Het aandeel van de buurtagent in de politiële jeugdtaak: Een portret

Door Eric Bervoets, 01 juni 2005 14:39 uur0 Waardering:

In de politiepraktijk hebben niet alleen jeugdrechercheurs, taakaccenthouders jeugd en jeugdagenten met het jongere deel van de bevolking te maken. Ook noodhulp- en buurtagenten hebben vanuit hun specifieke taken een eigen aandeel in de politiële jeugdtaak. In dit artikel wordt aan de hand van een portret stilgestaan bij de bijdrage van een buurtagent aan de jeugdtaak.

De term buurtagent wordt in dit artikel gebruikt als een praktische verzamelnaam voor alle politiemensen die gebiedsgebonden politiewerk verrichten en niet horen bij de noodhulpdienst. Eigenlijk is buurtagent een weinig precieze benaming: uit evaluatieonderzoek van de Universiteit Twente in drie politieregio’s blijkt dat op hoofdlijnen weliswaar overeenstemming is over wat gebiedsgebonden politiefunctionarissen zouden moeten doen, maar dat wat zij feitelijk doen in de praktijk nogal varieert (Zoomer e.a., 2002).
Ook de functieaanduiding verschilt: in sommige korpsen zijn de buurtagenten bijvoorbeeld wijkagent of rayonagent, in andere korpsen is die rol toebedacht aan de buurtregisseur of de gebiedsgebonden politiefunctionaris.
Daarnaast is er maar weinig bekend over wat de bijdrage van de buurtagent is in het beteugelen van jeugdproblematiek.


Buurtregisseur in Overtoomse Veld: op zoek naar een passende werkstijl
De Amsterdamse   buurtagent Ton Smakman werd kort na de ongeregeldheden tussen politie en Marokkaanse jongeren in 1998 (COT, 1998), aangesteld als buurtregisseur in Overtoomse Veld . Die wijk heeft volgens de gemeentestatistieken ongeveer negenduizend inwoners, waarvan in sommige buurten meer dan de helft allochtonen. Het hele stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld heeft op 1 januari 2004 bijna vijfenveertigduizend inwoners (O+S, 2004). Daarvan is ruim een kwart onder de twintig jaar.
De wijk had een slechte naam, maar is nu ook bekend van de buurtvaders en Lange Ton, de bijnaam die jongeren Ton Smakman gaven.

Smakman deed als taakaccenthouder buurtregie positieve ervaringen op in Nieuw Sloten, een ‘betere’ buurt met veel zelfredzame en actieve bewoners. In tegenstelling tot de buurtregisseurs nu, waren taakaccenthouders niet volledig vrijgesteld om hun tijd aan de buurt te besteden. ‘Dat deed je gewoon naast je surveillancetaken. Dan had je bijvoorbeeld een paar uurtjes om een bewonersvergadering bij te wonen.’
Na de openbare ordeproblemen in West tussen politie en jongeren, op 23 april 1998, werd hij gevraagd om in Overtoomse Veld buurtregisseur te worden. ‘Eigenlijk stond in die tijd de hele buurt tegenover de lokale overheid. Alle instanties hebben toen gewoon met zijn allen werk laten liggen en te weinig in de buurt geïnvesteerd, inclusief de politie. Daardoor holde het hier sterk achteruit.’
Zijn voorganger had geen netwerk opgebouwd, maar Smakman kon teren op de contacten die hij al had met de ambtenaren van het stadsdeel. Ook kende hij al veel jongeren uit de wijk. In een vorige functie bij de Amsterdamse politie kwam hij al geregeld in contact met Marokkaanse jongeren uit Overtoomse Veld. Smakman: ‘Ik was destijds preventiemedewerker en we hadden toen geregeld campagnes, ook in Amsterdam-West, waarbij we gewoon op straat fietsen stonden te graveren. Daar stonden dan altijd veel nieuwsgierige Marokkaanse jochies en meisjes omheen en die jochies zijn de hangjongeren van nu.’

Smakman heeft zijn werkstijl vooral in de praktijk ontwikkeld, met vallen en opstaan. Er is voor zover bekend geen handboek voor buurtagenten – al helemaal niet in relatie tot de jeugdtaak – en er zijn nauwelijks concrete richtlijnen of maatstaven. Het onderzoeksbureau Eysink Smeets & Etman rapporteerde in 1997 over de gebiedsgebonden politiezorg in De wijkagent, dat was een aardige vent (Etman e.a., 1997). Hun bevinding was dat de feitelijke vormgeving van het buurtagentenwerk sterk afhankelijk is van persoonlijke kwaliteiten.
Over hoe buurtagenten hun taken praktisch moeten invullen is in de korpsen veel onduidelijkheid. Zij worden veelal geacht te handelen naar ‘bevind van zaken’.
 

