Integriteitsonderzoek bij regiokorps Zaanstreek-Waterland: Een blauwe kijk op het leven?

Door Rob van Bree en Karin Lasthuizen, 01 juni 2006 10:55 uur0 Waardering:

Het onderwerp politiële integriteit staat al enige jaren volop in de belangstelling. Wat betekent dit voor de gewenste privé-houding van een politiefunctionaris? Verandert deze met de tijd? De politietop verwacht veelal dat hun medewerkers een ‘blauwe’ kijk op het leven hebben, ook buiten diensttijd. Hoe denken de medewerkers daar eigenlijk zelf over?

Een paar jaar geleden richtte de aandacht zich voornamelijk op niet-integere handelingen in diensttijd, zoals het aannemen van geschenken of het regelen van kortingen. De laatste tijd wordt de vraag steeds prominenter welke privé-gedragingen (on)verenigbaar zijn met het beroep van politiemedewerker. Deze verschuiving c.q. verbreding heeft mogelijk te maken met een aantal veranderde opvattingen in onze samenleving. Zo wordt bijvoorbeeld het bezit of gebruik van softdrugs (onder voorwaarden) sinds enige jaren gedoogd, is het bordeelverbod inmiddels opgeheven en worden diverse (illegale) harddrugsoorten vaak door jongeren gebruikt in het uitgaansleven. Uit persberichten blijkt dat de politietop het niet wenselijk acht als de privé-houding van een politiefunctionaris verandert. Dit is niet zo verwonderlijk.
Interessanter is echter de vraag hoe de werknemers daar zelf over denken. Delen zij de opvatting van het politiemanagement? Zo ja, wat betekent dit dan voor hun bereidheid conflicterende privé-gedragingen van collega’s te melden? En welke factoren zijn van invloed op de opvattingen en meldingsbereidheid van politiemedewerkers? In dit artikel gaan we in op deze vragen naar aanleiding van een integriteitsonderzoek dat Rob van Bree, in het kader van zijn afstuderen aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, in 2005 hield in het regiokorps Zaanstreek-Waterland.


Vier typen
Wanneer we het hebben over conflicterende privé-gedragingen, blijkt het vooral te gaan om het onderhouden van contacten met criminelen, misbruik van alcohol, drugsgerelateerde delicten, vermogensdelicten, (huiselijk) geweld, seksueel misbruik en misbruik van het politielegitimatiebewijs (Van Bree, 2005:16, zie bijvoorbeeld ook Huberts & Naeyé, 2005; Lamboo, 2005). In het gehouden integriteitsonderzoek is een onderscheid gemaakt tussen vier typen van privé-gedragingen, die conflicterend zijn of een integriteitsdilemma kunnen opwerpen in relatie met het ambt van politiefunctionaris.

 

Conflicterende nevenfuncties en/of privé-contacten
Het gaat in de eerste plaats om neventaken of -beroepen die conflicterend zijn of kunnen zijn met de beroepsintegriteit van politieambtenaren. Denk aan een politieambtenaar die in zijn vrije tijd tevens werkzaam is bij een particulier recherchebureau. Daarnaast worden mogelijk conflicterende contacten bedoeld zoals vriendschappen tussen politieambtenaren en (actieve) criminelen.

 

Conflicterende privé-gewoonten en/of activiteiten
Hierbij kan gedacht worden aan gewoonten of activiteiten die in beginsel niet wettelijk strafbaar zijn gesteld, maar die onder specifieke omstandigheden en gezien de inhoud van de politiefunctie toch een integriteitsschending of -dilemma kunnen opwerpen voor de betreffende medewerker. Voorbeelden zijn softdrugsgebruik (gedoogd), overmatig alcoholgebruik en prostitueebezoeken.

 

Privé-misbruik van politiële bevoegdheden en/of middelen
Het gaat om het gebruik van politiebevoegdheden of middelen in de vrije tijd, met een ander oogmerk dan het uitoefenen van de politiefunctie. Hieronder vallen dus niet (terechte) aanhoudingen door politieambtenaren in privé-tijd, maar bijvoorbeeld wel het misbruik van de politielegitimatie buiten diensttijd en het illegale gebruik van een dienstauto of kantoorartikelen voor privé-doeleinden.

 

Strafbare privé-gedragingen
Gedragingen verricht in de vrije tijd die wettelijk strafbaar zijn gesteld. Denk bijvoorbeeld aan (huiselijk) geweldzaken, zedenzaken, valsheid in geschrifte, het gebruik van harddrugs en het dronken autorijden.


Mening peilen
Deze typen conflicterende privé-gedragingen zijn in het onderzoek vervolgens vertaald in zestien integriteitsscenario’s en ter beoordeling voorgelegd aan alle medewerkers van het regiokorps Zaanstreek-Waterland. Door middel van een bijgevoegde schriftelijke enquête werd per scenario de mening van elke respondent gepeild over de ernst van de geschetste situatie. Ook werd gevraagd naar het verwachte oordeel van de korpsleiding. De respons bedroeg bijna 35%. De resultaten staan in tabel 1.

[tabel 1]

Het blijkt dat de medewerkers gemiddeld gezien het kopen van softdrugs in een coffeeshop binnen het eigen werkgebied, als meest ernstige conflicterende privé-gedraging beoordelen (4,40). Ook het gebruik van XTC (scenario 8), het misbruik van het politielegitimatiebewijs (scenario 14), huiselijk geweld (scenario 16) en het overmatig alcoholgebruik (scenario 4) worden gemiddeld genomen als de meer ernstige conflicterende privé-gedragingen beschouwd. Als minst ernstig worden het ‘zwart’ plaatsen van een keuken (2,46) en een nevenbaan als campingbeheerder (2,42) gezien. Opvallend is dat de respondenten ten aanzien van alle integriteitsscenario’s een striktere opvatting verwachten van de korpsleiding dan zij zelf hanteren. Het grootste gemiddelde verschil verwachten zij ten aanzien van het sporten met een crimineel (0,72) en het kleinste ten aanzien van het kopen van softdrugs (0,21).
Uit statistische analyse van de onderzoeksresultaten kwam naar voren dat gedragingen die horen tot de categorie ‘conflicterende nevenfuncties en/of privé-contacten’ gemiddeld gezien als minst ernstig worden beschouwd. Daarnaast valt op dat de respondenten relatief streng oordelen over drugsgerelateerde gedragingen. Voornamelijk de strikte opvatting ten aanzien van het derde scenario (het kopen van softdrugs) is opmerkelijk. Het kopen van softdrugs in een coffeeshop wordt wettelijk gezien immers gedoogd. Deze paradox tussen de wettelijke strafbaarheid en de geconstateerde waakzaamheid is in het integriteitsonderzoek verklaard door de aandacht die de korpsleiding van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland aan dit onderwerp besteedde. In maart 2004 maakten zij namelijk via een regionaal korpsbericht kenbaar dat het privé-gebruik van softdrugs door medewerkers onder (verzwarende) omstandigheden kan leiden tot disciplinaire maatregelen. Het kan zijn dat een deel van de respondenten met dat bericht in het achterhoofd, geredeneerd heeft dat het kopen van softdrugs in een coffeeshop gelegen binnen het eigen werkgebied, door de korpsleiding wordt gezien als een (verzwarende) omstandigheid die leidt tot een disciplinaire maatregel. Deze redenering kan de relatief strikte opvatting over de ernst onder de ondervraagde politiemedewerkers in het korps verklaren.


Invloedsfactoren
In het integriteitsonderzoek is ook aandacht besteed aan factoren die van invloed (kunnen) zijn op de opvattingen van politiemedewerkers over de ernst van conflicterende privé-gedragingen. In figuur 1 staat een model met zes invloedsfactoren, dat veronderstelt dat de opvatting van politiemedewerkers ten aanzien van conflicterende privé-gedragingen beïnvloed wordt door diverse individuele en werkkenmerken (zoals geslacht, rang, functie en ervaringsjaren), het ethische bewustzijn van de privé- en werkomgeving, het beeld van de door de korpsleiding gehanteerde ernstopvatting, de opvatting over de scheiding tussen werk- en privé-leven, de opvatting over (bepaalde) maatschappelijke ontwikkelingen en persoonlijke waarden.

[figuur 1]

Het model werd in het integriteitsonderzoek getoetst door middel van diverse vragen en opiniërende stellingen in de schriftelijke enquête. Een vergelijking van de onderzoeksresultaten laat zien, dat ten aanzien van alle typen conflicterende privé-gedragingen een positieve samenhang bestaat tussen de opvatting van politiemedewerkers aan de ene kant en het ethische bewustzijn van hun werk- en privé-omgeving en het door hen verwachte oordeel van de korpsleiding aan de andere kant. Dit betekent dat politiemedewerkers een gedraging ernstiger vinden, als verwacht wordt dat de korpsleiding hierover strenger zal oordelen. Het oordeel van een politiemedewerker over de ernst van een privé-gedraging is gemiddeld genomen milder naar mate het ethische bewustzijn van zijn werk- en privé-omgeving lager is. Deze laatste factor laat de sterkste verbanden zien. Verder blijkt dat bij het merendeel van de typen privé-gedragingen de opvattingen van politiemedewerkers samenhangen met hun opvattingen over de scheiding tussen werk- en privé-leven. Uit de analyses blijkt dat des te scherper een politiemedewerker onderscheid maakt tussen werk en privé, des te milder zijn oordeel over de ernst gemiddeld gezien is. Ten slotte blijkt dat individuele kenmerken, persoonlijke waarden en de opvatting over maatschappelijke ontwikkelingen nauwelijks van invloed zijn op de opvattingen van politiemedewerkers over de ernst van conflicterende privé-gedragingen.


Meldingsbereidheid
In het integriteitsonderzoek is tevens ingezoomd op de bereidheid van politiemedewerkers om collega’s te melden die zich schuldig maken aan een conflicterende privé-gedraging. Tabel 2 toont de belangrijkste bevindingen.
De grootste meldingsbereidheid geldt ten aanzien van een politiemedewerker die binnenshuis XTC gebruikt (3,76). De meldingsbereidheid van de respondenten is het laagste ten aanzien van het ‘zwart’ laten installeren van een keuken (1,90). Verder valt op dat de gemiddelde score ten aanzien van de eigen meldingsbereidheid duidelijk lager ligt dan de gemiddelde score ten aanzien van de eigen opvatting over de ernst van de gedraging. Dit betekent dat er structureel minder gemeld wordt dan verwacht zou mogen worden op basis van het oordeel over de ernst van het gedrag. Dit verschil is het grootste (1,02) ten aanzien van het veertiende integriteitsscenario, het tonen van de legitimatie bij een concert.

[tabel 2]


Invloedsfactoren meldingsbereidheid
In het integriteitsonderzoek zijn tien vermoedelijke invloedsfactoren onderzocht ten aanzien van de meldingsbereidheid van politiemedewerkers. Deze zijn verwerkt in een tweede model dat wordt weergegeven in figuur 2. Het veronderstelt dat de meldingsbereidheid van een politiemedewerker beïnvloed wordt door zijn eigen opvatting over de ernst, zijn individuele en werkkenmerken, het ethische bewustzijn van zijn privé- en werkomgeving, zijn beeld van de door de korpsleiding gehanteerde ernstopvatting, zijn opvatting over de scheiding tussen werk- en privé-leven, zijn opvatting over bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen, zijn persoonlijke waarden, de politiecultuur, de mate van vertrouwen in zijn (direct) leidinggevende en de verwachte meldingsbereidheid van directe collega’s.

[figuur 2]

Na toetsing van het model blijkt dat er ten aanzien van alle typen privé-gedragingen er een positieve samenhang bestaat tussen de meldingsbereidheid van politiemedewerkers enerzijds en de eigen opvattingen over de ernst en de meldingsbereidheid van directe collega’s anderzijds. De bereidheid van een politiemedewerker om conflicterende privé-gedragingen te melden is gemiddeld groter naarmate zijn opvatting over de ernst van de gedraging strikter is en naarmate hij de meldingsbereidheid van zijn directe collega’s groter schat. Opvallend is dat de invloed van de verwachte meldingsbereidheid van directe collega’s groter is dan die van de eigen opvatting over de ernst van de conflicterende privé-gedraging. Daarnaast blijkt dat bij het merendeel van de typen privé-gedragingen de meldingsbereidheid van een politiemedewerker positief samenhangt met de soort functie die hij uitoefent: leidinggevenden blijken over het algemeen gezien sneller bereid melding te maken van een conflicterende privé-gedraging dan hun uitvoerende collega’s. 
Ook blijkt bij de meeste gedragingen dat de meldingsbereidheid gemiddeld groter is naarmate een minder scherpe scheiding aangebracht wordt tussen werk en privé-leven en naarmate een minder progressieve opvatting gehanteerd wordt ten aanzien van relevante maatschappelijke ontwikkelingen.
Ten slotte blijkt dat individuele kenmerken (exclusief de functie van een politiemedewerker), persoonlijke waarden, politiecultuur, ethisch bewustzijn van werk- en privé-omgeving, het beeld van de door de korpsleiding gehanteerde opvatting over de ernst en de mate van vertrouwen in een direct leidinggevende niet of nauwelijks van invloed zijn op de meldingsbereidheid van politiemedewerkers.


Resultaten
Er is relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht naar wangedragingen van politiemedewerkers in privé-tijd. Dit is opmerkelijk omdat dergelijke gedragingen een aanzienlijk onderdeel lijken te vormen van het totale aantal integriteitsschendingen, dat wordt onderzocht binnen politieorganisaties. Het integriteitsonderzoek waarover in dit artikel gerapporteerd werd, geeft een eerste aanzet door de opvattingen over conflicterende privé-gedragingen van politiemedewerkers werkzaam bij de regiopolitie Zaanstreek-Waterland nader te bestuderen. Het blijkt dat de politiemedewerkers het belang van politiële integriteit erkennen: ze zijn zich bewust van hun voorbeeldfunctie en bereid hieruit consequenties te trekken voor hun privé-gedrag. Politiemedewerkers kijken over het algemeen met een ‘blauwe blik’ naar hun privé-leven. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de spreiding van de opvattingen over de ernst onder de respondenten relatief klein is. Dit wijst erop dat er sprake is van een gemeenschappelijke moraal onder de medewerkers van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland.


Eigen afweging
Er bestaat echter onduidelijkheid over de reikwijdte van de gemeenschappelijke moraal. Deze onduidelijkheid is het grootste ten aanzien van conflicterende nevenfuncties en conflicterende privé-contacten. Met de conclusie in het achterhoofd dat politiemedewerkers het over het algemeen lastig vinden om te bepalen of een nevenfunctie al dan niet conflicterend is met hun ambt als politiefunctionaris, is het opvallend te noemen dat er in Nederland geen actieve meldingsplicht van nevenfuncties bestaat. Conform artikel 61 van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP) wordt van politieambtenaren namelijk een eigen afweging verwacht of een nevenfunctie wel of niet conflicterend is. Als deze persoonlijke afweging leidt tot de veronderstelling dat een dergelijke functie niet conflicterend is, hoeft een politieambtenaar er geen melding van te maken in zijn korps. Om het risico van een verkeerde inschatting voor zowel de organisatie als de medewerker te verkleinen, lijkt het verstandig deze passieve meldingsplicht te vervangen door een actieve meldingsplicht. Nagedacht kan worden of een dergelijke maatregel ook zou moeten gelden voor dubieuze privé-contacten.
Meer in het algemeen geldt dat het verschaffen van helderheid door het korpsmanagement of bepaalde privé-gedragingen wel of niet conflicterend zijn, van groot belang is, waarbij het bovendien de voorkeur verdient zeer duidelijk te zijn over het precieze gedrag dat (on)gewenst is.


Referenties
Bree, R. van (2005). Een blauwe kijk op het leven? Een onderzoek naar de ernstopvattingen en meldingsbereidheid van politiemedewerkers ten aanzien van (conflicterende) privé-gedragingen. Doctoraal scriptie Politie- en Veiligheidsstudies, Politicologie en Bestuurskunde, Vrije Universiteit Amsterdam.

Huberts, L.W.J.C. & J. Naeyé (2005). Integriteit van de politie. Wat we weten op basis van Nederlands onderzoek. Politiewetenschap nr. 22; State-of-the-Art van kennis en inzichten. Apeldoorn: Politie en Wetenschap; Zeist: Kerckebosch

Lamboo, M.E.D. (2005). Integriteitsbeleid van de Nederlandse politie. Delft: Eburon.

Lasthuizen, K., L.W.J.C. Huberts & M. Kaptein (2004). Integriteit bij de politie. Beschrijving en verklaring van de omvang en aanvaardbaarheid van integriteitsschendingen op basis van surveyonderzoek onder politiemedewerkers.

P & W Verkenningen nr.4. Apeldoorn: Politie en Wetenschap, www.politieenwetenschap.nl; Zeist: Kerckebosch.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2006, jrg. 68, nr. 6, p. 36-40

0 reacties

Reageer op dit artikel