Jeugdige veelplegers in beeld?: Antecedenten tellen te grofmazig om jonge boefjes te identificeren

In hoeverre zijn jeugdige veelplegers te identificeren door antecedenten te tellen? En biedt een dergelijke benadering voldoende handvatten voor een adequate aanpak? Aan de hand van gegevens van de politieregio Zaanstreek-Waterland gaan we in dit artikel na wat de consequenties zijn van het toepassen van de meest recente definitie die Justitie op deze groep heeft losgelaten.

De afgelopen tijd is in ons land een publieke discussie over veelplegers ontstaan. Naast aanvankelijke verwarring voor welk deel van de (geregistreerde) criminaliteit veelplegers nu eigenlijk verantwoordelijk zijn (Meijer et. al. 2002), is er tegelijkertijd een debat over de vraag wie als veelpleger kan worden aangemerkt (Ferwerda et. al. 2003). Ondanks alle discussie is de definitie van meerderjarige veelplegers vrijwel gelijk gebleven: 'personen die meer dan tien processen-verbaal op hun naam hebben staan, waarvan ten minste één in het peiljaar.' Opmerkelijk is dat de politiek het idee van veelpleger ineens omarmt. We weten immers al geruime tijd dat er een beperkte groep delinquenten is die veelvuldig recidiveert en verantwoordelijk is voor een substantieel deel van de geregistreerde criminaliteit. Deze belangstelling moet dan ook niet zozeer worden begrepen uit 'de stand der wetenschap', maar worden beschouwd in het licht van het huidige politieke klimaat.
Dat het concept van veelplegers een groeimarkt is, blijkt uit de vele publicaties, congressen en discussie hierover. Onlangs hebben onderzoekers van het WODC, meedeinend op deze golven, het begrip 'veelpleger op justitieniveau' geïntroduceerd. Het betreft hier een indeling van veelplegers voorzover die bekend zijn binnen het justitiedocumentatiesysteem. Een veelpleger is in deze variant een persoon 'die in een periode van vijf aaneengesloten jaren in minstens drie strafzaken werd verdacht van het plegen van een of meer misdrijven, waarbij de zaak niet werd afgedaan met een overdracht, vrijspraak, een technisch sepot of een andere technische uitspraak' (Wartna en Tollenaar, 2004, 10).
 

Minderjarigen
In dit artikel staan de minderjarige veelplegers centraal. De definitie van jeugdige veelplegers is, in tegenstelling tot die van de meerderjarigen, maar liefst drie keer gewijzigd. De meest recente aanpassing dateert van najaar 2003. Volgens deze omschrijving is een jeugdige veelpleger 'een jongere in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar die in het gehele criminele verleden meer dan vijf processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in het peiljaar (Ministerie van Justitie, Eenheid van begrip, 2003).
De ogenschijnlijke kracht van de definitie van minderjarige veelpleger is de eenvoud. Het is echter wel de vraag in hoeverre deze eenvoudige definitie ook recht doet aan de complexe realiteit. Met andere woorden: kunnen we inderdaad jeugdige veelplegers identificeren door alleen maar antecedenten te tellen? En, in het verlengde hiervan, biedt een dergelijke indeling dan wel voldoende handvatten voor een adequate aanpak?

In dit artikel gaan we aan de hand van gegevens van de politieregio Zaanstreek-Waterland na, wat de consequenties zijn van het toepassen van deze definitie. Welke jongeren worden dan geselecteerd en welke jongeren blijven buiten  beeld?  Omdat het analyseren van antecedenten van de betrokken verdachten een onvolledig beeld oplevert, betrekken we ook andere informatie uit politiële databestanden bij de poging potentiële jeugdige veeplegers zo nauwkeurig mogelijk te identificeren.
 