Jeugdtaak buurtagent: sociale makelaardij
Sommige buurtagenten profileren zich als sociale makelaars. Zij brengen vraag en aanbod in de wijk op praktische wijze bijeen, om zo bij te dragen aan veiligheid. Wie een goed netwerk heeft, hoort veel, kent de knelpunten in het werkgebied en weet bij wie hij waarvoor moet zijn. Ook in het beteugelen en het voorkomen van jeugdproblematiek blijken dat nuttige kwaliteiten.
Buurtagenten weten dat het mes vaak aan twee kanten snijdt. Een wens van jongeren of het gemeentebestuur om ergens in de wijk een goede speel- of hangplek te maken, betekent bijvoorbeeld een handige vindplaats en een alternatief voor politiemensen om jongeren heen te sturen die elders voor overlast zorgen. Daar hebben meerdere partijen in de wijk – bewoners, jongeren, en dus ook de politie – profijt van.

Smakman weet dat buurtagenten op netwerkgebied niet allemaal dezelfde sterke kanten hebben. Er zijn er die zich liever toeleggen op de formele netwerken van officiële instanties en daarin heel goed zijn. Er zijn ook buurtagenten die zich als een vis in het water voelen bij het opbouwen van een netwerk onder bewoners en jeugd en minder affiniteit hebben met het formele beleidscircuit. Op basis daarvan komen er vaak taakverdelingen voor (Etman e.a., 1997; Zoomer e.a.,2002). Smakman probeerde echter zelf de formele en de informele netwerken met elkaar te verbinden, wat geen gemakkelijke opdracht was. Hij denkt dat hij anders minder resultaat zou hebben geboekt. Als een en dezelfde persoon vraag en aanbod rond een probleem bij elkaar brengt, dan heb je wat hem betreft ook geen communicatiestoornissen en ben je een duidelijk aanspreekpunt voor zowel collega’s, instanties, als de wijk.
 Wel heeft hij zijn werk soms ervaren als ‘simultaanschaken’, omdat hij vaak tegelijkertijd meerdere issues met meerdere partijen in de wijk aanpakte. Hij probeerde daarbij mensen met elkaar in contact te brengen.

Smakman nam regelmatig zitting in allerlei soorten overleg; de ene keer met bijvoorbeeld Justitie In de Buurt of het stadsdeel en de andere keer met jongeren en (andere) bewoners in een buurtproject. Hij vindt dat een buurtagent ruimte moet claimen bij de bazen om iets te mogen organiseren in de wijk. Zo kreeg hij veel ruimte om vanuit de politie mee te doen met burgerinitiatieven ter bestrijding van jeugdproblematiek.
 

Verhouding tot de eigen organisatie: alleen, maar niet eenzaam
Smakman ging vaak alleen op pad. Volgens hem werkt de politie teveel met koppels of in groepsverband. Iemand die alleen de straat op gaat, hoort en ziet veel meer en maakt makkelijker contact. Bovendien is alleen werken ontwapenend.
Een buurtagent moet zichtbaar zijn, niet alleen als er problemen zijn. ‘Dat geeft mensen een gevoel van vertrouwen’, vindt hij. Iemand die alleen door de wijk loopt of fietst, straalt naar zijn mening een enorme kracht uit, ook naar de Marokkaanse jeugdgroepen in de wijk. ‘Ik heb uit ervaring geleerd dat je het makkelijkst contact maakt als je niet bedreigend overkomt en beseft dat het politie-uniform alleen je onvoldoende gezag biedt. Je moet binnen jouw grenzen iets van jezelf bloot geven. Dan worden jongeren vanzelf nieuwsgierig en dan praten ze met je en kun je na een tijd ook wat van ze gedaan krijgen. Vaak waarderen ze het zelfs dat je alleen bent.’
Marokkaanse jongeren vonden het desgevraagd aanvankelijk vreemd dat hun buurtregisseur zo vaak bij hen kwam staan praten. Eerst probeerden ze hem te negeren. Daaraan lag een zekere angst ten grondslag: een groep waarbij vaak politie staat, kon in de ogen van de buurt alleen maar uit ‘slechte’ jongens bestaan. Na vallen en opstaan van beide kanten waardeerden jongeren dat Smakman ook langs kwam als er geen problemen waren. ‘Maar, ik blijf wel politieman hè, dus als anderen denken dat ik zomaar wat met ze sta te praten, dan heb ik intussen weer heel wat politieel relevante informatie opgedaan.’

Smakman heeft ervaren dat de relatie met andere onderdelen binnen het politieapparaat een continue investering vergt. Ook dat liep niet van begin af aan op rolletjes, omdat een buurtagent vaak het verwijt krijgt dat hij solitair werkt en de meerwaarde voor de organisatie niet altijd door iedereen wordt gezien. Het onderhouden van contacten intern, leverde echter gaandeweg naast acceptatie tevens de nodige informatie-uitwisseling op. Zo had hij nauwe contacten met de recherche. De ene keer leverde hij aanvullende informatie aan voor een strafrechtelijk onderzoek naar bepaalde jongeren. De andere keer nam de recherche contact op met hem, bijvoorbeeld om zijn aandacht te vestigen op een jongere die net vrij was of op iemand waarnaar de recherche op zoek was. ‘Ik informeerde de recherche, doordat ik heel vaak een procesverbaal van bevindingen maakte. Daarin schreef ik dan bijvoorbeeld wat me was opgevallen aan een bepaalde jongen: in welke auto hij reed, waar hij verbleef en met wie hij omging. Daarmee konden ze dan in een onderzoek weer verder’, aldus Smakman.
 

Omgaan met jeugdgroepen: straatexperimenten
Smakman had veel te maken met Marokkaanse jongeren. In 2000 presenteerden Van der Torre en Stol op een praktische en toegankelijke wijze enkele lessen en aandachtspunten in de omgang van politie met Marokkaanse jeugd. Zij deden dat aan de hand van een analyse van enkele praktijkcases, waarbij ook steeds uitgebreid gesproken was met de destijds betrokken politiemensen. Van der Torre en Stol legden de nadruk op kennis verwerven en benutten, bijvoorbeeld in netwerken, en het beheersen van interacties, bijvoorbeeld door heel duidelijk te zijn over wat de andere partij kan verwachten. Uit enkele van die cases bleek dat buurtagenten een voorname rol hebben in het contact met jeugd, mede omdat zij soms beschikken over veel nuttige achtergrondinformatie over jongeren. Toch gaat dat contact maken niet altijd zonder problemen en bijten buurtagenten zich geregeld stuk op jongeren en hun (soms onduidelijke) groepscodes (Bervoets, 2004; Van Wijk e.a., 2005).

Smakman kan zich heel goed voorstellen dat veel collega’s het moeilijk vinden om contact te maken met jeugdgroepen, ongeacht de culturele achtergrond van de jeugd. Zij raken verstrikt in een spel waarin jongeren de politie uitdagen en uitproberen. ‘Ze hebben allerlei technieken in huis om jou het bloed onder je nagels vandaan te halen.’ Hij vond het veel makkelijker om een eenmaal gemaakt contact warm te houden, dan om voor de eerste keer contact te maken.
Na experimenteren met verschillende technieken ontdekte hij dat in zijn eentje het contact zoeken het best bij hem paste. Het contact werd soms gemaakt naar aanleiding van een melding, maar soms stapte hij ook gewoon zelf op straatgroepen af. ‘Dan wilde ik gewoon weten wie het waren en wat ze daar deden. Ik zeg altijd tegen jongeren: de politie is de baas op straat, dus ik mag weten wie er op straat staan. Dan is mijn positie ook direct duidelijk.’

Volgens Van der Torre en Stol (2000) heeft het kennen van jongeren veel voordelen. Een buurtagent krijgt bij een overlastmelding gemakkelijker wat van de straatgroep gedaan als hij die kent. Bovendien kan hij ook individuele jongens gemakkelijker aansporen om iets te doen, bijvoorbeeld om zich zelf aan het bureau te melden als de recherche naar hen op zoek is. Daarnaast werkt het onderhouden van contact met straatgroepen preventief.
Smakman: ‘Ik heb hier in het Rembrandtpark een popfestival gehad. Het stadsdeel was toen bang dat het uit de hand zou lopen en die hadden eisen als het ging om veiligheid. De organisatie had wel een eigen security, maar ze wisten niet of die toereikend was. Op voorhand was het idee dat het slim was om jongens uit de buurt bij de beveiliging te betrekken. Dan wordt het popfestival ook van hen en is het niet iets van een ander waar je lekker tegenaan kunt trappen. Ze hebben toen jongeren betrokken bij de security. Nu had het iets gezamenlijks.’

Smakman ontkent dat het omgaan met jeugd hem altijd zo gemakkelijk af zou gaan. Hij heeft geregeld meegemaakt dat straatgroepen zich afsluiten voor elk contact en letterlijk en figuurlijk met hun rug richting politie stonden of gewoon wegliepen. Als de groep bleef staan, probeerde hij net zo lang bij ze te blijven staan tot de jongeren op een gegeven moment wel wat moesten zeggen. Hij zocht steeds naar openingen en probeerde niet bedreigend over te komen. Vaak ontstond daardoor alsnog een gesprek.
Jongeren blijken volgens hem vooral het non-verbale gedrag van politiemensen te ‘lezen’. In interviews voor een onderzoek naar politie en Marokkaanse jongeren, komen politiemensen uit Utrecht, Amsterdam en Gouda met vergelijkbare waarnemingen (Bervoets, 2001). Jongeren hebben snel genoeg in de gaten of iemand meent wat hij zegt, of bijvoorbeeld angst heeft voor de groep. Maar volgens Smakman wint de aanhouder vaak. Wat politiemensen in zijn ogen beter niet kunnen doen, is een groep negeren als het de eerste keer niet lukt om contact te maken. ‘Als je voorbij loopt, gaan ze dingen roepen. Als je daar niet op reageert, dan onderga je volgens de regels van de straat gezichtsverlies.’
 

Optreden: fatsoenlijk en duidelijk
Het werk met jongeren bracht voor Smakman een oud politiedilemma met zich mee. Hij was betrokken bij zijn wijk en het lot van de jongeren. Zonder betrokkenheid zou hij geen netwerken kunnen opbouwen en contacten kunnen onderhouden. Aan de andere kant wist hij hoe belangrijk het was om tegelijkertijd voldoende afstand te bewaren. Niet té betrokken raken bij probleemsituaties en hulpverzoeken van burgers is immers een vast onderdeel van het politiewerk (Van der Torre, 1999).
Afstand bewaren vergt volgens Smakman duidelijkheid over de rol van de buurtregisseur en een consequente aanpak. ‘Je kunt niet de ene keer in dezelfde situatie een prent uitdelen en de andere keer de teugels maar laten vieren als jongeren de normen overtreden. Dan word je onvoorspelbaar en daar snappen ze dan helemaal niks meer van. Dan gaan ze met je lachen en dan is je rol zo goed als uitgespeeld. Dat draai je niet meer terug.’

Soms zijn buurtagenten wat terughoudend wanneer het strafrecht in beeld komt. Zij vrezen het vertrouwen van jongeren voorgoed kwijt te raken, als die hun buurtagent als ‘boevenvanger’ gaan zien. Zij werken daarom liever niet openlijk mee aan een aanhouding. Zomer e.a. (2002) constateren desalniettemin een verschuiving bij de korpsen wanneer het aankomt op het aandeel van de buurtagent in de opsporing en ordehandhaving. Waar buurtagenten en hun chefs zich enkele jaren terug nog zorgen maakten over het verlies van vertrouwen, zijn zij nu veel meer de mening toegedaan dat ook een buurtagent moet bekeuren en meehelpen aan opsporingswerkzaamheden.
Smakman is het daarmee eens en trachtte naar jongeren heel duidelijk te zijn over zijn rol als rechtshandhaver. ‘Ik ben politieman, en als dat betekent dat ik iemand moet aanpakken die de regels overtreedt, dan moet ik dat gewoon doen.’
Wel had hij er soms moeite mee als rechercheurs te gemakkelijk ‘zijn rol uitspeelden’ in een onderzoek. ‘Bijvoorbeeld als een jongen ontkent een roof te hebben gepleegd en de recherche zegt dat zijn buurtregisseur hem heeft herkend op een opname van een beveiligingscamera. Soms spraken jongens mij aan op een verbaal dat ze via hun advocaat hadden gelezen, waarin mijn naam stond.’ Wanneer de jongere in kwestie hem daarop aansprak, legde hij steeds uit dat hij politieman is en dat het zijn plicht is om normovertreders aan te pakken. Handig voor zijn positie onder jongeren op straat was het in zijn ogen niet. ‘Maar’, zegt Smakman, ‘de meeste jongeren begrijpen dat je als politieman ook moet meehelpen opsporen. Ze waarderen het dat je daar gewoon open over bent. Het is veel erger als je alles in het stiekeme houdt en alleen de joviale wijkagent wil uithangen. Als je rol dan stuk is, dan ben je ook goed stuk.’
 

Samengevat: vijf functies
Smakman had als buurtregisseur een wezenlijk aandeel in de politiële jeugdtaak; zo blijkt uit het portret. Zijn taak bestond ten eerste uit het onderhouden van contacten met jongeren en hun sociale omgeving (contactfunctie). Daarmee kunnen jongeren gemakkelijker op normafwijkend gedrag worden aangesproken. Dat klinkt eenvoudiger dan het is: het aanboren en onderhouden van contact met (groepen) jongeren is een aspect van het werk waarbij veel fout kan gaan. Hoewel in het onderwijs bepaalde vaardigheden kunnen worden aangeleerd, komt het in de contactfunctie grotendeels aan op talent en intuïtie.
De tijd dat een buurtagent probeerde het vertrouwen met de wijk koste wat kost niet te schaden en zich als een soort ‘wijkzuster’ of ‘opbouwwerker’ voordeed, ligt volgens Smakman ver achter ons. Hij ziet een aandeel voor buurtagenten weggelegd in de handhaving van het jeugdstrafrecht (opsporingsfunctie). Rechtshandhaving en het meer sociale politiewerk vullen elkaar aan en bijten elkaar niet in de jeugdtaak van de buurtagent.
Ten derde bestaat het werk van de buurtagent in zijn ogen uit het sociale makelaarschap (netwerkfunctie). De buurtagent zorgt dat hij geschikte partijen bijeen brengt om jeugdgerelateerde veiligheidsproblemen aan te pakken en neemt zelf deel aan verschillende vormen van overleg. Bij deze functie horen ook het doorverwijzen naar derden en het omgaan met (beperkte) hulpvragen van jongeren.
In het verlengde van de netwerkfunctie helpt de buurtagent mee om items op de politiek-bestuurlijke agenda te plaatsen (agendafunctie).
Om de jeugdtaak te kunnen vervullen heeft de buurtagent – als laatste – actuele kennis nodig van de lokale jeugdproblematiek en de directe achtergronden (de kennisfunctie).
Zicht op het jeugdgerelateerde werk en de verschillende functies van buurtagenten kan bijdragen aan een discussie over het aandeel van buurtagenten in de jeugdtaak en welke functies in dat licht prioriteit behoeven. Ook de vraag of alle genoemde functies in een enkele persoon zouden moeten samenkomen, of dat wellicht een taakverdeling noodzakelijk is, is de moeite van het debat in mijn ogen waard.

 

Literatuur
Bervoets, E.J.A. (2001). De wijk in verandering: opbrengst politieaanpak Marokkaanse jongerenproblematiek in Amsterdam, Gouda en Utrecht, Apeldoorn: Onderzoeksgroep Nederlandse Politie Academie.
Bervoets, E.J.A. (2004). Policing Moroccan youths in the Netherlands: Barriers to effective intervention. In: Kees van der Vijver & Jan Terpstra (eds.) Urban Safety: problems, governance & strategies. Enschede: Universiteit Twente.
Crisis Onderzoek Team (1998). Incident en ongeregeldheden Amsterdam West, 23 april 1998: Marokkaanse jongeren, politie en bestuur, Alphen aan den Rijn: Samsom.
Etman, O., J. Nap en R. Ruts (1997). De wijkagent, dat was een aardige vent: een onderzoek naar gebiedsgebonden politiezorg in drie regio’s, Den Haag: Eysink Smeets & Etman.
Kobetz, Richard. W. (1971). The Police Role and Juvenile Delinquency, Gaithersburg, Maryland: The International Association of Chiefs of Police.
O+S (2004). Amsterdam in cijfers: jaarboek 2004, gemeente Amsterdam.
Torre, E.J. van der, W.Ph. Stol (2000) Waardevolle politieverhalen: politie en Marokkaanse jongeren, Elsevier: Apeldoorn.
Wijk, A. van, B. Diependaal, E. Bervoets en W. Stol (2005). Politie en jeugd. Den Haag: Elsevier.
Zoomer, O., P. Geurts en K. van der Vijver (2002). De gebiedsgebonden politiezorg als uitdaging, Politie Nova, nr. 11, Den Haag: ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2005, jrg. 67, nr. 6, p. 20-24

Ik dank Ton Smakman, (voormalig) buurtregisseur van de politieregio Amsterdam-Amstelland, voor zijn medewerking. Hij nam de tijd om mij ‘zijn’ wijk te laten zien en zich uitgebreid te laten interviewen over het vak van buurtagent.
2 Smakman is momenteel coördinator jeugdbeleid van district vijf, in Amsterdam-West.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel