Interacties met jongeren: meisjes bepalen de sfeer: Beelden uit de politiestraatwerkmonitor

Hoe verlopen de contacten tussen politiemensen en allochtone jongeren? Politieregio Hollands Midden liet onderzoek doen naar de interactie tussen politie en jeugd tijdens het werk op straat. Belangrijker nog dan de sociale vaardigheden van de politiemensen blijkt de aanwezigheid van meisjes in een groep.

Politiemensen hebben op straat nogal eens problemen met allochtone jongeren. Dat was voor politieregio Hollands Midden reden om nader onderzoek te laten doen naar de contacten tussen politiemensen en allochtone jongeren tijdens het werk op straat. Gezien eerder onderzoek was de logische veronderstelling dat de contacten van politiemensen met allochtone jongeren slechter verlopen dan hun contacten met autochtone jongeren. De vraag was: is dat zo, en zo ja waarom? De aandacht ging speciaal uit naar het gebruik van sociale vaardigheden: een hand geven, actief luisteren, het gesprek tussentijds samenvatten, complimenten uitdelen en dergelijke. Maar ook andere factoren kregen de aandacht. We bespreken hierna eerst kort het onderzoek en presenteren daarna de bevindingen. We sluiten af met conclusies en discussie.
 

Politiestraatwerkmonitor
In 2003 observeerden vier onderzoekers het werk van politiemensen tijdens de noodhulp in Gouda en Leiden, aan de hand van een vast observatieprotocol (de 'politiestraatwerkmonitor', cf. Stol e.a. 2004). De onderzoekers legden alle gebeurtenissen vast. Dat zijn alle situaties waarbij verbaal of non-verbaal contact was tussen politie en burger met de politiemensen in de politierol, plus alle situaties waarbij de politiemensen optraden naar aanleiding van een alarmmelding maar waarbij op straat geen contact meer met een burger plaatsvond. Tijdens 162 diensten waren de onderzoekers 683 uur op straat en observeerden zij 263 gebeurtenissen met jeugd. Over de observaties is elders uitvoeriger verslag gedaan (Barendregt e.a. 2003).

In 40,8 procent van de gevallen heeft de politie te maken met uitsluitend allochtone jongeren. Op 1 januari 2004 was in Gouda zo'n 21 procent van de jongeren onder de 20 jaar van niet-westerse allochtone afkomst en in Leiden 22 procent (bron: gemeente Gouda en Leiden). In politiestraatwerk zijn allochtone jongeren dus oververtegenwoordigd. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat het leven van allochtone jongeren zich meer op straat afspeelt dan dat van autochtone jongeren, en zij dus automatisch vaker in het blikveld van de politie zijn. Ook kan een rol spelen dat politiemensen extra aandacht hebben voor allochtone jongeren vanwege hun relatief hoge aandeel in overlast en criminaliteit (vgl. Bervoets en Stol 2002). Misschien hebben ze zelfs onevenredig veel aandacht voor allochtone jongeren en is sprake van discriminatie.
Er is echter geen significant verschil in politie-initiatief bij het optreden met allochtone of autochtone jongeren (65,4 tegen 60,8%). De oververtegenwoordiging van allochtone jongeren wordt dus niet simpelweg veroorzaakt doordat agenten juist hen voortdurend controleren en autochtone jongeren met rust laten. Uit het gegeven dat allochtone jongeren oververtegenwoordigd zijn in politiewerk en het aandeel politie-initiatief bij allochtone jongeren gelijk is aan het aandeel politie-initiatief bij autochtone jongeren, volgt dat allochtone jongeren ook oververtegenwoordigd zijn in politieoptreden naar aanleiding van publieksmeldingen. Burgers melden dus kennelijk vaker iets waarbij allochtone jongeren zijn betrokken. Wellicht komt ook dat doordat allochtone jongeren meer tijd op straat doorbrengen dan hun autochtone leeftijdgenoten, en daar dan ook dingen doen die voor andere mensen reden zijn de politie in te schakelen. Ook kan het zijn dat burgers eerder de politie bellen als het om allochtone jongeren gaat omdat zij voor hen banger zijn dan voor autochtone jongeren (vgl. Stol en Bervoets 2000).
Van alle gebeurtenissen eindigt 9,1 procent met een proces-verbaal en ook nog eens 12,9 procent eindigt met een aanhouding. Er is geen verband tussen etniciteit en repressief optreden. Gebeurtenissen met uitsluitend allochtone jongeren lopen ongeveer even vaak uit op een proces-verbaal als gebeurtenissen met uitsluitend autochtone jongeren (10,3 tegen 10,8%), en ook in aanhoudingen is geen significant verschil (13,1 tegen 10,8%). Kijken we alleen naar verkeerstoezicht, ook dan krijgen allochtone en autochtone jongeren ongeveer even vaak een proces-verbaal (29,2 tegen 33,3%) en is er ook geen verschil in aanhoudingen (4,2 tegen 2,6%).
Desondanks kunnen allochtone jongeren oververtegenwoordigd zijn in de arrestantenstatistieken; dat is dan een gevolg van hun eerder besproken oververtegenwoordiging in politiecontacten. Met andere woorden: als de politie optreedt, arresteert zij even vaak een allochtone als een autochtone jongere, maar de politie treedt vaker op in situaties met allochtone jongeren – en dus zijn er relatief veel allochtone arrestanten.
Houding en sociale vaardigheden
[hier kader]

 

Gebeurtenissen
Om te beginnen hebben we gekeken of agenten en jongeren bij bepaalde soorten gebeurtenissen (controle, ordehandhaving, hulpverlening, netwerken, overige gebeurtenissen) een negatievere of juist positievere houding ten opzichte van de ander innemen dan gemiddeld. Dat blijkt het geval. Als politiemensen komen om de orde te handhaven, is de houding van de jeugd negatiever dan bij ander politiewerk (p<0,01).
Bij de agenten zien we bij verschillende soorten werk geen verschillen in houding. Wel zijn er bij hen duidelijke verschillen in het aanwenden van sociale vaardigheden. Bij controle en ordehandhaving (de 'harde kant' van politiewerk) gebruiken agenten minder sociale vaardigheden dan bij hulpverlening en netwerken (de 'zachte kant'). De volgorde van de sociale vaardigheden, in termen van 'meest gebruikt' en 'minst gebruikt', blijft hetzelfde, met goed luisteren voorop en ander fysiek contact dan een hand geven achteraan.
 

Omstandigheden
Zodra er meisjes bij zijn, verandert er iets. We hadden een verdeling gemaakt in drie groepen: jongens, meisjes en gemengd. Het verschil doet zich nu voor tussen gebeurtenissen waarbij uitsluitend jongens aanwezig zijn en gebeurtenissen waarbij ook of uitsluitend meisjes aanwezig zijn (tabel 1). Zijn er meisjes bij, dan is de houding van de jongeren positiever evenals de houding van de politiemensen, en ook gebruiken de politiemensen dan vaker sociale vaardigheden, speciaal 'gerust stellen' en het 'geven van emotionele ondersteuning' (p<0,01).
Wanneer er allochtonen bij zijn, is de houding van de jeugd minder positief. De aanwezigheid van allochtone jongeren werkt niet merkbaar door op de houding van de politiemensen of op het gebruik dat zij maken van sociale vaardigheden (tabel 1).

[hier tabel 1]

 

Tevredenheid over het optreden
Aan het eind van elke gebeurtenis legden de onderzoekers vast of de politiemensen en de jongeren tevreden leken met de afloop van het politieoptreden. De onderzoekers leidden het al dan niet tevreden zijn af uit het verbale en non-verbale gedrag van de betrokkenen. Gezien over alle gebeurtenissen Agenten zijn in is 89,4 procent van de gebeurtenissen de agenten tevreden met de afloop en jongeren in 70,0 procent van de jongeren. Dat verschil is significant (p<0,01). Het hoge percentage tevredenheid bij agenten is niet zo verwonderlijk want zij hebben veel invloed op hoe een gebeurtenis eindigt, meer dan de jongeren. Kop e.a vonden iets dergelijks. Ze schrijven: 'Het blijkt dat de agenten meestal bijzonder tevreden zijn met de afloop van de situatie. Dit ligt voor de hand, want de agenten zullen doorgaans niet vertrekken voordat zij de situatie tot een – volgens hen – bevredigend einde hebben gebracht.' (1997:122). Maar ook de jongeren zijn meestal tevreden. En ook dat stemt overeen met Kop e.a. want ook zij vonden dat de tevredenheidsscores van burgers 'een flink eind' boven neutraal lagen (1997:122).
 

Gebeurtenissen
Kijken we weer naar de verschillende soorten gebeurtenissen in politiewerk, dan zijn de politiemensen steeds in gelijke mate tevreden over hun optreden. Jongeren daarentegen zijn bovengemiddeld tevreden als het netwerken betreft (95,9%, p<0,01). Agenten maken dan 'zomaar een praatje' met de jongeren en proberen dat in een ongedwongen sfeer te doen. Zelden loopt dat uit op correctief of repressief optreden, eerder worden er grappen gemaakt. Hier is relevant dat er ook een verband is tussen netwerken en houding, zij het wat minder sterk. Bij netwerken is ook de houding van de jeugd positiever dan gemiddeld (p<0,05). Een voorbeeld. Op een avond rijden de agenten door de wijk. Ze spreken drie Nederlandse jongens aan van ongeveer vijftien jaar oud. Een van de agenten vraagt voor de grap aan een van hen of hij heeft gebeld. De jongen zegt beduusd 'nee'. Een ander vraagt waarom hij dan zou hebben gebeld, waarop de agent zegt: 'omdat hij het dichtst bij de bel staat'. Iedereen moet lachten. Even later gaan de agenten weer.
Minder tevreden lijkt de jeugd als de agenten ordehandhavend optreden (25,0%). Het gaat om slechts twaalf gevallen van ordehandhaving, dus moeten we voorzichtig zijn met het trekken van conclusies.  Op zich is een geringe tevredenheid hier niet verbazingwekkend, want ordehandhaving bij op straat rondhangende jeugd geldt als een lastig probleem voor politiemensen. In overeenstemming hiermee is de eerdere bevinding dat ook de houding van de jongeren in ordehandhavingssituaties negatiever is dan gemiddeld. Houding tijdens het optreden en tevredenheid over de afloop gaan dus kennelijk hand in hand.
 

Omstandigheden
De mate van tevredenheid van politiemensen over hun eigen optreden verschilt niet als de omstandigheden wijzigen (tabel 2). De tevredenheid is wel extra hoog bij gebeurtenissen waarin zij tevens een positievere houding hebben. Hun extra tevredenheid aan het eind van het optreden moeten we dan vermoedelijk niet zien als gevolg van die positievere houding maar eerder als onlosmakelijk verbonden daaraan: twee kanten van dezelfde medaille – twee aspecten van politiemensen die in een goede stemming hun werk doen.
De mate waarin jongeren tevreden zijn met de afloop van de gebeurtenis, verschilt vaker. Om te beginnen is, net als bij politiemensen, hun tevredenheid over de afloop extra hoog bij gebeurtenissen waarin zij tevens een positievere houding hebben tijdens het optreden. Dat we deze samenhang hier terugzien, bevestigt het vermoeden dat een positieve houding en tevredenheid twee aspecten zijn van hetzelfde: de stemming van de betrokkenen. Maar de tevredenheid van de jeugd heeft ook nog met andere dingen te maken.
Als er allochtonen onder de jeugd zijn, is de jeugd minder tevreden over het optreden (tabel 2, p<0,05). Ook hier gaat tevredenheid weer samen met houding: wanneer er allochtonen onder de jeugd zijn, is ook de houding van de jeugd negatiever (tabel 1, p<0,01). De aanwezigheid van allochtone jeugd gaat dus samen met een negatievere stemming onder de jeugd. De aanwezigheid van allochtonen onder de jongeren maakt evenwel geen verschil voor de houding van de politie (tabel 1), noch voor de mate waarin de politie sociale vaardigheden gebruikt (tabel 1), noch voor het soort werk dat de politie doet (paragraaf 3 en 4). De bevindingen wijzen er dus op dat als er tijdens een gebeurtenis sprake is van een negatievere sfeer, het eerder de jongeren zijn die met hun stemming een dergelijke toon zetten dan de politiemensen.
Wat de sekse van de jeugd betreft, vonden we dat de houding van zowel de jeugd als de politiemensen positiever is als er meisjes bij zijn en dat de politiemensen dan meer sociale vaardigheden gebruiken. Geen wonder dus dat als er meisjes bij zijn, de jeugd ook tevredener lijkt over het politieoptreden (p<0,05).

[tabel 2]

We zagen dat politiemensen sociale vaardigheden meer aanwenden tijdens de zachte kant van politiewerk (hulp en netwerken) en minder tijdens de harde kant (controle en orde). Men zou nu kunnen opperen dat het voor de tevredenheid van de jeugd dienstig zou zijn als politiemensen ook tijdens controlesituaties meer sociale vaardigheden inzetten. Om hierop zicht te krijgen, verdeelden we de gebeurtenissen in vier groepen: hard politiewerk waarbij de agenten minder sociale vaardigheden gebruiken, hard politiewerk waarbij de agenten meer sociale vaardigheden gebruiken, zacht politiewerk waarbij agenten minder sociale vaardigheden gebruiken en zacht politiewerk waarbij agenten meer sociale vaardigheden gebruiken. Over het harde werk (controle en ordehandhaving) blijken de jongeren dan meer tevreden in gevallen dat de agenten meer sociale vaardigheden inzetten. Als we ook rekening houden met verschillen in houding van de jeugd, verdwijnt het verband. Waar het op neerkomt, is dat politiemensen in hun harde werk vooral sociale vaardigheden inzetten als de stemming onder de jeugd positief is. Het zijn vervolgens die jongeren die ook meer tevreden lijken over het politieoptreden. Ook hier komen we dus weer uit bij het belang van een positieve sfeer voor de mate waarin de jeugd uiteindelijk tevreden lijkt met het werk. Het gebruiken van meer sociale vaardigheden is dus eerder een gevolg van de sfeer tijdens het optreden dan dat het de houding en de tevredenheid van de jongeren bepaalt.
 

Conclusies, discussie en beperkingen
Of politiemensen minder of meer sociale vaardigheden gebruiken, is niet bepalend voor de houding van de jeugd tijdens het optreden of voor hun tevredenheid over de afloop ervan. Zo gezien kunnen agenten de jongeren niet eenvoudig naar hun hand zetten door bijvoorbeeld handen te schudden, complimenten uit te delen en het gesprek tussentijds samen te vatten. Eerder is het zo dat het verloop van de interactie, ook het gebruik van sociale vaardigheden, wordt bepaald door de houding van de jongeren bij aanvang. Natuurlijk zijn sociale vaardigheden niet irrelevant; er is wel een ondergrens. Politiemensen die domweg niet luisteren en zich misdragen, zullen vast ook de positieve jeugd tegen zich innemen. Maar er is dus kennelijk ook een bovengrens waarbij 'meer sociale vaardigheden' niet helpt om negatieve jeugd van houding te doen veranderen, althans niet de sociale vaardigheden waarop wij in dit onderzoek hebben gelet. Wat politiemensen nodig hebben om interacties met jeugd vaker succesvol te laten verlopen, is het vermogen om jeugd met een negatieve houding tegenover de politie alsnog voor zich in te nemen. De vraag is of en zo ja in hoeverre dat mensen is aan te leren. Uit ons onderzoek valt in elk geval op te maken dat het onvoldoende is om politiemensen gedragsadviezen te geven in de zin van 'begin de interactie met een algemeen praatje' of 'geef de jongeren een hand'.
Het is over het geheel genomen belangrijker welke jongeren bij een interactie zijn betrokken dan waarover de interactie gaat. Zoals verwacht, zijn situaties waarbij allochtone jongeren aanwezig zijn, lastiger voor politiemensen dan situaties met uitsluitend autochtone jongeren. Wanneer er allochtonen bij zijn, is de houding van de jeugd minder positief en is de jeugd minder tevreden over de afloop van de gebeurtenis. Politiemensen tonen zich in die situaties evenwichtig in die zin dat zij dan niet die minder positieve opstelling meteen overnemen (tabel 1). Als er tijdens een gebeurtenis sprake is van een negatievere sfeer, zijn het dus eerder de jongeren die daartoe de toon zetten dan de politiemensen.
Betekenisvoller nog dan de aanwezigheid van allochtone jongeren is de aanwezigheid van meisjes. Dan is de houding van zowel de jongeren als de politiemensen positiever, gebruiken de politiemensen meer sociale vaardigheden, en zijn de jongeren tevredener over de afloop. Met meisjes, zo luidt de conclusie, is de sfeer tijdens het politieoptreden prettiger, ook als het gaat om groepen jongeren met jongens en meisjes, en ook als het gaat om groepen met zowel allochtone en autochtone jongeren. Aldus gezien zijn meisjes sfeerbepalers in positieve zin, en in zeker opzicht dus ook de natuurlijke bondgenoten van de optredende politiemensen. In lokaal veiligheidsbeleid zou de aandacht dan ook niet uitsluitend moeten zijn gericht op de (lastige) jongens maar zou ook aandacht moeten zijn voor de positieve rol die meisjes kunnen vervullen voor de sfeer onder de jeugd.
Tot slot staan we stil bij beperkingen van het onderzoek. Niet eerder is zo'n groot observatieonderzoek gedaan naar de alledaagse praktijk van ontmoetingen tussen politie en jeugd. Echter, sommige gebeurtenissen komen niet vaak voor, zoals ordehandhavend optreden, zodat we daarover toch geen al te stellige uitspraken kunnen doen. We hebben vooral geprobeerd zicht te krijgen op patronen in interacties. We vonden diverse verbanden, maar oorzaak en gevolg laten zich niet altijd eenvoudig scheiden. Wanneer men een enkele gebeurtenis beschrijft, is goed weer te geven welke houding of welke opmerking welke reactie uitlokte. In een meer kwantitatieve analyse over grotere hoeveelheden is dat niet meer altijd eenvoudig. We hebben ons daarom toegelegd op de hoofdzaken en nuances laten rusten. Die zijn iets voor vervolgonderzoek. Dan is bijvoorbeeld aandacht vereist voor de (weinige) gebeurtenissen waarin de houding van de betrokkenen gaande de interactie omslaat. Wellicht vindt men daar antwoorden op de vraag hoe in bepaalde gevallen een negatieve sfeer kan worden doorbroken. Dat levert dan wellicht weer enkele waardevolle politieverhalen op (cf. Van der Torre en Stol 2000).
Politiemensen komen er in dit onderzoek vrij neutraal uit, allochtone jongeren hebben een negatievere inbreng dan gemiddeld en meisjes een positievere. Het gaat om observatieonderzoek waarin onder meer subjectieve kwesties zijn vastgelegd zoals houding en tevredenheid. De observaties zijn verricht door vier witte studenten, waarvan drie meisjes en een jongen. Zij liepen met de politie mee. De vraag kan worden gesteld in hoeverre de bevindingen zijn gekleurd door een bepaalde interpretatie die de onderzoekers aan hun waarnemingen gaven. We hopen dan ook dat andere onderzoekers onze waarnemingen en conclusies aangrijpen om de interactie tussen politie en jeugd nader tegen het licht te houden.

 

Literatuur
Barendrecht, M., M. Griffioen, A. Lotterman en N. Vink (2003) Interactie politie en jongeren. Een observatie-onderzoek naar de interactie tussen politie en (autochtone en allochtone) jongeren. Utrecht: Universiteit Utrecht.
Bervoets, E.J.A. en W.Ph. Stol (2002) Marokkanen en Nederlanders over hun wijk; gedeelde problemen als mogelijkheid voor buurtactivisme. Tijdschrift voor Criminologie, 44, 3, 247-261.
Kop, N., R.A. Spaan, B. van der Lelij en F.M.H.M. Driessen (1997) Politie en publiek: een onderzoek naar de interactie politie-publiek tijdens de surveillancedienst. Arnhem: Gouda Quint.
Stol, W.Ph. en E.J.A. Bervoets (2000) Nederlanders en Marokkanen over hun wijk en hun politie in Amsterdxam, Gouda en Utrecht. Houten: In-pact.
Stol, W.Ph., A.Ph. van Wijk, G. Vogel, B. Foederer en L van Heel (2004) Politiestraatwerk in Nederland. Noodhulp en gebiedswerk: inhoud, samenhang, verandering en sturing. Zeist: Kerckebosch.
Van der Torre, E.J. en W.Ph. Stol (2000) Waardevolle politieverhalen: politie en Marokkaanse jongeren. Den Haag: Elsevier.

[kader]
Houding en sociale vaardigheden: werkwijze
De onderzoekers legden tijdens hun observaties op straat vast welke houding agenten en jongeren ten opzichte van elkaar innamen. In enkele gevallen veranderde de houding van de agenten en/of de jongeren in de loop van het politieoptreden, bijvoorbeeld van vriendelijk bij aanvang tot vijandig aan het einde. Omdat dit weinig voorkwam, hebben we die gevallen in de analyse buiten beschouwing gelaten.  De onderzoekers beoordeelden of beide partijen coöperatief waren (van erg tegenwerkend tot erg samenwerkend, score 1-5) en wat hun opstelling was (van erg vijandig tot erg vriendelijk, score 1-5). Voor analysedoeleinden zijn de scores op deze twee variabelen samengenomen.  Agenten en jongeren konden aldus een score krijgen van 2 (zeer negatieve houding) tot 10 (zeer positieve houding). Van zowel de agenten als de jongeren scoorden ongeveer de helft een 7 of minder en ongeveer de helft een 8 of meer. Tussen de 7 en 8 hebben we derhalve de grens gelegd tussen 'minder positief' en 'meer positief'.
De onderzoekers legden tijdens de observaties op straat ook vast of de agenten in hun contact met jongeren sociale vaardigheden aanwendden. Ze noteerden of de agenten: de jongeren een hand gaven, ander vriendelijk fysiek contact maakten (zoals een schouderklopje), een algemeen praatje maakten (om het ijs te breken), de jongeren bevestigden en aanmoedigden om verder te spreken (met hoofdknikken en/of 'hummen'), de jongeren complimenteerden, actief en geconcentreerd luisterden, de jongeren emotionele ondersteuning gaven, hen gerust stelden, en of zij het gesprek tussentijds samenvatten. In de analyse zijn al deze gedragingen als even waardevol beoordeeld; hoe meer van deze negen mogelijkheden de agenten tijdens een interactie gebruikten, des te hoger scoren zij in die interactie op 'gebruik van sociale vaardigheden'. In ongeveer de helft van de gebeurtenissen gebruikten agenten geen enkele of één van de geobserveerde sociale vaardigheden. Tussen (bij?) de 1 en de 2 sociale vaardigheden legden we derhalve de grens tussen 'minder sociale vaardigheden' (45,2%) en 'meer sociale vaardigheden' (54,8%).
De sociale vaardigheden die agenten bij jongeren het meest gebruiken, zijn goed luisteren (78,5%), hen bevestigen en aanmoedigen verder te spreken (36,9%) en het maken van een algemeen praatje aan het begin van de ontmoeting (28,7%). Het minst kwam voor het geven van emotionele ondersteuning (10,9%) en ander fysiek contact maken dan een hand geven (4,5%).
[einde kader]

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2005, jrg. 67, nr. 3, p. 15-19

In deze alinea geldt steeds p<0,05.
2 Ook Kop e.a. vinden dat de houding van burgers en agenten niet vaak wijzigt tijdens de interactie. ‘Het verloop van het interactieproces ligt wat de houding betreft dus al bij aanvang zo goed als vast.’ (1997:113).
3 Deze twee variabelen vertonen een significante samenhang (Pearsons r = 0,26, p<0,001).
4 Kop e.a. observeerden, kort verwoord, kleinschalige potentiële conflictsituaties. Ze observeerden vooral volwassenen, ze observeerden geen hulpverlening en netwerken, en ook geen optredens die minder lang duurden dan drie minuten (1997:42).
5 De 25,0% uit een waarneming van 12 is weliswaar statistisch significant minder dan de 70,0% uit de totale waarneming van 263 (p<0,01) maar bij kleine aantallen moeten we toch meer rekening houden met de kans op meet- en registratiefouten.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel