Een filosoof/filmer kijkt naar de politie: Meer dan dweilen alleen: de politie als goede voorbeeld
Wat is de maatschappelijke rol van de politie? In de vorige aflevering beschreef ik ze als ‘dweilers met open kraan’. Hier volgen wat typeringen van deskundigen: - Het stoffer en blik van de samenleving (een hoofdcommissaris). - Een voorbeeldorganisatie pal voor de poorten van de maatschappij. (een professor) - Organisatie die tot doel heeft het garanderen van de openbare orde en veiligheid en bestrijding van criminaliteit. - Bewaker van de morele ondergrens van het leven. - (..) weliswaar in uniform maar zo goedig dat je gerust de draak met hem kunt steken. - Een vorm van sociale vredesbewaring. - De dunne scheidslijn tussen orde en anarchie. - Verdediging en bescherming van datgene wat al gevestigd is. Beschermers van de status quo.
Deze typeringen dateren van 2006 terug tot 1974. Dat is niet toevallig. Het stemt ongeveer overeen met de periode dat ik bewust over de politie heb kunnen nadenken – en geeft iets aan van wat er in deze tijd veranderd is in de maatschappelijke rol van de politie. De vroegere beschermer van de status quo is bezig zich te profileren als voortrekker, als organisatie die het goede voorbeeld geeft. Ik vind dat een opmerkelijke, niet-vanzelfsprekende ontwikkeling, met voordelen en ook een nadeel. En dat heeft alles te maken met mijn eigen geschiedenis en het politiebeeld dat daarbij hoorde. In deze aflevering bespreek ik de rolverandering van de politie aan de hand van mijn subjectieve politiebeeld.
De rechtse politie
Ik ben een geboren en getogen Amsterdammer van middelbare leeftijd. In mijn jeugd was de politie repressief en geducht. Als jongetjes zwierven we op de ochtend van Luilak door de straten van het brave Amsterdam-Zuid, uit op kattekwaad waarom je nu zou glimlachen. Als de politie om de hoek kwam was het parool: keihard wegrennen. Een vriendje had namelijk het jaar ervoor naar een politieman te paard “kip, kip, kip zonder eieren!” geroepen (‘kip’ was straattaal voor agent). Hij was meegenomen naar het bureau en zonder pardon in een cel opgesloten. In die tijd borrelde Amsterdam van de ludieke activiteit van opstandige jongeren die een nieuwe vrijheid bevochten. De politie vervulde daarbij steevast de rol van grote verbieder; op zeker moment trok ze de wapenstok en ramde er op los. Die beelden stonden dan in de krant, of kwamen terecht in een documentaire zoals van Gasterens Omdat mijn fiets daar stond. Daarbij komt dat ik dankzij mijn familiegeschiedenis altijd geweten heb dat het de Amsterdamse politie was die in de oorlog de joodse families uit hun huizen haalde. Dat was niet het werk van Duitse soldaten; niks ‘aufmachen!’, het was gewoon ‘opendoen!’. (Ik weet dat dit veel mensen in de huidige organisatie nog steeds dwarszit, maar bij mijn weten is het Amsterdamse korps er officiëel nooit op teruggekomen.) De politie was kortom een instantie om bang voor te zijn.
Minstens zo belangrijk voor mijn politiebeeldvorming waren berichten over politieoptreden in het buitenland, en met name in de Verenigde Staten. Daar arresteerde men in het wilde weg en met veel geweld anti-oorlogsdemonstranten, die vervolgens op bespottelijke wijze berecht werden (de zgn. Chicago Eight). Of de politie drong een universiteitscampus binnen en schoot er op studenten. Amerikaanse speelfilms uit dat tijdvak bevestigden het beeld van een gewelddadige, onbetrouwbare politie die erop uit is om alles wat naar protest ruikt te onderdrukken. Typerend was Serpico (1973), waarin de deugdzame agent die corruptie aan de kaak wil stellen door zijn eigen collega’s in de steek wordt gelaten. De politie was de vijand van jongeren, van waarheid, protest en vernieuwing – ze beschermde de rijken en machtigen en verdedigde de status quo, dat wil zeggen de bestaande onrechtvaardigheid. De politie was in één woord: ‘rechts’.
In de jaren tachtig werd dat beeld een beetje vriendelijker: de politie wilde mijn ‘beste vriend’ worden. Maar van een gestolen fiets deed je nog steeds geen aangifte, dat had geen enkele zin. Ik kwam in aanraking met de politie vanwege inbraken in mijn huis, burengerucht en bedreiging, naast diverse ontmoetingen bij het filmen op straat en verkeerscontroles. En nee, ze sloegen er niet op los, maar krachtig of doeltreffend was het ook niet. Dieptepunt was ongetwijfeld de keer dat agenten me openlijk afraadden om aangifte te doen wegens burengerucht – want dan zou de buurman mij ‘wel eens kunnen komen opzoeken’. Zulke incidenten overtuigden me ervan dat je van de Amsterdamse politie niet al te veel te verwachten had. Het kleine criminele leed moest je als burger zelf dragen – de politie was daarbij niet meer dan een machteloze administrator, nodig als tussenstap voor de verzekering.
In dezelfde tijd veranderde overigens ook het filmimago van de Amerikaanse cop ten goede, getuige een tv-serie als Hill Street Blues. Agenten werden niet meer in de eerste plaats afgeschilderd als corrupt en agressief, maar kregen een menselijk, sympathiek gezicht. Dat model is nagevolgd op de Nederlandse televisie en inmiddels de nieuwe standaard geworden. De politie was in de beeldvorming opgeschoven van rechts naar een warmere middenpositie.
De ambitieuze politie
In mijn eerste maanden bij de politie merk ik dat ik de oude beelden nog niet kwijt ben: de diender als bullebak of als softie spelen nog door mijn achterhoofd. Maar in de werkelijkheid tref ik ze allebei nauwelijks aan. Verbaasd kijk ik rond bij de RPAA en ontdek een correcte, bijna zachtmoedige organisatie, geleid door mensen van mijn eigen generatie; opgewekt, humaan, kordaat en openstaand voor een pottenkijker. Het treft me hoeveel er wordt nagedacht binnen deze organisatie, en hoe actueel er wordt nagedacht. Maar het meest verrast me misschien dat ik een mentaliteit aantref die me redelijk bevalt. Ik moet mijn politiebeeld ingrijpend bijstellen.
Inmiddels wéét ik dat de politie in de afgelopen decennia een ware paradigmawisseling onderging, ingezet met het rapport ‘Politie in Verandering’ . De interne koers werd verlegd van een repressieve naar een dienstverlenende organisatie dichtbij de bevolking. De huidige RPAA vervult een veelheid van taken, ondergebracht in categorieën waar je als burger geen weet van hebt. Naast traditionele zoals Toezicht houden en Handhaving van de orde, Opsporing en Noodhulp/Dienstverlening , valt daar inmiddels ook Signaleren en adviseren onder . Maar dat is theorie, ik wil afgaan op mijn ervaringen. En ik tref inderdaad een grote nadruk op dienstverlening. De zorg, naar de burger en naar elkaar, vallen me op. Ik observeer hoe een dronken veelpleger met zorg wordt opgesloten, voor de honderdste keer. Maar ik zie nog iets anders, dat verdergaat dan een correcte, servicegerichte houding.
Een voorbeeld: in Amsterdam heeft de politie het initiatief genomen voor een samenwerking met de GG en GD bij de opvang van verwarde personen in acute crisis. Zij worden nu direct opgevangen in een eigen opvanghuis, de SPOR. In RPAA-jargon noemen ze zo’n samenwerking ‘Programmasturing’, of ook ‘Trajecten met ketenpartners’ – maar belangrijker dan de naam is de praktijk. De politie is hier een essentiële en initiërende partner bij... wat in mijn jargon nog steeds ‘maatschappelijk werk’ heet.
Is dat wel een politietaak? vroeg ik verbaasd. Ja, want zij zijn het die als eerste de overlastmeldingen krijgen en geacht worden er iets aan te doen. Niet alleen wilde de (Amsterdamse) politie niet langer psychiatrische patiënten in hun cellen opsluiten, ook werd ze het kennelijk beu om voor oplossingen te moeten wachten op de traagheid van ter zake deskundige hulpverleners, gemeentelijke instellingen, diensten etc. De politie neemt hier het initiatief bij maatschappelijke hulpverlening. Ze beperkt zich niet tot reageren (dweilen), maar grijpt actief in om het dweilen in elk geval effectiever te maken. Eenzelfde patroon ligt ten grondslag aan een experiment dat binnenkort in Amsterdam van start gaat met ‘buurtveiligheidsteams’: een innige samenwerking met gemeentelijke diensten, zorg- en hulpverlenende instellingen, onder aansturing van... de politie. De politie neemt zelf sturende touwtjes in handen. Dat is niet zomaar vanzelfsprekend. Traditioneel is de politie een uitvoerende dienst onder gezag van bestuur en justitie, ic burgemeester en OM. Hier schuurt ze tegen haar eigen grenzen en treedt licht buiten haar oevers.
De beschermer van de status quo die een softe dienstverlener werd, is ook dat niet meer. Ze lijkt op weg naar een volgende rol. Een verdergaande illustratie levert het nieuwe Bureau Milieucriminaliteit, onder meer actief in zaken rond het gebruik van asbest en andere verboden stoffen. Deze dienst heeft het levensgrote probleem dat in haar eerste jaar bij ruim de helft van de onderzoeken de verdachte partij... de overheid was. Maar aan die kant, zowel bij gemeente als openbaar ministerie, blijkt men niet erg bereid tot medewerking. Hier raakt de politie in wrang conflict met haar eigen opdrachtgever, het bevoegd gezag. Ze is dan bepaald niet meer de beschermer van de status quo of van gevestigde belangen, integendeel. Ze is de verdediger van de wet en van het algemeen belang geworden, tegenover een partij die dit eigenlijk zou moeten zijn. De politie springt in een gat dat bestuur en politiek laten vallen.
Dit zijn mijns inziens meer dan verspreide incidenten, er lijkt sprake van een wil tot maatschappelijke positieverandering bij de politie. Het is of men zich opmaakt voor de volgende paradigmashift, ingezet met een volgend richtinggevend beleidsstuk: Politie in Ontwikkeling . Als burger ben ik nogal te spreken over deze ambitieuze politierichting. Om dat te verduidelijken moet ik een kleine omweg maken langs politiek-bestuurlijke ontwikkelingen van de afgelopen decennia.
Het verlamde bestuur
De publieke zaak hoort behartigd te worden door het bestuur, de overheid, gecontroleerd door democratisch gekozen organen zoals parlement en gemeenteraad. Tenminste, zo gaat het in de theoretische opzet van ons staatsbestel, zoals dat bijna twee eeuwen geleden door Thorbecke op de rails werd gezet. Ik weet niet of ‘links’, waar ik mezelf toe reken, traditioneel meer betrokkenheid heeft bij de publieke zaak dan andere politieke richtingen. Wel weet ik dat ‘we’ vroeger, in de jaren zeventig, voor het behartigen van die zaak onze hoop vestigden op politiek, overheid en bestuur. (En zeker niet op de politie, die was immers rechts.) In de volgende decennia is deze linkse hoop gaandweg uitgehold, door een complex van factoren waarvan ik er twee wil noemen.
Ten eerste veroverde het neoliberalisme de wereld; een politiek-economische filosofie waarin staatsbemoeienis wordt ingeruild voor privatisering, individualisme, en privé initiatief. Door het neoliberalisme wordt zozeer ruim baan gegeven aan private belangen, zowel op economisch gebied als in het maatschappelijk verkeer, dat het algemene belang daarbij danig in de knel komt. Hoezeer dat het geval was bleek vanaf de jaren negentig, toen de Nederlandse politiek en overheid zich geregeld lieten kennen als beerput van kleinere en grotere schandalen. Hoogtepunt was de Parlementaire Enquête Bouwfraude, waaruit bleek dat onze veelgeroemde ‘vrije’ markt een middel was geworden tot zelfverrijking van grote ondernemingen, met name bij overheidsprojecten. Alles met instemming en zelfs inspanning van politici. ‘Politiek’ werd hierdoor ook een besmet begrip; het was lijnrecht komen te staan tegenover begrippen als beginselvastheid of onkreukbaarheid, waar het ooit nauw mee was verbonden.
Daarnaast werd de standvastigheid van links ook van binnenuit ondergraven, door een nieuwe filosofie, van het postmodernisme. Deze vooral Franse denkrichting (Derrida, Lyotard, maar ook de Amerikaan Rorty wordt ertoe gerekend) stelt dat ‘het einde van de grote verhalen’ is aangebroken: waarmee bedoeld wordt dat het geloof in universeel menselijke waarheden onhoudbaar is. Elke waarheid, elke moraal, is altijd lokaal, tijdsgebonden en cultureel bepaald - en dus maar heel betrekkelijk. Nu waren er inderdaad twee ‘grote verhalen’ ten einde gekomen: fascisme en communisme. Maar door deze filosofie werden en passant ook andere grote ideeën zoals democratie, vrijheid en gelijkwaardigheid gerelativeerd; funderende ideëen niet alleen van links, maar van de rechtsstaat zelf. Het resulterende cultuurrelativisme had een verlammende werking op vooral linkse intelligentsia. Links, dat ooit moralistisch en oprecht durfde te zijn, had zich laten knevelen uit angst om iets fouts te zeggen. Als je de analyses van twee zeer verschillende sociologen over dit tijdperk naast elkaar legt, blijken Pim Fortuyn en Herman Vuijsje opvallend eensluidend in hun oordeel: de Nederlandse bestuurscultuur is vastgelopen in besluiteloosheid en politieke correctheid. Scherper nog: in een gebrek aan moed.
Per saldo raakte door deze ontwikkelingen niet alleen een grote groep ‘linkse’ mensen in Nederland volstrekt ontheemd. Ernstiger is dat de publieke zaak en het algemene belang intussen sterk werden verwaarloosd.
De hoeders van de publieke zaak
Wat heeft dit met de politie van nu te maken? Ik denk dit: in het geheel van verschuivende maatschappelijke panelen zijn politiek en overheid als hoeders van de publieke zaak ingehaald door de politie. Ik tref een organisatie aan die moralistisch èn democratisch is, maar vooral ook praktisch. Die nog ‘nee’ kan zeggen als dat nodig is en voor wie het begrip onkreukbaarheid nog geen lachertje is geworden. En die daarbij ‘Waakzaam en dienstbaar’ blijft ‘aan de waarden van de rechtsstaat’, aldus het nieuwe politiemotto. Oké, maar geldt dit niet evengoed voor onze politici ? Misschien. Het verschil is dat de politie er ook naar handelt, terwijl politiek en bestuur zich veel te lang schuldig hebben gemaakt aan het verkopen van woorden. De ‘bewaker van de ondergrens’ is betrouwbaarder dan zijn bazen. Dat is in mijn ogen een flinke omwenteling.
Ik zie een perspectief voor deze ambitieuze maatschappelijke politie, om de weg te wijzen aan een politiek die zichzelf moet hervinden en ontdoen van de spinnewebben. Dat is niet zoals het in de wet staat, de politie is dienstbaar aan het openbaar gezag. Maar intussen is er ook zoiets als een praktische houding. Het is het praktische optreden van de politie dat als voorbeeld zou kunnen dienen: tolerant maar daadkrachtig, correct en steeds ten dienste van de rechtsstaat. De politie hoeft voor mij niet links te zijn, (voor zover die oude term nog opgaat) dat lijkt me zelfs niet wenselijk. Maar een kordate verdediger van publieke zaak en rechtsstaat lijkt me onontbeerlijk, vooral als andere partijen het laten afweten.
Wonderlijk genoeg is de politie in mijn beleving veranderd van het slechte voorbeeld in het (mogelijk) goede. Nog een voorbeeld? Beleefd en correct blijven tegenover een publiek dat soms scheldt en spuugt, wat is dat anders dan het goede voorbeeld geven en een waarde als beschaving verdedigen? Of neem de ‘maatschappelijke veiligheidsthema’s’ die de RPAA recent benoemde, als speerpunten van beleid voor de komende jaren. Ze zijn samengevat als ‘drie O’s’, drie te bestrijden begrippen. De derde luidt Ongelijkwaardigheid. Opkomen voor gelijkwaardigheid, dat is eigenlijk een politieke (en linkse!) stellingname. De politie als nastrever van sociale verandering. Het zijn natuurlijk nog maar woorden, maar toch: We zijn ver weg gekomen van de repressieve macht die op de vernieuwers inslaat.
U schrikt misschien van mijn positieve toon en denkt ‘zo goed en belangrijk kunnen we toch niet zijn’? Maar ik denk ook niet dat de politie er al ís. Ik wil dit nieuwe perspectief helder schetsen om des te duidelijker te tonen welke nadelen er aan kleven. Waar ik als burger aangenaam verrast ben, zie ik als zelfbenoemde politiefilosoof een aantal problemen. Neemt de politie als voortrekker niet te veel hooi op haar vork? Treedt de politie nog wel op als politie – dus streng, duidelijk, en repressief? En vooral: zal de nieuwe positie bijdragen aan het dichter draaien van de kraan? Daarover de volgende keer. Aan een voorbeeldorganisatie stel je nu eenmaal hoge eisen. Reacties blijven welkom.
1 Geciteerd door Jan-Kees Goet, Directeur Politie van BZK in ‘Een visie die staat als een huis’ (2006)
2 Monica den Boer Out of the Blue inaugurele rede (2004) pag 5, mijn vertaling.
3 A. van Iersel ‘Inzake opsporing van levensbeschouwing’ in: De Geest van Blauw (1998)
4 idem, pag 10.
5 G. Meershoek ‘Blauw blauw: het tanend gezag van de politie’; n.a.v. het Postbank spotje van midden jaren 90 waarin vrouwen een agent zijn pet afnemen en ermee overgooien. In: Het Gezag van de Politie SMVP (2000)
6 John Kleinig The ethics of Policing (1996) pag 1.
7 Newton Garver ‘The Ambiquity of the Police Role’ in Social Praxis (1974) pag 314
8 idem, pag. 317
9 Over het gebruik van de term: strikt genomen moet ik mij eigenlijk beperken tot het regiokorps Amsterdam-Amstelland, ter wille van de leesbaarheid kies ik voor de generaliserende term ‘politie’.
10 K.Heyink e.a. Politie in Verandering (1977)
11 Indeling van J. Kuiper ‘Een Toekomst voor de Politie’ in Tijdschrift voor de Politie, maart 2000.
12 Projectgroep Visie op de politiefunctie. Politie in ontwikkeling (2005) pag 91. In PiO worden de hoofdtaken teruggebracht tot een drietal: Handhaving, Opsporing en Noodhulp.
13 zie vorige noot
14 Pim Fortuyn Aan het volk van Nederland; de contractmaatschappij, een politiek-economische zedenschets (1992) en De verweesde samenleving (2002)
Herman Vuisje Correct (1997)
15 Te denken is bijvoorbeeld aan de nieuwe morele offensieven ingezet door ministers Rouvoet en Plasterk.
16 Stadsdeelvoorzitter van Slotervaart, Ahmed Marcouch, in gesprek met de PiO commissie.
17 Mijn dank aan Judith Leest (Juxta) en Frank Hoogewoning voor hun kritische opmerkingen n.a.v. een eerdere versie.

Reageer op dit artikel