Een nieuwe reorganisatie van de politie?
Amper tien jaar na de totstandkoming staat het regionale politiebestel al ter discussie. Hoog tijd om de 25 regionale korpsen en het KLPD om te bouwen tot één Nederlandse politie, menen sommigen. Zo veel moeite kan dat niet meer kosten.
De grote stap – van 148 gemeentelijk korpsen en het korps Rijkspolitie, naar 25 regionale korpsen en het KLPD – is in1993 gezet. De reorganisatie werd vooral ingegeven door zorg over de snel in ernst en omvang toenemende onveiligheid en criminaliteit. Het sterk verbrokkelde politiebestel leek niet meer het geschikte instrument om het hoofd te bieden aan de urgente veiligheidsproblematiek. In de Nota Een nieuw politiebestel in de jaren negentig zetten de ministers Dales en Hirsch Ballin de koers uit naar een politiebestel dat wel opgewassen zou zijn tegen de problemen van de jaren negentig. De tijd was er rijp voor, volgens de bewindslieden. Ze kregen gelijk. In recordtijd werd een bestel dat decennia lang elke poging tot verandering succesvol had getrotseerd drastisch omgevormd.
Het regionale politiebestel kwam tot stand op grond van de Politiewet 1993. De verwachting was dat een anders georganiseerde politie de onveiligheid adequater zou kunnen aanpakken, grootschaliger, minder verbrokkeld en meer (regionaal) geconcentreerd.
De nieuwe regionale politie zou ook met minder overhead toekunnen, zodat meer politiecapaciteit voor executieve taken beschikbaar zou komen. Ten slotte zouden communicatie en informatie-uitwisseling tussen 26 korpsen een stuk soepeler verlopen dan tussen de vele kleine koninkrijkjes uit het oude bestel.
Teleurstelling
Dat de reorganisatie van 1994 niet in alle opzichten heeft gebracht wat ervan werd verwacht, is duidelijk. Er zijn zeker in de beginfase heel veel negatieve bijeffecten geweest. Intern heeft de reorganisatie tot veel onrust en personeelsproblemen geleid. Extern is er langdurig veel onrust geweest over de zichtbaarheid en bereikbaarheid van de nieuwe politie.
Vrijwel zonder uitzondering wordt in tussentijdse evaluaties de conclusie getrokken dat de overhead veel minder teruggedrongen is dan ooit gehoopt werd (Cachet e.a. 1996, Gunther Moor e.a. 1998, Rosenthal e.a. 1998, Terpstra, 2002). Volgens velen is er nog steeds (veel) te weinig blauw op straat. De vele kritische geluiden, de laatste jaren, over de politie zijn ook geen aanwijzing dat de kwaliteit van de politiezorg aantoonbaar beter is geworden.
De reorganisatie van 1994 was een ingrijpende verandering van met name de schaal waarop het politiewerk tot dan georganiseerd was.
De regionalisering van de politie leidde tot een zwakkere band tussen politie en gemeenten, zeker in gemeenten waar tot dan gemeentepolitie had bestaan.
Ook veel burgers hadden het gevoel dat ze de weg naar 'hun' politiepost of -bureau kwijt waren geraakt.Over de veronderstelde onbereikbaarheid van de politie valt te twisten. Maar zeker is dat veel burgers, het bevoegd gezag én de politie zelf tot de conclusie kwamen dat de afstand tussen burger en politie wel wat erg groot was geworden.
In veel politiekorpsen zijn in de loop van de jaren negentig dan ook opnieuw
structuurveranderingen op gang gekomen. Inzet van de aanpassingen was het herstellen van het deels verloren gegane contact met burger en lokaal bestuur. Gemeentelijke onderdelen van regiokorpsen werden versterkt, evenals de positie van politiefunctionarissen op lokaal niveau, zoals de gebiedsgebonden politiefunctionaris (GPF'er) in Zuid-Holland Zuid. Ook werd soms een compleet politiekorps heringericht (Rotterdam-Rijnmond introduceerde het fenomeen fijnmazigheid en de buurtagent-nieuwe stijl).
De nadere omvorming van korpsen leidde onvermijdelijk opnieuw tot een dip in de externe productiviteit. Hoewel dat dieptepunt – telefonische onbereikbaarheid en onzichtbaarheid – inmiddels is gepasseerd, is het te vroeg om de resultaten definitief te kunnen beoordelen.
Weeffouten
Dat er anomalieën en weeffouten in het regionale politiebestel zijn ingebouwd, wordt door niemand ontkend. De regionale politie paste en past slecht in het Thorbeckiaanse model van het binnenlands bestuur. Misschien was het regionale model begin jaren negentig logischer dan nu. Toen immers bestond er nog enig uitzicht op het tot stand komen van serieus regionaal bestuur, inmiddels al lang niet meer.
Over het geregionaliseerde beheer, de spagaat van de burgemeester-korpsbeheerder, de zwakke lokaal politiek-bestuurlijke inbedding van de regiopolitie en de bestuurlijke drukte rond de politie is veel gezegd en geschreven (Cachet e.a. 1994, Cachet e.a. 1996, Gunther Moor e.a. 1998, Rosenthal e.a. 1998). Her en der heeft het debat ook tot enige aanpassing van het bestel geleid; de Bestel in balans-wetgeving.
Maar, zo kan men zich afvragen, geldt dat dan minder voor het woud aan gemeenschappelijke regelingen, de Kaderwetgebieden, de regionale brandweer, CPA of de veiligheidsregio's in wording? (Cachet, Van Duin en De Vos, 2002.)
Lokale bestuurders – burgemeesters voorop – worden meer en meer geconfronteerd met de noodzaak lokaal beleid vorm te geven en uit te voeren, met regionaal georganiseerde organisaties. Dat is allerminst gemakkelijk (cf. Rob 2003).
Onveiligheid
Veiligheidsproblemen staan ook in 2004 nog hoog op de maatschappelijke en politieke agenda. Cijfers laten een wat genuanceerder en wisselend beeld zien. De totale criminaliteit is de laatste jaren eerder gestabiliseerd dan verder toegenomen. Sommige delicten, zoals woninginbraken, zijn vrij drastisch teruggebracht. In veel grote steden, Amsterdam voorop, is de criminaliteit fors teruggebracht. Daar staat tegenover dat de geweldscriminaliteit verder gegroeid is en de plegers van ernstige gewelddelicten steeds jonger worden. Tegelijkertijd zijn problemen als veelplegers en gestoorde overlastplegers sterk(er) naar voren gekomen. De aandacht voor sociale onveiligheid moet, na de rampen in Enschede en Volendam, meer en meer concurreren met aandacht voor fysieke onveiligheid.
De subjectieve onveiligheid is onverminderd hoog gebleven en de roep om hard en drastisch optreden is alleen maar sterker geworden. Gedogen lijkt op zijn retour, zo volledig mogelijk handhaven is in. Naast de politie verschijnen dan ook in snel tempo allerlei andere typen toezichthouders en handhavers
Het maatschappelijk klimaat lijkt rijp voor meer repressie.
Het spreekt vanzelf dat externe effecten van de politie zwaar mee moeten wegen, in welke beoordeling van politie en politiebestel dan ook. Uiteindelijk gaat het om de bijdrage die de politie levert aan vreedzaam en harmonieus samenleven en samenwerken, conform de onveranderd gebleven taakstelling in artikel 2 (eerder artikel 28) Politiewet.
Onduidelijk is en blijft echter in hoeverre handhavingstekorten, falende hulp en maatschappelijk onbehagen over (on)veiligheid in belangrijke mate kunnen worden toegeschreven aan de (organisatie van) de politie.
Oneliners
Voorlopig munt de discussie over weer een verandering van het politiebestel niet uit door zorgvuldige of gefundeerde argumentatie. Voor- en tegenstanders van het huidige bestel hanteren argumenten waarvan de geldigheid moeilijk te beoordelen is, zeker zolang het bestel nog niet grondig is geëvalueerd. De weinige tussenevaluaties kwamen te vroeg om maatgevende definitieve uitspraken te kunnen opleveren.
Vooral in de politieke discussie wemelt het vaak van oneliners en stereotypen. Steeds weer wijst men erop hoe inefficiënt het bestel is: kijk al die verschillende merken auto's in al die regio's eens. Alsof dat echt een groot probleem is. Elk korps heeft zijn eigen merk computersysteem, dat niet kan communiceren met al die andere systemen, zo roept men, zonder dit te onderbouwen.
