Goed politiewerk: leren ontwikkelen vanuit de praktijk; ’in den beginne is de relatie’ (Martin Buber)

In deze bijdrage zoek ik een antwoord op de vraag of en hoe ‘goed politiewerk’ te leren is. Het gaat daarbij niet om abstracte filosofieën, maar om het concrete handelen. Dat moet ook: elk leren dat niet het handelen raakt, is zinloos; ijdel als het najagen van wind.


Goed politiewerk: kun je dat leren?

Ik begin met een verkenning van de vraag wat ‘goed politiewerk’ is. Ik ga ervan uit dat in het professionele handelen van politiemensen effectiviteit en efficiency niet de enige betekenisvolle begrippen zijn. In het handelen zijn ook morele vragen aan de orde, of zoals Frans Denkers zei: het gaat ook om het moreel kompas. Welke waarden worden in het handelen tot uitdrukking gebracht? Het handelen van politiemensen beschouw ik als een veelheid van morele micropraktijken. Ik licht dat in diezelfde paragraaf nader toe. Ik betoog daar ook dat politiewerk niet benaderd zou moeten worden vanuit het idee van resultaatgerichtheid maar als eindeloos repeterend ‘huishoudelijk werk’. Ik maak daarbij gebruik van Hannah Arendts onderscheid tussen ‘werk en arbeid’.

Daarna bespreek ik de vraag of en hoe je dat goede politiewerk zou kunnen leren. De kern van mijn benadering zal zijn dat het leren en werken nog veel nadrukkelijker vervlochten moeten worden. Het leren zal vooral een leren van en in de praktijk moeten zijn. De praktijk is daarbij niet als oefenterrein dienstbaar aan het realiseren van onderwijsdoelen, maar andersom het leren zal in functie staan van een zinvolle ontwikkeling van de politiepraktijk. De opgave is dat zowel uitvoerende als leidinggevende politiemensen zich ontwikkelen tot reflectieve en normatieve professionals: waakzaam, dienstbaar en wijs.

Tot slot ga ik in op de rol van de politieacademie. Wat kan de bijdrage zijn van de politieacademie aan het leren van politiemensen. M.a.w. wat is de mogelijke bijdrage van de politieacademie aan goed politiewerk?

 

Op zoek naar goed politiewerk: van waar vertrek ik?
Politiewerk is geen doel op zichzelf. Goed politiewerk is dienstbaar aan het samenleven. Tegen deze stelling zal weinig bezwaar zijn. Maar met deze open deur zijn we er niet. Er is immers geen algemeen aanvaard ‘intelligent design’ van het samenleven. Het goede samenleven – als daar al over gesproken mag worden – is ‘work in progress’, de uitkomst is ongewis, de toekomst principieel open. Utopisch denken over een ideale samenlevingsvorm is, zo blijkt uit de geschiedenis niet erg zinvol en zelfs uiterst riskant. Uiteindelijk is elk utopisch denken totalitair. Niet de eenheid, maar de veelheid moet bewaakt worden. Elders heb ik in dit licht gesproken over de wenselijkheid van een ‘ontwikkelingsgerichte politie’, waarbij de politie-inzet dienstbaar is aan de ontwikkeling van een veelvormige en vitale gemeenschap. Drie interventiestrategieën heb ik daarbij benoemd: (1) begrenzen van ‘dikke-ik-gedrag’; wie te veel ruimte inneemt en de ander verdringt, moet – desnoods met geweld – teruggedrongen worden, (2) beschermen van wie in de verdrukking komt, veiligheid bieden aan hen die dat behoeven en (3) bekrachtigen van gedrag dat het goede samenleven, d.w.z. het geweldloos samenleven met verschillen bevordert.

Het motto ‘waakzaam en dienstbaar’ moet m.i. geplaatst worden in het perspectief van de ontwikkeling van een onbepaalde, veelvormige, vitale samenleving.

Met deze korte inleiding heb ik mijn positie geschetst, zodat de lezer weet uit welke hoek de wind waait.

 

Wat is goed politiewerk: een eerste verkenning

Voordat we in de volgende paragraaf de praktijk opzoeken, maak ik in een eerste beschouwing nog wat omtrekkende bewegingen. Ik probeer daarmee iets meer betekenis te geven aan de zoektocht naar ‘goed politiewerk’.


Verdwaald?
’Als je niet weet waar je naartoe wilt, maakt het niet uit welke weg je neemt’. Wie kent niet de klassieker uit Alice in Wonderland. Alice staat op een kruispunt en vraagt aan de Cheshire Cat welke weg ze moet kiezen. ‘Waar wil je naar toe’ vraagt de Kat. Alice zegt dat haar dat eigenlijk niet zoveel kan schelen. En dan volgt het beroemde bovenstaande antwoord.

In de managementliteratuur wordt dit voorbeeld veel aangehaald. Als je geen helder doel voor ogen hebt, maakt het niet uit wat je doet. Dat klinkt logisch. Hoe moet je oordelen over de zin van je inspanning als je niet weet waarop die uiteindelijk gericht is? Wat kun je zeggen over een efficiënt en effectief gebruik van middelen als je niet weet waar de inzet van die middelen toe moet leiden; als doel en middel niet in een zinvol verband kunnen worden gebracht?

