Geheimhouding in de zorg: niet tegen elke prijs: Nooit meer Savanna
Niemand wil tragedies zoals die van de driejarige Savanna uit Alphen aan den Rijn, die door haar moeder zo werk verwaarloosd én mishandeld dat zij er uiteindelijk aan overleed. Er waren veel hulpverleners, die met het gezin bekend waren. Desondanks gebeurde het.
Wat er misging in de hulpverlening is door allerlei instanties onderzocht. Zij wijzen op primaire zaken als ontbrekende coördinatie en afstemming. Ook secundaire zaken, zoals workload en bureaucratie kwamen aan de orde. Op dit moment loopt nog een strafvervolging tegen de voogd van het gezin.
In dit artikel willen we de aandacht vestigen op nog een aspect, namelijk dat van de geheimhoudingsplicht in de zorg. Ook dat blijkt een factor van belang te zijn en daarom is het gesprek hierover meer dan nodig. In dit artikel willen we hiertoe een aanzet geven.
Urgentie van de problematiek
De discussie over de geheimhoudingsplicht spitsen we toe op alle situaties van huiselijk geweld. Daaronder verstaan we fysieke, seksuele en psychische mishandeling van kinderen én volwassenen in de relatiesfeer, meestal in het gezin.
De cijfers zijn al veelzeggend: naar schatting 80.000 kindermishandelingen per jaar, waarvan ongeveer vijftig met dodelijke afloop. Daarnaast is 11 % van de volwassenen slachtoffer van fysiek geweld in huis met letsel tot gevolg. 21 % van de Nederlanders is bekend met huiselijk geweld dat langer dan vijf jaar duurde. Bekend is verder dat slechts vijftien % in contact komt met de hulpverlening. Het complicerende van dit probleem is dat het zich in de meeste gevallen ‘achter de deur’ afspeelt, onbereikbaar voor hulpverlening.
Er zijn nog drie factoren te noemen, die de urgentie van het probleem extra ondersteunen:
1. Een gerechtvaardige schatting is dat van alle levensdelicten rond de vijftig % relatiegerelateerd is. Als we deze ‘categorie’ levensdelicten verminderen, dragen we fors bij aan het verminderen van het aantal moorden en doodslagen.
2. Vrijwel in alle gevallen is er sprake van een historie van geweld, die toeneemt in ernst. De eerste klap is zelden de dodelijke klap. Onderzoeken laten zien dat gemiddeld sprake is van zeven forse geweldplegingen voordat er contact ontstaat met een hulpverlener. De conclusie van deze constatering is ook dat als er niets gebeurt, het geweld doorgaat.
3. Wellicht het meest triest om te constateren is dat geweld traumatiseert met als gevolg dat slachtoffers vaak daders worden. Bij alle vormen van kindermishandeling is bekend dat dit zich niet zelden van generatie op generatie voortzet. Ook voor geweldplegers ‘in de openbare ruimte’ geldt niet zelden hetzelfde. Het helpen van de slachtoffers van geweld heeft dus niet alleen direct effect voor de betrokkene, maar ook indirect effect voor toekomstige slachtoffers, wellicht van het slachtoffer van nu.
Naar onze mening is er maar één conclusie te trekken: in situaties van geweld in huis, of het nu gaat om kindermishandeling of geweld tussen volwassenen, is er één motto dat met stip bovenaan staat: het geweld moet stoppen.
Aanpak tot nu toe: plussen…
De politie heeft inmiddels voor situaties van huiselijk geweld samen met het Openbaar Ministerie en met diverse hulpverlenende instellingen een zogenaamd driesporen-beleid ontwikkeld. Dit wordt meestal toegepast in situaties van mishandeling tussen partners en dan nog wel in heterdaad situaties.
1. Allereerst geldt de afspraak dat de politie verdachten ambtshalve vervolgt. Een aangifte is dus niet noodzakelijk. Dit betekent overigens optreden van de politie, onafhankelijk van de –uitgesproken - wil van het slachtoffer. De verdachte krijgt overigens naast een proces-verbaal ook dadertherapie aangeboden.
