het discours van de politiechef wordt door een kleine minderheid van de korpschefs gehanteerd, waaruit we afleiden dat er toch nog een aantal korpschefs is dat het COP-discours niet hanteert.
Dit doet vragen rijzen over de gelijkwaardige invulling van COP. Uit de typificatie blijkt immers dat COP niet altijd hetzelfde wordt ingevuld. Echter, dat leidt volgens ons niet tot dezelfde conclusies als bij de Nederlandse onderzoekers, die stelden dat COP een ‘verbale vergaarbak’ is geworden (Boin, Van der Torre, & 't Hart, 2003). Naar onze mening toont de typificatie net aan dat COP, wil het kunnen fungeren als een gelijkwaardige politiezorg, op verschillende manieren kan worden ingevuld. Een gelijkwaardige politiezorg is immers niet synoniem aan een gelijke politiezorg waarin iedereen exact hetzelfde krijgt. Een gelijkwaardige politiezorg verwijst naar een politiezorgvertrekking die gericht is op de specifieke kenmerken en behoeften van de politiezone en de inwoners van de verschillende gemeenschappen binnen de zone. Het COP-beleid dat binnen de zone wordt gevoerd, moet in overeenstemming zijn met de institutionele kenmerken van de zone en de noden en behoeften van de gemeenschap, die deel uitmaakt van de zone en vergt een COP-discours dat in overeenstemming is met de tijdsgeest, de kenmerken van de korpschef en dus met het COP-discours van de korpschef.
In de korpschefpopulatie zijn nog steeds korpschefs aanwezig zijn die een hard en zeer rechts politiediscours hanteren. De politiechefs hanteren een zeer eng politiediscours waarin ze ervan uitgaan dat iedereen in de maatschappij gelijke waarden en normen heeft. Deze waarden en normen zijn volgens hen op de achtergrond verdwenen. De politie moet daarom zorgen voor meer wetshandhaving en daarbij duidelijk de norm stellen. Dergelijk discours strookt niet met het COP-discours, wat deze korpschefs ook niet verbergen. Ze gaan niet akkoord met dit discours, omdat het een te soft politieoptreden voorschrijft.
De discoursen van de democraten en de managers vertegenwoordigen samen het dominant aanwezige politiediscours bij de respondenten. Beide discoursen vormen elkaars tegenpolen, maar geven daardoor goed het spanningsveld weer in het lokale politielandschap. Dit spanningsveld situeert zich tussen de keuze voor een fijnmazige politiezorg op maat van de burger en een efficiënte politiezorg die gericht is op het doelgericht aanpakken van de problemen en leidt dikwijls tot een debat waarin de kostprijs van politie continu wordt afgetoetst aan de kwaliteit.
In de analyse van de politiediscoursen (zie publicatie) stellen we vast dat er stilaan een harde repressieve component aanwezig is in het COP-discours, die pleit voor een repressiever politieoptreden. Uit de typologie blijkt dat deze component al dominant aanwezig is in het discours van de politiechef en dat hij ook stilaan ingang vindt in het discours van de manager. Daar zit hij nog verborgen onder de noemer van COP, maar het gevaar bestaat dat onder invloed van de steeds verdere verrechtsing van het veiligheids- en preventiebeleid en onder de druk van het discours van de publieke opinie en de overheid, die vragen naar een doelgericht politieoptreden, deze component steeds dominanter zal worden, net zoals zich heeft voorgedaan bij het benadrukken van de efficiëntiecomponent in het aanvankelijke politiediscours.
Literatuur
Boin, R. A., E.J. van der Torre en P. 't Hart, Blauwe Bazen. Het leiderschap van korpschefs. Zeist: Uitgeverij Kerckebosch, 2003.
Burr, V., An introduction to social constructionism. New York: Routhledge, 1995.
De Kimpe, S, Het woord is aan de korpschef. Een onderzoek naar het profiel en het discours van de Vlaamse korpschef van de lokale politie. Brugge: Vanden Broele, 2006.
Enhus, E., Tussen hamer en aambeeld. Ongepubliceerde doctoraatstudie, VUB, Brussels, 1999.
1 De Belgische politie bestaat uit twee politiekorpsen die samen één geïntegreerde politiedienst vormen. De lokale en de federale politie zijn twee autonome korpsen (apart gezag, beheer en leiding) die in functionele verhouding (en niet hiërarchisch) staan tot elkaar. De lokale politie bestaat uit 196 politiekorpsen die opereren binnen een politiezone. Elk lokaal politiekorps wordt geleid door een korpschef. Deze lokale politiekorpsen functioneren eveneens autonoom van elkaar.
2 In het Belgisch politiebestel zijn er 196 korpschefs van de lokale politie (196 politiezones): 118 Vlaamse, 72 Waalse en 6 Brusselse.
3 Voortaan verkort weergegeven als COP.
4 Deze factor verwijst naar de discoursen waarmee de korpschef op zijn levenspad en tijdens zijn loopbaan in interactie is gekomen.
5 Hiermee verwijzen we vooral naar de discoursen die in het politielandschap sensu stricto en het veiligheids- en preventiebeleid sensu lato op het moment van de discoursvorming dominant aanwezig zijn. Hiermee verwijzen we naar specifieke onderwerpen en thema’s die sterk tijdsgebonden zijn en spontaan terugkwamen in de discoursen van de korpschefs.
6 Met ‘zonetype’ verwijzen we ten eerste naar de aard (meergemeente of ééngemeentezone) en de grootte van de politiezone. Ten tweede spelen ook de specifieke problemen van een zone een rol in het discours van een korpschef. Zo is de criminaliteitsproblematiek in een landelijke zone heel verschillend van die in een stad. Ten derde beïnvloedt onzes inziens ook de aard van de politiek-historische cultuur van een zone de discourskeuze van een korpschef.
7 We onderscheiden 5 types politiezones. Type 5: de grote steden of zones waarvan het korpseffectief groter is dan 600. Type 4: de regionale steden of de korpsen met een effectief tussen 300-600. Type 3: goed uitgebouwde kleine stedelijke agglomeraties of korpsen met een effectief tussen 150-300. Type 2: kleine stedelijke agglomeraties en sterk morfologische gebieden of korpsen met een effectief tussen 150-75. Type 1: de landelijke of rurale gebieden of korpsen met een effectief kleiner dan 75.
8 Problem Oriented Policing (POP).

Reageer op dit artikel