Geschiedenis van de politie in de Lage Landen: 1900 - 1960
De politieke geschiedenis van de politie van de Lage Landen in de eerste helft van de twintigste eeuw wordt gedomineerd door machtsstrijd. Het politieapparaat belichaamt immers het geweldsmonopolie van de staat. Door deze kritische positie van dit apparaat voortdurend te onderkennen, is te voorkomen dat het apparaat voor ondemocratische doeleinden wordt misbruikt, of anderzijds: onvoldoende wordt ingezet voor de handhaving van de rechtsstaat. Historisch onderzoek leidt tot een beter inzicht in de goede en slechte kanten van het politieapparaat.
Het valt om verschillende redenen niet mee om op een evenwichtige manier iets te schrijven over de politieke geschiedenis van de politie in de Lage Landen. Het gaat om twee landen waarvan de politieke geschiedenissen op belangrijke punten in het geheel niet parallel lopen. Het gaat om een tijdvak waarin de ontwikkeling van deze beide landen in veel opzichten – politiek, economisch, militair, cultureel – met zware schokken is verlopen. En het gaat om een onderwerp dat tot hier toe in de academische geschiedschrijving niet veel aandacht heeft gekregen. De geschiedenis van het politiewezen is in wetenschappelijke kringen nog steeds een marginaal onderwerp. Onbegrijpelijk, gezien de belangrijke rol die politiediensten sinds de achttiende eeuw niet alleen vervullen in het dagelijkse functioneren van westerse samenlevingen maar ook in de uitoefening van blote macht ten tijde van oorlogen, revoluties, staatsgrepen en de dictaturen die daar dikwijls uit voortvloeien.
De toestand rond 1900
Rond 1900 was de hoofdstructuur van de politie in de beide landen nog grotendeels gebaseerd op het model dat hier en elders tijdens de Franse Revolutie dan wel de Napoleontische Tijd werd ingevoerd. Enerzijds was er de gemeentelijke politie – met stedelijke politiekorpsen en gemeenteveldwachters – en anderzijds, in het zuiden van Nederland, marechaussee en, in België, gendarmerie. Nederland kende sedert 1856 daarnaast de rijksveldwacht. Dit korps werd toen vooral opgericht om de afwezigheid van de marechaussee in het noorden van het land enigszins te compenseren.
De politiestelsels in de beide landen ondergingen tegen het einde van de 19e eeuw belangrijke veranderingen, vanwege binnenlandse maatschappelijke ontwikkelingen maar ook als gevolg van de gespannen verhoudingen tussen de grootmachten in West-Europa.
Modernisering Nederlandse korpsen
In een aantal groten steden in Nederland werd de politie gemoderniseerd. Redenen hiervoor waren de urbanisatie – het gevolg van de opbloei van handel en industrie – en de opkomst van politieke bewegingen, die radicale maatschappelijke veranderingen nastreefden. Een goed voorbeeld van wat er gebeurde is de reorganisatie van de politie in Rotterdam in jaren negentig. Het stadsbestuur stelde in 1893 een jonge legerofficier – Voormolen – aan om in deze explosief gegroeide havenstad het politiekorps op een eigentijdse manier te reorganiseren. Met het oog hierop ondernam hij in 1894 een studiereis langs onder meer de politiekorpsen van Berlijn, Hamburg, Parijs, Londen en Liverpool. Zijn bevindingen legde hij in 1895 neer in een uitvoerig reorganisatievoorstel dat door de gemeenteraad zonder problemen werd aangenomen, ook al ging het om een kostbare operatie. Een modern politiekorps was de stad kennelijk veel waard. Voormolen verdeelde het territoir van de stad in posten, die elk werden bemand met een of meer politiemensen, die fungeerden als representanten van het stadsbestuur. Zij moesten het beleid dat dit bestuur voerde in principe alleen door hun aanwezigheid uitdragen, maar desnoods dwang en geweld gebruiken. De Britse historicus Storch spreekt in dit verband over 'blue missionaries', die het machtswoord van de stadsbestuurders op het terrein van openbare orde en veiligheid in daden moesten omzetten. Complementair aan deze geografische reorganisatie van het korps voerde Voormolen een functionele reorganisatie door. Naast de surveillancedienst, die instond voor de permanente aanwezigheid van zijn korps op het gehele grondgebied van de stad, richtte hij een aantal speciale diensten op: een bereden brigade, een eenheid rivierpolitie en een afdeling recherche. Deze laatste afdeling was samen met rechercheurs van de rijksveldwacht verantwoordelijk voor het vergaren van inlichtingen over anarchisten, revolutionaire socialisten.
