Een filosoof/filmer kijkt naar de politie: S-Cop, T-Cop en U-Cop; wie zal de kraan sluiten?

Door Jurriën Rood, 01 april 2008 11:17 uur0 Waardering:

In de vorige aflevering beschreef ik de huidige politie als een overijverige sherpa en haar relatie met de burgers als een ‘vergeten contract’. Simpel gesteld: de politie gedraagt zich als een bedrijf met de burgerij als klant, terwijl ze in wezen een vertegenwoordiger is vàn die burgers en optreedt namens hen. Het is deze fundamentele relatie die mijns inziens moet worden ge(her)introduceerd. Dat zal niet alleen consequenties hebben op het gebied van beeldvorming en imago, maar ook voor de concrete taakopvatting. Daarover gaat dit stuk.

Als het klopt dat je politiewerk kan zien als een vakkundige vorm van ‘dweilen met de kraan open’, zoals ik stelde in eerdere afleveringen, dan is het niet meer dan logisch dat bij de dweilers op zeker moment het verlangen ontstaat om die kraan zelf dicht te draaien. In deze beeldspraak staan de open kraan en wat daar uitstroomt voor het geheel van maatschappelijke ordeverstoringen, overtredingen en misdrijven – alles waarvoor we de politie bellen. Het is geen wonder dat de politie er over nadenkt om zaken bij de wortels aan te pakken, in plaats van te wachten tot ze zich hebben vertaald in concrete overtredingen en misdrijven. Om niet symptoombestrijder te zijn, maar probleemoplosser en zelfs probleembedwinger. De kraan kan dichter. Eén stap verder ontstaat zelfs ‘de droom van de gesloten kraan’.
Binnen het Regiokorps Amsterdam-Amstelland duikt deze denkrichting regelmatig op, vaak in combinatie met nieuwe technische mogelijkheden die een grotere mate van controle mogelijk maken. Zo sprak de hoofdcommissaris enthousiast over het aanleggen van een ‘virtuele slotgracht’ rond de stad. Uit de hoopvolle beschrijvingen van nieuwe technologie doemt een schim op, van bovengenoemde droom: de politie niet alleen als bestrijder van het Kwaad, maar als bedwinger ervan. Vanuit de ambitie van de RPAA als voorbeeldorganisatie is het idee begrijpelijk. Maar gaat door de focus op technologie de kraan ook werkelijk dicht ?
In deze aflevering bespreek ik enkele strategieën om de kraan te sluiten, en breng ze in relatie met bovenstaand idee van politie en bevolking als contractpartijen.

 

S-Cop overwint het kwaad
Veiligheid is het sleutelwoord in de visie van de Nederlandse politie. Het is het telkens terugkerende woord in de motto’s van de verschillende regiokorpsen. HC Welten gebruikt krassere bewoordingen: hij spreekt van een strijd tegen het Kwaad en van de diender als ‘infanterist voor de vrede’. Het nadeel van deze militaire beeldspraak is niet eens de suggestie dat er een oorlog heerst; zo mag je het dweilen best noemen. Het werkelijke nadeel is mijns inziens de suggestie dat het doel ook echt bereikt kan worden: dat je zo’n strijd ten einde zou kunnen brengen. Ik noem deze benadering S-Cop , Super Cop, de politie als Superman – als ik chargeer is dat met opzet, om het beeld scherper te maken.
S-Cop wint zijn strijd door de kraan te sluiten. Aan het eind van deze denkweg staat een politie die misdaad kan voorkómen, die de overtreding vóór kan zijn. Dit science fiction idee wordt in zijn consequenties uitgewerkt in de film Minority Report naar het verhaal van Philip K. Dick . De politie van een toekomstig Washington beschikt over een aantal helderzienden, die het aanvoelen als iemand ergens iets ‘kwaads’ in de zin heeft. Dan wordt alarm geslagen, een alwetende computerpolitie spoort de toekomstige dader op en veiligheid heerst. Precrime heet dit speciale team, een strenge vorm van gedachtenpolitie. Ga maar na; niet de uitvoering ván, maar puur de intentie tot misdaad is strafbaar. Het interessante punt is nu dat er zelfs in deze doorgecontroleerde maatschappij toch wel degelijk nog overtredingen en misdrijven bedacht worden. Dat de ‘intentie tot’ er nog steeds bestaat. Dick schreef zijn verhaal in de jaren vijftig, maar hij toont iets dat van alle tijden is: het ‘kwaad’ zal, als menselijke mogelijkheid, altijd aanwezig blijven.
En het hoeft niet beperkt te blijven tot een onbewuste intentie. In zijn recente boek Het Kwaad presenteert de Duitse filosoof Rüdiger Safranski het kwaad als de noodzakelijke keerzijde van de menselijke vrijheid.  Waar vrijheid van de wil bestaat – en dat die er is, daar is Safranski van overtuigd - bestaat een keuze en dus de mogelijkheid om tegen het algemeen geaccepteerde in te gaan. Ook tegen het goede. Het kwaad wordt hier gepresenteerd als een bewuste keuze van het denken en de vraag is alleen nog of de eigenaar van de gedachte zal terugschrikken voor uitvoering ervan. Het verontrustende van deze hypothese is dat ‘kwaad’ niet meer wordt voorgesteld als een zaak van de lusten of de lagere instincten, waaraan alleen de onontwikkelde mens is overgeleverd. In die traditionele opvatting moest de mens slechts leren om zijn lusten met behulp van de ratio in bedwang te houden: beheersing en ratio voorkomen dan het kwaad. Daarvan is geen sprake meer bij Safranski: ook de ratio kan in dienst staan van kwade impulsen, en de recente geschiedenis levert daar duidelijke voorbeelden van. Sterker nog: vanwege haar vrijheid zal de ratio altijd slechte gedachten bevatten naast goede, dat is eenvoudig haar aard. Waar vrijheid bestaat, daar bestaat altijd het ‘kwade’.
 Een heel andere benadering die licht werpt op hetzelfde fenomeen is te vinden bij de filosoof Wittgenstein. In zijn onderzoek naar de fundamentele positie en betekenis van taal, wijst hij er op dat èlke regel altijd overschrijding toelaat.  Bijvoorbeeld de simpele regel om bij elk voorgaand getal 2 op te tellen kan overtreden worden, puur omdat het volgen ervan slechts een sociale conventie is en geen biologische noodzaak zoals bijvoorbeeld ademhalen. En zelfs met ademen kan een mens bewust stoppen, als hij wil. Elke regel kan overtreden worden. Het lijkt erop dat de begrippen vrijheid, regeloverschrijding en ‘kwaad’ nauw met elkaar verbonden zijn. Mensen zijn wezens die regels kunnen maken èn ze kunnen overschrij¬den. Bij elke regel die de menselijke geest kan bedenken en volgen, kan hij ook een uitzondering bedenken – en uitvoeren. De enige manier om dit overschrijden in de praktijk te voorkomen is een totalitaire vorm van toezicht en repressie, met lichamelijke straf als stok achter de deur. Minority Report laat zien dat het afwijken in de geest zelfs door een breinpolitie niet voorkomen wordt.
De centrale vraag in de film is of het Precrime-systeem ook fouten kan maken. De werkelijke vraag is echter of zo’n politierichting indien mogelijk, überhaupt wenselijk zou zijn. In navolging van bovengenoemde filosofen denk ik van niet. Het kwaad bestrijden kan, het overwinnen ervan is filosofisch gezien onhoudbaar en in directe strijd met vrijheid. Het is daarom de vraag of de politie ermee moet schermen. Uit oogpunt van teambuilding kan dat misschien wenselijk zijn, maar voor je het weet gaan mensen de illusie ook werkelijk geloven. Ik zie meer in een nuchtere houding die geen valse illusies schept: de politie als bestrijder en beperker van overtredingen. ‘Meer veiligheid, minder criminaliteit’. Een realistische politie die dweilt en de kraan hooguit dichter probeert te draaien. Dicht is onhaalbaar.

 