Huidige identificatiemethode
De Nederlandse politie registreert verdachten van strafbare feiten in het herkenningsdienstsysteem (HKS). Dit systeem wordt aangewend voor het identificeren van veelplegers. Er staan alleen personen in vermeld die door de politie (of andere opsporingsdiensten) worden verdacht van strafbare feiten. Dit betekent dat iemand (veel) meer delicten kan hebben gepleegd dan op basis van HKS bekend is. Maar iemand kan ook als verdachte worden aangemerkt terwijl zijn schuld verder in de justitiële keten niet kan worden bewezen.
Een verdachte wordt in HKS geregistreerd als deze de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Voor het ontsluiten van verdachtengegevens uit het HKS wordt vaak gebruikgemaakt van DEX2000, een data-extractiemodule die is ontwikkeld door de dienst Nationale Recherche Informatie. Halt-afdoeningen worden wel in HKS geregistreerd, maar niet meegenomen in de algemene DEX2000 tabellen. Voor Halt-afdoeningen wordt een aparte tabel gecreëerd. Bij de definitie van jeugdige veelpleger worden ze niet meegenomen.
Van de minderjarige delictplegers, geboren na 1 januari 19861, in de regio Zaanstreek-Waterland voldoen vier jongeren aan de definitie van jeugdige veelpleger. Allen hebben vóór 2002 hun geregistreerde criminele debuut gemaakt. De antecedenten van twee van deze vier jongeren zijn opgenomen in het kader op pag. ….
 

Kritiek op huidige methode
Er zijn in het wetenschappelijke debat rond veelplegers al eerder kritische kanttekeningen geplaatst bij de operationalisatie van het begrip veelpleger. Een belangrijk kritiekpunt is, dat in de definitie geen rekening wordt gehouden met de duur van de criminele loopbaan van de persoon in kwestie. Deze kritiek geldt met name meerderjarige, en in beperktere mate minderjarige veelplegers. De minderjarige veelplegers hebben immers per definitie een loopbaan van beperkte duur.
De huidige identificatiemethode maakt alleen gebruik van het aantal antecedenten van een verdachte. Een proces-verbaal (antecedent) kan echter meerdere criminele feiten bevatten. Tijdens een verhoor kan de verdachte aangeven nog meer feiten te hebben gepleegd. Ook kan de politie de verdachte confronteren met andere feiten die mogelijk door de verdachte zijn gepleegd (bijvoorbeeld vanwege dezelfde modus operandi). Van deze feiten wordt een proces-verbaal van oplossing gemaakt en dit levert de verdachte ongeacht het aantal feiten één antecedent in HKS op. Verder wordt er geen rekening gehouden met het soort antecedent en evenmin wordt aandacht besteed aan de vraag met wie de verdachte criminele feiten heeft gepleegd. Al deze informatie is echter wel voorhanden in het HKS. Aan de hand van de gegevens van minderjarige verdachten uit Zaanstreek-Waterland gaan we hier na welke meerwaarde deze informatie zou kunnen hebben.
 

Antecedenten en feiten
In het HKS van Zaanstreek-Waterland zijn 224 minderjarigen geregistreerd voor één of meer antecedenten in 2002. Van deze jeugdigen staan er 162 te boek in het HKS voor één antecedent en 62 voor twee of meer antecedenten. Het gaat hier om alle antecedenten die de betrokken minderjarige heeft. Een antecedent kan echter meerdere feiten (delicten) bevatten. Van deze 224 minderjarigen blijken er 134 voor één feit te zijn geregistreerd, terwijl negentig minderjarigen twee of meer feiten op hun naam hebben. Deze negentig jongeren zijn hier het uitgangspunt voor onze verdere analyse.
Indien we het aantal antecedenten dat verdachten op hun naam hebben koppelen aan het aantal feiten, dan is er een positieve samenhang:  hoe meer antecedenten, hoe meer criminele feiten. (Zie tabel 1.) Er zijn echter redelijk wat uitzonderingen op deze regel. Gemiddeld bevat één antecedent 2,1 criminele feiten. De standaarddeviatie toont aan dat de spreiding rond dit gemiddelde redelijk groot is (s = 1,74). De vier geïdentificeerde minderjarige veelplegers hebben zes tot acht antecedenten op hun naam staan, terwijl het aantal criminele feiten ligt tussen de negen en vierenveertig. Tevens zijn er een aantal jongeren met weliswaar minder dan zes antecedenten, maar met een behoorlijk aantal criminele feiten op hun naam. Zo is er een jongere met vijf antecedenten gebaseerd op vijftien feiten en een jongere met vier antecedenten gebaseerd op drieëntwintig feiten.

Het kader illustreert hoe de geregistreerde loopbaan van deze twee, niet als veelpleger geïdentificeerde, jongens eruitziet.