2. Het slachtoffer wordt in contact gebracht met Slachtofferhulp. Deze biedt het slachtoffer hulp en geeft adviezen.
3. De in huis aanwezige kinderen worden aangemeld bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Dit zogenoemde kindspoor wordt ook gevolgd als de kinderen het geweld niet hebben opgemerkt. Vanuit de gedachte dat een situatie van huiselijk geweld nooit op zichzelf staat, gaan we ervan uit dat de kinderen er al ‘genoeg van meekregen hebben’ om hulp te kunnen gebruiken.
Overigens is deze drievoudige aanpak gericht op herstel. Als de dader de dadertherapie volgt en hulpverleners ondersteuning bieden aan het slachtoffer en de kinderen, is een basis aanwezig om als gezin verder te leven.
Ook gemeenten laten zich niet onbetuigd. In een regionale stuurgroep en beleidsadviesgroep wordt door gemeenten, OM, politie én GGD gezamenlijk beleid ontwikkeld, wat onder meer geleid heeft tot de oprichting van Advies- en Steunpunten Huiselijk Geweld. Slachtoffers én anderen kunnen met deze steunpunten contact opnemen om advies of hulp te krijgen. Bovendien wordt hulp gecoördineerd en worden op preventie gerichte voorlichtingscampagnes gehouden.
Overigens laat ook de landelijke overheid zich niet onbetuigd als het om voorlichtingscampagnes gaat. Begin dit jaar startte een campagne tegen kindermishandeling en in april start een campagne tegen huiselijk geweld.
Daarnaast zijn er natuurlijk de bestaande voorzieningen, zoals de AMK.
… en minnen
Ondanks deze positieve ontwikkelingen hebben we toch onze bedenkingen.
1. In de eerste plaats werkt het driesporenbeleid van de politie vooral in situaties van partnergeweld, maar slechts zeer beperkt in situaties van kindermishandeling. Dat komt omdat vrijwel nooit sprake is van ‘heterdaad’.
2. Voorlichtingscampagnes, waarin slachtoffers worden opgeroepen hulp te vragen, werken zeer beperkt. Slachtoffers doen dat niet. Dat is ook logisch. Als er al geen sprake is van ingewikkelde loyaliteits- of afhankelijkheidsdilemma’s, dan is er vaak sprake van een te grote angst om deze stap te zetten. “Wat zal er gebeuren als het uitkomt…” Veel slachtoffers durven dit risico gewoonweg niet aan.
3. Vervolgens geldt: als er al sprake is van een contact met de hulpverlening, dan nog wil dat niet altijd zeggen dat er een verandering in de situatie komt. Allereerst vraagt de herkenning van hulpverleners ook de erkenning dat sprake is van een mishandelingsituatie. Die erkenning schept verplichtingen. Dat geldt artsen, maar ook fysiotherapeuten, wijkverpleegkundigen, kraamverzorgenden etc.
Vervolgens is het de vraag of de actie, als die wordt ondernomen, leidt tot het stoppen van het geweld. Vaak blijkt het slachtoffer niet ‘mee te werken’ of zelfs de hulpverlener ‘het zwijgen op te leggen.’ Op dat moment duikt de problematiek rond de geheimhoudingsplicht op.
Het dilemma wat dan optreedt leidt er niet zelden toe dat er niets gebeurt én dat het geweld dus doorgaat, met alle genoemde risico’s van dien.
Meerwaarde van politie-interventie
Voor we nader op de geheimhouding ingaan, eerst nog een opmerking over de mogelijkheden van de politie. Opvallend is dat er binnen de zorg weinig fiducie is in het politieoptreden in dergelijke zaken. Deels heeft dat te maken met onbekendheid van de mogelijkheden, ongetwijfeld ook met slechte ervaringen. Op dit laatste komen we aan het einde van dit artikel terug.
Toch beweren wij dat de politie net dit kan bieden, wat de hulpverlening niet kan. Drie dingen kunnen daarbij worden genoemd:
1. De politie kan interveniëren, onafhankelijk van de wil van het slachtoffer. Zij doet dat al in heterdaad-situaties. Zoals gezegd: het slachtoffer zal niet snel om ingrijpen vragen. De politie heeft dit ook niet nodig. Zij kan ambtshalve optreden, desnoods ‘door de deur heen’.
