Essenties van politiewerk: Deel 1 Een samenleving heeft een politie die bij haar past

Door Helmoed Wierda, 01 november 2006 12:19 uur0 Waardering:

De nieuw geformuleerde missie van de Nederlandse politie wordt in het rapport ‘Politie in ontwikkeling’ als volgt omschreven: ‘Waakzaam en dienstbaar staat de Politie voor de waarden van de Nederlandse rechtsstaat’. In dit tweedelige artikel doet commissaris Helmoed Wierda een eerste verkenning naar de vraag welke relatie er bestaat tussen deze missie en de betekenis van waarden en deugden voor het functioneren van de politie

Inleiding
Vanuit mijn perspectief als politieman zal ik proberen iets te zeggen over het vraagstuk van normen, deugden en waarden in onze samenleving. Minister-president Balkenende heeft in zijn eerste kabinetsperiode een aanzet gegeven tot een discussie over het afnemende normen- en waardenbesef. De eerste vraag die opkomt, is: ‘Is er wel een probleem of is dit een probleem van alle tijden?’

Ik wil met u verkennen of normen, deugden, waarden en menselijke ontwikkeling iets te maken hebben met de rol van de politie in de samenleving. Ik ga hierbij uit van de gedachte dat waarden en deugden belangrijke fundamenten zijn van onze democratische rechtsstaat. Een kenmerk van een democratie is dat burgers individueel en collectief in staat zijn zichzelf te ontplooien. Heeft de Nederlandse politie een rol heeft binnen het ontwikkelingsproces van de samenleving, en zo ja, welke? Uiteraard doe ik een dergelijke beschouwing op eigen titel en vanuit eigen beleving. Ik hoop met mijn bijdrage binnen en buiten de politie een aanzet te geven voor een verdiepende discussie over dit ingewikkelde en belangrijke vraagstuk – zeker in een tijd waar de discussie over het functioneren van de politie vooral over de macht en zeker niet over de inhoud lijkt te gaan.

Wat voor politie wil Nederland hebben? Wat is onze diepste opdracht in de samenleving en op welke wijze moet de politie die opdracht uitvoeren? De Raad van Hoofdcommissarissen heeft daar vanuit de eigen professie een antwoord op gegeven met het in 2005 verschenen rapport ‘Politie in Ontwikkeling’. Mijn interesse gaat vooral uit naar de vraag of de nieuwe missie en kernwaarden van de politie een diepere betekenis gaan geven aan het dagelijkse politiewerk. Het alleen opschrijven van de missie en kernwaarden van de Nederlandse politie is niet voldoende om deze als een kompas voor het dagelijkse werk van politiemensen te laten functioneren!

In het eerste deel van dit artikel belicht ik vanuit verschillende invalshoeken de veiligheid in onze samenleving en de daarop aansluitende rol van de politie. Via een korte historische schets van de ontwikkelingen van de Nederlandse politie leg ik u de stelling voor dat de samenleving de politie heeft die zij verdient. In het tweede deel sta ik stil bij de vraag of de politie ‘iets’ heeft met deugden waarden en maatschappelijke ontwikkeling. Daarna zal ik u meenemen naar een nieuw mogelijk denkveld voor de politie, het domein van de ‘ontsporingen in de samenleving’. Vervolgens zal ik een aantal gedachten aan u voorleggen over de vraag hoe politiemensen omgaan met vraagstukken van goed en kwaad. Ik zal mijn artikel afsluiten met een pleidooi om binnen de politie een beweging op gang te brengen om de missie en kernwaarden, de essentie van politie, niet alleen onbewust maar vooral bewust en gestuurd leidend te laten zijn voor het dagelijks functioneren van politiemensen.

 

Veiligheid
Het gaat steeds beter met de veiligheid in Nederland. De ‘harde’ cijfers tonen aan dat Nederland elk jaar veiliger wordt. Het blijkt echter dat het ‘gevoel’ over veiligheid bij veel mensen onder druk blijft staan. De positieve ontwikkeling van de objectieve veiligheid leidt niet als vanzelf tot het toenemen van het gevoel van veiligheid bij mensen. Uiteraard is het subjectieve veiligheidsgevoel onder mensen onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt, dat drie factoren van belang zijn voor het veiligheidsgevoel van mensen. Het frappante is dat de objectieve, dus de feitelijke, veiligheidsontwikkeling daar niet bij staat.

De eerste factor is het zelfvertrouwen van mensen, hun weerbaarheid en zelfredzaamheid. Staan mensen stevig in hun schoenen, hebben ze grip op hun situatie? Deze factor zegt meer over de persoonlijkheid van mensen dan over de mate van veiligheid in hun omgeving.
De tweede factor is al net zo persoonlijk. Het gaat hierbij over de mate waarin mensen deel uit maken van een sociale context. Het hebben van bijvoorbeeld een gezin, vrienden of het deel uitmaken van bijvoorbeeld een vereniging bevorderen eveneens het veiligheidsgevoel.
De derde factor wordt bepaald door het vertrouwen dat mensen in de overheid hebben. Naarmate mensen meer vertrouwen hebben dat de overheid – en dus ook de politie – adequaat handelt, voelen zij zich veiliger. Daar ligt voor de politie een pijnlijk punt. Want ondanks de toename van de objectieve veiligheid – mede door de fors toegenomen inspanningen van de politie – en ook de subjectieve veiligheid verbetert, zien we dat steeds meer mensen toch ontevreden zijn over hun contact met de politie. Ontevredenheid leidt veelal tot minder vertrouwen. Minder vertrouwen kan leiden tot minder contact, minder snel melden, minder samenwerking, maar ook minder legitimiteit en draagvlak voor het werk van de politie. Dit kan ontaarden in meer eigenrichting van de burgers, met als gevolg een verharding van de samenleving en uiteindelijk een politie die minder in staat is criminaliteit effectief te bestrijden, die tekort schiet in haar handhavingstaak en niet langer in staat is een verbindende factor te zijn in de samenleving. Op deze mogelijk negatieve tendens moet de politie zeer alert zijn.

 

Typering samenleving
Met een beschrijving van veiligheid en onveiligheid is nog niets gezegd over de algemene ontwikkelingen in de samenleving die van invloed zijn op veiligheid. De veiligheidsutopie van criminoloog Hans Boutelier en Een tijd van onbehagen, een cultuur op drift van ethisch filosoof Ad Verbruggen gaan daar dieper op in.

De twee auteurs komen, in een zeer compacte samenvatting, tot het volgende maatschappijbeeld. Enerzijds is er in onze hedendaagse samenleving een sterke behoefte aan absolute veiligheid. Dit wordt tegenwoordig zelfs van de overheid ‘geëist’. Anderzijds lijken mensen nauwelijks bereid om voor die eis iets te willen inleveren. Er is een drang tot vitaliteit, een claim op persoonlijke vrijheid en op het recht om te leven zoals ‘wij’ dat willen. Zo ontstaat een paradox van twee zaken die zich lastig tot elkaar verhouden. Een voorbeeld daarvan is dat in deze tijd de vrijheid van meningsuiting als heilig wordt gezien, zelfs als daarmee een hele bevolkingsgroep wordt beledigd.

In dit paradoxale tijdsbeeld verrichten wij als politie ons werk. Maar wat is in deze tijd nu goed en wat is nu kwaad? En wat verwacht de samenleving op dit terrein van haar politie?

Verbruggen stelt dat de huidige ontwikkeling van onze cultuur tot een innerlijke tegenspraak leidt die haar dreigt te ondermijnen. Een samenleving kenmerkt zich door een zeker ethos, de gewone wijze van leven met gemeenschappelijk gedragen waarden en omgangsvormen. In een tijd waarin we onze eigen nieuwe inzichten als hoogste waarheid verkondigen, gaan we in toenemende mate voorbij aan de wijsheid die de menselijke cultuur in vele eeuwen heeft opgedaan. We stuiten, aldus Verbruggen, op de dunne moraal van leven en laten leven, zonder ons rekenschap te geven van de ander of de waarden die men met de ander deelt. Individuele vrijheid lijkt het hoogste goed te zijn geworden. Dit leidt tot een levenswijze die in wezen asociaal is.

In aanvulling daarop geeft prof.dr. Cees Zwart aan dat de hedendaagse functie van de politie te maken heeft met vier belangrijke maatschappelijke brandpunten:
- nieuwe verhoudingen tussen individu en gemeenschap. Deze ontwikkeling geeft spanningen in de samenleving en is nog lang niet afgerond. Hiermee sluit hij aan op het denken van Boutelier;
- de dominantie van het economische leven. Alles moet uitgedrukt worden in markt, geld, resultaten, producten, diensten en processen. Alles moet meetbaar zijn. Maar is politiewerk of overheidswerk wel altijd meetbaar en wat meet je dan? Positief is dat het wederzijdse afhankelijkheid teweegbrengt (ketensamenwerking);
- turbulentie in de samenleving. Alles is in beweging, alles gaat snel. Er is een geweldige veranderdynamiek. De effecten van veranderingen zijn in tijd en ruimte vaak niet te zien. Er heerst onvoorspelbaarheid. Er zijn geen uiterlijke bakens meer. Dit vraagt om sturing vanuit innerlijke bakens, waarbij het van belang is ‘het verhaal van de politie te kennen’. Wat is het verhaal van de Nederlandse politie en wat zegt dat over de toekomst?;
- goed en kwaad zijn steeds moeilijker te onderscheiden. Ontsporingen horen bij verandering en ontwikkeling. Positieve ontsporingen leiden tot maatschappelijke ontwikkeling, negatieve ontsporingen leiden tot regressie.

Zwart stelt dat de politie een belangrijke rol heeft binnen deze ontwikkelingen. De politie staat midden in het proces van maatschappelijke ontsporingen. Individuele en maatschappelijke ontsporingen ten kwade kunnen invloed hebben op de veiligheid. De maatschappelijke brandpunten vragen om een politie die ontwikkelingen in de samenleving ziet en weet te begeleiden. Ze vragen om een professionele en relatief ‘onafhankelijke’ politie die boven de partijen staat, ‘streng als het moet, vriendelijk als het kan’. Ze vragen om een politie die de maatschappelijke turbulentie voelt en ziet. Om een politie die vanuit innerlijke bakens op een bezielde wijze en met een eigen professionele zelfstandigheid haar werk doet. Een politie die midden in de samenleving staat, met het gezicht gericht naar de burgers.

 

Normen en waarden
Boutelier, Verbruggen en Zwart zijn buitengewoon eenduidig in hun analyse. De voortgaande trend in de samenleving is er één van verdergaande individualisering, gekoppeld aan hedonistische drijfveren. Ontwikkelingen gaan snel en zijn onvoorspelbaar. Goed en kwaad lijken steeds moeilijker te onderscheiden.
Generaliserend zou je kunnen stellen dat mensen zichzelf in toenemende mate op de voorgrond stellen en de ander op de tweede plaats. Daarmee kan de zorg voor de ander en ook het respect voor de ander (als waarde) onder druk komen te staan. Deze afname van respect richt zich ook op degenen, die gezag uitoefenen. De gevolgen hiervan zijn overal zichtbaar: op straat, in het uitgangsleven, maar ook in het onderwijs, jeugdwerk en binnen sportclubs nemen orde- en gedragsproblemen toe. De frustratie die dit bij mensen oproept, richt zich mede op instanties als de overheid, waaronder de politie. Vanuit dit perspectief bezien is het dan ook niet zo verwonderlijk dat het vertrouwen in de overheid de laatste jaren afneemt. Er is weliswaar met recht kritiek te leveren op het handelen van overheid en politie; toch heb ik het gevoel dat de beschreven ontwikkeling in onze hedendaagse cultuur op een autonome wijze bijdraagt aan een afnemend vertrouwen in de politie.

 

Ontwikkeling politie
Hoe heeft de politie zich de laatste decennia ontwikkeld? Vanuit een verkenning van die ontwikkeling kom ik hierna tot de stelling dat de samenleving een politie heeft die bij haar past. De wijze waarop de politie zich manifesteert, lijkt samen te hangen met de eerder beschreven ontwikkelingen in onze samenleving.
In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw had de politie nog gezag. De politie trad toen met onomstreden autoriteit. Vanaf eind jaren zestig en begin jaren zeventig, komt het imago van de politie onder druk te staan door een antiautoritaire tendens, die zichtbaar wordt in de samenleving. In reactie op de kritische houding tegenover de politie ontstaat bij dienders een houding die zich weer afzet tegen de samenleving: een vijandsbeeld ontstaat. De politie trekt zich als het ware terug uit haar relatie met de samenleving. De politie gaat in ‘blik’: de autosurveillance komt tot bloei. In die jaren treedt de politie behoorlijk repressief op bij gijzelingen en onrust in Molukse wijken. Ze is een middel in handen van de overheid om de rechtsorde te handhaven.
In die tijd is nog nauwelijks sprake van een beleid op veiligheid waarmee de politie wordt gestuurd. De politie wordt gezien – en ziet vooral zichzelf – als ‘vuilnisvat van de samenleving’. In 1977 schrijft een groep jonge hoofdinspecteurs van politie het rapport 'Politie in Verandering', waarin een sterk pleidooi wordt gehouden voor de maatschappelijke verankering van de politieorganisatie. Er wordt nadrukkelijk gekozen voor een politie die relatie aangaat met de samenleving, waar kennen en gekend worden uitgangspunt is en waar de politie met andere maatschappelijke groeperingen samen werkt aan maatschappelijke problemen. Het rapport verdwijnt aanvankelijk in een la. Door de speling van het politieke lot en de vasthoudendheid van politiemensen die in de geest van dit rapport geloven, krijgt het midden jaren tachtig de waardering die het verdient. Wijkteamconcepten doen hun intrede, als eerste in Groningen en Haarlem, snel gevolgd in andere steden. Een leidende gedachte is dat de politie slechts dan legitimiteit verwerft en zich gedragen weet in haar optreden, als er bij de burgers waardering bestaat voor hun optreden. Politie is er voor de burgers in de samenleving, staat midden in de samenleving en werkt op een gerichte wijze aan veiligheidsproblemen.
In de jaren tachtig komt kritiek op de politie ook vanuit de landelijke politiek. De politie is te veel gericht op welzijn en heeft geen oog meer voor de explosieve groei van de kleine criminaliteit. De discussie over eigenlijke en oneigenlijke politietaken begint op te komen, wat de eigenheid van de politie onder druk zet.
Tegelijkertijd steekt in die tijd een nieuw fenomeen nadrukkelijk de kop op. De politie wordt, tijdens de kronings- en krakersrellen en de acties bij bijvoorbeeld de kerncentrale Borsele, als ‘sterke arm’ ingezet. In deze barre tijden van massaal verzet tegen gezag en overheid, dat zich uit in massale demonstraties en krakersbewegingen, handhaaft de overheid zijn positie met massaal ME-optreden, waarin met geweld en machtsvertoon de orde wordt hersteld.
Mede hierdoor brokkelt het draagvlak van de politie af. De boodschap van die tijd is dat ‘stenen gooien naar politiemensen moet kunnen’: ‘Jullie rechtsstaat is de onze niet!’
De frustratie bij de politie komt onder andere tot uiting in een felle demonstratie rond een CAO van de politie, tijdens welke een aantal politieagenten voor het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn pet verbrandt. Iets waar door velen, ook binnen de politie, met afschuw over wordt gesproken.
De jaren negentig worden gekenmerkt door de ingrijpende IRT-affaire en het daarop volgende onderzoek van de commissie van Traa. Hier loopt de politie een trauma op door de politieke reactie op de strijdwijze die ze heeft gekozen tegen de zware en georganiseerde criminaliteit. Het oordeel van de commissie van Traa en de daarop volgende reacties van de politiek en media laten bij veel politiemensen een diep spoor achter. Toonaangevende politiebazen als Nordholt, Wiarda en Straver worden terug naar hun ‘hok’ verwezen en monddood gemaakt.
In 1992 fuseert de politie. Met het samengaan van het korps Rijkspolitie en 144 gemeentelijke politiekorpsen voltrekt zich geruisluis een megafusie met een omvang en snelheid die ongekend is binnen de overheid. Langzaam komt beleidssturing en probleemgericht werken op gang en de politie gaat meer ‘van buiten naar binnen’ kijken: ze kijkt naar de ontwikkelingen in de samenleving en probeert daar zo legitiem mogelijk haar werk in te doen. Wijkteams en het zogenoemde gebiedsgebonden politiewerk worden nu breed binnen de politieregio's ingevoerd en de verbinding met de samenleving wordt meer en meer gezocht. De nadruk verschuift naar preventie, met partners (gemeenten, scholen, welzijnsorganisaties et cetera). De politie is in dit laatste vaak initiërend. Daarin lijkt de politie iets extra’s te brengen.

In de eenentwintigste eeuw krijgen veiligheidsvraagstukken een nieuwe, meer grimmige, dimensie door terroristische aanslagen in New York en andere plaatsen in de wereld en door de moorden op Pim Fortuyn en Theo Van Gogh. De spanningen in de multiculturele samenleving nemen hand over hand toe. Het optimisme en vertrouwen in de samenleving slaat om in onzekerheid en angst. De roep om een sterkere overheid wordt sterker. Onder druk van die ontwikkelingen verschuift de politie haar aandacht vooral naar het handhaven van de maatschappelijke vrede. De politie kiest er nadrukkelijk zelf voor boven de partijen te staan en zij kiest ervoor ‘streng te handelen als het moet en vriendelijk als het kan’.
De discussie over de kerntaken van de politie krijgt een opleving, nu sterk gestuurd vanuit de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie. De politie moet zich minder bezig houden met haar maatschappelijke rol en zich meer concentreren op noodhulpverlening, opsporing en handhaving. Preventie komt meer in handen van de gemeente en andere partners. De politiek en gezagsdragers willen een meer repressieve politie. Niettemin oogst de politie het succes van haar inspanning om verbinding te blijven zoeken met de samenleving. In de pieken van spanning in onze samenleving, bijvoorbeeld na de moord op Van Gogh, was het niet zelden de politie die tal van groeperingen, ook van verschillende etnische afkomst, om tafel bracht om samen met gemeentebesturen de situatie te bespreken. Ook in de wijken met spanning was de politie altijd alert aanwezig en zo droeg – en draagt – de politie actief bij aan het handhaven van de vrede in de samenleving.

Om de greep op de politie te verstevigen, neemt rond de eeuwwisseling de resultaatsturing vanuit de overheid toe. Het cijferdenken en de afrekencultuur doen haar intrede. De politie moet gaan werken met prestatieconvenanten, concrete resultaatafspraken tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de korpsbeheerders. De resultaatafspraken die met de minister worden gemaakt, worden in vrijwel alle gevallen door de politie gehaald. De politie doet daarbij haar uiterste best om de door Den Haag opgelegde prestaties ook zo zinvol mogelijk te realiseren.
Deze inzet gaat de ministers niet ver genoeg. Er moet één nationale politie komen, aangestuurd vanuit Den Haag. Dat het kabinet daarbij een onverantwoorde druk zet op de verworvenheden van het gebiedsgebonden, buurtgericht werken van de politie, wordt daarbij ontkend. De samenleving is volgens deze ministers gebaat bij een centraal gestuurde politie. Alleen zo kan de dreiging van terrorisme en de toenemende criminaliteit worden bestreden. In mijn ogen is dit echter een misvatting, met het gevaar dat de eigen professionaliteit van de politie aan kracht zal verliezen. Gelukkig omarmt de Raad van Hoofdcommissarissen in 2005 het visiedocument ‘Politie in ontwikkeling’, waarmee zij een professioneel geluid laat horen over hoe de politie met de verworvenheden vanuit het verleden de toekomst in wil gaan. In het tweede deel van dit artikel zal ik daar verder op ingaan.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2006, jrg. 68, nr. 11, p. 17-20

0 reacties

Reageer op dit artikel