Maatschappelijke onrust
Gewelddadige verstoringen van de openbare orde in de beide landen leidden tot reorganisatie van de rijkspolitie. In Nederland zorgden met name de betrekkelijk gewelddadige en voor een deel socialistisch geïnspireerde werkstakingen in de veenkoloniën tot een aanzienlijke uitbreiding van de marechaussee. Er werd daar een vierde divisie van dit korps gelegerd. Bovendien werd de interne structuur van de rijksveldwacht versterkt, zodat ook dit korps makkelijker kon worden ingezet voor het beteugelen van wanordelijkheden. Door het aanstellen van rechercheurs binnen dit korps maakte de regering een begin met de opbouw van een gekwalificeerde recherche op rijksniveau. Bovendien beschikte zij hierdoor tot op zekere hoogte over een instrument om op nationaal niveau inlichtingen te verzamelen over extrem(istisch)e politieke groeperingen. Dit laatste gebeurde in België niet; binnen de gendarmerie werden geen speciale rechercheurs aangesteld. Maar dit was hier ook niet nodig, omdat in België bij het ministerie van Justitie reeds sedert lang een dienst bestond die zich bezighield met het politieke inlichtingenwerk, de Veiligheid van de Staat. En wellicht was dit ook een van de redenen waarom er geen aparte gerechtelijke politie bij de parketten werd opgericht – tegen de zin van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep. Wel kreeg de gendarmerie aanzienlijke versterking. In 1897 werd in Tervuren een mobiel eskadron opgericht, dat in het hele land kon worden ingezet. In 1913 werd dit korps in twee delen opgesplitst: een territoriale gendarmerie – opgebouwd uit de brigades en de districten – en een mobiele gendarmerie, bestaande uit drie mobiele eenheden, gelegerd te Brussel, Gent en Luik. Deze ingrijpende reorganisatie was, net als in Nederland, deels ingegeven door de soms zeer gewelddadige stakingen in de mijngebieden van Wallonië. Een andere reden vormden de gespannen politieke verhoudingen tussen Duitsland en Frankrijk. Mochten de spanningen tussen deze beide landen verder oplopen en uitmonden in een nieuwe Frans-Duitse oorlog, dan zouden die mobiele eenheden kunnen worden toegevoegd aan de onderscheiden divisies van de landmacht. Deze verdere militarisering van de gendarmerie werd met name doorgevoerd onder leiding van commandant De Selliers de Moranville. Deze topofficier, in 1914 commandant van het Belgische leger, spiegelde zich aan de organisatie van het Pruisische leger om zijn gendarmerie voor te bereiden op haar eventuele militaire inzet bij de verdediging van het land.
Deze transformaties van het politiewezen voedden overigens in beide landen – binnen en buiten de betrokken politiediensten – sterk de discussie over de inrichting van het politiebestel als zodanig. Een andere factor van belang in dit verband was de opkomst van de eerste politievakbonden. Deze verenigingen hoopten dat een algehele reorganisatie van het politiewezen ook zou kunnen leiden tot een aanzienlijke verbetering van het inkomen, de rechtspositie en de arbeidsomstandigheden van de politiemensen.
In Nederland en België werden respectievelijk in1899 en in 1902 onderzoekscommissies opgericht. De Nederlandse commissie richtte zich met name op de rijkspolitie, de Belgische commissie moest vooral onderzoek doen naar het politiewezen op het platteland.
De (deels geheime) rapporten van deze commissies zijn buitengewoon belangrijke tijdsdocumenten. Ten tijde van de publicatie maakten zij heel wat politieke discussie los, maar zij brachten niet de structurele hervormingen van het politiebestel waar velen op hoopten. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte trouwens een einde aan elke illusie op dit punt.
Eerste Wereldoorlog
De geschiedenis van de Belgische en Nederlandse politie tijdens de Eerste Wereldoorlog moet nog worden geschreven. Tot nu toe is er nog bijzonder weinig over gepubliceerd, zeker in vergelijking met de periode van de Tweede Wereldoorlog. Het is evenwel duidelijk dat de bezetting van België grote gevolgen had voor de politie. De gendarmerie was bij het uitbreken van de oorlog bij de strijdkrachten ingelijfd, zodat zij zich al vlug met het leger moest terugtrekken achter de linies in de Zuidwesthoek van het land. Hierdoor kon de gendarmerie op het grootste deel van het grondgebied geen politiediensten vervullen. Toen de oorlog ten einde liep, grepen de Duitse bezetter en Vlaams-nationalistische groepen deze situatie aan om een Vlaamse gendarmerie (een rijkswacht) op te richten, maar dit anti-Belgische initiatief werd na de oorlog meteen de kop ingedrukt. Hoe dan ook, het gevolg van een en ander was dat de gemeentelijke politie belast was met de uitvoering van de normale politietaak. Voorzover bekend heeft de Duitse overheid geen pogingen gedaan om structureel in te grijpen in de organisatie van de plaatselijke politiezorg. Een uitzondering hierop vormden de stedelijke agglomeraties: in Brussel bijvoorbeeld vielen alle lokale korpsen onder één hoofdcommissaris. Verder werd in deze centra ook een gemeenschappelijke zedenpolitie opgericht, met het kennelijke doel om de prostitutie en daarmee verspreiding van venerische ziekten in de hand te houden. Nederland werd in de Eerste Wereldoorlog, zoals bekend, niet bezet. Haar neutraliteit werd door Duitsland onder voorwaarden gerespecteerd. De gevolgen van de oorlog voor de Nederlandse politie waren dan ook minder ingrijpend dan in België. Maar zij mogen niettemin toch ook niet worden gebagatelliseerd. Zo werd de marechaussee ingeschakeld bij de bewaking van de grens met België en het toezicht op de gemobiliseerde troepen. Het gevolg hiervan was dat de burgerlijke overheden in grote delen van het land niet langer zomaar beroep konden doen op dit politiekorps, ook niet bij ordeverstoringen. Conflicten met de militaire overheden over de beschikbaarheid van de marechaussee bleven dan ook niet uit, temeer omdat meer dan eens bleek dat de lokale politiekorpsen inderdaad niet in staat waren om op eigen kracht het hoofd te bieden aan bij voorbeeld voedselrellen in de steden.
Angst voor revolutie
Maar wat de doorslag gaf voor de politiereorganisatie na de Eerste Wereldoorlog waren de revolutionaire ontwikkelingen in Rusland, Duitsland en andere Europese staten. Men was bang dat ze zouden overslaan naar de Lage Landen. In Nederland leidde dit ertoe dat er naast de marechaussee en de rijksveldwacht een speciaal korps politietroepen werd opgericht dat in staat zou zijn om politieke onlusten gewapenderhand de kop in te drukken. Een ander gevolg hiervan was de oprichting van een politieke inlichtingendienst. Deze werd deels aangestuurd vanuit de generale staf van het leger en deels vanuit de recherches bij de politiekorpsen in de grote steden, vooral Amsterdam, maar ook Rotterdam en Den Haag. In België ging men om deze reden door met de versterking van de gendarmerie langs de lijnen die al voor de Eerste Wereldoorlog waren uitgezet. Het korps werd uitgebreid: het aantal mobiele eenheden ging van drie naar zes. Bovendien werd in Brussel een mobiel legioen geformeerd, bestaande uit vier bereden eskadrons en acht pantserwagens. Net als in Nederland was er geen sprake van versterking of herstructurering van de gemeentelijke politie. Maar anders dan in Nederland kwam er wel een gerechtelijke politie, bestaande uit eenheden die werden toegevoegd aan de parketten van de procureur des Konings in de gerechtelijke arrondissementen. Met deze belangrijke ingreep in de basisstructuur van de Belgische politie reageerde de overheid op de criminaliteitsproblemen die zich in het kielzog van de oorlog manifesteerden. Maar hoogstwaarschijnlijk was deze speciale recherchedienst ook in het leven geroepen om extreme politieke bewegingen in het oog te houden.
