Het succes van de Britse voetbalwet: Kanttekeningen en best practices

Het aantal arrestaties rond voetbalwedstrijden in Groot-Brittannië is het afgelopen seizoen significant gedaald. Volgens sommige geleerden duidt dit op een afname van het hooliganisme, welke zou zijn toe te schrijven aan de Britse voetbalwetgeving. Ramón Spaaij keek achter de cijfers en concludeerde dat deze redenering uitermate gebrekkig is.

Het afgelopen seizoen is het aantal arrestaties rond voetbalwedstrijden in Groot-Brittannië afgenomen. Voor professor Ian Blackshaw bewijst dit het succes van de in 1999 ingevoerde Football (Offences en Disorder) Act. De hoogleraar poneerde deze stelling tijdens een seminar dat het T.M.C. Asser Instituut op 30 november 2004 organiseerde rondom de bijzondere wetgeving ter bestrijding van voetbalvandalisme. De journalistiek nam de redenering van de Britse hoogleraar klakkeloos over; zo refereerde de Volkskrant van 1 december jl. aan zijn 'heldere, door statistisch cijfermateriaal onderbouwde, betoog'. De vraag is echter hoe deze statistische gegevens moeten worden geïnterpreteerd. Neemt het aantal wetsovertredingen rond voetbalwedstrijden in Groot-Brittannië werkelijk af? En zo ja, hoe is dit te verklaren? Cijfers krijgen immers betekenis in de context waarin ze worden geproduceerd. Zoals criminoloog Willem de Haan stelt: 'het expliciet maken van die context (…) is wetenschappelijk gesproken een eerste vereiste.' Ik ben dan ook van mening dat het onderzoek van professor Blackshaw en de publieke interpretatie ervan enige nuancering behoeven. In deze bijdrage zal ik door middel van een kwalitatieve analyse het Britse voetbalvandalismebeleid inzichtelijk proberen te maken.
 

Wat cijfers zeggen
Een eerste (en volgens sommigen de belangrijkste) indicator voor het succes van de Britse voetbalwet is het dalende aantal aanhoudingen rond voetbalwedstrijden. In het seizoen 2003/2004 daalde het totale aantal aanhoudingen met tien procent, van 4413 naar 3982. Dit zou wijzen op een afname van de werkelijke hoeveelheid wetsovertredingen rond voetbalwedstrijden in die periode. Men vergeet echter te vermelden dat in het seizoen 2001/2002 het totale aantal aanhoudingen (3214) significant lager was dan in de laatste twee seizoenen. Nemen we een langere termijn in ogenschouw, dan blijkt het aantal aanhoudingen in een periode van tien jaar met dertig procent te zijn gedaald. Er is dus inderdaad sprake van een geleidelijke – maar niet rechtlijnige – afname van het aantal arrestaties rond voetbalwedstrijden. De vraag rijst wat we uit deze cijfers kunnen opmaken.  Arrestatiestatistieken zijn allerminst betrouwbaar als graadmeter voor de reële omvang van het hooliganisme. De statistieken zeggen wellicht meer over trends in de productiviteit van de politie dan over ontwikkelingen in het voetbalvandalisme. Het verrichten van arrestaties is in grote mate afhankelijk van de capaciteit en prioriteiten van de politieorganisatie. Drie zaken springen hierbij in het oog.
Door de toename van het aantal stewards en – in mindere mate – het contracteren van private beveiligingsbeambten is de politie-inzet binnen de Britse stadions de laatste jaren teruggedrongen. Aangezien stewards niet bevoegd zijn tot het verrichten van aanhoudingen, leidde dit tot een daling van het aantal arrestaties tijdens wedstrijden.
Verder is het beleid in sommige steden of regio's minder gericht op het aanhouden van verdachten en meer op het handhaven van de openbare orde. Ook binnen politiekorpsen zijn er lokale verschillen: de afgelopen jaren heeft de Metropolitan Police opmerkelijk meer aanhoudingen verricht rond voetbalwedstrijden in West-Londen (vier profclubs) dan bij wedstrijden in Oost-Londen (vijf profclubs). Volgens New Scotland Yard komt dit niet zozeer doordat de problematiek verschilt, maar doordat het beleid in West-Londen meer op proactie is gericht.
Tot slot moeten we onderscheid maken tussen verschillende typen delicten. Uit gegevens van het Home Office blijkt dat in het afgelopen seizoen 1119 arrestaties (28%) betrekking hadden op 'alcohol offences' en 83 (2%) op de illegale verkoop van toegangskaarten. Het is een bekend gegeven dat gewelddadige confrontaties zich meestal afspelen buiten de stadions, tegenwoordig zelfs ver uit de buurt. Bepaalde supportersgroepen staan erom bekend dat ze elkaar opzoeken op treinstations, in pubs, enzovoort. De onvoorspelbaarheid van de locaties bemoeilijkt het verrichten van aanhoudingen. Zelfs wanneer de politie tijdig op de hoogte is van een treffen tussen rivaliserende supportersgroepen, kunnen de hooligans zich door hun hit and run-tactiek vaak uit de voeten maken voordat er voldoende politie ter plaatse is. Deze ontwikkeling heeft zijn weerslag in het percentage verborgen criminaliteit.
 

Stadionverboden
Een andere indicator voor de omvang van het Britse hooliganisme en het succes van de voetbalwet is het aantal stadionverboden, dat in het seizoen 2003/2004 van 1794 steeg naar 2596. De vraag is welke conclusies we hieraan kunnen verbinden: neemt het hooliganisme toe of is het politieoptreden efficiënter geworden? De toename van het aantal stadionverboden blijkt direct verband te houden met een reeks grootschalige, gerichte politieacties in het kader van Euro 2004 en het WK 2006. Op initiatief van de British Transport Police, de National Criminal Intelligence Service (NCIS) en verscheidene regionale politiekorpsen kregen diverse notoire hooligans een stadionverbod én een internationaal reisverbod. Dit om te voorkomen dat ze tijdens de internationale toernooien betrokken zouden raken bij rellen. Gezien het relatief lage aantal geweldsincidenten lijkt deze strategie bij Euro 2004 succesvol te zijn geweest. Later in dit artikel kom ik hierop terug.
 

Incidenten
Een derde indicator is het aantal geregistreerde incidenten. Dit aantal is de afgelopen jaren toegenomen: van 138 in het seizoen 2001/2002 en 206 in het seizoen 2002/2003, naar 317 in het seizoen 2003/2004 (een stijging van 54% ten opzichte van het seizoen ervoor). Deze cijfers, gepubliceerd door NCIS, komen overeen met de bevindingen van de British Transport Police. Zij wijst op een toenemend aantal 'serieuze' incidenten in het openbaar vervoer, met name rond supportersvervoer per trein. NCIS ziet verder een toename (44%) van het aantal geregistreerde incidenten binnen de stadions. Dit cijfer is opvallend, omdat in Nederland de gedachte heerst dat zich binnen de Britse stadions, ondanks de afwezigheid van hekken en grachten, nauwelijks incidenten voordoen. De aanname dat men in Groot-Brittannië het speelveld niet zou betreden uit angst voor hoge straffen blijkt maar deels te kloppen: het afgelopen seizoen werden 248 supporters gearresteerd wegens pitch incursion. Evident is wel dat grootschalige veldinvasies door hooligans, zoals die in de jaren zestig, zeventig en tachtig gebruikelijk waren, nauwelijks meer plaatsvinden.
Feit blijft dat ook incidentstatistieken onbetrouwbaar zijn als graadmeter voor de omvang van het hooliganisme en het succes van de voetbalwet. Uit eigen onderzoek blijkt dat de toename van het aantal geregistreerde incidenten nauw samenhangt met de uitbreiding van de registratiecapaciteit en de fijnmazigheid van de informatiepositie van de politie. Opvallend is ook de problematische definiëring van het begrip 'incident' en de omschrijving 'serieus'. Wat voor de één een serieus incident is (en dus wordt geregistreerd), is voor de ander niets bijzonders. De betekenis van het begrip 'incident' verandert ook door de tijd. Britse ervaringsdeskundigen hebben dan ook hun twijfels over de betrouwbaarheid van de registratie: 'Ik hecht daar niet veel waarde aan, want die cijfers zeggen weinig over de werkelijke omvang van het probleem. Vele factoren belemmeren zo'n vergelijking' (chef van de Public Order Intelligence Unit, New Scotland Yard).
 

Mediaberichtgeving
De laatste jaren lijken de Britse media minder dan voorheen over voetbalvandalisme te berichten. De vraag is of dit wijst op een reële daling van het aantal wetsovertredingen rond voetbalwedstrijden. Volgens een Engelse journalist die ik onlangs interviewde, is dit inderdaad het geval: 'we schrijven er minder over omdat er in vergelijking met de jaren zeventig en tachtig nu eenmaal minder ernstige incidenten zijn'. Ervaringsdeskundigen en wetenschappers zetten hun vraagtekens bij deze opvatting. Zo stelt socioloog Eric Dunning dat het afnemen van de mediaberichtgeving samenhangt met de depolitisering van het hooliganisme; een bewuste strategie van onder meer de regering en de Football Association (FA) om het imago van het Britse voetbal te verbeteren. Politieonderzoekers Jon Garland en Michael Rowe concluderen dat de mediaberichtgeving meer een afspiegeling is van de plaats van het hooliganisme op de journalistieke agenda dan van de daadwerkelijke hoeveelheid geweld in objectieve zin.
Het afnemen van de mediaberichtgeving over voetbalvandalisme is echter niet los te zien van de veranderingen in het hooliganisme zelf. Gewelddadige confrontaties vinden thans vooral buiten het stadion plaats, op locaties waar gewoonlijk geen journalisten zijn. Hierdoor kan er geen sprake zijn van een goed doortimmerd verhaal en een pakkende foto. Doen zich incidenten voor binnen het stadion, dan staan de Britse kranten (met name de tabloids) er bol van. Nadat er eind oktober 2004 binnen een tijdsbestek van enkele dagen een aantal geweldsincidenten in de stadions waren geweest, verschenen er prompt enkele verontrustende artikelen in de Engelse media. The Guardian (29 oktober 2004) opent met 'Hooligans launch fightback' en de Evening Standard vraagt (29 oktober 2004) zich af: 'Is it coming back?' Het antwoord is eenvoudig: het hooliganisme is nooit weggeweest, maar in het algemeen minder zichtbaar geworden. Zo stelt NCIS: 'Er doen zich door het hele land nog altijd veel georganiseerde confrontaties voor tussen criminele groeperingen die aan voetbalclubs zijn gelieerd. Veel van deze incidenten worden in de media en publieke opinie nooit in verband gebracht met het voetbal, en vaak worden ze omschreven als gewone cafégevechten.'
 

Kwalitatieve benadering
Uit het voorgaande blijkt dat statistische gegevens (aantallen arrestaties, stadionverboden en incidenten) het complexe karakter van het Britse hooliganisme onvoldoende inzichtelijk maken. Een adequate probleemanalyse vergt derhalve een kwalitatieve, op empirisch onderzoek gestoelde, benadering. Uit eigen onderzoek komt naar voren dat het voetbalvandalismebeleid in Groot-Brittannië op drie pijlers rust: de inlichtingengestuurde aanpak, het opleggen en handhaven van stadionverboden en het veranderende voetbalklimaat.
 

Inlichtingengestuurde aanpak
Vanaf de jaren tachtig hebben de Britse autoriteiten fors geïnvesteerd in crowd management. De anonieme massa's van de karakteristieke youth ends hebben plaatsgemaakt voor zittribunes. Iedere beweging van supporters wordt nauwlettend gevolgd door camera's, veiligheidscoördinatoren, stewards en politiefunctionarissen. Hiermee hebben de autoriteiten een belangrijke slag gewonnen: zij kunnen zonder problemen individuen uit de anonimiteit halen. Binnen de aanpak van het voetbalvandalisme is intelligence-led policing steeds dominanter geworden. Een belangrijke aanleiding voor het herinrichten van politionele informatieprocessen waren de strafrechtelijke onderzoeken naar 'leiders' van diverse hooligangroepen (Operation Full Time). De operatie mislukte grotendeels door het vervalsen van bewijs; veel hooligans ontliepen hun straf en streken een forse schadevergoeding op.
De huidige informatiepositie van de Britse politie werpt vruchten af. De politie beschikt over een breed scala aan registratiesystemen die onderling zijn gekoppeld en de samenwerking tussen de verschillende actoren (politiediensten, clubs, Football Banning Orders Authority, et cetera) verloopt over het algemeen naar wens. In preventieve zin lukt het de politie in de meeste gevallen om groepen risicosupporters te monitoren en indien nodig te escorteren naar en van het stadion, zonder dat hiervoor een verplichte combiregeling wordt gehanteerd. Slechts twee clubs, Cardiff City en Stoke City, maken momenteel gebruik van een buscombi bij risicowedstrijden. Spotters en intelligence officers concentreren hun aandacht primair op groepen risicosupporters. Die weten dat ze in de gaten worden gehouden, maar slagen er soms in op onconventionele tijdstippen en locaties toe te slaan. Daar dit type confrontaties, ver verwijderd van de stadions, zeer moeilijk is te voorkomen, heeft de Britse politie de laatste jaren meer nadruk gelegd op het verzamelen van bewijslast. Een belangrijke verbetering is de consequente schriftelijke vastlegging van inlichtingen, inclusief broncode, zodat men deze documenten achteraf als bewijs kan overhandigen. Hierdoor is de effectiviteit van strafvervolging toegenomen. De Britse politie gebruikt ook geregeld opnamen van camera's op stations of in winkelcentra als bewijs. Vanwege de pakkans vechten hooligans liever niet in of rondom het stadion, maar ze vergeten soms dat cameratoezicht ook op andere locaties inmiddels gebruikelijk is. Onlangs heeft het Home Office extra geld beschikbaar gesteld voor politieonderzoek naar oude, onopgeloste zaken. Speciale politieteams bekijken video-opnamen en trekken verklaringen na. Deze methode heeft een signaal doen uitgaan naar de hooligans: pas op, ook geruime tijd na dato kunnen we je nog achterhalen. Op grond van nieuwe bewijzen zijn tientallen notoire hooligans veroordeeld voor delicten die zij eind jaren negentig begingen.
Enkele kanttekeningen bij de inlichtingengestuurde aanpak zijn op zijn plaats. Het inlichtingenwerk richt zich primair op gekende hooligans en georganiseerde hooligangroepen. Uit onderzoek blijkt dat een belangrijk deel van de geweldsincidenten niet wordt gepleegd door georganiseerde groepen hooligans, maar een spontaan (ad hoc) karakter kent. Daarnaast worden risicoanalyses niet uitsluitend gebaseerd op intelligence,  maar spelen ook politieke motieven een rol. Besluitvormers – in het Britse geval de politietop – kunnen ervoor kiezen geen risico's te nemen en 'op safe' te spelen, vooral waar het mediagevoelige wedstrijden betreft. Dit leidt ertoe dat de kosten van politie-inzet soms onnodig hoog uitvallen. De vermenging van professionaliteit en politiek belang bemoeilijkt maatwerk.
 

Stadionverboden
Professor Blackshaw wees in zijn betoog met recht op de positieve ervaringen van de Britse autoriteiten met het opleggen van stadionverboden. Volgens Britse ervaringsdeskundigen heeft de uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden rondom het opleggen en handhaven van (internationale) stadionverboden vruchten afgeworpen, getuige bijvoorbeeld het relatief rustige verloop van het WK 2002 en Euro 2004. Voor een genuanceerder analyse moeten we echter onderscheid maken tussen nationale en internationale wedstrijden. Bij uitwedstrijden van het Engelse nationale elftal wordt het stadionverbod gecombineerd met een reisverbod en een meldplicht. De autoriteiten zijn bevoegd om ook verdachte, maar niet veroordeelde personen een stadionverbod op te leggen. Toch werkt deze methode niet altijd naar behoren. Onderzoek van Jon Garland en Michael Rowe wijst uit dat veel relschoppers – in het geval van het WK 1998 maar liefst 82 procent! – vooraf geen bekenden van de politie zijn. Zij zijn veroordeeld noch verdacht en komen derhalve niet in aanmerking voor een stadion- of reisverbod. Daarnaast moet worden beseft dat, zoals Otto Adang en Clifford Stott reeds aangaven, bij de laatste grote internationale toernooien (Euro 2000, WK 2002 en Euro 2004) de grootste incidenten zich voordeden in eigen land (met name na een nederlaag of uitschakeling), en niet in het land waar het toernooi gespeeld werd. In algemene zin stuiten we wat betreft het opleggen van een stadion- en reisverbod aan verdachte personen die niet zijn veroordeeld voor een voetbalgerelateerd delict op een fundamentele spanning tussen de rechten van het individu en de rechten van de maatschappij.
Op nationaal niveau kan een meldplicht alleen als bijzondere voorwaarde worden ingesteld. De voorwaarde kan bijvoorbeeld ook een omgevingsverbod inhouden, hetgeen betekent dat de persoon in kwestie zich op wedstrijddagen niet binnen een straal van enkele kilometers van het stadion mag begeven. Het wordt in strijd met de mensenrechten geacht dat iedereen met een stadionverbod zich elke wedstrijd zou moeten melden. Alleen wanneer het notoire relschoppers betreft, is men soms bereid tot een wekelijkse meldplicht over te gaan. Maar ook zonder meldplicht wordt het stadionverbod als effectief middel beschouwd. Ten eerste draagt het bij aan positieve verplaatsing. Door close surveillance in de vorm van spotters, intelligence officers en cameratoezicht weet de politie tot op zekere hoogte supporters met een stadionverbod uit de stadions te weren. Binnen het stadion neemt het geweld af; het verplaatst zich naar buiten. De praktijk leert dat door deze verplaatsing een aanzienlijk deel van de meelopers en gelegenheidshooligans wegvalt. Menig hooligangroep opereert vandaag de dag met significant minder personen: alleen de meest vastberaden hooligans nemen de moeite ingewikkelde omwegen in te slaan. Ten tweede wordt met de huidige wetgeving een duidelijk signaal afgegeven: we doen er alles aan om jullie het leven zuur te maken. Tot op zekere hoogte fungeert de wetgeving als fear factor, vooral als duidelijk is dat ze daadwerkelijk wordt gehandhaafd.
 

Het veranderende voetbalklimaat
Naar aanleiding van de voetbalrampen in Brussel (1985) en Sheffield (1989) en het evaluatierapport van Lord Justice Taylor (1990) werden begin jaren negentig pogingen ondernomen om het slechte imago van het Engelse voetbal om te buigen. Vrijwel alle stadions werden vernieuwd en er kwam steeds meer nadruk te liggen op spectator safety. Tegelijkertijd nam de commercialisering van de voetbalwereld toe. Clubs en investeerders zagen in dat het karakteristieke masculiene vermaak op de tribunes het aantrekken van 'beschaafder' publiek bemoeilijkte. Met name clubs uit de hoogste divisie (Premier League) zijn erin geslaagd een nieuw type supporter aan te trekken: de consument die primair voor het spektakel en de spelersnamen het stadion bezoekt. Ook zijn er community schemes opgezet om de betrokkenheid van de lokale bevolking bij de clubs te vergroten. Deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan de forse stijging van de toeschouwersaantallen in het algemeen en van het aantal vrouwen en kinderen dat de stadions bezoekt in het bijzonder. Bij sommige clubs, bijvoorbeeld Arsenal, valt tevens een significante groei van het aantal allochtone supporters te constateren. De populariteit van het Engelse voetbal is de afgelopen twaalf jaar gestaag gegroeid en in het seizoen 2003-2004 kwam het bezoekerscijfer voor het eerst in 34 jaar weer eens boven de 27 miljoen, ondanks de vele rechtstreekse televisieverslagen. Kortom, het Britse voetbal is weer fashionable.
Volgens socioloog John Williams is de beleving van een bezoek aan een wedstrijd in de Engelse Premier League, ondanks het feit dat het hooliganisme zeker niet is verdwenen, drastisch veranderd. Gewone supporters merken weinig van het hooliganisme, zo blijkt ook uit een door hem verrichte survey: 70 procent van de ondervraagden geeft aan nooit gevechten of het gooien van voorwerpen te hebben meegemaakt bij voetbalwedstrijden. Daarentegen zijn doorgewinterde hooligans steeds meer vervreemd van hun traditionele territorium en zij zien zich genoodzaakt de confrontatie met rivaliserende supportersgroepen op andere locaties aan te gaan. Juist in lagere divisies, waar het veiligheidsbeleid vaak minder ontwikkeld is, doen zich de meeste geweldsincidenten binnen en in de nabijheid van het stadion voor.
 

Conclusies
Uit de bovenstaande analyse blijkt dat op basis van statistische gegevens geen doorwrocht beeld kan worden geschetst van de werkelijke omvang van het Britse hooliganisme en de impact van de voetbalwet. De diverse statistieken zijn betrouwbaar noch eenduidig. Het staat buiten kijf dat met de invoering van de Britse voetbalwetgeving de juridische mogelijkheden voor preventie, opsporing en vervolging zijn verruimd, maar deze wetgeving mag niet los worden gezien van de specifieke context. De voetbalwet is grotendeels de erfenis van de grootschalige hooliganconfrontaties van de jaren zeventig en tachtig, de dramatische gebeurtenissen in Brussel (1985), Bradford (1985) en Sheffield (1989), het war cabinet van oud-premier Margaret Thatcher, internationale sancties en de verwoede pogingen van de Britse overheid om het imago van het voetbal te verbeteren. De wetgeving heeft naast een praktische waarde vooral symbolische betekenis. De wetgeving geeft een duidelijk signaal af aan de samenleving, maar bergt onder meer het gevaar in zich dat ze de sport qua regelgeving isoleert van andere terreinen en leidt tot verwarring en ongelijkheid onder burgers.

Terwijl statistieken omtrent aantallen arrestaties, stadionverboden en incidenten weinig zeggen over de werkelijke omvang van het hooliganisme en het succes van de voetbalwet, blijkt uit kwalitatief onderzoek dat zich in Groot-Brittannië enkele gunstige ontwikkelingen aftekenen, ondanks het feit dat het hooliganisme zeker niet is verdwenen. Bepaalde aspecten van het Britse voetbalvandalismebeleid zouden ook in Nederland effect kunnen sorteren, al vragen verschillende kwalen verschillende genezingswijzen. Het verdient aanbeveling de toepasbaarheid van Britse best practices nader te onderzoeken. Vooral de investering in de informatiepositie en bewijsvoering valt hierbij op. Het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme (CIV) geeft aan dat in het seizoen 2003-2004 36 procent van de zaken is geseponeerd, hetgeen volgens het CIV verband houdt met gebrekkige bewijslast. Vaker dan voorheen werden in Nederland groepen supporters opgepakt waartegen de politie de bewijslast niet rond kon krijgen. De Britse autoriteiten hebben in het verleden hetzelfde probleem onderkend en zijn meer en meer gaan investeren in het verzamelen en vastleggen van inlichtingen en bewijsmateriaal. Door close surveillance is de politie tot op zekere hoogte in staat stadionverboden te handhaven. De praktische haalbaarheid van een dergelijke beleidsinslag in Nederland hangt grotendeels af van de politieke en bestuurlijke prioriteit die het voetbalvandalisme in Nederland krijgt toebedeeld. Immers, het professionaliseren en uitbreiden van de inlichtingencapaciteit zal extra inspanningen vergen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat deze inspanningen kunnen worden ingevuld binnen de huidige politiecapaciteit.

In meer algemene zin kan worden geconcludeerd dat de Britse voetbalwet niet zaligmakend is. De verregaande juridische bevoegdheden komen met name tot uiting rond de belangrijkste internationale toernooien (EK en WK). Wellicht zijn dergelijke bevoegdheden in Nederland (vooralsnog) overbodig, aangezien zich rond uitwedstrijden van het Nederlands elftal relatief weinig incidenten voordoen. Voor wat betreft de nationale competities lijkt het niet onverstandig eerst de grenzen van de bestaande (handhavings)mogelijkheden af te tasten en de huidige leemten naar vermogen in te kleden, alvorens drastische wetswijzigingen door te voeren. De kracht van het Britse voetbalvandalismebeleid is niet primair gelegen in de juridische sfeer, maar in de implementatie van het beleid: niet alleen door de overheid, maar ook door clubs, supportersorganen, antiracismeorganisaties, enzovoort. Ondanks de positieve ontwikkelingen is de British disease – hoewel over het algemeen minder zichtbaar – nog immer een veelvoorkomend verschijnsel. De bestrijding ervan vergt intensieve arbeid, stap voor stap, op een dagelijkse basis en op diverse terreinen.

 

Bronnen
Otto Adang en Clifford Stott (2004), 'Stop de hooligans? Beheersing van voetbalgerelateerd geweld tijdens Euro 2004', het Tijdschrift voor de Politie, 66(6), p. 37.
CIV (2004), Jaarverslag seizoen 2003-2004, Utrecht.
Eric Dunning (1999) Sport Matters: Sociological studies of sport, violence and civilization, London and New York: Routledge, pp. 132-133.
Football Intelligence Unit (2004) Annual report 2003-2004, London: British Transport Police.
Jon Garland en Michael Rowe (1999) 'The 'English Disease' – Cured or in Remission? An Analysis of Police Responses to Football Hooliganism in the 1990s', Crime Prevention and Community Safety: An International Journal, 1(4), pp. 35-47.
Willem de Haan (2004) 'Discussie. Eenduidige cijfers: een gevaarlijke illusie', Tijdschrift voor Criminologie, 46(1), p. 74.
Home Office (2004) Statistics on football-related arrests & banning orders, season 2003-2004, London: Home Office.
Ramón Spaaij (2002) 'Het informatieproces rond voetbalwedstrijden: structuur, knelpunten, kansen', het Tijdschrift voor de Politie, 64(11), pp. 26-31.
Lord Justice Taylor (1990) Inquiry into the Hillsborough stadium disaster (15 April 1989). Final report, London: HMSO.
John Williams (2001) 'Who you calling a hooligan?', in: Mark Perryman (red.), Hooligan Wars: Causes and effects of football violence, Edinburgh and London: Mainstream, pp. 37-53.
Intensieve samenwerking met de Football Intelligence Unit (British Transport Police), Public Order Intelligence Unit CO11 (New Scotland Yard), Football Disorder Unit (Home Office), Football Intelligence Section (NCIS) en diverse eenheden van de Metropolitan Police Service.


Abstract
Some politicians, academics and journalists judge the success of the British football act by the decrease in the number of arrests surrounding football matches since the Football (Offences and Disorder) Act took effect in 1999. The author is opposed to such a simplistic interpretation of statistical data. Statistics on the number of arrests, stadium bans and incidents prove to be neither reliable nor clear-cut. They provide little insight into the true scale of the hooliganism and the success of the football act. An adequate problem analysis therefore calls for a qualitative approach, based on empirical research. From my own research, it becomes clear that British policy on football hooliganism rests on three main pillars: the intelligence-led approach, the imposition and enforcement of stadium bans and the changing climate in football. Although hooliganism has certainly not disappeared, a number of positive trends are becoming apparent in Great Britain. Certain aspects of the British policy on football hooliganism could potentially be effective in the Netherlands too, although different diseases call for different remedies. It is worth looking into the applicability of these best practices in more detail. This applies particularly to British experience in the field of intelligence-led policing, obtaining evidence and enforcing stadium bans through close surveillance.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2005, jrg. 67, nr. 1-2, p. 4-8

0 reacties

Reageer op dit artikel