T-Cop gaat de kraan sluiten
In werkelijkheid geloven weinig dienders in S-Cop. Op de werkvloer is het openstaan van de kraan een geaccepteerd gegeven, dat soms morrend soms berustend geaccepteerd wordt. Bij een Bureau Opsporing wordt gemiddeld slechts één van de tien aangiften in behandeling genomen, hetzelfde geldt voor Bureau Zeden in Amsterdam.  En aangifte doet men maar in een beperkt aantal van de gevallen. Wat opgedweild wordt is maar een klein gedeelte van wat er werkelijk uit de kraan stroomt aan misdrijven en overtredingen. Wel wordt gewezen op gunstige ´relatieve´ cijfers: de veiligheid neemt wat toe. Dat wil zeggen: het percentage opgeloste zaken stijgt, de drugsoverlast wordt niet groter, het aantal geweldsdelicten neemt niet toe – de kraan stroomt stabiel. Stabiel betekent hier wijd open. De politie, en zeker de Amsterdamse, heeft een grotere ambitie dan dat.
In het beleidsstuk Politie in Ontwikkeling (PiO) worden nieuwe instrumenten genoemd waardoor de politie haar efficiëntie kan vergroten: twee ervan zijn Informatie Gestuurde Politie en Nodale Oriëntatie.  In eenvoudiger taal zou je beide concepten kunnen vatten onder het begrip ComputerPolitie: de slagkracht van de diender wordt vergroot door een efficiënt gebruik van computergestuurde controle-apparatuur in combinatie met gekoppelde databases. In beide concepten staat (informatie)technologie centraal. Ze behelzen een veelbelovende moderniseringsslag, die zijn toepassing vooral zal vinden op het terrein van de opsporing. De Technologie Politie, ofwel T-Cop, zal de kraan dichter draaien. Aan deze benadering kleven echter ook bezwaren, psychologische en filosofische.
Een voorbeeld. Het systeem van ANPR (automatic number plate recognition), bij de RPAA de catch ken genoemd, registreert nummerborden van voorbijflitsende auto’s en koppelt die aan bepaalde databestanden, bijvoorbeeld van openstaande verkeersboetes. Maar ook aan het bestand van ‘gesignaleerden’, d.w.z. van (de nummerborden van de auto’s van) gezochte criminelen. Het is natuurlijk ook te koppelen aan andere bestanden. Dankzij dit systeem wordt de effectiviteit van de diender, dwz het aantal aanhoudingen per persoon, verhoogd met een factor 10! In de regio Rotterdam melden agenten zich daarom vrijwillig aan voor ANPR controles. Sterker nog: het toekijkende publiek is al even enthousiast, omdat overtreders dus tóch gepakt worden. Het rechtvaardigheidsgevoel van de burger wordt bevredigd. Tot zover doet T-Cop het goed.
In de regio Amsterdam intussen, is cameratoezicht van een omstreden tot een redelijk geaccepteerd verschijnsel geworden. In 10 jaar groeide het aantal camera’s in de openbare ruimte van nul naar 1000 . Het ANPR systeem kan natuurlijk ook aangesloten worden op de camera’s boven de snelweg; je zou dan alle in- en uitgaand verkeer kunnen overzien, scannen en controleren. Zo ontstaat het idee van een virtuele slotgracht, waarbij de informatiegestuurde politieagent de functie krijgt van ophaalbrug. In feite bestáát deze toepassing al, getuige een recent artikel over de situatie op het Zuidhollandse eiland Hoeksche Waard.  Boven alle grote toegangswegen hangen camera’s, verbonden aan het ANPR- programma. Ze bewezen hun nut bij het oplossen van een inbraakgolf in het gebied. Het stuk geeft helder aan op welke voortschrijdende niveau’s deze controlevorm gebruikt kan worden. Dat loopt van pure voertuigencontrôle (niveau 1) –gestolen auto’s, openstaande boetes, gesignaleerden - tot (niveau 4) het in kaart brengen van alle gangbare verkeerspatronen en elke afwijking daarbinnen. Dan zou elk nieuw nummerbord dat de Hoeksche Waard binnenrijdt extra aandacht krijgen; net als de vaste pendelaar die op een avond niet naar huis komt rijden. De politie is dan sluipenderwijs geworden tot Big Brother uit Orwell’s 1984: een alziende macht die de autorijdende burger in een permanente bewaking heeft. De schrijvers constateren nuchter dat met de voortgeschreden niveau’s nog ‘veel ervaring moet worden opgedaan’, bijvoorbeeld wat betreft juridische context en maatschappelijk draagvlak.
Precies deze ervaring heeft in Amsterdam al geleid tot ernstige vertraging in de ontwikkeling van ANPR. Er kwam bijvoorbeeld geen toestemming van het OM om ook het bestand van beroepscriminelen, de zogenaamde ABC-ers, op deze manier te benutten -vanwege de tekortschietende juridische basis. ANPR blijft dan steken op het eerste niveau.  De ontwikkeling van de ‘virtuele slotgracht’ staat zelfs stil, omdat in brede kring teruggeschrokken wordt voor een idee dat connotaties oproept met Orwell’s controlestaat. Ook al is die associatie vooralsnog onterecht. De technologiepolitie stuit op flinke weerstand, en die heeft alles te maken met beeldvorming en psychologie. Het is veelzeggend dat het vooral de twee computertools waren die hebben geleid tot verontwaardigde reacties in (‘linkse’) kranten op het PiO-rapport: ze riepen een spookbeeld op, van de politiestaat.  Controle bijt nu eenmaal met persoonlijke vrijheid. Mij gaat het hier niet om het bekritiseren van technologie als nieuw politie gereedschap; ik vind het niet meer dan logisch dat de politie gebruik maakt van de nieuwste technieken. Maar wat bij het promoten van T-Cop wordt onderschat is dat de politie ook hier draagvlak zal moeten vinden bij burgers en politiek, anders blijft het bij ongebruikte plannen en apparaten. Wat in het plaatje ontbreekt is het gemeenschappelijke belang, het algemene belang van (een zekere) controle.
Zelfs als dit psychologische bezwaar wordt weggenomen blijven er andere, meer filosofische, bestaan tegen een computergestuurde controlepolitie. 1) Als de politie haar kaarten teveel zet op technologie en beheersing verliest ze een andere benadering uit het oog. 2) Hoe sterker en professioneler de politie zich opstelt en hoe meer ze alle verantwoordelijkheid naar zich toe trekt, des te makkelijker zal de burger die helemaal uit handen geven. En daar gaat de sherpa weer, volgeladen.

 

U-Cop in het verdomhoekje
De superpolitie die het Kwaad de baas zal worden lijkt me een valse voorstelling van zaken. Maar ook een computergestuurde beheerspolitie zal zijn doel niet bereiken. In beide gevallen bestaat namelijk het idee dat de politie de klus wel zal klaren. Terwijl de ‘kraan’ überhaupt niet aan de Politie vastzit, maar aan de Bevolking zelf. Dat is de partij die je zal moeten beïnvloeden, wil je werkelijk resultaat boeken bij het dichter draaien. Welke middelen zijn daarvoor beschikbaar? De beproefde methode is grootscheepse repressie: als burgers maar bang genoeg zijn voor de gevolgen durft niemand nog de wet te overtreden. In onze tijd klinkt een toenemende roep om repressiever optreden, van politie èn justitie. Maar zo’n regime van afschrikwekkende repressie is in onze tijd en cultuur niet alleen onwenselijk, het is als politiekoers uitgebreid toegepast en vanaf eind jaren zeventig uitdrukkelijk verlaten. Daarnaast bevestigt een repressieve opstelling opnieuw het idee dat de burger zich mag misdragen en de politie de rommel wel zal opruimen. Ik denk dat een heroriëntatie op de directe band met de bevolking laat zien dat er ook nog een andere weg openstaat.
Waar het vergeten contract aan herinnert is de optie van self-policing, aan wat burgers zèlf kunnen doen. De burger zal moeten worden aangesproken. Ik noem dit hier U-(you) Cop. Natuurlijk is het niet nieuw. Dit wiel is door de politie allang uitgeprobeerd, en voorzien van kenmerkende steekwoorden: preventie, pro actief optreden, zelfredzaamheid. Het schrikwekkende is dat deze strategische richting kennelijk als eerste kopje onder gaat in het geweld van politieke bemoeienis en reorganisatie.
Een voorbeeld: woninginbraak . Midden jaren tachtig kwam het in Nederland ongeveer 120.000 maal per jaar voor. De politie koos een nieuwe ‘pro actieve’ aanpak en stelde het "Politiekeurmerk Veilig Wonen" in: gemeenten, projectontwikkelaars, woningcorporaties en bouwers werden aangespoord veiliger te bouwen, burgers aangezet tot eigen initiatief om inbraak tegen te gaan. In tien jaar halveerde het aantal woninginbraken vrijwel, terwijl er een miljoen woningen bijkwam. Met slechts een kleine politieinzet werd zo door preventie meer bereikt dan met alle repressieve inspanningen van voor die tijd. Bij de convenantafspraken van 2003 werd de politie echter teruggestuurd naar haar ‘kerntaken’; de inbraakpreventie zou door de gemeente worden overgenomen, wat om allerlei redenen niet goed gebeurde. Sinds 2006 stijgt het aantal woninginbraken weer.
Een ander voorbeeld uit eigen ervaring. De Amsterdamse politie ontwikkelde een nieuw programma voor een serie ontmoetingen met jongeren, de ‘meetings’. Geen cursus, maar een reeks van vier informatieve bijeenkomsten, waar van twee kanten gepraat wordt, naar aanleiding van filmpjes, diashows, een quiz etc.  Het werd als pilot uitgeprobeerd met een groep Marokkaanse jongeren in Bos en Lommer. Ik maakte er een documentair filmverslag van en constateerde met eigen camera dat deze meetings het imago van de politie duidelijk positief beïnvloedden. Dat ging in vier avonden van slecht naar redelijk tot goed. Nadelen zijn er ook: een flinke personele inspanning voor een kleine groep, een resultaat dat lastig meetbaar is. Voor de betrokkenen wogen ze niet op tegen de positieve werking van deze preventieve aanpak. Het herinnert natuurlijk aan een ander programma dat jarenlang gebruikt werd: voorlichting op scholen. Het werd bij de kerntakendiscussie geschrapt.
Preventie wordt kennelijk niet gerekend tot de politiële kerntaken. Maar als de politie beperkt wordt tot haar repressieve kant mist zij een grote kans. Nog een mogelijkheid: in een tijd waarin onveiligheidsgevoelens de discussie beheersen zou de politie kunnen overwegen om cursussen zelfverdediging aan burgers aan te bieden of te promoten.  Niet om van iedereen vechtersbazen te maken, maar om mensen te wapenen met enige vaardigheden. Zoals na de Watersnoodramp van 1953 behalve het aanleggen van de Deltawerken ook besloten werd tot het invoeren van verplicht schoolzwemmen.
 De U-Cop strategie moet niet in de plaats komen van T-Cop of andere varianten. De politie beschikt over een palet van aanpakken – en die verschillende strategieën behoren alle tot de kerntaken. Het lijkt belangrijk dat ook zo naar buiten te brengen. Zodat bij ‘politie’ het beeld zal gaan horen van een veelzijdige aanpak, waarvan zowel T- als U-Cop, repressie èn preventie, onderdelen zijn. En waarvan de bevolking zelf een vast onderdeel is. Voor het krijgen van zo’n veelzijdig imago hoeft de organisatie niet te wachten op de politiek, ze kan het zelf realiseren. Maar vermeden moet worden dat de politie wordt gereduceerd tot ‘blauw op straat’, tot zichtbaar en zogenaamd ‘meetbaar’ werk. Ze is dan een dweiler zonder contact met de kraan. Een deel van het politiewerk bestaat eruit om, zichtbaar of onzichtbaar, toch die kraan te beïnvloeden. De politie moet daartoe haar directe relatie voor ogen houden met de partij die aan de kraan staat, de bevolking.

 

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2008, jrg. 70, nr. 4, p. 9-13


1  Mijn Juxta collega’s Teun Meurs, Martijn Schippers en Roeland van Zeijst ontwikkelen het concept van de I(nformation)-Cop.  Ik varieer op hun naamsvondst, zonder verdere inhoudelijke overeenkomsten.
Minority Report, regie Steven Spielberg (2002) Dreamworks/Twentieth Century Fox
Rüdiger Safranski Het Kwaad (1997)
4   Ludwig Wittgenstein Philosphische Untersuchungen  (1953) oa par. 143-190
Gegevens afkomstig van medewerkers van deze diensten, tijdens mijn bezoek. “Maar die ene lossen we op”.
Projectgroep Visie op de politiefunctie. Politie in ontwikkeling  (2005) oa pag 15 -17
Gegevens in deze paragraaf o.a. ontleend aan een bezoek aan het Korps Rotterdam-Rijnmond en een onderhoud met E. Hogervorst, leiding DCIV Amsterdam.
Frank Hoogewoning, Peter Homminga ‘Veiligheidsbeleid en nodale oriëntatie’ in Openbaar Bestuur,april 2006
Zowel in het Amsterdamse als Rotterdamse regiokorps heeft men bij ANPR-toepassing overigens de handen vol aan niveau 1. Voor één uur activiteit van de camerawagen zijn zestig dienders nodig ter aanhouding en afhandeling.
10  zie oa Volkskrant 25 juni (‘Orwelliaans’) en 7 juli 2005 (politiestaat), geciteerd in M. Aalberts, A Hazenberg Een visie die staat als een huis Politie in ontwikkeling 2006
11  Met dank aan Theo Hesselman, Politie Hollands Midden.
12  ‘Lekker Boeiend’ ontwikkeld door José Taekema, vakgoep korps identiteit, APAA.
13   De Juxta groep maakte in een summiere workshop kennis met de Israëlische techniek krav maga.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel