Een filmer/filosoof kijkt naar de politie: De Dweilers met Open Kraan
Na een half jaar meelopen met de politie moet ik al m’n best doen om me te herinneren wat mijn allereerste indrukken waren. Dat was de opgewektheid van de politieagenten die ik toen nog geen dienders noemde, zowel op kantoor als op straat en in de auto.
Op de voet gevolgd door wat beelden: een vrouw voor dood in haar bed, in haar eigen ontlasting – de noodhulp komt op tijd, de deur is terecht ingetrapt. En de blik in de ogen van een stel puberjongens die op een koude vrijdagavond met enig politievertoon van hun brommer worden getrokken, op verdenking van betrokkenheid bij drugstransacties – onterecht, naar later blijkt. Of de schrik in de ogen van hun moeder, die later die avond een huiszoeking over zich heen krijgt. Wat me raakt is de directheid waarmee de politie binnenvalt in diverse levens. Ik kijk alleen maar toe terwijl de agenten hun werk doen. Dat doen ze in mijn ogen correct, rustig en vaak ook nog vriendelijk. Het lijkt niet erg op de spectaculaire scènes uit films en tv-series, waarin krachtsvertoon en lichamelijke actie de boventoon voeren en praten voor het gemak wordt overgeslagen. Maar in deze eerste maand ben ik zelf nog volop een burger en beleef de situaties nog vanuit het burgerperspectief: het zal je maar gebeuren dat de politie zo direct in je privé-leven komt binnenvallen, terecht of niet. Ik voel de priemende blikken van de aangehouden jongetjes op mijzelf gericht: zonder uniform, maar met mijn grijze haar en leren jasje hoor ik overduidelijk bij de politiemannen om mij heen. Misschien ben ik zelfs wel de leidinggevende van het stel, in burgerkleding. Ik zie hun intense afkeer en realiseer me dat ik in hun plaats waarschijnlijk precies zo gekeken zou hebben. Alleen ben ik geen gewone burger meer; voor anderhalf jaar hoor ik bij de politie, preciezer bij het Regiokorps Amsterdam Amstelland. Lang genoeg om me het politieperspectief eigen te maken, maar niet voor altijd. De perspectieven zullen naast elkaar blijven bestaan. En dat is natuurlijk precies de bedoeling.
Juxta heet het project, de naam komt van ‘juxtapositie’: naast elkaar opstellen. Een creatieve techniek uit de organisatiekunde om problemen op te lossen door onverbonden, contrasterende invalshoeken naast elkaar te zetten. Het Amsterdam-Amstellandse politiekorps zette een advertentie voor jonge, pas afgestudeerde doctorandussen uit verschillende richtingen, om te zorgen voor zo’n frisse juxta-wind. Het zijn er twaalf geworden, met uiteenlopende specialismen: van kunst tot filosofie, antropologie naast sociale psychologie. Opvallend genoeg zitten er géén juristen bij, of criminologen. Er is duidelijk niet gekozen voor politie-specialisten, maar voor naïevelingen op politiegebied. Van ons wordt gevraagd om met een onbevangen, kritische blik te kijken naar wat de politie is en doet. Na een introductieperiode van enkele maanden formuleren we, ieder apart, een onderzoeksvoorstel, dat we in het resterende jaar uitvoeren en uitwerken. En dan? Dan ligt er een stapel geïnformeerde, uitgewerkte nieuwe ideëen, aanbevelingen, veranderingsvoorstellen en wat dies meer zij op de tafel van de Hoofdcommissaris en zijn Korpsleiding. Want dit project is door hèm bedacht: we worden daarom in het korps ook wel de ‘Bende van Welten’ genoemd. De groep rapporteert aan HC en KL (de politie is dol op afkortingen), wat niet betekent dat we ze stroop om de mond moeten smeren. Integendeel: nog nooit had ik een baan waar me zo uitdrukkelijk op het hart is gedrukt om toch vooral buitenstaander te blijven, en kritisch. In de Amsterdamse gemeenteraad werden al ongeruste vragen gesteld over het project: moet een politiekorps wel geld steken in zulke nieuwlichterij, in plaats van het te besteden aan méér agenten op straat? Waarom Juxta als je ook een blik agenten open kunt trekken? Precies dáárom lijkt me: als je nooit de tijd neemt om na te denken over werkwijze en uitgangspunten, zal je organisatie nooit veranderen en zul je altijd hetzelfde blijven doen. Inmiddels hebben alle Juxta’s hun plannen gepresenteerd en is eenieder in zijn/haar richting aan het werk gegaan. De groep bevat veel kwaliteit en bubbelt van energie. Ik voorspel dat de RPAA in de loop van het komende jaar een hele bak met plannen, ideeën, aanbevelingen en concrete veranderingen over zich heen krijgt.
Zelf ben ik niet meer jong, maar wel net afgestudeerd, als theoretisch filosoof. Ik ben oorspronkelijk filmmaker, afgestudeerd aan de Amsterdamse Filmacademie op m’n 21ste en sindsdien werkzaam als freelance regisseur en schrijver. Daarnaast heb ik mezelf geschoold als theatermaker, en later ben ik alsnog gaan studeren, in deeltijd. Bij de politie wilde ik overigens nooit, als jongen: ik hoorde bij een protestgeneratie die de politie zag als verlengstuk van een orde die niet de onze was. Dertig jaar later is de wereld flink veranderd, en ik ook: ik ben geïnteresseerd geraakt in de orde en het handhaven daarvan. Als filosoof heb ik me voor Juxta aangemeld, maar het werd snel duidelijk dat ik binnen dit programma ook als filmer iets zou kunnen betekenen. Een filosoof-filmer bij de politie dus: met het filosofische gedeelte wil ik u hier de komende tijd met enige regelmaat lastigvallen.
Wees gerust, dit worden geen zwaar theoretische verhandelingen, en ook zal ik me niet bezighouden met de vraag naar ‘de zin van het leven’ (ZvhL). Filosofie is helaas in de ogen van velen synoniem aan zweverigheid en gewauwel over de ZvhL – dat is een volstrekt verkeerd beeld. Tijdens mijn studie kwam de term niet één keer langs. Waar houdt mijn afdeling van de filosofie (taalfilosofie, kentheorie, philosophy of mind) zich dan mee bezig? Met alle aspecten van het bestaan eigenlijk, van het hele concrete tot het uiterst abstracte, van de consequenties van het moderne hersenonderzoek tot aan eeuwenoude disputen over de al dan niet bestaande scheiding tussen lichaam en geest. Maar vóór alles is het een poging tot helder denken. Een afstoffen, opruimen en herindelen van onze gedachten, denkbeelden en concepten. Filosofie is, naast andere zaken, erg geschikt als schoonmaker van de geest. Dit is de taak van filosofie zoals Ludwig Wittgenstein (1889-1951, taalfilosoof werkzaam in Oostenrijk en Engeland) haar formuleerde: een filosofie die geen voorschriften geeft, maar die uitsluitend beschrijft en ‘alles laat zoals het is’ . Ja, dat had je gedacht. Als de Wittgenstein-schoonmaker langs is geweest, alles kritisch heeft bekeken, besproken en ge-herrangschikt – dan blijkt niets meer te zijn zoals het was. De zaken zijn in een nieuw licht komen te staan. Deze soort filosoof kijkt als een Alice naar Wonderland, met dit verschil dat het wonderland onze eigen realiteit is. Op die manier wil ik kijken naar de politie, in mijn stad en mijn land. Wat ís de politie eigenlijk, wat is haar maatschappelijke rol en wat is de positie die zij inneemt ten opzichte van (de rest van) de burgerij? In een serie artikelen ga ik proberen om deze fundamenten van de politie opnieuw te formuleren.
Een belangrijk onderdeel van de sollicitatie voor Juxta was het schrijven van een essay naar aanleiding van het recente beleidsrapport Politie in Ontwikkeling (PiO). Waarschijnlijk is dit stuk sowieso niet bedoeld voor een lekenpubliek en als proza is het, zoals zoveel beleidsnota’s, veel te stroperig en conceptueel om meeslepend te zijn. Wat mij wèl opviel was een voorzichtige, defensieve houding, die tussen de regels door naar voren kwam. De politie wilde zich waakzaam en dienstbaar opstellen, van alles en nog wat verbeteren aan haar eigen prestaties, maar voelde zich intussen ernstig overvraagd. Ze presenteerde zich als ingeklemd tussen twee partijen: aan de ene kant het wettelijk gezag, de beleidsmakers en de politiek. Aan de andere kant het publiek, ook wel ‘klant’ genoemd. De politie sprak in PiO op halfzachte toon uit dat ze zich van bovenaf, de opdrachtkant, miskend voelde of zelfs in de steek gelaten. Maar nergens stond, tot mijn verbazing, dat de benarde positie ook alles te maken had en heeft met de burger. Die begaat namelijk de overtredingen en misdrijven waarbij de politie in actie moet komen. Naar die kant was er van onvrede weinig te merken. Waarom eigenlijk niet? De politie kon dat niet uitspreken, vermoedde ik, omdat het een onvrede is over de ‘klant’, ofwel de burgerij die zich als klant gedraagt en ook als klant gezien wordt. En de klant is koning, in onze door de markt gedomineerde maatschappij. Deze houding maakte mij, als burgerlezer, ongerust en boos. En dus deed ik een paar voorstellen voor zinnen die de politie niet kan of niet wil, maar eigenlijk wel zou moéten zeggen in zo’n rapport. Ik herhaal ze hier:
- ‘de politie kan niet dweilen met de kraan open’
- ‘de politie is geen private partij of firma die iets verkoopt aan de burgers’
- ‘de politie is niets anders dan een vertegenwoordiger van alle burgers gezamenlijk’.
Zo dacht ik erover als leek. De uitspraken zijn te zien als mijn ‘politiefilosofie’ voordat ik zelf bij de politie kwam. Ze vormen het inhoudelijke startpunt voor deze serie. Gelden ze nog steeds, nu ik over enige insiderskennis en –ervaring beschik? Ja. Tenminste... de tweede en de derde. Over de eerste ben ik snel anders gaan denken, al meteen zodra ik meeging met de noodhulp, of met een HOVJ door het district reed. Na enige maanden meelopen weet ik zeker dat de politie kan dweilen met de kraan open.
Het gezegde ‘dweilen met de kraan open’ is in onze taal synoniem voor ‘zinloos bezig zijn’. Als ergens water uit een kraan stroomt, en je wilt de rotzooi gaan opdweilen moet je wel eerst die kraan dichtdraaien. Anders blíjf je bezig met opdweilen – en dat is zinloos, nutteloos. Volgens Wikipedia betekent het: “geen kans op succes hebben, omdat men de symptomen bestrijdt zonder de oorzaak aan te pakken”. De uitdrukking is zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stilstaan welk beeld er onbewust door wordt opgeroepen. Namelijk dat de kraan in kwestie ook werkelijk dicht kàn. In Wikipedia termen: dat de oorzaken werkelijk aangepakt kunnen worden.
Verplaatsen we dit gezegde naar de politiepraktijk. Bijvoorbeeld naar de inspecteur met drugsoverlast als project; vanuit de auto volgt en bespiedt hij urenlang gebruikers, in de hoop dat één hem zal leiden naar een dealer. En dat die daadwerkelijk betrapt kan worden bij een overdracht. Maar na aanhouding wordt diens plek onmiddellijk ingenomen door een ander. Voor de gearresteerde dealer volgt vaak sepot. En als ze al veroordeeld worden staan dealers binnen een paar maanden weer op straat. Het is een permanent gevecht, waarbij de politie nooit wint of kan winnen, ‘een druppel op de gloeiende plaat’ zegt de inspecteur. En toch is hij ervan overtuigd dat het nuttig is en dat de politie dit moet blijven doen. Hetzelfde geldt voor veel politiewerk: inbraken, diefstallen, beroving – ze kunnen bestreden worden, maar niet vermeden en vaak niet eens opgelost. De kraan staat wijd open en de politie reageert. Daar komt bij dat slechts een klein deel van de werktijd van een diender gaat naar werkelijke misdaadbestrijding, een groot deel wordt besteed aan sociale en administratieve taken. De vuistregel luidt: tien minuten op straat, een uur achter de computer. In dat uur kan de kraan rustig doorlekken.
Als je de beeldspraak van de kraan en de dweil toepast op het macro niveau van de maatschappij, dan hebben we het over de kraan waaruit overtredingen en misdrijven tevoorschijn stromen. Wat er opgedweild moet worden zijn de praktische gevolgen van deze overtredingen/misdrijven. In meer filosofisch-metafysische bewoordingen zou je kunnen zeggen dat uit deze kraan ‘het kwaad’ tevoorschijn stroomt. De dweil, de reparerende instantie, dat ís de politie. Het is niet haar enige taak. Naast het wettelijk vastgelegde garanderen van de openbare orde en veiligheid en bestrijding van de criminaliteit, houdt ze zich in de moderne Nederlandse opvatting bijvoorbeeld ook uitdrukkelijk bezig met ‘signaleren en adviseren’, praktisch belichaamd in de werkzaamheden van de buurtregisseur. Maar intussen is de politie nog steeds en vooral een reagerende organisatie. Ze reageert op lekkages uit die kraan. Ze dweilt. Dat is haar taak.
Dienders gebruiken de uitdrukking zelf ook regelmatig. Soms in de gangbare zin, zoals de wanhopige agente die vond dat haar WT de strijd aan het verliezen was. Maar meestal nuchter, als constatering: “We dweilen met de kraan open”, zegt een brigadier over de overlastaanpak in zijn wijk, “maar dat dweilen gaat ons goed af”. En zo is het precies. De eerste stelling uit mijn essay klonk wel krachtig, maar is niet wáár. De politie kan wel degelijk dweilen met de kraan open – sterker nog, dat is precies waar zij goed in is. ‘Dweilers met open kraan’ is geen diskwalificatie of brevet van onvermogen, het is een letterlijke beschrijving. De politie zou het als geuzennaam moeten voeren, als titel om trots op te zijn.
En dan is er nog iets. De politie wil iets te doen hebben. Na mijn allereerste dag meerijden zei de HOVJ met spijt in haar stem dat het wel een beetje rustig geweest was. Over de porto kwam een melding van een gewapende overval met een achtervolging en hoewel haar diensttijd voorbij was overwoog ze om er alsnog heen te rijden. Het was alleen te ver weg. Als burger, en zeker als volstrekte nieuwkomer zonder agressieve wensen, zat ik in die auto niet echt op een steekpartij te wachten. Sterker: je denkt dat de politie het ook wel zal waarderen als er tijdens de dienst geen grote ongelukken gebeuren, ofwel als de kraan niet teveel lekt. Dat klopt niet. De diender (tenminste alle dienders die ik meemaakte) wil wèrken, doen waarvoor hij/zij is opgeleid. Dat wil zeggen dat de kraan open moét, zodat het politiewerk kan beginnen. De eerste keer keek ik daar nogal van op. Sindsdien ben ik eraan gewend geraakt dat voor een diender een rustige dienst niet leuk is. “Het is goed voor de burger, maar saai voor ons” zei een hoofdagent.
Dit was misschien wel de grootste verrassing van mijn eerste weken politiewerk. Hoe naïef ik het een paar maanden later ook vind, het geeft mijn oude burgerperspectief weer. Ik had kennelijk bewust of onbewust toch het idee dat de politie het kwaad niet alleen wil bestrijden, maar ook wegvagen. Daar ben ik niet zo zeker meer van, los van de vraag of zoiets überhaupt kàn. Het is juist hun kick, hun opwinding, om dagelijks op een of andere manier met dat dweilen bezig te zijn – met een kraan die voortdurend op andere plaatsen gaat lekken, zo afwisselend als het leven zelf. Veel dienders die ik meemaak zeggen spontaan en lachend dat politiewerk het mooiste is wat er is. En ineens dacht ik mijn allereerste indruk, van de opgewektheid, ook beter te kunnen begrijpen. Als brave burger ben je doorgaans bevreesd voor wat er uit die kraan komt, zeker voor de fysieke kant ervan. Je gaat niet permanent angstig onder de tafel zitten, maar ik ken weinig mensen die verlangend uitkijken naar een inbraak, of een beroving. Tegelijk kan je er weinig aan doen. Deze combinatie van angst en dreiging leidt tot een gevoel van machteloosheid tegenover de lekkende kraan. Tot morele verontwaardiging die niet in daden kan worden omgezet. Of tot onverschilligheid en cynisme. Dat is wezenlijk anders bij agenten: zij zijn niet machteloos, integendeel, zij zijn degenen die geëquipeerd zijn om te handelen. Zij kunnen er iets aan doén. Ook zijn ze niet bang, dat heb ik tenminste niet gezien. En ze zijn niet terneergeslagen omdat de kraan toch telkens maar weer open staat – dat naïef morele stadium zijn ze voorbij. Bovendien, in de huidige samenleving, waarin belangentegenstellingen en geweld een veel grotere rol spelen dan bijv. in mijn jeugd – zijn zij ook volop nódig. Zij zijn dus toegerust, gewend èn gewenst. Ik denk dat dit redenen zijn achter de opgewektheid, het werkplezier, die mij in het begin zo opvielen.
Kan de kraan dichtgedraaid worden, of althans dichter? Op de ‘droom van de gesloten kraan’ kom ik later terug. Eerst zal ik nader ingaan op mijn indrukken van de RPAA en uitwerken welk verrassend nieuw politiebeeld daaruit voortkomt. Reacties zijn welkom.
1 Als ik strikt ben moet ik telkens schrijven: het Regio Korps Amsterdam Amstelland. Ter wille van de leesbaarheid gebruik ik de generaliserende term.
2 Uit: L. Wittgenstein Philosphische Untersuchungen par. 124 - 126

Reageer op dit artikel