[kader 2]

Als we de geschiedenis van deze twee jongeren uit het voorbeeld vergelijken met de beschrijving van de jongeren die eerder het etiket 'veelpleger' kregen, dan moeten we ons afvragen wat nu eigenlijk de waarde van het label is. Daarbij ons natuurlijk realiserend dat er altijd twijfelgevallen zullen blijven bestaan. Het is echter de vraag of het inhoudelijk en ethisch verantwoord is om alleen op basis van het aantal antecedenten een dergelijke typering te maken. Dit argument zal nog belangrijker blijken als er wettelijke regelingen komen om veelplegers extra zwaar te straffen.
 

Aard van de criminele feiten
Het label 'veelpleger' heeft niets van doen met het type misdrijf dat deze personen plegen. Daar is linguïstisch ook wel wat voor te zeggen. De betrokkenen plegen immers veel, maar niet noodzakelijkerwijs zware vergrijpen. Toch maakt het naar ons idee wel uit of we te maken hebben met een jongere die alleen geregistreerd staat voor mishandeling, bedreiging of vernieling, of dat we te maken hebben met een minderjarige die alleen inbraken pleegt. In het eerste geval hebben we te maken met een vechtersbaas en in het tweede geval met een inbreker. Met andere woorden: het betreft jongeren die een verschillend soort aanpak vereisen.
 

Criminele vrienden
Bij het identificeren van (potentiële) veelplegers is het relevant in kaart te brengen met wie de jongere in kwestie de strafbare feiten pleegt. Wanneer een jongere feiten pleegt met 'criminele zwaargewichten', kan dit een indicatie zijn dat hij of zij aan het begin van een serieuze criminele loopbaan staat. Het vroegtijdig identificeren van zulke jongeren kan voorkomen dat ze ontsporen.
Indien het antecedent van geregistreerde personen in het HKS hetzelfde proces-verbaalnummer heeft, zijn ze in de meeste gevallen mededaders en dus verdachten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een vechtpartij, wanneer onduidelijk is wie slachtoffer en wie dader is. Beiden kunnen in dit voorbeeld worden aangehouden wegens mishandeling. Het is duidelijk dat ze in een dergelijke situatie geen mededaders zijn. We zijn ervan uitgegaan dat verdachten met een gelijk proces-verbaalnummer mededaders zijn.
Het in kaart brengen van (het netwerk van) mededaders kan op verschillende manieren worden gedaan. We hebben ervoor gekozen om alleen te kijken naar personen die een directe relatie hebben met één of meer van de negentig jongeren met twee of meer criminele feiten op hun naam. Als Jan een geselecteerde jongere is en één van de twee proces-verbaalnummers waarvoor hij in HKS staat geregistreerd, komt overeen met een proces-verbaalnummer van Klaas, wordt Klaas als mededader beschouwd. Als Klaas daarnaast nog gepakt is voor een misdrijf samen met Karel, maar Karel staat niet samen met Jan in HKS geregistreerd, dan heeft Klaas een directe relatie met Jan en Karel heeft een indirecte relatie met Jan. Klaas wordt in onze netwerkanalyse meegenomen, Karel niet.
Aan de hand van bovenstaande methode blijken twintig van de negentig jongeren in drie netwerken voor te komen, die uit tien of meer personen bestaan. Het ligt voor de hand om te spreken van een crimineel netwerk, omdat een misdrijf de verbindende schakel vormt. Om echter associaties met georganiseerde criminaliteit te voorkomen, gebruiken we de term netwerk hier zonder de toevoeging crimineel. Het feit dat de jongeren samen een keer iets hebben gedaan, zegt weinig over de bestendigheid van het netwerk. De netwerken moeten dan ook zeker niet als een soort statisch gegeven worden beschouwd. Aan de andere kant van het spectrum zijn er zeventien jongeren die – aldus het HKS – geen mededaders hebben.2

 