Toch lijkt dat de situatie in het geval van politiewerk. We praten en denken weliswaar graag in doel-middelen-schema’s, maar de zin van het werk kan uiteindelijk niet ontleend worden aan een vastgestelde eindsituatie. Natuurlijk, wij kunnen doelen bepalen en ons richten op de realisatie daarvan, maar helpt dat echt? Het is niet voor niets dat zingeving nu zo’n relevant thema is geworden. Dat komt niet omdat we geen doelen hebben die ons handelen richting kunnen geven en waarop gestuurd en afgerekend kan worden. Integendeel, de vraag naar zin is juist voortgekomen uit de ontmaskering van de gekozen doelen als zinloze richtingwijzers. Het doel is het probleem. Het gesprek gaat voorzichtig weer over de betekenis van ons handelen. Politieleiderschap: ‘does it make sense?’

Het probleem is complex. We erkennen dat de politie een zinvolle bijdrage moet leveren aan de kwaliteit van het samenleven en in het bijzonder aan veiligheid, maar we hebben, zoals gezegd, geen algemeen aanvaard beeld van wat de term ‘kwaliteit van het samenleven’ betekent. Sterker nog, we proberen wel doelgericht te handelen, maar we weten niet en we kúnnen ook niet weten wat de uiteindelijke effecten van het politie handelen zijn. Hannah Arendt formuleert dat – voor al het menselijk handelen – heel pregnant: ‘we weten niet wat we doen’. Het web van interacties is onoverzienbaar, de doorwerking letterlijk ongekend. Hoe krijgen we, bijvoorbeeld, het vraagstuk van de criminaliteit in de vingers? Hoe lossen we overlastproblematiek duurzaam op? Wanneer slaat veiligheidsbeleid om in zijn tegendeel? Wat is een zinvol beschavingsoffensief? Hoe werkt een stevige interventie in jeugdgroepen uiteindelijk door?

 

Wat staat ons te wachten: als dit ……, dan wat?

We hebben eigenlijk geen idee. We erkennen het wellicht niet graag, maar in feite leven we op de tast. Safranski formuleert in relatie tot de door globalisering en samenhangende technologische ontwikkeling explosief toenemende complexiteit dat ‘de opdracht is intelligent te handelen in een wereld die niet te bevatten is’. Kan dat? Is dat uit te houden als je niet je ogen wilt sluiten?

 

Een andere route, klein beginnen
Er is een Joods mystiek verhaal dat raakt aan dit vraagstuk, maar het kiest een heel andere ingang. Het gaat over de mogelijkheden en de verantwoordelijkheden van de mens. Het heet ‘het breken der vaten’. Ik geef het kort weer.

God was bezig met de schepping van een volmaakt kunstwerk (het volmaakte bewustzijn) en goot daarbij goud in een mal (een vat). De mal brak en het goud verspreidde zich in steeds kleinere deeltjes over de gehele schepping. De gouddeeltjes (de vonken van bewustzijn) raakten onder het stof, waardoor hun glans verdween. Het verhaal vervolgt dan met te zeggen dat met elke goede daad de mens het goud weer zichtbaar maakt; door een goede daad rakelt de mens de goddelijke vonk weer op en draagt zo bij aan de heelwording van de schepping. De mens heeft hierin keuzevrijheid. Het behoort tot zijn mogelijkheden bij te dragen aan de vervolmaking van de schepping

In dit verhaal wordt niet stilgestaan bij wat goed is. Iedere Jood, ieder mens, met enige bijbelkennis, weet waarschijnlijk wel dat het gaat om zaken als: naakten kleden, zieken bezoeken, recht doen aan de vreemdeling, wezen en weduwen. Daar is niets visionairs aan. De vooronderstelling is dat wij in concrete handelingssituaties, intuïtief weten wat goed is.
Het doet denken aan het verhaal dat Frans Denkers graag aanhaalde als hij sprak over het ‘moreel kompas’: het verhaal van de barmhartige Samaritaan; ‘zien, bewogen worden, in beweging komen’. Huub Oosterhuis sprak op een SPL-bijeenkomst over de opdracht: recht te doen aan hen die geen verweer hebben. Je weet, zo meende hij, wanneer dat aan de orde is en wat je in voorkomende gevallen te doen staat. Diezelfde gedachte komt in seculiere vorm ook terug bij anderen. In het boekje ‘wat liefde weet’, maakt bijvoorbeeld Martha Nussbaum duidelijk dat er veel morele kennis schuilt in het gevoel, je ‘weet’ wat deugt, nog voor je verstand er woorden voor heeft; en natuurlijk kan er hier gedacht worden aan de in politiekringen bekende Arnold Cornelis (de logica van het gevoel). De ethiek vindt zijn oorsprong niet in de rede, maar de rede die het gevoel op zijn intenties bevraagt, kan de ethiek wel verlichten, verhelderen.

Kortom, we hebben dan misschien geen theorie van alles, maar in het concrete kandelen ‘weten’ we eigenlijk wel wat goed is.


Is dit een antwoord op de vraag naar ‘goed politiewerk’: Hoezo verdwaald? Je weet wat goed is, doe dat! Of is dat toch te simpel?

Waar draait het om bij politiewerk?

 

Bezieling en essentie van politiewerk, de tijdloze taak
In de loop van 2005 heeft een groep politieleiders in het kader van een SPL-programma een zoektocht ondernomen naar de essenties van politiewerk. De leidende vraag was: wat bezielt politiemensen?
Die vraag kwam voort uit onbehagen over actuele ontwikkelingen. Kernpunt daarbij was de ervaren systeemdwang. De zogeheten rationalisering van de bedrijfsvoering werd gewaardeerd als noodzakelijke professionalisering van de sturing van de politieorganisatie en het politiewerk, maar leidde tegelijkertijd tot het gevoel dat de kern van het politiewerk zo langzamerhand ernstig onder druk kwam. Dat werd niet alleen gezien als een motivatieprobleem, maar ook als een vraagstuk van effectiviteit en legitimiteit. De ontwikkeling en uitvoering van dat programma kan begrepen worden als een uitdrukking van een breder heersende verlegenheid bij politieleiders. Zijn we als politie nog wel met de goede dingen bezig; met de essentie van het politievak?

De groep heeft geprobeerd door middel van de narratieve methode het verhaal van de politie op het spoor te komen om vandaar uit de essentie te laten oplichten. Het resultaat van die zoektocht was wellicht niet spectaculair, maar wel de moeite waard. De groep werd zich bewust van wat zij ‘de tijdloze taak van de politie’ zijn gaan noemen.

Die tijdloze taak, werd als volgt geformuleerd: ‘Als je het hart van het politiewerk opzoekt, zie je dat politiemensen zich door de jaren heen hebben ingezet voor mensen die hulp nodig hadden of die onrecht was aangedaan en dat zij orde hebben gebracht waar wanorde het samenleven bedreigde; doortastend en als het erom spande, met voorbijgaan aan hun eigen belang’. Verder wordt gesteld dat ‘het belang van maatschappelijke integratie, van verbinding, ook met de ‘tegenstanders’ diep is geworteld; evenals het besef dat geweldgebruik zo veel mogelijk moet worden beperkt. Rechtvaardigheid, hulpvaardigheid, daadkracht, dapperheid en mededogen zijn voor politiemensen leidende waarden’. De kern van het vak werd gevonden in de concrete ontmoeting met burgers. Daarin wordt de legitimiteit gecreëerd of verspeeld. Burgers hebben er behoefte aan te ervaren dat zij leven in een ‘Just World’ (Lerner). Volgens de genoemde groep is de essentie van het politiewerk erin gelegen dat door het politieoptreden voor betrokken burgers het vertrouwen in een just world is toegenomen en dat de politie ervaren wordt als een betrouwbare ‘voorvechter’ van zo’n just world (‘Wat bezielt politiemensen’, 2006).

Duidelijk is dat het in de beschouwing van de groep, die zich getooid heeft met de naam Ithaka-beweging, naar Odysseus befaamde reis en ontwikkelingsweg, in het geheel niet gaat om zogeheten organisatie- of bestelvragen. Daarin is kennelijk noch de essentie, noch de bezieling te vinden. Het gaat uiteindelijk om het alledaagse handelen van politiemensen en de betekenis daarvan voor concrete burgers. Door de jaren heen is natuurlijk wel de context gewijzigd en voortdurend in beweging, maar de opgave op handelingsniveau lijkt voor politiemensen niet veel veranderd; vandaar het spreken over ‘de tijdloze taak’: betrouwbaar bijdragen aan een leefbare ordening en hulp bieden waar nodig, zodanig dat mensen tot hun recht kunnen komen.

 

Goed politiewerk: zinvol maar niet resultaatgericht?
De laatste jaren zijn we gewend geraakt aan de vanzelfsprekende eis van resultaatgerichtheid. Vanuit het vorenstaande wil ik dat hier problematiseren. Ik heb daarbij niet de inmiddels bekende perverse en onbedoelde effecten van de kwantitatieve doelformuleringen op het oog. Iedereen kent daarvan de voorbeelden.

Het gaat mij hier om de aard van het politiewerk zelf. Denkend over de activiteiten van mensen maakt Hannah Arendt onderscheid tussen arbeid en werk. Werk heeft betrekking op het maken van een product; er is een herkenbaar en erkend eindresultaat. Arbeid betreft de zich eindeloos herhalende inspanning die het (samen) leven in stand houdt; eerder zorgend dan producerend. Het is in zijn effecten moeilijk zichtbaar te maken en nooit ‘af’. Uiteraard zijn er binnen de zorg telbare activiteiten te onderscheiden, maar iedereen weet dat daarin niet de zin ervan gevonden kan worden. Hier geldt niet: hoe meer, hoe beter of hoe sneller, hoe beter. Zorg gaat niet over productie, maar over relatie; over vertrouwen en menswaardigheid. Hier is ook te denken aan gezinszorg, opvoeding en huishoudelijk werk. Het zijn ‘eindeloze’ taken, vrijwel onzichtbaar, slechts gewaardeerd en tegelijkertijd onontbeerlijk voor de kwaliteit van het samenleven. In deze taken vindt – hoe dan ook – waardeoverdracht plaats. In de microsfeer van de eigen leefwereld ontwikkelt zich een besef van hoe je je hebt te gedragen, anders gezegd, hier wordt de morele vorming gevoed. De zin daarvan wordt niet betwijfeld, maar resultaatgerichtheid is hier niet op zijn plaats, van een andere orde.

Naar mijn idee zijn politieactiviteiten ook zinvoller te beschouwen vanuit Hannah Arendt’s perspectief van arbeid dan vanuit dat van werk. Een agent in de wijk houdt zich met van alles en nog wat bezig: een bekeuring voor een ‘beller’, een praatje met een groepje jongeren die rondhangen bij het winkelcentrum en overlast (zouden) veroorzaken, het signaleren van iemand waar de recherche belangstelling voor heeft, het kalmeren en desgewenst verwijzen van een verwarde man of vrouw, het overbrengen van een winkeldief; het opnemen van een aangifte; het troosten van een slachtoffer; iemand vraagt de weg; een bon voor een foutparkeerder; bemiddelen in een burenruzie of echtelijke twist; het aanhouden van iemand die in een kroeg lastig of gewelddadig is geworden, het signaleren van een defect verkeerslicht; het aanspreken van een cafébaas die zijn terras te ruim heeft neergezet, het opnemen van een aanrijding, gewoon eens ergens staan om een beetje toezicht te houden, kijken wie zich waar ophoudt en met wie, etc.,….etc….,etc. Politiewerk is een eindeloze reeks ‘klusjes’ en klussen die op de één of andere manier allemaal te maken hebben met het (weer) soepel laten draaien van het samenleven; de vrede bewaren of ‘de boel bij elkaar houden’. Het is onmisbaar, maar ook goeddeels onzichtbaar en ‘ondankbaar’ werk. Het is nooit ‘af’; net als huishoudelijk werk; Je kan ook zeggen: het is dweilen met de kraan open; maar denk niet dat de kraan dicht kan.

Natuurlijk kunnen voor politiewerk telbare activiteiten of producten benoemd worden (output) maar die vormen er niet de zin van. Bij politiewerk gaat het om een volgehouden inspanning om het leefbaar te houden. Het gaat eerder om het waardegeladen leidbeeld waaraan je je in je handelen oriënteert (Ziele) dan om de meetbare doelen waarop je afgerekend kan worden (Zweck).

Ik ben geneigd de zin van het politiewerk (Ziele) uiteindelijk te zoeken in het bieden van hulp en bescherming aan mensen die niet op eigen kracht verder kunnen en in het vergroten van de kans op moreel handelen, dat wil zeggen het handelen van burgers dat de ongeremde ‘dikke-ik-gerichtheid’ overstijgt en waarbij in het uitleven van de eigen vrijheid rekening wordt gehouden met ‘de ander’. Of huiselijker gezegd: hoe zorgen we ervoor dat de mensen zich een beetje fatsoenlijk gedragen? En daarbij telkens weer de vraag: wat is hier en nu normaal en acceptabel? Wat moet je een halt toeroepen en waar moet juist ruimte voor gevraagd worden?

Hiermee komt de klassieke opdracht van het balanceren tussen orde en vrijheid weer in beeld. Politiewerk is wikken en wegen. In dat zoeken naar balans zou de fundamentele en leidende waarde moeten zijn het versterken en waarborgen van menselijk waardigheid. Voor de Nederlandse politie is dat naar mijn idee geen vreemde gedachte.

Tot zover deze theoretische, van de praktijk geabstraheerde verkenning van het begrip ‘goed politiewerk’. Na deze omzwervingen maken we in de volgende paragraaf de stap naar de praktijk.

 

Verhalen uit de alledaagse politiepraktijk: wat is hier goed politiewerk?

In het voorgaande hebben we vanuit een abstract theoretisch perspectief gezocht naar de mogelijke betekenis van het begrip ‘goed politiewerk’. In deze paragraaf vertrekken we vanuit de praktijk. Ik bespreek een paar casussen. Een aantal heeft te maken met de vraag: hoe zorg je er voor dat iemand zich aan de regels houdt (handhaving) en een aantal heeft te maken met het bieden van hulp aan hen die bescherming nodig hebben (hulpverlening) en soms loopt handhaving en hulpverlening in elkaar over. Door die casussen wordt duidelijk dat politiewerk niet bepaald eenvoudig is. Bijna altijd kun je je afvragen: wat is wijsheid? En nooit is het antwoord vanzelfsprekend. Politiewerk is – hoe je het wendt of keert – een kwestie van wikken en wegen: wat is hier goed politiewerk?

 

De jogger die door ‘rood loopt’
Twee agenten surveilleren op een druilerige avond. Als zij een jogger door rood zien lopen, gaat één van hen er achter aan. Hij houdt de jogger staande en zegt hem een bekeuring aan voor het negeren van het rode verkeerslicht. De jogger zegt dit erg kinderachtig te vinden. Hij hinderde niemand, het weer is slecht, etc. De agent gaat hier niet op in en vraagt zijn ID. die heeft hij niet bij zich. Dan volgt de aanhouding. De jogger wordt ‘sputterend’ meegenomen naar het bureau. De andere agent heeft zich er niet mee bemoeid, maar vraagt zich – naar later blijkt – nadrukkelijk af: moet dat nou zo?

 

Te ruime uitstalling
De eigenaar van een Turkse groente- en fruithandel stalt keer op keer zijn waren te ruim uit en negeert hierbij de vergunningsvoorwaarden. De wijkagent wordt hierop door collega’s aangesproken. Volgens de collega’s gelden de regels ook voor deze groenteman. De wijkagent treedt niet op. Hij meent dat de man een goede functie in de wijk vervult. Hij krijgt geen klachten uit de wijk en hij stoort zich er zelf ook niet aan.

 

Veelpleger op heterdaad betrapt
Een lastig te pakken veelpleger (hier X genoemd) is aangehouden in een zaak waarbij er niet veel bewijs tegen hem was. Zoals verwacht wordt hij door de rechtbank vrijgelaten. Om hem nu echt te kunnen pakken is een plan bedacht. De fiets van X was op het bureau achtergebleven en naar verwachting zou hij de fiets komen ophalen. Besloten werd om de banden van de fiets leeg te laten lopen en hem als hij daarom zou vragen geen fietspomp te laten gebruiken. Boos, omdat hij opzet vermoedde, verlaat X het bureau. Zonder succes vraagt X – die niet erg fris oogt en ruikt – aan twee mensen en in een fietsenzaak een pomp te mogen gebruiken. Als hij in een winkelcentrum een oude damesfiets ziet staan, met een slag in het wiel, maar niet op slot, neem hij die fiets mee. Vrijwel direct daarop wordt hij aangehouden voor fietsendiefstal. In het bureau wordt op gebak getrakteerd vanwege deze vangst. Niet alle politiemensen zijn blij met de gekozen werkwijze.

 

Marokkaanse jongens zonder helm
Twee bekende Marokkaanse jongens rijden zonder helm op een bromfiets. Het zijn jongens die ‘eeuwig’ klagen dat de politie zoveel bonnen schrijft. De wijkagent besluit tot een praatje. Hij schrijft geen bekeuring uit. Hij verklaart achteraf dat hij hiermee het negatieve beeld van de politie bij wilde stellen. Hij zegt dat hij wel in de gaten houdt of hij daarmee zijn gezag niet verspeelt.

 

Een weggegooide chipszak
Twee politiemensen worden tegemoet gelopen door een groepje jongens. Als ze elkaar passeren wordt er over en weer gegroet. Eén van de agenten besluit de jongens te volgen, omdat één van hen een chipszak aan het leeg eten is en deze zak wellicht op straat weg gaat gooien. Na enige tijd gebeurt dat ook. De jongen wordt aangesproken en gemaand de zak op te rapen en in de vuilnisbak te gooien. Dat doet hij. Als vervolgens blijkt dat de betreffende jongen geen ID bij zich heeft, wordt hij naar huis gestuurd (vlakbij) om zijn ID te halen. Bij terugkomst krijgt de jongen een bekeuring voor het op straat gooien van de chipszak. Daar had hij niet meer op gerekend.

Volgens de bekeurende agent leert hij het zo wel af; de andere agent – naar later blijkt – vindt dat wel een beetje veel van het ‘goede’ en ook het volgen van de groep jongens vindt hij geen ‘fair play’.
De ‘schrijvende agent’ geeft te kennen dat hij zich ook privé zeer bekommert om het milieu en zich irriteert aan mensen die achteloos hun rotzooi op straat deponeren.

 

Huiselijk geweld?
Via buren komt er een melding binnen van vermoedelijk huislijk geweld. Een vrouw zou veelvuldig worden geslagen door haar man. Er is ook een baby in het geding. Het blijkt te gaan om een Turkse vrouw, modern gekleed en met een baby op haar arm. De vrouw verklaart dat ze inderdaad wordt geslagen; eerst door haar vader, nu door haar man. Ze geeft te kennen binnen een paar dagen te zullen verhuizen. Ze wil geen aangifte doen en zegt de zaak volledig onder controle te hebben. De agent adviseert haar met klem om nu al uit huis te gaan. Zij hoort dit aan. De agent verlaat de woning met een onbestemd gevoel. Er komen geen nieuwe meldingen

 

Een brutaal mannetje
Bij een controle wordt door twee agenten gevraagd naar ID’s van bestuurder en bijrijder. De bijrijder, een jongen van een jaar of 14 reageert met een hoop kabaal. Hij is in de ogen van een op afstand toekijkende ervaren agent ‘hondsbrutaal’. Als de controlerende collega’s hier niets van zeggen, grijpt hij in. Hij vindt dat dit zo niet kan. Dat kan je als politie niet pikken; zo is zijn mening, de politie laat niet over zich lopen. Hij grijpt de jongen stevig bij de kraag, dwingt hem hem aan te kijken. Van zeer dichtbij waarschuwt hij de jongen met luide stem zijn brutale mond te houden. Deze bindt in. De controlerende agenten geven later aan dat zij wel akkoord gingen met zijn optreden. De agent zelf gaf aan dat hij de jongen wilde intimideren. Hij was blij dat het zo uitpakte, want je weet maar nooit….

 

Op controle met de vreemdelingendienst
De vreemdelingendienst wil een controle op illegalen in een aantal restaurants. Omdat bekend is dat illegalen heel snel in de gaten hebben dat er politie op komst is, wordt besloten dat een vrouwelijke collega zich zal voordoen als gast. Zij zal voorwenden op haar vriend te wachten en ondertussen goed in de gaten te houden wie er aan het werk zijn. Aldus geschiedt. In het restaurant wordt zij zeer vriendelijk ontvangen. Als zij aan het bedienende personeel aangeeft nog even op haar vriend te willen wachten alvorens te bestellen, krijgt ze onmiddellijk een glas water aangeboden. Vrij snel daarna komen de collega’s binnen, twee in burger, twee in uniform. Een deel van het bedienend personeel staakt direct het werk en gaat aan een tafeltje de krant zitten lezen. De vrouwelijke ‘undercover’ verlaat het restaurant en belt haar bevindingen door aan de collega’s in de zaak. Daarop worden inderdaad illegale werknemers aangehouden. Aan het bureau komt de vrouwelijke collega oog in oog te staan met het vriendelijke personeelslid, oftewel, de illegaal. De actie was geslaagd, maar……..zij voelde zich op het moment van het oogcontact vreselijk, een verrader.

 

Overlast zwervers in het park
In de briefing wordt melding gemaakt van klachten over zwervers in het park. Het is niet toegestaan dat ze zich daar ophouden. Op een gegeven moment maakt een politieman contact met een zwerver die in het park ‘hangt’. Hij is onverzorgd, stinkt, heeft een schilferige huid en is moeilijk aanspreekbaar. De agent volhardt in de poging contact te maken en slaagt daar uiteindelijk in en weet vervolgens de man onder de hoede te brengen van de hulpverlening. Hij ontdekt daarna op het bureau dat de man in de voorbije dagen van collega’s zes bekeuringen heeft gekregen. Ze hadden hem daarbij verplicht zijn bankje te verlaten.

 

Politiewerk: een ongekende veelheid van morele micropraktijken
De hiervoor beschreven casussen zijn een kleine greep uit de dagelijkse praktijk. Iedere politieman of –vrouw kan de lijst eindeloos uitbreiden. In geen van deze gevallen kan zonder meer gezegd worden hoe ‘het’ had gemoeten. Politiewerk is niet eenduidig. Het principe ‘regel is regel’ helpt je niet echt verder. Politiewerk is maatwerk. Het vergt een voortdurende afweging. Wat is hier effectief, wat helpt het samenleven verder? Welke waarde breng ik hier tot uitdrukking. Welke norm is in het geding; wat staat er op het spel? Kortom: wat is hier wijsheid? Niet wat is altijd en overal wijsheid, maar wat is ‘hier en nu’ wijsheid, in deze concrete situatie, met deze concrete mensen.
Zo beschouwd is politiewerk een letterlijk ongekende reeks van morele micropraktijken; normbevestigend, maar ook normzoekend. Telkens moet op de maat van de situatie uitgevonden worden wat ‘goed’ is. Er moet recht gedaan worden aan de situatie en aan de daarin betrokken mensen. “Kijken, denken, doen”, maar ook: “zien, bewogen worden, in beweging komen”: hoofd en hart.

Dat politievakmanschap kan niet op school onderwezen worden, dat moet je leren in de praktijk. Alleen daar kan aan het licht komen wat de werking van het handelen is en wat werkt. Die feedback is nodig om je als vakmens te kunnen ontwikkelen. Het moet politiemensen gegund worden ‘reflective practitioners’ te zijn.

 

Politiewerk: leren in en van de praktijk

Hiervoor hebben we vastgesteld dat politiewerk in de praktijk geleerd moet worden en dat gebeurt natuurlijk ook; vanaf de eerste praktijkdag. Het is onmogelijk om niet te leren van de praktijk. Je kijkt om je heen, ziet voorbeelden die je aanspreken en voorbeelden die je tegenstaan. Je ontdekt waar je je prettig bij voelt en ook wat je lastig vindt. Je leert hoe je binnen en buiten ‘overeind’ blijft en je ontdekt wat voor jou van waarde is. Langzaam maar zeker ontwikkel je je eigen voorkeuren en stijl. De ontvangende praktijk (cultuur) is vormend, maar niet onveranderlijk. Je past je aan aan de bestaande praktijk, maar tegelijkertijd verrijk je die praktijk met je eigen inbreng. Langzaam maar zeker ontwikkel je je vakmanschap. Het leren gaat vanzelf. Wat kan of moet er aan dat vanzelfsprekende en onbewuste leren worden toegevoegd?

Mijn aanname is dat het vanzelfsprekende en onbewuste leren altijd de neiging heeft om repertoirevernauwend te werken. In het onbewuste leren ontwikkel je je eigen vanzelfsprekende theorieën over de werkelijkheid, over wat werkt en wat niet werkt, over wat hoort en wat niet hoort, over wat je wel en wat je niet kunt. Je ontwikkelt je eigen gereedschap. Dat gereedschap gaat naar je hand staan, maar langzamerhand gaat het je handelen ook sturen. Iedereen ontwikkelt ‘verborgen bestuurders’ die soms helpen, maar soms ook niet. Dat proces wordt mooi uitgedrukt in het bekende gezegde: voor iemand met (alleen) een hamer, wordt elk probleem een spijker. Dat proces van vernauwing is vrijwel onvermijdelijk, tenzij je je dat bewust bent en je regelmatig afvraagt: is een (mijn) ‘hamer’ hier nog wel het meest handige gereedschap? Politiewerk is complex en vergt een breed repertoire. Dat maakt het de moeite waard om aan het onbewuste leren, het bewust leren tot te voegen. En dat gaat niet vanzelf.

 

Politiemensen als ‘reflectieve practitioners’: kan dat?
Politiewerk is actiegericht en veruit de meeste politiemensen zijn dat zelf ook. Een reflectieve benadering van het werk is doorgaans niet kenmerkend voor politiemensen. Ze denken wel na over hun werk, maar staan er meestal niet bij stil. Verschillen in aanpak worden wel geregistreerd, maar leiden gewoonlijk niet tot een gesprek over de vraag wat het meest effectief of juist is. Er zijn nu eenmaal verschillen in aanpak en binnen zekere grenzen (geen excessief geweld, niet elkaar in de problemen brengen door al te bot gedrag) is iedereen vrij om zijn of haar eigen keuzes te maken. Er is als het ware een ondergrens die bepaalt of er een gesprek over het handelen op gang komt. Er is geen gewoonte om de eigen praktijk te bevragen of om bewust lessen te trekken uit praktijksituaties; althans niet uit de meer alledaagse praktijksituaties. Ook de vraag wat het ‘opgetelde’ effect van alle losse interventies en interacties is, is geen gespreksonderwerp. Met andere woorden er is geen gedeelde zoektocht naar ‘goed politiewerk’. En er lijkt ook weinig behoefte aan te zijn. Het leren vanuit de praktijk kan een mooi idee zijn, maar vanzelfsprekend is het niet. Dat is vreemd voor zo’n moeilijk vak. Hoe kan dat?

Bekend is dat politiemensen ‘van nature’ handelend optreden. Als anderen een stapje terug doen, stappen politiemensen naar voren; zowel in hulpverleningsituaties als in situaties die dreigen te ontsporen. Daarnaast worden ze geacht mensen aan te spreken die zich – in o f buiten het verkeer – niet aan de regels houden. Dat is erg lastig in tijden dat overheidsgezag niet bepaald vanzelfsprekend meer is en mensen graag zelf uitmaken of een regel in de gegeven omstandigheden relevant is. In veel situaties is er sprake van een ‘morele krachtmeting’ met zeer assertieve (en soms agressieve) burgers, jong of oud. Dat alles gebeurt dan ook nog met een grote mate van publieke zichtbaarheid en een kritische publieke opinie. Het is in dat licht eigenlijk niet erg verwonderlijk dat politiemensen niet de neiging hebben om ook zelf nog eens het eigen en elkaars optreden scherp tegen het licht te houden. Wees blij dat iemand het wil doen! Politiemensen hebben volgens ‘de boekjes’ de neiging ‘to avoid trouble’; zowel binnen als buiten. Vreemd is dat niet, maar het helpt het vak niet verder. Daarvoor is het nodig dat de lastige praktijk – met alles – mooi en lelijk – dat daarbij hoort – onder ogen gezien wordt. Alleen dan kan de praktijk zinvol ontwikkeld worden. Politiemensen moeten zich ontwikkelen tot ‘reflective practitioners’ en de politieleiding heeft hierin een belangrijke taak. Bij hen ligt de sleutel.

 

Bevorderen van het leren als leiderschapsopgave
De politieorganisatie wordt terecht gezien als een kennisintensieve organisatie. Vanuit de politieorganisatie moet intelligent en wijs geïntervenieerd worden in het menselijk samenleven. Dat is geen geringe opgave. Wat moet je dan weten, wat moet je kunnen? Kenniscreatie is in zo’n organisatie core business. Niet het beheersen van de uitvoering maar het ontwikkelen van de uitvoering is in mijn ogen de vitale leiderschapopgave: bijdragen aan intelligent en wijs politiewerk.

De vraag is natuurlijk of je de kans op intelligent politiewerk versterkt door de noodzakelijke kennis in steeds slimmere systemen op te slaan en beschikbaar te stellen aan goed bestuurbare en goed bestuurde uitvoerders of dat het vergroten van de kans op goed politiewerk wordt gezocht in het ontwikkelen van de professionaliteit van ‘zichzelf sturende’ professionals. Natuurlijk kan de stelling betrokken worden dat het gaat om de juiste balans, maar toch is het goed om hier expliciet bij stil te staan. Mijn indruk is dat – in weerwil van uitgesproken intenties – vanuit een beheersingsperspectief een accent is komen te liggen op een route die je simpelweg zou kunnen aanduiden met ‘slimme systemen en domme dienders’. In de term informatie gestuurd politiewerk (IGP) ligt het accent dan op gestuurd. De complexiteit van het politievak lijkt daarmee onderschat te worden. Politiekennis krijgt pas betekenis in concrete situaties en in de handeling wordt, in co-productie met de in die situatie aanwezige actoren – ook kennis gecreëerd. De vraag: wat is hier en nu nodig, kan niet vooraf beantwoord worden. Zo komen we uit bij de middenweg: kennis die in systemen is opgeslagen kan de handelende politiemens in zijn of haar keuzes ondersteunen, maar kan die keuzes niet bepalen. Bij IGP moet het accent liggen op informatie; de kennis wordt lokaal gecreëerd. Dat betekent dat het leren gericht moet zijn op het vergroten van de kans op een intelligente en wijze situationele afweging en keuze. Daar is dus ook de leiderschapsopgave op gericht.

De vraag is hoe politieleiders de kans op leren kunnen beïnvloeden. Gelet op de begrijpelijke neiging ‘to avoid trouble’ lijkt verbinding mij hierbij het sleutelwoord. In den beginne is de relatie (Buber). Waaraan merken uitvoerende politiemensen dat de leiding verbinding met hen zoekt? Ten eerste zullen uitvoerende politiemensen moeten ervaren dat de leiding weet wat er speelt ‘op straat’ en merkbaar geïnteresseerd is in de dilemma’s die de politiepraktijk met zich meebrengt; niet te snel met een makkelijk oordeel of een ondoordachte opdracht aankomen. Merkbaar erkennen dat het werk lastig is en oog hebben door de vele waardevolle, en vaak onzichtbare, bijdragen die aan het samenleven worden geleverd. Maar ook veeleisend zijn vanuit de overtuiging dat politiewerk een belangrijk vak (ambt!) is, waarin vrijblijvendheid niet past; je moet over het werk en alles wat daarbij hoort willen spreken. En je moet als politiemens ook oog willen hebben voor andere visies en belangen dan de jouwe. Een effectieve co-productie van veiligheid en leefbaarheid vergt meervoudig kijken en denken: een breed repertoire en het vermogen tot communicatieve positiewisseling. Van volwassen politieprofessionals mag je eisen dat zij de vragen naar hun effectiviteit en de zin van hun inzet toelaten; ook als dat ongemakkelijk is. Leren hoeft niet leuk te zijn. Daarbij geldt uiteraard de ‘eis’ van voorbeeldgedrag. Is de leider ook merkbaar een lerende leider, onderzoekt hij of zij ook de eigen werking? En gelden de hoge eisen voor morele positionering ook de leider zelf. Is er ook binnen de organisatie sprake van moreel leiderschap? Zou het er ‘buiten’ beter aan toe gaan als daar door uitvoerende politiemensen het ‘binnen gedrag’ (van de leiders) wordt getoond? Wat is de kwaliteit van het ‘laatste chef contact’? Tot slot is er natuurlijk nog de vraag of de politieleider een inspirerende visie heeft op de noodzaak van het professionele leren en ontwikkelen. Anders gezegd: heeft ‘hij een antwoord op de vraag naar de relatie tussen goed politiewerk en leren? Op die vraag ga ik hieronder in.

 

Goed politiewerk: de zin van het leren
Leren is een proces van kenniscreatie. De kenniscreatie is gericht op zinvol handelen. Gegeven de complexiteit van het samenleven en de ongekende onvoorspelbare ontwikkelingsgang, is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Ik roep Safranski’s woorden nog maar eens in herinnering: ‘de opdracht is intelligent te handelen in een wereld die niet gekend kan worden’. Als ontwikkelen, ontwikkelen ‘op de tast’ is, is het van groot belang dat de kenniscreatie zo rijk mogelijk is.
Niet vernauwend (benauwend?) leren, maar verruimend leren, zo rijk mogelijk waarnemen en open staan voor nieuwe bronnen en betekenissen. In het licht van de opdracht (Ziele) nieuwsgierig zijn naar de werking van het eigen handelen. Dat betekent dat dat handelen ook zo rijk mogelijk waargenomen en in zijn context begrepen moet kunnen worden. Managementsystemen, waarin noodzakelijkerwijs wordt geabstraheerd, zijn voor het leren niet afdoende. Vanuit een verlangen naar zinvolle sturing is het denkbaar om de praktijk ook met een meer kwalitatieve methode te benaderen, bijvoorbeeld via verhalen. In verhalen over de praktijk kan meer dan via cijfers recht gedaan worden aan de complexiteit en de moeilijk te articuleren, maar wel herkenbare betekenissen van het handelen. Dat zou het praktijkleren aanzienlijk kunnen versterken; maar het vergt enige moed van de managers om de aangrijpingspunten voor sturing niet in het vertrouwde, maar smalle lichtbundels van de cijfermatige managementsystemen te zoeken, maar ook aan te schuiven bij de gesprekken rond de kampvuurtjes, waar mensen elkaar verhalenderwijs vertellen van wat hen raakt en verwart. Hier kunnen mensen ook uitgenodigd worden om uit te wisselen waar het hun in essentie om te doen is. Dat is geen lineair proces. De kenniscreatie is hier zeer waarschijnlijk rijker maar ook onvoorspelbaar en diffuus. Het leren verloopt langs ongeplande, ongekende en deels onzichtbare wegen; uitnodigen, vertrouwen geven, faciliteren en verantwoording willen afleggen zijn sleutelwoorden. Beheersing is ongepast omdat dat noodzakelijkerwijs leidt tot verengend leren. In stabiele omstandigheden is dat geen probleem, maar in onzekere omstandigheden blokkeert dat de mogelijkheid van nieuwe betekenisvolle antwoorden op de onvoorspelbare vragen van de praktijk, dat wil zeggen op de vragen die vanuit de ongekende ontwikkeling van het postmoderne samenleven aan de politie worden gesteld.

 

De bijdrage van de Politieacademie: school maken in de praktijk
Voor de ontwikkeling van het politievakmanschap zou het goed zijn om het bewust leren van en in de praktijk te versterken. Primair is dat natuurlijk een verantwoordelijkheid van de politiemensen in het veld zelf; alleen zij kunnen het leren en het werken echt op elkaar betrekken. Maar ze kunnen daarbij wel ondersteund worden door mensen die van het bevorderen van het leren hun vak gemaakt hebben. Daar ligt een mooie rol voor de Politieacademie: dienstbaar worden aan het leren in de praktijk. Met de ontwikkeling van het duaal leren is er ook nu al een verbinding gemaakt met de praktijk, maar het accent ligt daarbij nog teveel op de onderwijsdoelen. De kunst is om school te maken ín de praktijk en te voorkomen dat er een school gemaakt wordt ván de praktijk. Dat kan heel concreet. Het lijkt mij goed denkbaar dat er action learningachtige trajecten zijn over bijvoorbeeld de kunst van het surveilleren, contact maken met lastige mensen, overeind blijven in morele krachtmetingen, zinvol en resultaatgericht leidinggeven etc. etc. De praktijkopgaven liggen voor het oprapen. Voorwaarde is dat het leren de aansluiting zoekt met de praktijk en niet dat de praktijk gemodelleerd wordt naar het onderwijsidee. Alleen als de praktijk uitgangspunt wordt, kan het leren een zinvol onderdeel worden van volwassen vakmanschap.

 

Tot slot: in den beginne is de relatie
Wat goed politiewerk is, valt niet voor eens en altijd te bepalen; er zijn wel voorbeelden, maar geen modellen. Wie die voorbeelden onderzoekt zal altijd zien dat het daarin gaat om verbinding. Politiemensen maken dan echt contact, nemen verantwoordelijkheid en treden handelend op: begrenzend, beschermend of bekrachtigend. Ze worden gezien en erkend als (morele) autoriteit. Goed politiewerk is vanzelf gezaghebbend vakmanschap. Dat leer je niet op school, maar je kunt het wel lerend ontwikkelen. Volwassen politiemensen zijn blijvend bezig met de ontwikkeling van hun vakmanschap: van leerling, naar gezel, strevend naar meesterschap. Vasthoudend op de tast.

 

Geraadpleegde literatuur

Achterhuis, Hans (1996): Mens en wereld, Ambo, Baarn

Achterhuis, Hans (1999): Politiek van goede bedoelingen, Ambo, Baarn

Arendt, Hannah (1999): Politiek in donkere tijden, Boom, Amsterdam

Buber, Martin (1959,1998): Ik en jij, Bijleveld, Utrecht

Denkers, Frans (Paul van Beers, eindredactie): Moreel Kompas, Min. BZK, Politia Nova 1, 2001

Kunneman, Harry: Voorbij het dikke-ik, , Humanistics University, SWP, Amsterdam

Nap, Jan, 2007 : Vragen naar goed politiewerk; ontwikkelingsgericht politiewerk als perspectief, Tijdschrift voor de Politie, jan/febr. 2007

Nussbaum, Martha (1998) Wat liefde weet, Boom, Amsterdam

Safranski, Rüdiger interview NRC 2004, in Bas Heine tafelgesprekken

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2007, jrg. 69, nr. 10, p. 24-32

0 reacties

Reageer op dit artikel