Interbellum
In de jaren twintig veranderde er weinig in het Belgische politiebestel. Bij de gemeentelijke politie werd in 1924 op beperkte schaal iets gedaan aan de arbeidsomstandigheden van politiemensen. De gendarmerie werd alleen maar verder geïntegreerd in de militaire structuren van het land. Zo werd in 1927 beslist dat de mobiele eenheden in tijd van oorlog zouden worden samengesmolten tot drie regimenten, een voor elk legerkorps.
De geschiedenis van Nederlandse politie in de jaren twintig vertoont meer tekenen van leven. Zowel in de kranten en vakbladen als achter de schermen, laaiden hevige polemieken op over de organisatie van het rijkspolitieapparaat. Steeds weer kwam de vraag op of het uit een oogpunt van besparingen niet mogelijk was om hetzij de marechaussee en de rijksveldwacht hetzij de marechaussee en het korps politietroepen samen te voegen tot een enkel korps, zonder afbreuk te doen aan de slagvaardigheid van het rijkspolitieapparaat. Ondanks de goede argumenten om een dergelijke sanering door te voeren, kwam het er uiteindelijk niet van. Dit was deels uit vrees voor destabilisering van het rijkspolitieapparaat, deels omdat er geen regering krachtig genoeg was om de impasses in de discussies te doorbreken.
Modernisering
De jaren twintig markeerden een 'lenteperiode' voor de gemeentelijke politiekorpsen in de grote Nederlandse steden. Op de grond van wat er vóór de Eerste Wereldoorlog al her en der tot stand was gebracht, werden de korpsen op zeer moderne leest geschoeid. De werkwijze van de recherches werd aangepast aan de nieuwe inzichten op het terrein van de criminalistiek, de afdelingen jeugd- en zedenpolitie werden verder uitgebouwd, er kwamen verkeersafdelingen, de algemene geüniformeerde diensten werden enigszins gemotoriseerd en er werd geëxperimenteerd met de nieuwste vormen van communicatie. Deze professionalisering werd voor een belangrijk deel op gang gebracht door jonge, vrij goed geschoolde en talentvolle politieofficieren, die van hun hoofdcommissarissen de ruimte kregen om deze ontwikkeling in gang te zetten. En het is dan ook niet verwonderlijk dat zij gepaard ging met meer aandacht voor de rekrutering en de opleiding van politiemensen. In 1920 werd met vereende krachten – politiekorpsen, politievakbonden en ministerie van Justitie – in Hilversum de eerste zelfstandige politieschool gesticht, bedoeld voor de opleiding van zowel agenten als officieren.
Niet onbelangrijk in dit verband is dat deze opbloei van de stedelijke politiekorpsen voor een belangrijk deel werd geïnspireerd door de evolutie van de politie in de Weimar Republiek, die in Nederland werd beschouwd als maatgevend voor een moderne professionele West-Europese politie. De boeken van bijvoorbeeld Roscher en Heindl over respectievelijk de organisatie van de politie in Hamburg en de organisatie van een eigentijdse recherche waren belangrijke bronnen van inspiratie. Een enkele ambitieuze Nederlandse politieofficier trok zelfs naar Berlijn om aan de politieacademie aldaar het vak te leren. De Nederlandse politie had haar eigen stand op de beroemde Polizei-Ausstellung, die in 1925 in deze stad plaatsvond. Hiermee kwam een eind aan de voorbeeldfunctie die de Franse politie tot laat in de negentiende eeuw voor de Nederlandse politie had gehad. De invloed van de Engelse en de Amerikaanse politie beperkte zich in die tijd hoofdzakelijk tot de definitie en de uitvoering van de politietaak op verkeersgebied.
Terug naar af
De jaren dertig zetten een enorme domper op deze hooggestemde ontwikkelingen in de Nederlandse politie. De dreigende arbeidsonrust als gevolg van de economische crisis en de harde maatregelen die de regering trof om deze crisis te bezweren en in het bijzonder het zogenaamde Jordaan-oproer in Amsterdam in juli 1934 leidde ertoe dat de handhaving van de openbare orde, desnoods met harde hand – manu militari –, weer de overhand kreeg in de discussie over de verdere inrichting van het politieapparaat. Als gevolg van dit oproer werden in de grote steden zogenaamde karabijnbrigades opgericht, opnieuw naar het voorbeeld van soortgelijke brigades bij de Duitse politie. Verder trof men maatregelen om de besluitvorming over de inzet van de politiediensten en eventueel van het leger te concentreren in de handen van de minister van Justitie en de procureurs-generaal bij de gerechtshoven. Hernieuwde pogingen om met name de marechaussee en de rijksveldwacht samen te smeden tot een enkel rijkspolitiekorps liepen evenwel opnieuw op niets uit. Wel ontstonden er grote spanningen tussen het ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie enerzijds en de marechaussee anderzijds. Deze spanningen ontlaadden zich in een zwaar politiek conflict naar aanleiding van het optreden van de marechaussee in de gemeente Oss. 'Justitie' tekende met name bezwaar aan tegen het optreden van de betrokken marechausseebrigade tegen eerst een aantal zware misdadigers en later een aantal notabelen in de streek, terwijl koningin Wilhelmina de betrokken marechaussees hoogstpersoonlijk decoreerde voor hun krachtdadig en succesvol optreden.
Dienst Algemene Rijkspolitie
In België ging het er bij de stakingen in 1932 en 1936 in de industriële bekkens van Wallonië een stuk harder aan toe dan bij voorbeeld in Amsterdam in 1934. En de gevolgen waren er op politiegebied ook naar. Tot twee keer toe werd de sterkte van de gendarmerie opgetrokken – tot ruim zevenduizend manschappen – en tot twee keer toe werd haar organisatie versterkt om het hoofd te kunnen bieden aan grootschalige en gewelddadige ordeverstoringen: alle mobiele eenheden werden geïntegreerd in het mobiel legioen te Brussel dat als gevolg van deze herstructurering op het einde van de jaren dertig ruim tweeduizend manschappen telde, bijna eenderde van de totale sterkte van het korps. Zowel de gemeentelijke politie als de gerechtelijke politie ondergingen ook in deze jaren geen veranderingen die enigszins vergelijkbaar zijn met de herstructurering van de gendarmerie in deze periode. Bij de gemeentelijke politie werd alleen wat gesleuteld aan de vooropleiding van de officieren. De gerechtelijke politie deed vergeefse pogingen om alle brigades bij één commissaris-generaal onder te brengen, de vroegere hoofdcommissaris van gerechtelijke politie te Brussel, F. Louwage. Meer politieke beroering werd veroorzaakt door de beslissing van de regering in juni 1934 om de politieke inlichtingendienst – de Veiligheid van de Staat – over te brengen van het ministerie van Justitie naar dat van Binnenlandse Zaken. Het argument dat de regering daartoe aanvoerde was dat de minister die politiek verantwoordelijk was voor de handhaving van de openbare orde zich ook rechtstreeks moest kunnen bedienen van de diensten die in dit verband over de meeste inlichtingen beschikten. Het verzet in socialistische en liberale kringen tegen dit initiatief – die dienst zou zich als gevolg van deze overgang tot een echte politieke politie ontwikkelen – leidde er echter toe dat de regering bakzeil moest halen. Maar in datzelfde jaar – 1934 – werd op het ministerie van Binnenlandse Zaken de Dienst Algemene Rijkspolitie opgericht. Deze dienst moest de minister van Binnenlandse Zaken bijstaan bij het voeren van beleid op het vlak van de ordehandhaving. De dienst ontwikkelde zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tot het centrum van de politiehervorming. Het waren met name Vlaamse collaborateurs die, onder druk van de Duitsers, deze hervorming tot stand brachten.
De Tweede Wereldoorlog
De Tweede Wereldoorlog heeft voor de Nederlandse politie enorme gevolgen gehad. De Duitse bezetting – met name het plan om Nederland in te lijven in het 'Derde Rijk' bracht immers met zich mee dat hier een burgerlijk bestuur werd opgebouwd. De Duitsers hechtten zeer veel belang aan de gelijkschakeling van de Nederlandse politie en de SS-politie; deze opdracht werd toevertrouwd aan de Höherer SS-und Polizeiführer Rauter. België daarentegen kreeg te maken met een Militärverwaltung. De Duitse overheid hechtte weliswaar belang aan het handhaven van de openbare orde in dat land, maar van een totale reorganisatie van de politie was geen sprake. Himmler wilde heel graag anders maar zijn streven om een Höherer SS- und Polizeiführer in België benoemd te krijgen ketste steeds weer af op het verzet van de Militärverwaltungschef Reeder. Toen hij er in augustus 1944 met de benoeming van Jungclaus tot Höherer SS-und Polizeiführer eindelijk wel in slaagde zijn zin door te drijven, was het te laat om de Belgische politie nog om te bouwen naar het SS-politiemodel.
Vlaamse en Waalse gendarmerie
Toch werd ook de Belgische politie niet ongemoeid gelaten. De gendarmerie werd onmiddellijk gedemilitariseerd en onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken geplaatst. Het korps werd fors uitgebreid en opgesplitst in een Vlaamse en een Waalse gendarmerie. Nieuwe leden werden gerekruteerd uit collaborerende politieke organisaties en in aparte scholen binnen de gendarmerie opgeleid. Om het korps beter af te stemmen op de behoeften van de Duitse overheid, werden deze nieuwelingen bij de mobiele eenheden geplaatst, met name bij de gehate eskadrons 'S' die daar deel van uitmaakten. Als gevolg hiervan bleef de territoriale gendarmerie min of meer het domein van de 'oude' gendarmerie, waarvan heel wat manschappen (bijna zeshonderd) wegens verzet tegen de Duitse bezetting werden aangehouden; bijna vijftig overleden er in de concentratiekampen; zo'n 25 werden er terechtgesteld. Voor de gemeentelijke politie bleef deze keer minder bij het oude dan tijdens de bezetting in de Eerste Wereldoorlog. Korpsen in de stedelijke agglomeraties werden samengevoegd, werving en de opleiding van nieuwe manschappen geschiedde centraal bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. En zowel de interne organisatie als de uitrusting van de korpsen werd op een aantal punten geüniformeerd. Anders dan bij de gendarmerie ontstond er niet zoiets als een 'oude' en een 'nieuwe' gemeentelijke politie. Dit neemt niet weg dat de gemeentepolitie in Antwerpen nauw betrokken is geraakt bij de deportatie van veel Joodse burgers naar de uitroeiingskampen.
Revolutionaire transformatie
Dit geldt ook voor de Amsterdamse gemeentepolitie. Via een samenstel van maatregelen liet ook dit korps zich stap voor stap inschakelen bij de deportatie van vele Joodse mensen. En zulke vreselijke dingen gebeurden niet alleen in Amsterdam, ook in andere plaatsen hielpen politiemensen mee bij het uitvoeren van het politieke programma van het nationaal-socialistisch regime. Op welke schaal dit is gebeurd en op welke schaal politie(mensen) bij het verzet waren betrokken, is nog altijd een omstreden punt. Een van de oorzaken van deze controverse is dat de Nederlandse politie, anders dan de Belgische, van meet af aan grondig werd gereorganiseerd, zodat niet eenvoudig is vast te stellen welke politie(mensen), op onaanvaardbare manieren samenwerkten met het Duitse regime, en welke politie(mensen) niet in die zin collaboreerden. Om de Belgische terminologie te gebruiken: op welke schaal werd er door de 'oude' politie gecollaboreerd en op welke schaal door de 'nieuwe' politie? Dit is een van de gevoeligste vragen in het historisch onderzoek dat momenteel naar de geschiedenis van de Nederlandse politie in de twintigste eeuw wordt gedaan.
Revolutionair
Hoe dan ook, de transformatie die de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog onderging, kan revolutionair worden genoemd. Sinds de Franse Revolutie had ze niet meer zo'n ingrijpende reorganisatie meegemaakt. Het korps politietroepen en de rijksveldwacht werden in twee etappes geïntegreerd in de, ook hier gedemilitariseerde, marechaussee, waarvan het beheer was overgebracht naar het ministerie van Justitie. Ook de gemeentelijke politiekorpsen – met name die in de grote steden – werden bij dit ministerie ondergebracht. Rauter wilde echter meer dan een organisatorische aanpassing van de Nederlandse politie aan het SS-politiebestel, hij wilde haar ook in ideologisch opzicht annexeren. Hiertoe nam hij drie maatregelen. Ten eerste probeerde hij zoveel mogelijk aanhangers van de 'nieuwe orde' de politie in te loodsen en zuiverde hij tegelijkertijd een groot aantal tegenstanders hiervan weg; eind 1943 en begin 1944 bij elkaar zo'n 1600. Ten tweede werden ook hier speciale scholen opgericht voor de opleiding van agenten en officieren, die volledig op nationaal-socialistische leest waren geschoeid. Die scholen waren niet alleen bedoeld om de nieuwe rekruten ideologisch te 'brainwashen', maar ook politiemensen die reeds voor de oorlog in dienst waren getreden. En ten derde dreigde hij draconische maatregelen te treffen tegen politiemensen die zich 'deutschfeindlich' opstelden. Deze dreigementen voerde hij – zij het op kleine schaal – ook uit: een aantal politiemensen werd met hun gezin opgesloten in een kamp te Vught. In augustus 1943 liet Rauter echter aan Himmler weten dat de Nederlandse politie 'unter keinen Umständen mit(tut). Es läuft uns die gesamte Executive weg, wenn wir versuchen sie einzuspannen'.
Naoorlogse situatie
Na de oorlog kon Nederland onmogelijk terugkeren naar de situatie van voor de oorlog. Niemand wilde dit eigenlijk ook. Maar hoe het dan wel moest worden georganiseerd, was politiek en ambtelijk een enorm strijdpunt. Het compromis in 1945 was dat de marechaussee grotendeels werd gereduceerd tot een militaire politie, dat in het verlengde van de rijksveldwacht het korps rijkspolitie werd opgericht en dat er in gemeenten met meer dan 25.000 inwoners opnieuw gemeentepolitie kwam. Dit compromis bleef echter ook daarna zo omstreden dat de regering zich in 1948 – ook gelet op het uitbreken van de Koude Oorlog - gedwongen zag om een commissie in te stellen (de commissie-Langemeyer) die een voorstel voor een nieuwe organisatie moest uitwerken. Dit kreeg deze commissie niet voor elkaar: de verschillen van opvatting tussen alle betrokken partijen waren te groot. Uiteindelijk werd de bestaande organisatie in 1957 vastgelegd in een heuse Politiewet. Maar halverwege de jaren zestig sneuvelde het compromis alsnog als gevolg van de rellen in Amsterdam tijdens het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg.
In België liep het anders. Doordat de reorganisatie tijdens de bezetting hier veel minder ingrijpend was geweest, kon men na de oorlog zonder al te veel problemen terugkeren naar de situatie van het interbellum. De relatieve rust werd echter ernstig verstoord door de koningskwestie. De hevige onlusten die in de zomer van 1950 uitbraken, brachten de gebreken van het bestaande politieapparaat in alle hevigheid aan het licht. Deze ervaring leidde ertoe dat de gendarmerie – in Vlaanderen sinds 1945 steevast rijkswacht genoemd – via een speciale wet van 1957 werd uitgebouwd tot de belangrijkste politiedienst van het land en volop de ruimte kreeg om te moderniseren. Dit zette kwaad bloed bij de andere politiediensten en resulteerde in de jaren zestig in een 'politieoorlog' ('guerre de police').
Conclusie
Het is duidelijk dat de politieke geschiedenis van het Belgische en Nederlandse politie in de eerste helft van de twintigste eeuw wordt gedomineerd door machtsstrijd, strijd om de politieke macht – via oorlogen, revoluties en staatsgrepen en/of toch tenminste de vrees voor zulk soort van conflicten – en daarbinnen strijd om de macht over het politieapparaat. Niet zo verwonderlijk, aangezien het politieapparaat nog altijd de belangrijkste belichaming vormt van het geweldsmonopolie van de staat. Dit neemt niet weg dat het in democratische rechtsstaten belangrijk is om deze kritische positie van dit apparaat voortdurend te onderkennen. Hiermee kan men enerzijds voorkomen dat dit apparaat wordt misbruikt voor de verwezenlijking van ondemocratische doeleinden en anderzijds onvoldoende wordt ingezet voor de handhaving van de rechtsstaat. Daarom is historisch onderzoek naar de politie ook zo belangrijk: het leidt tot een beter inzicht in de weldaden en de kwade kanten van het politieapparaat. De geschiedenis van de politie moet meer zijn dan een hobby van een handvol politiemensen of een onderdeel van het lesprogramma aan een politieschool. Het moet een kwestie zijn waaraan steevast wordt herinnerd in de publieke discussie over de daadwerkelijke rechtshandhaving in democratische samenlevingen. Deze geschiedenis verdient het om deel uit te maken van het collectieve geheugen van landen.
Dit is echter geen eenvoudige opgave. Om twee redenen: ten eerste omdat juist de historische verknoping van het politieapparaat aan machtsverhoudingen en machtsproblemen in samenlevingen het moeilijk maakt om een open en onbevangen publieke discussie tot stand te brengen en in stand te houden. Veel participanten zijn maar al te snel geneigd om die geschiedenis alleen door hun eigen ideologische bril te willen zien. Vandaar ook het grote belang van onpartijdig en onafhankelijk grondig onderzoek op dit terrein. Ten tweede is het moeilijk omdat de geschiedenis zoveel gezichten heeft. Neem de geschiedenis van de Nederlandse en de Belgische politie in de Tweede Wereldoorlog. Er zijn voorbeelden van politiemensen die zich op vreselijke manieren schuldig gemaakt aan mensenjacht maar er zijn ook voorbeelden van politiemensen die hun eigen leven hebben gegeven om dat van anderen te redden. We moeten daarom in ons onderzoek zulke tegenstrijdigheden en contrasten niet verbloemen, maar juist cultiveren. Alleen herinneringen die recht doen aan de complexiteit van de geschiedenis van het politieapparaat kunnen een rol van betekenis spelen in de publieke discussie over het heden en de toekomst ervan.
Verantwoording
Deze bijdrage is een bewerking van een voordracht die op 8 mei 2003 werd gehouden op de conferentie 'Erinnerungskultur in westeuropäischer Perspektive' te Münster. Zij is hoofdzakelijk gebaseerd op C. Fijnaut, Een kleine geschiedenis van de huidige organisatie van het Belgische politiewezen, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1995, en C. Fijnaut, Voorproeve van een geschiedenis van de Nederlandse politie, Tilburg, 2001. Verder is onder meer gebruikgemaakt van B. Majerus en X. Rousseaux, The impact of the war on the belgian police system (niet gepubliceerd); N. Manneke, Uit oogpunt van policie; zorg en repressie in Rotterdam tussen 1870 en 1914, Arnhem, Gouda Quint, 1993; G. Meershoek, Dienaren van het gezag; de Amsterdamse politie tijdens de bezetting, Amsterdam, Van Gennep, 1999; L. Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad; een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944), Tielt, Lannoo, 2000; J. Smeets, Het korps politietroepen; de politiemilitair als steunpilaar van het wettig gezag, Soest, 1997 en van dezelfde auteur, De affaire Oss, Amsterdam, Wereldbibliotheek, 2001.

Is het onderzoek naar de Politie in oorlogstijd al afgerond?