Internationale politiesamenwerking: de normaalste zaak van de wereld?
In 2007 is de visie op internationale politiesamenwerking in de Raad van Hoofdcommissarissen afgeprocedeerd. Sindsdien is veel gebeurd om de visie om te zetten in een werkprogramma en in activiteiten. Toch blijft het een uitdaging om alle internationale ontwikkelingen te blijven volgen en als Nederlandse politie gezamenlijk het stuur in handen te hebben. Een stand van zaken op de verschillende aspecten van internationaal politiewerk.
‘Voortdurend inspelen op ontwikkelingen in de omgeving.’ Open deur of niet – dit is wat de politie moet doen om haar taken goed te kunnen uitvoeren. Bestond die werkomgeving in het begin van de vorige eeuw nog voornamelijk uit dorp of wijk, in de hedendaagse politiepraktijk is grensoverschrijdende criminaliteit niet weg te denken. De wijk is de wereld geworden. Globalisering leidt tot toenemende mobiliteit van personen, goederen, geld en informatie. Lokale, interlokale en internationale veiligheid raken steeds meer met elkaar verweven. Een voorbeeld: als de Nederlandse politie actief hennepteelt of de productie van synthetische drugs aanpakt, verplaatst het fenomeen zich in no time naar België of Duitsland. Andersom geldt dat natuurlijk ook. Het internationaliseren van de omgeving waarin de politie haar werk doet, vraagt om een strategische visie op dit vlak.
Visie: iedere diender, elk korps
De opdracht voor de politie is om de ontwikkelingen in deze internationale omgeving te verbinden met die in Nederland. Dat gebeurt al op veel plekken. Denk aan de oprichting van de Internationale Rechtshulp Centra en het liaisonnetwerk, landenprogramma’s, bilaterale verdragen met onder andere onze buurlanden, de oprichting van de Europese politieacademie en op bestuurlijk niveau de instelling van een Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking (STIPS). Er is dus reden om optimistisch te zijn. Tegelijkertijd moeten we kritisch blijven. Er liggen nog veel onbenutte kansen en uitdagingen waar het gaat om internationalisering. In het huidige tijdsgewricht is geen deelterrein van politiewerk aan te wijzen dat géén internationale dimensie kent. Denk aan de informatie in de DNA-databank van een buurland of het gebruik van het internationale netwerk TISPOL1 om een gezamenlijke verkeerscontrole op de E30 te organiseren. Helaas wordt internationaal werken ook nog vaak op voorhand te ingewikkeld of tijdrovend gevonden. Onbekend maakt onbemind. Verder past het in onze Nederlandse politiecultuur om het allemaal zelf te willen regelen via een oud eigen contact in plaats van via afgesproken structuren. Dit kan effectief zijn in een individuele zaak, maar ook frustrerend in het grotere geheel. Dat beseffen we ons te weinig.
Internationaal denken moet de normaalste zaak van de wereld worden, ingebed in de bestaande organisatiestructuur van de politie. Iedere diender in elk korps werkt straks ‘grenzeloos’.
Concreet maken
De in 2007 geformuleerde visie2 vraagt om verandering in het denken en functioneren van de politie. Om een nieuwe benadering van het politiewerk en investeringen. De Raad van Hoofdcommissarissen heeft het kader geschetst voor ‘het nieuwe denken’, gebaseerd op het visiedocument ‘Politie in Ontwikkeling’ (PiO) uit 2005. Het gaat erom werken in een internationale context zo normaal mogelijk te maken in alle kerntaken.
Het Werkprogramma dat de visie uit 2007 operationaliseert, biedt focus op terreinen waar de internationale en nationale resultaatverplichtingen elkaar raken. Het gaat om concrete afspraken waarbij onze professionele inbreng in het hier en nu kansen biedt. ‘Normaal maken’ betekent dat de lijnverantwoordelijken aan zet zijn. De Dienst IPOL3 houdt politiebreed de vinger aan de pols voor wat betreft de doelstellingen, acties en verantwoordelijkheden uit het Werkprogramma.
Nu is het zaak dat korpsen het Werkprogramma, dat eind 2007 het licht zag, samen verder uitwerken. Niet alleen met elkaar, maar juist ook met anderen: de partners van de Nederlandse politie. Tussen de beleidsafdelingen van de departementen en die van politie, OM, Koninklijke Marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten is meer synergie mogelijk en wenselijk. In multidisciplinair verband, zowel nationaal als internationaal, vanuit gezamenlijk professioneel standpunt inzetten heeft veel zeggingskracht. Europa groeit en de onderlinge afhankelijkheid neemt toe, ook bij politiewerk. Het tijdig en gericht inzetten van onze professionele kennis aan de voorkant is een kracht die we nog lang niet optimaal benutten. Betrokkenheid vanuit het veld en goed zicht op waar die kennis zit, helpt ons hierbij.
Voor het uitvoeren van de taken handhaving, opsporing en noodhulp moet de politie de gangbare ‘interne’ en ‘binnenlandse’ oplossingen overstijgen. Een goede informatiehuishouding en -uitwisseling tussen politie en andere diensten, ook internationaal, is een basisvoorwaarde.
Strategische doelen: vier windrichtingen
Er zijn vier windrichtingen waarin de Nederlandse politie zich in internationaal
verband wil bewegen:
- samenwerking in het kader van de Europese Unie;
- informatie-uitwisseling en rechtshulp;
- landenbeleid nieuwe stijl;
- onderwijs en ontwikkeling van (politie)mensen.
De uitdaging is om het gewenste resultaat concreet en tastbaar te maken. Van groot denken – de windrichtingen – naar klein doen aan de hand van hefbomen in het eerdergenoemde Werkprogramma.
De EU
De Nederlandse politie aanvaardt medeverantwoordelijkheid voor de veiligheid binnen de Europese ruimte. Dat betekent in de praktijk: (nog) beter samenwerken met de nationale politieorganisaties van de andere lidstaten, ook en juist op operationeel niveau. Op deelgebieden expertise uitwisselen. Strategische allianties vormen met relevante partners op een bepaald terrein, naast de bestaande verdragsrechtelijke verbanden als Benelux en Prüm4. Actief advies uitbrengen aan de Europese Commissie, zoals op het gebied van verkeersveiligheid of milieuvervuiling. Samen met andere lidstaten de schouders zetten onder de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. Actuele opsporingsinformatie beschikbaar stellen via Europol. Dat betekent dat we naast het vullen van het Europol Informatie Systeem (EIS) ook relevante informatie verstrekken aan de zogenaamde Analytical Work Files (AWF) van Europol. De eerste ‘hits’ met het EIS hebben trouwens al plaatsgevonden bij de Nationale Recherche van het KLPD. Het volgend jaar wordt EIS voor alle korpsen opengesteld, zodat alle zwacri-informatie internationaal beschikbaar is op hit no hit-basis. Nederland is daarnaast gestart met het initiatief van de ‘Northwest Hub5’. Deze 7 landen in West-Europa worden in het OCTA6 genoemd als landen met vergelijkbare en grensoverschrijdende criminaliteit. Met deze aanpak wordt nagestreefd om in eerste instantie met een kleiner aantal landen dan de 27 EU-lidstaten vormen van criminaliteit gezamenlijk aan te pakken. De focus ligt in eerste instantie op het beter uitwisselen van informatie op het gebied van mensenhandel. Dit moet leiden tot concrete (parallelle) onderzoeken gericht op bestrijding van mensenhandel. Europol groeit door het verdrag van Lissabon uit tot een volwaardig agentschap van de EU, met bijbehorende bevoegdheden. Nu al kan men op basis van de eigen informatiepositie lidstaten verzoeken om onderzoeken op te starten. Het eerste zogenaamde B3-verzoek is al aan Nederland gedaan. De doorwerking van Europese prioriteiten in ons eigen nationale beleid wordt daardoor groter. Neemt daardoor de druk op capaciteit toe of is het gewoon een kwestie van beter stroomlijnen van nationale en internationale afspraken?
Genoeg werk aan de winkel in Brussel! Daar ligt een taak voor een (nog aan te stellen) Nederlandse politievertegenwoordiger in Brussel. Hij/zij moet de professionele reputatie van de Nederlandse politie uitbouwen en profileren. Signalen en adviezen doorsluizen naar de Nederlandse politietop en vice versa. En last but not least: schaven aan het imago van Nederland als ‘veroorzaker’ van bijvoorbeeld drugscriminaliteit. Andere lidstaten een spiegel voorhouden: zij leveren immers veelal de ‘afnemers’. Dat rechtvaardigt een aanpak op Europees niveau. Het vinden van steun bij de Haagse departementen voor het positioneren van deze politievertegenwoordiger is een eerste vereiste.
Informatie-uitwisseling en rechtshulp
Door Internationale Rechtshulpcentra (IRC’s) in het leven te roepen, heeft de politie in de afgelopen jaren een verbeterslag gemaakt in het afhandelen van rechtshulpverzoeken uit het buitenland. Inname en evenwichtige distributie over de korpsen zijn verbeterd, evenals omloopsnelheid, kwaliteitsbewaking en adequate registratie via het LURIS-systeem7. Het blijft echter een probleem dat er meer rechtshulpverzoeken binnenkomen dan de korpsen kunnen behappen. De Nederlandse politie investeert in principe in verzoeken die maximaal bijdragen aan het oplossen van zaken. Uiteraard houdt ze ook rekening met door de ministeries te formuleren politieke belangen bij rechtshulp. Botsen die belangen, dan moet er een pittige discussie komen. Doordat de internationale afspraken in de EU nog verder worden aangescherpt met betrekking tot doorlooptijden, is er reden kritisch te kijken naar de aard en inhoud van internationale rechtshulpverzoeken. Doel is zo veel mogelijk geautomatiseerd en efficiënt af te handelen uiteraard. Daarnaast zou het mooi zijn als de discussie over de kwaliteit van rechtshulp vragen en verlenen in Europees verband gekoppeld kan worden aan prioritering.
Dat de kwaliteit van het totale politiewerk sterk afhankelijk is van informatiesturing, is langzamerhand een gangbaar inzicht bij de Nederlandse politie. Voor het specifieke taakgebied van de opsporing wordt dit al veel langer onderkend. Toch is informatiedeling tussen en zelfs binnen Nederlandse rechtshandhavingsdiensten nog geen vanzelfsprekendheid. Het Nationaal Intelligence Model (NIM) dat dit voorjaar in de RHC is afgeprocedeerd geeft daaraan een belangrijke impuls. De internationale dimensie dient daarbij voldoende aandacht te krijgen. Verbetering van de informatie-uitwisseling op basis van het beschikbaarheidsbeginsel (‘principle of availibility’) staat hoog op de Europese agenda en wordt gesteund door de Nederlandse politie: lidstaten moeten onderling snel toegang kunnen krijgen tot opsporingsinformatie uit hun registers en databases. De Nederlandse politie wil veel energie steken in concrete maatregelen ter uitwerking van het beschikbaarheidsbeginsel uit het Haags Programma. In de eerste plaats gaat het om gestandaardiseerde procedures en classificaties, zodat een homogene manier van werken op het niveau van de EU kan ontstaan. Volgend jaar komt daar op initiatief van het Zweeds voorzitterschap het convergentiebeginsel bij: hoe kunnen de verschillende samenwerkingsverbanden beter in samenhang gaan functioneren en daadwerkelijk operationeel resultaat neerzetten?
Maar er speelt nog een andere kwestie: er is nog onvoldoende vertrouwen tussen de EU-partners. De EU-lidstaten, en Nederland is daarop geen uitzondering, moeten Europol beter gaan ‘voeden’. De meer politieke dimensie die in en rondom Europol speelt, zou kleiner moeten worden ten gunste van verdere professionalisering. Alleen dan kan deze organisatie de hoge verwachtingen waarmaken die aan haar worden gesteld. Interpol biedt politieorganisaties overigens sinds enkele jaren toegang tot haar wereldwijd toegankelijke databases, waarin zij hun informatie ter beschikking kunnen stellen aan andere landen. De mogelijkheden om meer opsporingsinformatie met meer landen uit te wisselen, zijn verruimd door het ministerie van Justitie.
Met onze buurlanden zijn er verdragen gesloten op politieel en justitieel terrein. De uitdaging ligt nu in het uitnutten van mogelijkheden tot directe informatie-uitwisseling en daaraan gekoppeld operationele samenwerking. De Euregionale informatieknooppunten zijn hierin voorloper. Ook worden aan de grenzen letterlijk de grenzen verkend van het werken met gezamenlijke teams voor toezicht en opsporing. Voor de technologische ontwikkeling hebben nationale en internationale afspraken rondom het delen van informatie vanzelfsprekend grote gevolgen. Instanties als de Vts PN (Voorziening Tot Samenwerking Politie Nederland), die zich bezighouden met systeeminrichting en informatietechnologie voor de Nederlandse politie, moeten dus zeker meepraten over de beschikbaarheid van informatie in internationale context.
Landenbeleid
Met welke landen wil de Nederlandse politie samenwerken, en op welke manier? Naast politieke afwegingen speelt bij de keuze voor samenwerking met een bepaald land steeds vaker de vraag: what’s in it for us? Denk bijvoorbeeld aan informatie op het gebied van technologie, begrip van cultuurkenmerken en criminaliteitsbeeldanalyses. De keuzes zijn mede gebaseerd op de veiligheidsthema’s van de RHC en de prioriteiten uit de versterkingsprogramma’s van de ministeries. Dankzij het nieuwe landenbeleid heeft de Nederlandse politie scherp in beeld welke landen belangrijk zijn en waar samenwerking – ook gelet op Nederlandse waarden – gewenst en mogelijk is. Samenwerkingsinstrumenten zijn onder meer: niet-operationele programma’s en projecten, deelname aan vredesmissies en de plaatsing van liaisonposten. Operationale en niet-operationele politiesamenwerking zijn nauwer met elkaar verbonden. In de niet-operationele landenprogramma’s lopen de verschillende korpsen steeds vaker samen op, met een steeds betere taakverdeling. De korpsen treden op als drivers of co-drivers en de Dienst IPOL van het KLPD fungeert als support unit. Zij zorgt er ook voor dat de portefeuillehouder internationaal, de korpschef van het KLPD, overzicht en inzicht houdt over het totaal. Met de uitbreiding van onder andere Zuid-Afrika en een aantal landen in de westelijke Balkan en met projectmatige samenwerking wordt ook hier de beweging naar onderlinge afstemming en focus reëel.
De bijdrage van de Nederlandse politie aan vredesmissies groeit substantieel van veertig naar honderd mensen; ook is het onder strikte voorwaarden in de toekomst mogelijk dat executieve taken in vredesmissies worden uitgeoefend. Momenteel wordt een omvangrijke missie in Kosovo en een missie op kleinere schaal naar Afghanistan voorbereid.
Liaison officers worden op operationele gronden uitgezonden. Zij moeten meer aandacht gaan genereren voor beleidsmatige en professionele belangen van de Nederlandse politie. De reizend liaison officer in West-Afrika heeft zijn intrede gedaan, om flexibeler te kunnen inspelen op de operationele behoeften van de Nederlandse politie.
Een andere belangrijke ontwikkeling is de vorming van één liaisonnetwerk van politie- en KMar-verbindingsofficieren – en wellicht ook van andere partners. De verschillende instrumenten van landenbeleid moeten elkaar meer gaan versterken. Scherpere weging van belangen leidt tot strategische keuzes en daarmee tot grotere effectiviteit internationaal. De STIPS treedt op als verbindende stuurgroep op strategisch niveau voor niet-operationele samenwerking. De uitdaging voor de politie is dat we door meer samen aan de voorkant koers te bepalen, in de uitvoering één gezicht laten zien. Onze operationele en professionele belangen klinken dan sterker door in de strategische keuzes.
Onderwijs en ontwikkeling van mensen
Alleen dankzij gekwalificeerde mensen kunnen de nagestreefde resultaten worden gerealiseerd. Internationalisering hoort in ieders persoonlijk ontwikkelplan. In het politieonderwijs en het MD-beleid komt daarvoor dus meer aandacht – en waardering. In plaats van een negatieve trendbreuk moet internationale ervaring juist positief zijn, doordat het een weloverwogen bijdrage levert aan de carrière van collega’s. Het is van belang dat talentvolle collega’s op belangrijke internationale plekken terechtkomen. Op basis van het rapport strategische plaatsingen door de dienst IPOL wordt als eerste de prioriteit gelegd bij Interpol, Europol en Brussel.
Een in 2006 uitgebrachte Quick Scan8 met betrekking tot de internationale aspecten van het politieonderwijs laat zien dat de Politieacademie op dit terrein een aantal initiatieven heeft genomen. Denk aan (verplichte) deelname aan uitwisselingsprogramma’s en seminars, vergroting van de kennis van internationale regelgeving en vreemde talen. Dit aanbod groeit stormachtig. Allereerst is nu van belang dat op de verschillende niveaus van het politieonderwijs, en binnen verschillende taakgebieden, de benodigde competenties worden omschreven. Uiteraard in samenhang met de standaarden die in supranationaal verband (bijvoorbeeld CEPOL) worden ontwikkeld.
Zijn de competenties eenmaal beschreven, dan wordt voor iedereen duidelijk welk effect ‘het nieuwe denken’ op het dagelijks werk heeft. En met de competentieprofielen in de hand kunnen de opleidingsinstituten vervolgens het aanbod verder verfijnen.
De afgelopen twee jaar heeft de Parelvisserconferentie9 een belangrijke impuls gegeven aan de internationale samenwerking door het verbinden van de internationale politietop aan de gezamenlijke aanpak van veiligheidsproblemen.
Tot slot
De visie ‘De normaalste zaak van de wereld’ geeft richting aan de internationalisering van de Nederlandse politie. We zijn op de goede weg om de neergezette doelen te realiseren. Niet alleen op papier, maar vooral in acties. In een verbetering van het politiewerk in internationale context en daarmee in een bijdrage aan een veiligere samenleving, in Nederland en daarbuiten.
Het goed omgaan met de gezags- en beheersrelaties, de versterking van de ketenbenadering en relatiemanagement zijn daarbij onmisbaar gebleken.
Voorop staat dat Nederlandse politiemensen het ‘nieuwe denken’ moeten omarmen. Zij dienen keer op keer actie te ondernemen vanuit het streven naar internationalisering. Steeds alert zijn op de ‘buitenlandse component’. Niet altijd gemakkelijk. Wel nodig. Alleen op die manier is het internationale werk ‘de normaalste zaak van de wereld’.
1 TISPOL, Europees politiesamenwerkingsverband op verkeersgebied.
2 RHC (maart 2007). ‘De normaalste zaak van de wereld, visie op de internationalisering van de Nederlandse politie’.
3 De dienst IPOL van het Korps Landelijke Politie Diensten is ontstaan uit de samenvoeging van de Dienst Internationale Politiesamenwerking en de Dienst Nationale Recherche Informatie.
4 Internationale afspraken op het gebied van uitwisseling van kentekens, DNA en vingerafdrukken tussen een aantal EU-landen.
5 Nederland, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland.
6 OCTA, Organised Crime Threat Assessment, Europees dreigingsbeeld, verzorgd door Europol.
7 LURIS, Landelijk Uniform Registratiesysteem voor Internationale Rechtshulp in Strafzaken.
8 Mr. M. Bierema en A. Hazenberg MCM (2006). ‘Quickscan: de betekenis van internationalisering binnen het Nederlandse politieonderwijs voor strategisch leidinggevenden’.
9 Internationale jaarlijkse conferentie op initiatief van Nederland voor de internationale politietop over veiligheidskwesties, gebaseerd op het concept van de Bilderbergconferentie.

Reageer op dit artikel