Potentiële jeugdige veelplegers
De voorgaande exercities maken duidelijk dat aan het etiketteren van veelplegers alleen op basis van antecedenten de nodige problemen kleven. Zo voldoen in de regio Zaanstreek-Waterland slechts een paar jongeren aan dit label. Dat is op zichzelf goed nieuws en geen reden om daarom de eisen bij te stellen. Maar omdat de regio toch aardig wat meerderjarige veelplegers telt, lijkt het legitiem om na te gaan in hoeverre de veelplegers in wording in een vroeg stadium zijn te ïdentificeren.
Deze benadering sluit goed aan bij de conclusies van Wiebrens en Slotboom (2003) naar aanleiding van hun recidiveanalyse op basis van HKS-gegevens. Deze auteurs stellen dat verdachten die jong zijn begonnen, vaak in herhaling dreigen te vervallen en vaak sneller dan anderen een (groot) aantal antecedenten opbouwen. Zij zijn, kortom, de veelplegers van morgen. Wiebrens en Slotboom bevelen dan ook aan om extra veel energie in deze groep jeugdige recidivisten te steken in plaats van zich te richten op de gevestigde veelplegers, waaraan in hun ogen nauwelijks nog eer te behalen is. 
De theorie van Wiebrens en Slotboom lijkt te worden gestaafd door de Utrechtse praktijk. Zo stelde de jeugdofficier van justitie die was betrokken bij het project HAK (Heldere Aanpak harde Kernjongeren) tijdens een discussiemiddag over veelplegers (SISWO, 25 september 2003) dat deze aanpak eigenlijk niet als geslaagd mag worden bestempeld, omdat te laat op de doelgroep wordt ingezet. In haar betoog wees ze er op dat de meeste winst te halen is bij de groep die zich dreigt te ontwikkelen tot veelpleger. Hiermee weerspreekt zij wat bijvoorbeeld Smilda en Verhoeven (2003) in publicaties over dit onderwerp hebben geconcludeerd.
Redenen genoeg om na te gaan met welke middelen we potentiële minderjarige veelplegers zo nauwkeurig mogelijk in kaart kunnen brengen. Het gaat hierbij natuurlijk altijd om een risico-inschatting. Ofwel: welke jongeren hebben, gezien hun huidige registraties bij de politie, een verhoogde kans om zich tot veelpleger te ontwikkelen? Tijdige identificatie kan veel leed voorkomen, zowel voor de jongere als voor de samenleving. Omdat een dergelijke voorspelling nooit met honderd procent zekerheid is te geven, mogen we er overigens geen al te ingrijpende maatregelen aan verbinden. Het geeft echter wel een indicatie op wie politie en ketenpartners hun pijlen vooral moeten richten.
 

Methode: BPS en netwerk als extra zeef
De beste methode is om alle negentig jongeren uit Zaanstreek-Waterland met twee of meer criminele feiten op hun conto individueel te bekijken. Dat is binnen deze relatief  kleine regio ook wel te doen. Toch hebben we ervoor gekozen om een aantal jongeren op voorhand uit te sluiten. Het is immers effectiever om vooraf zoveel mogelijk het kaf van het koren te scheiden. Dit argument wint aan betekenis wanneer deze methodiek navolging zou krijgen. De jongeren moeten minimaal twee antecedenten hebben in 2002, of  één antecedent in 2002 plus ten minste drie antecedenten in de voorgaande jaren. Op basis van deze criteria  blijven er 31 jongeren over die mogelijk in aanmerking komen voor het etiket van potentiële minderjarige veelpleger.
Bij de selectie op basis van de HKS-registraties wordt gekeken naar de criminele feiten die een jongere op zijn of haar naam heeft staan. Sommige jongeren weten echter door de mazen van het net te glippen; zij staan voor weinig feiten in HKS geregistreerd, maar zijn wel vaak van de partij als er 'iets aan de hand is'. De registraties uit het basisprocessensysteem (BPS) kunnen hierin enige opheldering geven. Evenals in HKS kan in BPS op naam worden gezocht. We hebben de negentig in eerste instantie geselecteerde jongeren (met twee of meer feiten op hun naam) nagetrokken in BPS. Een BPS-registratie betekent overigens niet automatisch dat de jongere in een daderrol bij een incident is betrokken, hij of zij kan ook de benadeelde partij zijn, of een getuige. BPS kent verschillende codes toe aan de veronderstelde rol die een persoon speelt bij het gemuteerde feit. Het onderzoek zal nader moeten uitwijzen welke rol de jeugdige daadwerkelijk heeft. We hebben alle jongeren met tien of meer BPS-registraties geselecteerd, zowel in de hoedanigheid van betrokkene als van verdachte.
Dat de twee systemen zeer verschillende beelden kunnen opleveren, leert het voorbeeld van een 12-jarige Turkse jongen (zie kader)

[kader 3]

Door rekening te houden met jongeren die weliswaar niet vaak in HKS voorkomen, maar wel geregeld in BPS staan vermeld vanwege betrokkenheid bij criminele handelingen en na te gaan in hoeverre deze jongeren deel uit maken van een netwerk, hebben we uiteindelijk 49 minderjarigen individueel bekeken. Eenendertig minderjarige verdachten zijn geselecteerd vanwege hun HKS-antecedenten, dertien vanwege hun BPS-registraties en vijf vanwege hun criminele vrienden. Op basis daarvan is een risico-inschatting gemaakt.
 

Resultaten
De geselecteerde jongeren hebben relatief veel criminele feiten op hun naam staan, of er zijn sterke aanwijzingen dat zij vaak bij criminele activiteiten zijn betrokken. Uitgangspunt vormt het netwerk of de (groep van) mededader(s) van de jongeren. Het eerste netwerk bestaat 31 personen en omvat acht van de geselecteerde jongeren. Zij zijn in de leeftijd van 15-16 jaar en hebben hun geregistreerde debuut in 2000 gemaakt. Ze hebben allen een Nederlandse achtergrond en wonen in Purmerend. Ze hebben, op één jongere na, allemaal antecedenten voor misdrijven tegen de openbare orde of mishandeling. Dit duidt op een groep geweldsplegers. Daarnaast plegen ze ook de nodige diefstallen.
Het tweede netwerk bestaat uit zeventien personen en omvat acht geselecteerde jongeren. Zij zijn in de leeftijd van 13-16 jaar en verschillen wat betreft etnische achtergrond. Op één na wonen deze jongeren in Zaandam. Bromfietsendiefstal is een delict waar ze, op één jongere na, allen antecedenten voor hebben. Het merendeel van deze jongeren is zijn of haar criminele loopbaan gestart in 2002. Ze hebben in het tijdsbestek van één jaar veel delicten gepleegd.
Het derde netwerk bestaat uit tien personen. Vier van de geselecteerde jongeren maken hiervan deel uit. De antecedenten van deze jongeren richten zich zonder uitzondering op agressieve misdrijven. Naast twintig geselecteerde jongeren die zich in een netwerk begeven, zijn er 29 jongeren geselecteerd die in kleinschaliger verband opereren of als solist te boek staan.
De individuele inspectie heeft ertoe geleid, dat we 27 jongeren het stempel 'potentiële veelpleger' hebben toebedeeld. Bij deze inspectie hebben we gekeken naar de opbouw van de criminele loopbaan van de jongere in kwestie, hoe vaak hij of zij in BPS voorkomt en met wie misdrijven worden gepleegd. Het is een inschatting, en de werkwijze is niet geobjectiveerd door te zeggen 'als A dan B'. Van deze 27 jongeren maken zestien deel uit van twee netwerken van delictsplegers. Ze wonen allen in Purmerend of Zaandam; de andere plaatsen in de regio scoren niet. De meeste potentiële veelplegers staan te boek voor een vrij breed scala aan delicten. Acht van hen staan echter alleen voor diefstal en/of inbraak geregistreerd. De meeste geïdentificeerde minderjarigen zijn hun criminele loopbaan gestart in 2000 of 2001. Het kost hun dus een paar jaar om zich voor het etiket van potentiële veelpleger te kwalificeren. Uitzondering hierop vormt één van de twee netwerken, waarbij zes van de acht potentiële veelplegers debutant in 2002 zijn.
 

Tot slot
Zoals we eerder gezien hebben voldoen – op grond van de definitie van jeugdige veelplegers – vier minderjarigen, geboren na 1 januari 1986, in de regio Zaanstreek-Waterland aan dit criterium. Er zijn echter wel de nodige meerderjarige veelplegers in de regio te vinden. Het lijkt dan ook gerechtvaardigd om na te gaan in hoeverre de veelplegers in wording tijdig zouden kunnen worden geïdentificeerd. Daarnaast is het weinig zinvol om zonder nadere bestudering minderjarigen het etiket 'veelpleger' op te plakken op basis van een x-aantal antecedenten en/of criminele feiten. Het is immers geen kunst om achteraf vast te stellen dat iemand zich heeft ontwikkeld tot een veelpleger. Beter is het om na te gaan welke minderjarigen zich mogelijk zullen ontwikkelen tot een veelpleger en daar effectief op in te zetten.
Een dergelijke exercitie is echter slechts verdedigbaar en uitvoerbaar als zoveel mogelijk gegevens over de betrokken minderjarigen worden verzameld. In dit onderzoek hebben we gegevens uit het HKS en het BPS benut. Omdat het  natuurlijk niet doenlijk is om van iedere minderjarige een volledig dossier aan te leggen, is het zinvol om HKS en BPS te gebruiken om een aantal selecties te maken. Om het dossier vervolgens zo volledig mogelijk te maken, kan men aanvullende informatie uit HKS en BPS halen en/of bij ketenpartners opvragen. Het in 2003 landelijk gestarte interdisciplinaire, regionale 'justitieel casusoverleg jeugd' (JCO-J), onder voorzitterschap van het Openbaar Ministerie, lijkt een eerste stap in de richting van een integrale dadergerichte aanpak. Wanneer een zo compleet mogelijk beeld aanwezig is, kunnen vervolgens onderbouwde keuzen worden gemaakt voor een effectieve aanpak. Een dergelijke aanpak veronderstelt wel dat de diverse betrokken organisaties3 goed met elkaar samenwerken. Dat wil zeggen: elkaar tijdig, volledig informeren en alert reageren, indien een jongere eventueel niet voldoet aan de opgelegde voorwaarden bij een sanctie. Bovendien is het zaak, dat per casus ook daadwerkelijk de best passende sanctie wordt opgelegd. Dit pleit nog eens voor het aanleggen van een zo volledig mogelijk dossier en het optimaal aanwenden van de mogelijkheden die voorhanden zijn. Het Openbaar Ministerie heeft daar de regierol toebedeeld bij gekregen, maar de politie is – mede gezien haar informatiepositie – een belangrijke partner in het casusoverleg!

 

Literatuur
Eenheid van Begrip (2003) Den Haag: Ministerie van Justitie
Ferwerda H. E. Kleemans, D. Korf en P. van der Laan (2003) Veelplegers. In: Tijdschrift voor Criminologie, jrg. 45, nr. 2, pp. 110-118.
Kruize, P. en P. Gruter (2003) Voordat het te laat is ... – Identificatie en aanpak van risicovolle minderjarige delictplegers in de regio Zaanstreek-Waterland. Politie Zaanstreek-Waterland.
Meijer R. et. al. (2002) Elf procent verdachten verantwoordelijk voor 20 of 60 procent van de criminaliteit. In: Tijdschrift voor criminologie, jrg. 44, nr. 3, pp. 282-284.
Smilda, F. en C. Verhoeven (2003) Heldere aanpak harde kern. In: Tijdschrift voor de Politie, 4/2003, p. 12-16
Wartna, B.S.J. en N. Tollenaar (2004) Bekenden van Justitie . Een verkennend onderzoek naar de 'veelplegers' in de populatie van vervolgde daders. Onderzoek en Beleid nr. 216, Meppel: Boom Juridische Uitgevers.
Wiebrens, C. en A. Slotboom (2003) De komende, blijvende en gaande verdachte. Goed beschouwd 2003.


[kader1]
Voorbeelden van jeugdige veelplegers
N Een Nederlandse jongen met zeven antecedenten. Zijn eerste HKS-antecedent dateert uit november 2000. Op dat moment was hij 13 jaar. Zijn eerste antecedent betreft een vernieling. Hij komt vervolgens in 2001 wederom met de politie in aanraking naar aanleiding van een woninginbraak. In 2002 – hij is dan intussen 15 jaar – neemt zijn criminele loopbaan een vaart. Zijn derde antecedent omvat 38 vernielingen. Daarna wordt er nog vier maal proces-verbaal tegen hem opgemaakt voor respectievelijk eenvoudige diefstal, gekwalificeerde diefstal, openbare orde en bromfietsendiefstal.
N Een Marokkaanse jongen met acht antecedenten. Zijn eerste antecedent – een vernieling – dateert van juni 1999. Hij is op dat moment 13 jaar. In 2000 wordt vier keer proces-verbaal tegen hem opgemaakt voor 1) fietsendiefstal en gekwalificeerde diefstal, 2) mishandeling en wet wapens en munitie, 3) een gewapende overval en diefstal met geweld en 4) mishandeling. In 2001 krijgt hij zijn zesde (mishandeling) en zevende antecedent (vijf keer winkeldiefstal). In 2002 ten slotte zijn laatste (achtste) antecedent inzake een mishandeling. Hij is 15 jaar ten tijde van zijn laatste feit (maart 2002).


[kader 2]
Voorbeelden van jongeren die niet aan het label 'jeugdige veelpleger' voldoen
N  Een jongen van Surinaamse afkomst, die in juni 2002 zijn laatste antecedent heeft opgelopen (dat wil zeggen: tot eind 2002). Op dat moment was hij net een paar dagen 15 jaar. Hij heeft in februari 2002 zijn eerste antecedent gekregen in HKS voor het stelen van bromfietsen (vijf feiten). Tussen februari en juni 2002 is tevens proces-verbaal tegen hem opgemaakt wegens diefstal uit bedrijf (vijf feiten), bromfietsendiefstal, wederom bromfietsendiefstal en ten slotte een proces-verbaal dat drie diefstallen omvat – een bromfietsendiefstal, een eenvoudige diefstal (art. 310) en een diefstal door middel van verbreking (art. 311).
N Een Nederlandse jongen van 14 jaar ten tijde van zijn eerste antecedent (april 2000). Zijn eerste antecedent betreft mishandeling. Het volgende antecedent stamt ook uit 2000 en omvat twee mishandelingen. In 2001 komt hij niet in de HKS voor. Zijn derde antecedent is uit 2002 en betreft wederom mishandeling. Zijn laatste, vierde antecedent omvat 19 vernielingen. Op dat moment is hij 16 jaar.

[kader 3]
Verschil in beeldvorming op basis van HKS en BPS
HKS: Geregistreerd met twee antecedenten. Beide antecedenten omvatten een enkel feit. Een antecedent voor winkeldiefstal en een antecedent voor vernieling.
BPS: Geregistreerd met zestien mutaties. Niet alle mutaties omvatten strafbare feiten; sommige richten zich op de thuissituatie van de jongere. In steekwoorden gaat het achtereenvolgens om: bedreiging, relatieproblemen, aandachtsvestiging, verdachte situatie, wapen zonder geweld, geweld met letsel met wapen, relatieproblemen, diefstal aan/uit sportcomplex, jeugdzorg, aantreffen goed, aandachtsvestiging, diefstal aan/uit school, jeugdzorg, vermissing persoon, wapen zonder geweld, beroving/tasjesroof.

 

Abstract
In this article high rate juvenile offenders are in focus. This type of offenders are identified by the number of times they are suspected by the police for criminal activities. The authors criticise this method of labelling. Much relevant information is ignored: no attention is paid to the length of the criminal career; not the number of crimes, but the number of police reports are counted; the impact of co-offending is ignored; and finally other police information is not utilised.
On the basis of data of the police region Zaanstreek-Waterland – situated close to Amsterdam – the authors examine other ways to identify high rate juvenile offenders. They reach the conclusion that it would be better to concentrate on juveniles who tend to be future high rate criminals. Individual inspection on the basis of as much as possible information from all relevant agencies – like the police, public prosecution service, infant welfare centre, community and schools – seems to be the best option. Before an individual inspection takes place a pre-selection may be executed. Police data are used to illustrate a way the carry out such a pre-selection.    

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2004, jrg. 66, nr. 7-8, p. 19-23

Er is voor deze groep gekozen, omdat de analyse in de loop van 2003 is gemaakt en jongeren geboren voor 1 januari 1986 in 2003 al op de drempel van strafrechterlijke volwassenheid staan.
2 Soms verrichten jongeren strafbare handelingen solo, maar de 17 jongeren die als solist te boek staan in het HKS, blijken in de praktijk (volgens BPS) lang niet altijd solo op te treden.
3 Bij minderjarigen gaat het dan primair om: de politie, het Openbaar Ministerie, de raad voor de kinderbescherming, bureau jeugdzorg van de gemeente en de jeugdreclassering.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel