Het politiebestel: van 'beleidsvervetting' naar een wervend perspectief

Door Peter Klerks, 01 mei 2005 14:10 uur0 Waardering:

Het Tijdschrift voor de Politie bracht een gezelschap van politiewetenschappers en politiechefs bijeen om van gedachten te wisselen over de toekomst van het politiebestel. De komst van een nationale politie is niet onvermijdelijk, luidde de conclusie. Voorwaarde is dat het de korpschefs lukt om met een wervend perspectief te komen.

De dienders laat het voorlopig koud, maar wie het oor op de rails legt, hoort de trillingen van een aanstormende wijziging van het politiebestel. De moeizame totstandkoming van de regiopolitie begin jaren negentig heeft resulteerde in 26 semi-autonome korpsenkoninkrijkjes, waarin de regionale politiechefsbazen alle ruimte kregen om zich te profileren op wat de korpsen van elkaar onderscheidt. Bij de landelijke politiek lijkt  heeft de onvrede hierover dusdanige vormen te hebben aangenomen dat drastische maatregelen worden bepleit.
De Commissie Politie en Wetenschap bracht onlangs een bundel uit met observaties over de sterke en zwakke punten van de ontwikkelingen in de periode vanaf 1993.  over de toekomst van het politiebestel. Enkele auteurs kwamen op uitnodiging van dit tijdschrift bijeen voor een levendig debat.
In de bundel concluderen diverse schrijvers dat de effectiviteit en professionaliteit van de politie onder druk staan. Doordat vanuit 'Den Haag' een opeenstapeling van beleidsprioriteiten en directieven op de korpsen neerdaalt, ontstaat het risico van een verlammende 'beleidsvervetting', zoals Bob Hoogenboom het formuleert. Het moeten voldoen aan prestatie-indicatoren benadrukt de harde, repressieve kant van het politiewerk en erodeert daarmee de professionele handelingsvrijheid die lokaal maatwerk mogelijk maakt. Tegelijk constateren de auteurs dat de politie de aanscherping van het landelijke beleid voor een belangrijk deel over zichzelf heeft afgeroepen. Zij wijzen op de knelpunten in het functioneren van de regiokorpsen en de gebleken onmacht om die effectief aan te pakken. Als voorbeeld wordt – onvermijdelijk- het onvermogen genoemd om te komen tot een effectieve infrastructuur voor het uitwisselingen van gegevens. De toenemende ontevredenheid van de burger over de effectiviteit van de politie in de aanpak van criminaliteit leidt ertoe dat de politie niet langer aanspraak kan maken op de professionele vrijheid waar zij dat voorheen, welhaast onvoorwaardelijk, wél kon. Het vertrouwen in de slagvaardigheid van de politieorganisatie lijkt verdampt. De 'mediatisering' van de veiligheid, waarbij ieder incident door gretige deskundigen en politici op tv wordt overbelicht, speelt hierin een rol.

Het gebrek aan eenheid en gezamenlijkheid komt zich onder meer tot uiting in de grote variatie in benamingen van vergelijkbare functies. Het lijkt erop dat het raamwerk van de Politiewet als het ware een premie stelde op het accentueren van zelfstandigheid en eigenstandigheid. Dit ging ten koste van het idee van gezamenlijkheid en uniformiteit. Het systeem van duale en overlappende sturingsbevoegdheden geeft de korpschef materieel veel vrijheid. Die positie wordt nog versterkt doordat binnen het bestel geen bestuurder bekleed is met veel 'doorzettingsmacht'; per saldo zijn velen bevoegd, maar niemand is integraal verantwoordelijk. Doordat de verantwoordelijke politieminister onvoldoende gebruik heeft gemaakt van zijn bestaandede bevoegdheden in de Politiewet om wel te sturen, konden de autonome korpsen allemaal hun eigen (informatie)systemen en werkwijzen ontwikkelen en implementeren. Dit maakte de situatie er niet beter op; de minister creëerde op die manier zijn eigen onvermogen.
 

Inhaalslag
De auteurs zien kansen voor een beperkte bestelherziening, die niet jarenlang onnodig energie onttrekt aan het primaire politiewerk. Zij signaleren dat het politieveld bezig is met een versnelde inhaalslag, waarbij de huidige generatie korpschefs het voortouw neemt. De Raad van Hoofdcommissarissen heeft in de afgelopen periode een duidelijke omslag gemaakt, wat resulteert in veelbelovende vernieuwingen in onder meer het politieonderwijs en het rechercheveld. Ook tussen de regio's ontstaan vérgaande samenwerkingsvormen in de vorm van shared services en gemeenschappelijke afdelingen voor rechercheondersteuning. Kees Bangma signaleert dat vooral multidisciplinaire samenwerking in de lokale praktijk zeer vruchtbaar blijkt. Kees Loef vindt een structuurdiscussie niet interessant, volgens hem gaat het om de inhoud en de wijze waarop de politie dicht bij de burger invulling aan haar taak geeft. Hij voegt daaraan toe dat in Amsterdam en elders complexe, intensieve en bijzonder effectieve samenwerkingsvormen zijn ontstaan die nooit door een nieuwe politiereorganisatie mogen worden verbroken. Hij wijst op het goede functioneren van de driehoek, waarin bij het maken van gezamenlijk veiligheidsbeleid het onderscheid tussen gezag en beheer nauwelijks nog relevant is. Leo Huberts merkt in dit kader op dat sommige gemeenten niet groot genoeg zijn om zaken adequaat op te pakken. Hij is dan ook van mening dat gemeenten op regionaal niveau de krachten moeten bundelen en een krachtig veiligheidsbeleid neerzetten. De aanwezigen stellen vast dat alleen wanneer het politieveld de ingezette koers in de richting van een corporate en professionele identiteit met kracht kan doorzetten en zichtbaar maken, er kans is op het herwinnen van vertrouwen.

Niet iedereen verwacht echter een goede afloop: Cas Wiebrens meent dat de politie al lange tijd 'recidivistengedrag' vertoont, doordat men steeds wanneer er sancties dreigen beterschap belooft. Dat komt de geloofwaardigheid niet ten goede. Anderzijds geeft hij toe dat de politie zich de laatste 15 jaar in het licht van nieuwe en omvangrijke uitdagingen enorm flexibel heeft getoond: 'en dergelijke positieve geluidendat hoor je nooit'.
Een ander obstakel voor de vorming van een politie onder nationale regie is volgens Cachet het stelsel van veiligheidsregio's. Lex Cachet ondersteunt dit met de opmerking dat in 1993 de politieregio's zijn vormgegeven vanuit het perspectief dat een bestuurlijke herinrichting zou volgen. Dit laatste heeft niet plaatsgevonden. Afschaffing van de politieregio's is immers moeilijk te rijmen met gelijktijdige invoering van de veiligheidsregio's waarin de huidige politieregio een centrale rol speelt. Tot slot zal ook de gekozen burgemeester, zodra die zich aandient, lastig zijn te combineren met het concept van nationaal beheer over de politie.
 

Korpsbeheerder
De auteurs stellen vast dat per saldo de figuur van de korpsbeheerder in de huidige constellatie wel problematisch is. Hij wordt gezien als een sta-in-de-weg tussen de politieministers en de politiekorpsen en hun chefs, wanneer de minister van BZK eenmaal met een door visie geschraagde overtuiging en daadkracht zijn rol van regievoerder en facilitator gaat vervullen. Een mogelijke oplossing hiervoor kan de indirect gekozen korpsbeheerder zijn, die zijn democratische legitimering ontleent aan de gekozen burgemeesters die hem op het schild tilden. De voorstanders van het regionaal bestel leveren tot dusver geen wervend regionaal alternatief voor een centralistisch stelsel. De veiligheidsregio met gekozen burgemeesters en korpsbeheerder/voorzitter veiligheidsbestuur kan volgens Bangma zo'n vitaal en democratisch geschraagd alternatief worden. Onderdeel van zo'n wervend perspectief zou dan wel moeten zijn dat men toegeeft, bepaalde zaken zoals de informatie-infrastructuur gezamenlijk regelt en onder niet voor elkaar te krijgen en daarvoor dwingende centrale regie te vragenplaatst.
Er liggen echte grote problemen die om reorganisatie vragen en de 'regionalen' zitten in een defensieve positie, zo stelt Leo Huberts vast. Er is ook een wervend alternatief op regionaal niveau nodig. Dat de korpsbeheerders daarvoor de belangrijkste propagandisten zijn, is dubieus. Die functie zal moeten verdwijnen, ook in een verbeterd decentraal bestel. Huberts vindt het niet vreemd dat iedere bestuurslaag een eigen politie verlangt. Het gaat bij de politisering om meer dan speeltjes voor publiciteitsbeluste politici. Het is onvermijdelijk en gerechtvaardigd dat gekozen politici over een politieapparaat kunnen beschikken dat hun veiligheidsbeleid kan uitvoeren. Dat geldt voor de Tweede Kamer voor het landelijk beleid, en ook voor de gemeenten. Veiligheid wordt bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen een belangrijk thema. Als de politie daar niet op inspeelt, ontstaan er lokaal uit de vele toezichthouders nieuwe vormen van 'gemeentepolitie'. Frits Vlek meent dat de discussie van begin jaren negentig weer helemaal terugkomt. Je kunt volgens hem eigenlijk pas decentraliseren als je vooraf een aantal dingen hebt geharmoniseerd, en dat is in 1993 verzuimd.

Er liggen echte grote problemen die om reorganisatie vragen en de ‘regionalen’ zitten in een defensieve positie, zo stelt Leo Huberts vast. Wanneer het regionale bestel is aangewezen op de korpsbeheerders als belangrijkste propagandisten is het een verloren strijd. Huberts vindt het niet vreemd dat iedere bestuurslaag een eigen politie verlangt. Het gaat om meer dan een speeltje voor politici: alleen met een uitvoerend apparaat kun je zichtbaar veiligheidsbeleid maken. Lokaal ontstaat er op het moment uit allerlei toezichthouders dan ook ongemerkt een gemeentepolitie, en veiligheid wordt in de volgende gemeenteraadsverkiezingen een belangrijk thema. Het regionaal bestel biedt eigenlijk niemand een eigen politie, en dat levert voorspelbare onvrede op. Frits Vlek meent dat de discussie van begin jaren negentig weer helemaal terug komt. Je kunt volgens hem eigenlijk pas decentraliseren als je vooraf een aantal dingen geharmoniseerd hebt, en dat is verzuimd in 1993.
Hoogenboom wijst op onderzoekers als Fijnaut en Van Reenen, die poneerden dat grote veranderingen alleen bij crisis, dreigende revolutie en dergelijke totstandkomen. De huidige vraagstukken van criminaliteit en terrorisme rechtvaardigen nog geen reorganisatie, die volgens Hoogenboom door centralisatie ten koste zal gaan van de basispolitiezorg. Bangma valt hem hierin bij: hoe verder van de wijk af, hoe repressiever de politie. Centralisering zal dus leiden tot een nieuw type politie. Anderen, waaronder Wiebrens werpen tegen dat die veronderstelling nog bewezen moet worden. Zowel Bangma als Hoogenboom bepleiten een veel bredere besteldiscussie die ook de AIVD, bijzondere opsporingsdiensten en lokale toezichthouders omvat. Het visiedocument van de Raad van Hoofdcommissarissen spreekt niet voor niets van ‘gezagsvermenigvuldiging’ en ‘fragmentatie’ van de politiefunctie. De meeste aanwezigen verwachten echter dat zulk een complexiteit voor de politiek te hoog gegrepen is.
Zowel Bangma als Hoogenboom bepleiten een veel bredere besteldiscussie die ook de AIVD, bijzondere opsporingsdiensten en lokale toezichthouders omvat. Huberts voegt daar uitdrukkelijk de private beveiliging en politie aan toe. Het visiedocument van de Raad van Hoofdcommissarissen spreekt niet voor niets van 'gezagsvermenigvuldiging' en 'fragmentatie' van de politiefunctie. De meeste aanwezigen verwachten echter dat zulk een complexiteit voor de politiek te hoog gegrepen is.
 

Europa
De uitdaging voor de korpschefs ligt volgens de aanwezigen vooral in het verbinden van de professie en de bestuurlijke discussie. Ze moeten zich in de discussie zeker niet onbetuigd laten, maar zichtbaar maken in hoeverre een kwalitatief sterke lokale politiezorg mogelijk blijft in een meer centraal aangestuurd stelsel. Pier Eringa wijst erop dat hoewel een decentrale organisatie beter kan inspelen op lokale veranderingen, enige centrale sturing op zichzelf volkomen begrijpelijk is. 'Bloed gaat altijd voor groen, maar een ministerie als VROM plust op een gegeven moment bij om de milieutaak te versterken. Het is terecht dat men dan resultaten wil zien.'
Gevraagd naar welke beslissing men verwacht, lopen de meningen uiteen. Sommigen zien pas na een komende kabinetsformatie een aanpassing gebeuren. Terpstra meent dat het reorganiseren naar een nationaal niveau in het nieuwe Europa in feite al achterhaald is. De Europese grondwet en bindende afspraken over justitiële samenwerking leggen de autonomie van de Nederlandse overheid zodanig aan banden dat het Europees niveau eigenlijk relevanter wordt. Cachet voegt daaraan toe dat in het licht van die europeanisering het besturen op een regionaal niveau aan belang wint. Hij meent echter dat het 'Haagse denken' niet zozeer is ingegeven door echte bezinning op problemen, maar door machtsvragen. Terpstra stelt vast dat de druk groot blijft zolang de minister zich niet voor het politiebeleid kan verantwoorden. De uitkomst hangt echter ook van het lokale tegenwicht af. Hij wijst erop dat velen zeggenschap over de politie bij een gekozen burgemeester als een risico zien, wat druk oplevert richting een centraal bestel. Verder meent hij dat de vaak zwakke positie van gemeenten in de lokale veiligheidszorg echt een probleem gaat vormen wanneer de rol van de politie door centralisatie veel ambivalenter zou worden.
 

Imagomanagement
Huberts voorziet dat er bij ontstentenis van een wervend regionaal perspectief uiteindelijk gekozen wordt voor een centrale politie. Hij ziet weinig 'stevigheid' in het huidige evaluatieproces onder regie van mevrouw Leemhuis en meent dat het gebrek aan reputatie van het advies en de gevolgde procedure de ministers nog kan opbreken. Hoogenboom benadrukt nogmaals dat nationalisering alleen na een terroristisch incident aan de orde zal zijn, doordat dan processen van mediatisering, politisering en infantilisering de overhand krijgen. Zolang dat niet gebeurt, blijft de strijd in de richting gaan van een nationaal bestel: twee stappen vooruit, een terug. De politieke drang tot reorganiseren moet volgens hem vooral worden gezien als imagomanagement: politici die kunnen zeggen: 'wij zijn er stevig mee bezig'. Vlek voorziet het ontstaan van een hybride model waarin de gekozen burgemeester een rol gaat spelen. Het werk van de politie vindt primair lokaal plaats. Op dit niveau moet het startpunt liggen voor het bouwen van een politieorganisatie. Het huidige stelsel zal afkalven, onder meer doordat het aantal regio's zal worden teruggebracht. De discussie zal draaien rond de vraag hoeveel decentraal kan worden belegd en hoe in de gezagslijn prioriteiten kunnen worden doorgezet. Wiebrens verwacht op korte termijn geen nationale politie, maar signaleert wel een neiging in 'Den Haag' om 'hindermachten' weg te schuiven. Het stelsel blijft regionaal, maar het beheer van ICT, wagenpark en dergelijke, opschaling bij incidenten en het beheer van speciale eenheden worden centraal getrokken. Ook komt er meer invloed bij het doorzetten van nationaal gestelde prioriteiten. Hij verwacht ook dat de burger zich meer met de politie gaat bemoeien, ongeveer zoals in de Verenigde Staten, waar de burger lokaal de helft van de politie betaalt en daardoor goed op de aanrijtijden let.
Bangma hoopt dat betrokken partijen op basis van gezond verstand besluiten nemen, hij ziet geen heil in een ziet geen grote bestelwijziging. Hij verwacht meer van de , als de nieuwe generatie korpschefs die vanuit de professie hun krachten bundelen, hun verantwoordelijkheid nemen en laten zien dat de politie op professionele wijze een bijdrage levert aan veiligheid!aat zien dat zij de verantwoordelijkheid pakt. Hans Drayer ten slotte vat de stemming ten aanzien van een centralistisch stelsel samen: “Nog een Theo van Gogh en we hebben ‘m”.

Aan het gesprek onder leiding van Pier Eringa namen deel: Kees Bangma, Lex Cachet, Hans Drayer, Bob Hoogenboom, Leo Huberts, Kees Loef, Jan Terpstra, Frits Vlek en Cas Wiebrens, allen op persoonlijke titel. De bundel kwam uit bij uitgeverij Kerckebosch.

 

Bron: Het Tijdschrift voor de Nederlandse Politie, 2005, jrg. 67, nr. 5, p. 4-7

0 reacties

Reageer op dit artikel