Gemakshalve wordt in dergelijke debatten voorbijgegaan aan allerlei nuances. Bijvoorbeeld het onderscheid tussen beheer en gezag. Aan het gezag veranderde de Politiewet 1993 helemaal niets, aan het beheer des te meer. Dat van oudsher de minister van BZK aanzienlijke (en de laatste jaren alleen maar groter geworden) invloed op het beheer heeft, wordt gemakshalve genegeerd.
Voorbijgegaan wordt ook aan de landelijke ICT-organisatie. Als er nog steeds problemen zijn in de sfeer van uitwisselen en communiceren, dan moet daar misschien eerst naar gekeken worden. Even gemakkelijk worden de slechte ervaringen genegeerd die we her en der elders hebben opgedaan met grote (landelijk) gecentraliseerde systemen als walradar, studiefinanciering en, voor de politie het meest actuele en sprekende voorbeeld, de invoering van C2000.
Ten slotte wordt voorbijgegaan aan de vraag of politiekorpsen wel met elkaar willen communiceren (Hoogenboom, 2004) en of die communicatie wel zin heeft. Wie herinnert zich niet de aloude politietelex die aan elk bureau - liefst ergens in een kast – eindeloos papier stond uit te spuwen, waar zelden iemand naar omkeek omdat het rijp en vooral veel groen door elkaar was. Aan het bijhouden en selecteren van al die informatie viel gewoon niet te beginnen. Een voorbeeld van informatie-'overload' Ook moderne sterk gecentraliseerde systemen kennen dergelijke risico's.
Effecten
Is de politie door de regionalisering effectiever geworden? Deze vraag is zowel zeer relevant als moeilijk te beantwoorden. Relevant, omdat een reorganisatie uiteindelijk beoogt bij te dragen aan kwantitatief en kwalitatief beter politiewerk.
De effecten van politie en politiewerk zijn – ook wetenschappelijk – altijd moeilijk aan te tonen. Het is nauwelijks mogelijk om de effecten van een andere organisatie of werkwijze van de politie op bijvoorbeeld criminaliteit te meten, los van allerlei andere bestuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen.
Ook over de vraag wat een goede indicator zou zijn voor het beoordelen van de effecten van politie, bestaat allerminst overeenstemming. Zelfs op de beleidsmatige waarde van een voor de hand liggende indicator als ophelderingspercentages valt bijvoorbeeld veel af te dingen (Wiebrens en Esser 1999; Wiebrens 2002).
Internationale vergelijking van productiviteit, output of effect – Nederland met bijvoorbeeld Duitsland vergeleken – leidt eerder tot verwarring en gekrakeel dan tot consensus (Liedenbaum 2003).
De effecten van politie worden nog moeilijker afzonderlijk te meten naarmate de politie en veel andere partijen – 'partners in veiligheid' binnen allerlei vormen van integraal veiligheidsbeleid – intensiever gaan samenwerken. Terecht, wil de politie dan niet meer als enige of als eerstverantwoordelijke worden afgerekend op het wel of niet verbeteren van de veiligheidssituatie.
Steeds breder dringt ten slotte ook het besef door dat veiligheid zeker niet alleen een zaak van (formele) handhavers als politie en justitie en particuliere beveiliging is. Zeker zo belangrijk is hoe 'gewone' burgers zich opstellen. De politie is voor haar effectiviteit nu eenmaal in hoge mate van anderen afhankelijk (Cachet 1990). Momenteel is er alle reden voor ongerustheid over de bijdrage van veeleisende en weinig inbrengende burgers ( Boutellier 2002, Van den Brink 2002, Beck 1992).
Kosten en baten
Net als in het begin van de jaren negentig ligt het zwaartepunt in discussies over het politiebestel bij het eindresultaat en bij de batenkant. Dat de weg naar dat eindresultaat vaak lang en moeizaam is, wordt gemakshalve vergeten. De ervaring met reorganisaties, ook elders, in de overheidssfeer leert dat ze kostbaar zijn (Permanente Herstructurering 1997).
De reorganisatie van het politiebestel, begin jaren negentig, bracht enorme materiële en immateriële kosten met zich mee. Op korte termijn werkten de kosten vooral door in een geringere output van de organisatie. Ook de politie kan nu eenmaal maar moeilijk tegelijkertijd intensief met zowel de buitenwereld als de eigen organisatie bezig zijn. Ook op de langere termijn is er nog steeds, voor sommigen, sprake van gefrustreerde verwachtingen en geknakte carrières.
Ook nu weer bestaat de neiging de kosten van een reorganisatie te onderschatten. Van 26 korpsen naar één politie, dat kan toch niet veel voorstellen? Zeker niet na de enorme slag die in 1994 al werd gemaakt.
Als er geen problemen bestonden …
Er is in het debat over nationale politie vooralsnog geen sprake van een serieuze probleemanalyse. Wat ontbreekt is allereerst een empirische verkenning: wat doet de politie en hoe goed of slecht doet ze dat? Vervolgens ontbreekt ook een degelijke (theoretisch gefundeerde) koppeling van probleem en oplossingen. Gegeven de problemen, zo zou de vraag moeten luiden, welke remedies zijn denkbaar en in hoeverre hoort vergaande centralisatie daarbij? Vaak is zelfs allerminst duidelijk wat precies het probleem is dat we proberen op te lossen.
De discussie over het politiebestel heeft dan ook veel trekken van wat in de bestuurskunde de garbage can-benadering wordt genoemd (Allison 1971): oplossingen op zoek naar een probleem, in plaats van andersom.
Deelnemers aan de besteldiscussie weten vaak maar al te goed wat de uitkomst van hun debat moet zijn: nationale politie of juist niet. Gegeven de beoogde oplossing – in dit geval, wel of niet een landelijke politie – redeneert men terug naar de veronderstelde problemen. De discussie pro en contra nationale politie is in veel opzichten dan ook een discussie tussen geloven. Zij die geloven in het heil van centralisatie versus zij die daar absoluut niet in geloven.
Zelfs beleidstheorie ontbreekt
Wat pijnlijk afwezig is in het debat over het politiebestel is enigerlei vorm van theorie die problemen relateert aan oplossingen en oplossingen aan beoogde of veronderstelde effecten. Het debat over het politiebestel zou aan scherpte en duidelijkheid winnen als er een theorie zou zijn over de veronderstelde invloed van politie en politieoptreden op veiligheid en handhaving. Hoe groot is die invloed eigenlijk? En onder welke omstandigheden manifesteert die invloed zich dan wel?
Meer specifiek luidt de vraag: als er problemen zijn met kwaliteit en effectiviteit van het politiewerk, zijn die problemen dan redelijkerwijs aan het politiebestel toe te schrijven?
Of gaat het toch meer om mentaliteit van politiemensen (Cachet, Oskam e.a. 2000), om leiderschap of om de cultuur binnen de organisatie, in plaats van om de structuur? Anders gezegd: heeft het wel zin het bestel te veranderen? Zal dat tot beter politiewerk leiden of moeten volstrekt andere maatregelen genomen worden?
Centralisatie gewenst?
Het ontbreken van enigerlei vorm van theoretische onderbouwing van het besteldebat is nergens zichtbaarder en storender dan op het vlak van centralisatie versus decentralisatie.
De teneur in het politieke debat op landelijk niveau (zie bijvoorbeeld Borghouts en Staal 2004) is dat een aantal zaken beter, efficiënter, effectiever kunnen, door ze vanuit Den Haag centraal te regelen. Daarbij is niet altijd duidelijk of het alleen over beheer gaat – auto's, ICT, personeelsbeleid – of ook ruimer, om de inhoud van het politiewerk. De beleidstheorie van de voorstanders van nationale politie lijkt te impliceren dat groter en centraler synoniem is met beter; zowel in termen van efficiëntie als effectiviteit.
Het probleem is dat geen enkele wetenschappelijke theorie de in de praktijk gehanteerde beleidstheorie: dat het centraal, vanuit Den Haag, allemaal beter gaat, onderbouwt. Zeker in ons type netwerkachtige samenlevingen is er juist alle reden om het tegendeel te veronderstellen. Ook de veronderstelde efficiency van één grote landelijke politieorganisatie is een aanname, die niet op degelijk bewijs steunt. Eerder zijn er aanwijzingen voor het tegendeel: onderzoek laat vaak zien dat juist middelgrote organisaties het meest effectief zijn (SCP, 1989). Grotere organisaties moeten al snel een divisiestructuur invoeren omdat de span of control te groot wordt of omdat ze de aansluiting met lokale markten dreigen te verliezen.
Ook de zeer diverse aard van het politiewerk speelt een rol. Een groot deel van het politiewerk is en blijft lokaal gebonden: spoedhulp, kleine en middelgrote criminaliteit, hulpverlening en crisisinterventie. Zelfs voor veel rampsituaties geldt dat ze vooral lokaal worden afgehandeld.
Logischerwijs zou hier het leerstuk van de requisite variety (Morgan 1986) in plaats van centralisatie als dogma uitgangspunt moeten zijn. Organisaties dienen zich zo goed mogelijk aan te passen aan en te organiseren conform de aard van de omstandigheden en de aard van het werk. Het gaat, volgens dit principe, dus niet aan de totale politieorganisatie te modelleren naar de eisen die een beperkt deel van het takenpakket stelt (zware en georganiseerde misdaad, grensoverschrijdende misdaad).
De discussie voor of tegen nationale politie wordt ook gevoed door zeer uiteenlopende beelden die er van de politiefunctie bestaan: is de politie primair de zwaardmacht van de (centrale) overheid of de dienaar van de plaatselijke bevolking? 'Met een landelijke organisatie verliest de politie het gevoel met lokale belangen. Nu zijn we een organisatie die dicht bij de mensen staat. Met een landelijk gestuurde organisatie is dit niet meer mogelijk', meent Opstelten (Rotterdams Dagblad, 1 april 2004). 'En dat zou zeer kwalijk zijn, want het politiewerk bestaat voor tachtig tot negentig procent uit lokaal werk.'
Sluipende centralisatie
Tijdens het debat gaat de verandering van het bestel gewoon door. De politie is een cultuur van doeners, niet van denkers, wordt wel gezegd. Hoewel de politie niet over haar eigen bestel gaat, lijkt 'gewoon doen' toch ook voor de verandering van het bestel op te gaan. Begin jaren negentig liep de regionalisering van de politie vaak fors vooruit op de wetgeving. Momenteel lijkt iets soortgelijks zichtbaar.
Sluipenderwijs lijkt het huidige politiebestel zich al te ontwikkelen in de richting van meer centralisatie. Sinds het ministerschap van Peper is Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties steeds meer ook inhoudelijk gaan sturen. In eerste instantie via instrumenten als het Beleidsplan Nederlandse Politie, de jaarlijkse politiebrieven, en het Integraal Veiligheidsprogramma. De laatste tijd steeds meer ook via het mechanisme van kengetallen en prestatieafspraken en -sturing (Vollaard 2003a en 2003b).
Soms is er zelfs geen sprake meer van sluipende centralisatie
Een voorbeeld daarvan vormde het instellen van de nationale recherche, vooruitlopend op en deels parallel aan het onderzoek evaluatie kernteams. Politiek ongeduld won het, terwijl het evaluatieonderzoek al liep, van een min of meer empirisch gefundeerd beleid. Dat evaluatieonderzoek – door de Kamer ooit gevraagd! – was immers bedoeld om na te gaan in hoeverre de kernteams aan de verwachtingen voldeden en in hoeverre veranderingen nodig en wenselijk waren. Door sommigen wordt er overigens op gewezen dat de nationale recherche 'prima in de huidige structuur (past)' (Opstelten, Rotterdams Dagblad, 1 april 2004).
Zo moet het
De kloof tussen wetenschap en praktijk is vaak diep. Wetenschappelijke kennis leidt niet automatisch tot beter beleid. Dat is een naïef en al te optimistisch beeld, dat zeker de bestuurskunde al lang verlaten heeft. De arenatraditie, om met Van de Donk (1993) te spreken, waar wetenschap een element is in de strijd over definiëring van problemen en oplossingen, biedt een realistischer perspectief.
Maar, de beperkingen van een rationalistisch wetenschappelijk perspectief daargelaten: hoe zou een meer adequaat gefundeerd debat over het politiebestel er uit zou kunnen zien?
Het besteldebat zou moeten beginnen met een probleemanalyse. Hoe hebben de (sociale) veiligheidsproblemen zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Wat is, in positieve of negatieve zin, de bijdrage van de politie aan die ontwikkeling geweest? Leidt een beoordeling van die bijdrage tot de conclusie dat het politiebestel moet worden veranderd? En dus niet primair het leiderschap, opleidingsniveau, de werkhouding of de corporate spirit, om een paar alternatieven te noemen?
Als de conclusie luidt dat bestelverandering geïndiceerd is, luidt de volgende vraag welke maatregelen men kan en moet nemen om de gesignaleerde problemen op te lossen. Van belang daarbij is of er theorie is die de koppeling tussen gesignaleerde problemen en beoogde oplossingen op bestelniveau aannemelijk maakt.
Differentiatie
Uitgangspunt bij het zoeken naar oplossingen zou moeten zijn dat de politietaak divers is en oplossingen – ook op bestelniveau – daar rekening mee moeten houden. De breedte van de politietaak maakt het onwaarschijnlijk dat voor alle politietaken één optimale schaal en één optimaal organisatiemodel te vinden is. De range aan taken – van de buurtagent en het schooladoptieplan tot aan de grensoverschrijdende zware criminaliteit – wijst eerder in de richting van het tegendeel. Verschillende typen taken stellen uiteenlopende eisen, qua organisatorische en bestuurlijke inbedding.
Uitgangspunt zou ook moeten zijn dat de ingewikkeldheid van het huidige bestel meer is dan een anachronisme. Aan de verschillende organisatie van beheer en gezag, de scheiding van bestuurlijke en justitieel gezag en de organisatie van het politiewerk, liggen rechtsstatelijke principes ten grondslag. Principes als deling van macht en controleerbaarheid. Van oudsher is niet alleen de bescherming door de politie, maar ook de bescherming tegen de politie een issue van formaat geweest. En zo hoort het ook in een democratische rechtsstaat.
Bij elke verandering van het politiebestel zullen deze principes dan ook zorgvuldig afgewogen moeten worden tegen meer bedrijfsmatige principes als effectiviteit en efficiëntie. Het één is niet per definitie goed en het ander niet per definitie verkeerd.
Belangrijk is wel dat het debat en de besluitvorming minder slordig zullen gaan verlopen. Momenteel ligt het accent in debat en beleid wel erg zwaar op de bedrijfsmatige stroomlijning en het tegengaan van bestuurlijke drukte rond de politie. Des te meer reden om ook of weer aandacht te gaan schenken aan principes als de waarborgende rol van het recht, zorgvuldigheid, rechtsbescherming of rechtszekerheid.
Binnenlands bestuur
Het spreekt vanzelf, maar de praktijk leert anders. Iedere oplossing voor het politiebestel zal moeten passen binnen de structuur van het binnenlands bestuur. Als dat niet het geval is – en het huidige bestel is daar een voorbeeld van – dan is dat vragen om moeilijkheden. Dat blijkt ook. De Politiewet 1993 kent constructies die zich slecht verdragen met de verdere ordening van het binnenlands bestuur: de regio als rechtspersoon, de korpsbeheerder (die in die rol zijn gemeenteraad kan negeren), de burgemeester die zijn gezagsrol moet waarmaken met een regionaal apparaat, enzovoort.
De vraag kan gesteld worden of een sterk centraal georganiseerd politiebestel, niet evenzeer in strijd zou zijn met de sinds lang (1848 / 1851) bestaande ordening van het binnenlands bestuur. In Thorbeckes gedecentraliseerde eenheidsstaat is immers zeker geen sprake van krachtige hiërarchische relaties tussen rijk, provincies en gemeenten (Toonen 1987). Een sterk vanuit 'Den Haag' georganiseerd en gestuurd politiebestel lijkt daar slecht bij aan te sluiten.
Ten slotte geldt – zoals al eerder gesignaleerd – dat bij de besteldiscussie zowel naar lasten als naar baten gekeken moet worden. Daarbij moet ook gerekend worden met vaak aanzienlijke veranderingskosten. Zeker op de korte termijn, in termen van 'productieverlies'. Maar in veel gevallen ook op de langere termijn; vooral in de personele sfeer.
Goed dat er evaluatie is
Verandering van het politiebestel is een ingrijpende operatie, die lang kan duren en ingrijpende gevolgen kan hebben. Ook onbedoelde en negatieve gevolgen. Alleen dat al, zou tot voorzichtigheid moeten manen.
Bestelverandering is bedoeld om problemen op te lossen. Dus moet er allereerst duidelijkheid bestaan over wat de problemen dan precies zijn en in hoeverre nu juist verandering van het bestel de aangewezen weg is om die problemen op te lossen.
Eerdere ervaringen met bestelverandering zijn niet onverdeeld gunstig. Het feit dat we amper tien jaar na een zeer ingrijpende verandering al weer aan een volgende ronde begonnen zijn, illustreert dat. De vorige reorganisatie van het politiebestel heeft lang niet alle verwachtingen ingelost.
Enerzijds zou het uitblijven van veronderstelde positieve effecten een stimulans kunnen zijn om verder te vernieuwen en te veranderen.
Maar het is anderzijds vooral ook een stimulans om uiterst voorzichtig te zijn met slecht gefundeerde maar des te ingrijpender veranderingen in de politieorganisatie en/of -werkwijze. Zonder een degelijke theoretisch-empirische fundering van veranderingen is volstrekt onduidelijk wat voor effecten reorganisaties wel en niet oproepen.
Politie en vooral politiek zouden er goed aan doen hun ongeduld wat in te tomen. In plaats van maar vast aan de slag te gaan, zou enige reflectie op problemen en mogelijke oplossingen op zijn plaats zijn. Dat kost, inderdaad, op korte termijn, enige tijd. Tijd om zelf na te denken en vooral ook tijd om gebruik te maken van wetenschappelijke kennis en inzicht over zowel de aard van de problemen als de mogelijke oplossingen en hun voors en tegens. Ideale oplossingen zonder negatieve neveneffecten bestaan nu eenmaal niet, in geval van zo complexe problemen.
Op langere termijn zou het wel eens zo kunnen zijn dat wat beter doordachte en gefundeerde oplossingen uiteindelijk tijd (en veel andere moeite) besparen. Dan is het misschien niet nodig om, zoals na de reorganisatie van 1994, al weer op heel korte termijn ingrijpende aanpassingen door te voeren in een net tot stand gekomen bestel en organisatie.
Uiteindelijk is dit vooral een pleidooi om de evaluatie van het politiebestel in 2005 een eerlijke kans te geven. Niet vanuit een naïef idee dat wetenschap alle problemen oplost. Maar wel in de overtuiging dat de problemen waarmee politie en politiek – op het terrein van politie en veiligheid – worden geconfronteerd, groot en uitermate ingewikkeld zijn.
Zo groot en ingewikkeld, dat naast de praktische kennis en denkkracht van de politie zelf, andere inputs dringend gewenst zijn.
Vanuit de wetenschap kennis en inzicht over oorzaken van en remedies tegen onveiligheid: wat werkt? Maar ook over voors en tegens van centralisatie en decentralisatie, over organisatiemodellen en over wat wel en niet past binnen de structuur van ons binnenlands bestuur en de principes van onze rechtsstaat.
Vanuit de politiek ten slotte de bereidheid om duidelijke en maatgevende beslissingen te nemen, nadat de feiten en verbanden tussen feiten zorgvuldig op een rij gezet zijn. Dus niet voor en zelfs niet tijdens een evaluatie.
Of het ook zo zal lopen?
Literatuur
Allison, G., Essence of decision. Explaining the Cuban missile crisis. Boston: 1971.
Beck, Ulrich, Risk Society. Towards a New Modernity, Londen: Sage 1992.
Bestel in balans. Hoofdlijnennotitie regionaal politiebestel. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Den Haag, juli 1999.
Borghouts, H.C.J.L. en B. Staal, Nederlandse politie verdient nationaal beheer. NRC, 12 februari 2004.
Boutellier, H., De veiligheidsutopie. Hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf. Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2002.
Brink, G van den, Mondiger of moeilijker? Een studie naar de politieke habitus van hedendaagse burgers. Den Haag: Sdu Uitgevers, 2002.
Cachet, A ., Politie en sociale controle, Arnhem: Gouda Quint 1990.
Cachet e.a., Politiebestel in verandering. Verhoudingen tussen politie, bestuur, justitie en gemeenteraad onder de oude en de nieuwe Politiewet, Arnhem, Gouda Quint, 1994.
Cachet, A. e.a., Ambities en prestaties in Hollands Midden: de reorganisatie in beeld gebracht. Leiden / Rotterdam: Crisis Onderzoek Team, 1996.
Cachet, A., M.R.A. Oskam, L.S. Peereboom, A.van Sluis en S. van de Velde, Tussen beleid en uitvoering. Operationele Inzetplanning bij de politie Rotterdam-Rijnmond , Rotterdam: EBSC, 15 augustus 2000.
Cachet, A., M.J. van Duin en C.M. de Vos, Themanummer Veiligheidsregio's, het Tijdschrift voor de Politie, jrg. 64, nr.12, december 2002.
Donk, Wim van de , Wetenschap, beleid en politiek: contouren van een nieuw cont[r]act, in: M.J.W. van Twist en O. van Heffen, Beleid en Wetenschap. Hedendaagse Bestuurskundige Beschouwingen, Assen: 1993.
Gunther Moor, L. e.a. Evaluatie Politiewet 1993. Breedteonderzoek. Den Haag, VUGA, 1998.
Hoofdlijnenakkoord voor het kabinet CDA, VVD, D66. 16 mei 2003.
Hoogenboom, Bob, Zeven toezicht- en handhavingplagen, het Tijdschrift voor de Politie, jrg. 65, nr. 5, mei 2004.
Liedenbaum, C., Opheldering gezocht! Een vergelijkend onderzoek naar de verklaring voor het verschil in ophelderingspercentages tussen Utrecht en Münster. Enschede: IPIT, 2003.
Morgan, Gareth, Images Of Organization, Londen: Sage, 1986.
Nota Een nieuw politiebestel in de jaren negentig, 20 februari 1990, Tweede Kamer 21462, nr. 1.
Permanente herstructurering in maatschappelijke sectoren. Dynamiek of dynamiet? Geschriften van de Vereniging voor Bestuurskunde Congrespublicatie 1996, Den Haag, VUGA, 1997.
Raad voor het openbaar bestuur, Veiligheid op niveau; een bestuurlijk perspectief op de toekomst van de veiligheidsregio, Rob, februari 2003
Rosenthal, U e.a. Evaluatie Politiewet 1993, Diepteonderzoek. Den Haag, VUGA, 1998.
Sociale en Cultureel Planbureau (SCP), Doelmatig dienstverlenen. Eeen onderzoek naar de productiestructuur van vier voorzieningen in de kwartaire sector. Rijswijk, SCP, 1989.
Sluis, Arie van Van 'planning and control' naar strategische beleidsvorming. Een onderzoek naar beleidsvorming bij de politie, Rotterdam 2002.
Terpstra, Jan Sturing van politiewerk. Een verkennend onderzoek tegen de achtergrond van een veranderende sturingscontext en sturingsstijl, Enschede: IPIT, 2002.
Toonen, Th.A.J. (1987). Denken over Binnenlands Bestuur. Theorieën van de gedecentraliseerde eenheidsstaat bestuurskundig beschouwd. Rotterdam: Erasmus Universiteit.
Vollaard, B.A. Performance contracts for police forces. Den Haag: Centraal Planbureau, 2003(a).
Vollaard, B.A. Afrekenen op resultaten vereist deskundig oordeel, het Tijdschrift voor de Politie, jrg 65, nr. 7/8, juli / augustus 2003(b).
Wiebrens, C.J., en S. Essers, Schaf het ophelderingspercentage af, het Tijdschrift voor de Politie, jrg. 61, nr. 1, januari 1999.
Wiebrens, C.J., Man en paard. Over criminaliteit, BVE's en opsporing. het Tijdschrift voor de Politie, jrg. 64, nr. 11, november 2003.

Reageer op dit artikel