2. De politie kan interveniëren, ook zonder medewerking van de dader. Zij kan ‘iets’ met de dader doen. Daar waar hulpverleners al de grootst mogelijke moeite hebben om slachtoffers te bewegen tot medewerking, daar is dit in de richting van daders vrijwel onbegonnen werk. De politie houdt daders aan. Het effect daarvan is groot. Allereerst herbevestigt deze interventie de norm dat geweld niet mag. In de tweede plaats veroorzaakt de aanhouding toch een soort van crisis voor de dader. In die crisis is hij meer ontvankelijk voor hulp. Een aanbod van dadertherapie wordt vaak aanvaard. Daarbij komt dat de ervaringen met deze therapie in de praktijk in veel gevallen heel goed zijn.
3. Tenslotte, de interventie van de politie brengt hulp op gang – en wel onmiddellijk. Geen wachtlijsten, maar onmiddellijke actie en onmiddellijke opvolging.
Wil dat zeggen dat de politie in alle gevallen betrokken moet worden bij geweld in huis? Zeker niet. Als een oplossing in het vrijwillig kader via een hulpverleningstraject helpt, is daar niets op tegen. Wel is hiermee gezegd dat politie-interventie een waardevol alternatief is naast deze eerste optie, namelijk wanneer we het uitgangspunt huldigen dat de mishandeling moet stoppen en wanneer dat op andere wijze niet lukt.
Het obstakel: de geheimhoudingsplicht
Slachtoffers vinden de stap naar de politie vaak (te) groot. Van hen is vrijwel niet te verwachten dat zij die stap zetten. Wie dan?
Wij doen een appèl op zorgverleners. Artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, thuishulpen maar ook kleuterleidsters en ga zo maar door.
Echter hier lopen we aan tegen de geheimhoudingsplicht. Veel zorgverleners zien in de geheimhoudingsplicht een groot obstakel om de politie in te schakelen.
Terecht kennen ze een zeer grote waarde toe aan deze geheimhoudingsplicht. De vertrouwensrelatie tussen patiënt en zorgverlener is van het grootste belang. Een patiënt moet daarop kunnen bouwen.
Daarom moet de eerste inzet erop gericht zijn om anderen in te schakelen met toestemming van betrokkene. Een hulpverlener moet de uiterste grens zoeken om die toestemming te krijgen.
Maar de bedenkingen daartegen zijn al besproken. Wat mag je verwachten van iemand die vreest voor haar leven ? Hoe reëel is het om de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer te leggen?
Overigens lijkt het dilemma glashelder, toch zien we in de praktijk wel hele verschillende toepassingen. In het onderzoek rond de dood van Savanna hebben we zeer verschillende interpretaties gezien van de geheimhoudingsplicht. De ene arts werkte volledig mee en gaf inzage in het dossier – volgens de redenering: van deze tragedie moeten we leren -, de andere arts hield ons buiten de deur. Op ons kwam dat over alsof ook nog andere doelen gediend moesten worden dan de privacy van de patiënt!
Daarnaast blijkt er ook een aanzienlijk verschil in opvatting tussen zorgmedewerkers die vanuit de praktijk situaties van huiselijk geweld kennen en de leidinggevenden van hun organisaties. Vanuit instellingen wordt vooral vanuit directies en juristen gehamerd op geheimhouding, terwijl ‘werkers’ in het veld heel veel herkenning geven op ons verhaal en eigenlijk zelf een hulpvraag uiten. We konden dat zien in een conferentie met eerstelijns-werkers die in 2005 in Alphen aan den Rijn werd gehouden. Ook de reacties van talloze hulpverleners op de website van het verpleegkundigenblad Bijzijn getuigden hiervan.
Afweging van belangen
Nu zit er ruimte in de geheimhoudingsplicht. Het betrekken van anderen, zonder toestemming van betrokkenen, is in bepaalde gevallen helemaal niet onwettig, maar eerder een plicht.
De geheimhoudingsplicht biedt een mogelijkheid zich te beroepen op overmacht. Je kunt zeggen dat dit geldt als de zaak vastzit en er toch iets zou moeten gebeuren. Het hoogste doel is immers dat het geweld stopt.
Als dat niet lukt met medewerking van het slachtoffer, is sprake van een ‘conflict van belangen’, waardoor de zorgverlener in gewetensnood komt: de plicht om te zwijgen botst met de plicht om in het belang van de cliënt te spreken.
In zijn of haar afweging kan de hulpverlener terugvallen op bijvoorbeeld de brochure “Spelregels voor samenwerkingsverbanden Huiselijk Geweld”, uitgegeven door het instituut voor Zorg en Welzijn, met steun van Ministerie van Justitie.
Deze brochure stelt de hulpverlener vijf vragen:
1. welk gerechtvaardigd doel wil ik bereiken
2. kan dit doel bereikt worden zonder dat ik de informatie geef
3. kan ik, gelet op de situatie, toestemming krijgen van mijn cliënt en heb ik er alles aan gedaan om die toestemming te krijgen
4. weegt het gevaar of het ernstig nadeel voor de cliënt, dat ik wil voorkomen, op tegen het belang van cliënt bij geheimhouding
5. welke informatie heeft de beroepskracht aan wie ik gegevens verstrek echt nodig, dus hoe kan ik met zo weinig mogelijk informatie toch het doel bereiken.
De beantwoording van deze vragen geeft de gerechtvaardigde mogelijkheden weer om toch anderen, waaronder de politie, in te schakelen.
Een oproep aan de zorg
We kunnen stellen: iemand die een arts of een verpleegkundige of een maatschappelijk werkster het verhaal van haar mishandelingsdrama vertelt, doet dat niet om niet geholpen te willen worden. Als een hulpverlener de mishandelingssituatie bij iemand ontdekt, hoopt deze dat er nu eindelijk iets gaat gebeuren. Er is niemand die wil dat de situatie waarin hij of zij zich (levens)bedreigd voelt, doorgaat.
Tegelijkertijd geldt dat deze mensen vaak niet in staat zijn om verantwoordelijkheid te durven nemen voor de gevolgen !! Daarom moet een hulpverlener dit doen.
Zorgvuldig politieoptreden
Als politie moeten we wel dit onder ogen zien. Wellicht zorgt beeldvorming over politieoptreden of zelfs slechte ervaringen met politiebemoeienis ervoor dat hulpverleners weinig vertrouwen hebben in een politie-interventie. Hulpverleners hebben angst naar de politie te komen, omdat dan een voor hen niet te beheersen proces losbarst. De politie die de regie overneemt en met de botte bijl optreedt, gericht op aanhouding van de dader.
In onze regio hebben we alle taakaccenthouders huiselijk geweld in onze politieteams geïnstrueerd hoe om te gaan met een aangifte vanuit de zorg.
Daarin stellen we hen voor om, analoog aan de intake bij aangiften in zedenzaken, eerst een oriënterend gesprek te houden. Daarin kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de te volgen route. Daardoor blijft de hulpverlener betrokken bij het vervolg.
Een positieve ontwikkeling
De oproep vindt weerklank. Onlangs heeft in onze regio een gesprek plaatsgevonden tussen de hoofdofficier van justitie en de politie én leidinggevenden van Jeugdzorg en het AMK, de Raad van de Kinderbescherming, de GGD, gehandicaptenzorg en GGZ-instellingen. Onderwerp van gesprek was precies het thema van dit artikel.
Daarnaast kunnen we constateren dat in onze regio mede door een steeds betere samenwerking met hulpverleningsinstellingen, een toenemend aantal aangiften vanuit hulpverleningsorganisaties binnenkomen. In 2004 kwamen elf aangiften van kindermishandeling/seksueel misbruik binnen via Bureau Jeugdzorg, instellingen voor verstandelijk gehandicapten en vanuit onderwijs. In 2005 waren dat er achttien vanuit het Bureau Jeugdzorg, maar ook vanuit het AMK en van instellingen voor verstandelijk gehandicapten. In 2006 steeg het aantal naar 25, vanuit bureau Jeugdzorg, het AMK, een instelling voor verstandelijk gehandicapten, het onderwijs en vanuit een verpleeghuis. In drie jaar tijd een stijging van elf naar 25!!
Tot slot
Ons betoog is er niet op gericht om in alle situaties van huiselijk geweld en zeker kindermishandeling de politie in te schakelen. Onze belangrijkste stelling is dat als iemand een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling herkent, er iets moet gebeuren waardoor het stopt. Het belang dat geweld stopt gaat boven het belang van geheimhouding.
Als daarbij de politie een rol kan of moet spelen – de extra mogelijkheden van de politie zijn genoemd - dan willen we dat graag doen.

Reageer op dit artikel