Jeugdige vrouwelijke zedendelinquenten. Een (on)zichtbaar probleem?
Er is tot op de dag van vandaag vrijwel geen onderzoek gedaan naar vrouwelijke zedendelinquenten. In Nederland heeft alleen Jan Hendriks – klinisch psycholoog en hoofd van de afdeling jeugd van De Waag in Den Haag – onderzoek gedaan naar dit fenomeen. In onderstaand artikel gaat de auteur nader in op dit onderwerp aan de hand van haar analyse gemaakt in het kader van de Training Criminaliteitsanalyse (TCA) van de Politieacademie, locatie Zutphen. Het accent ligt op verdachten in de leeftijd 12-23 jaar.
Inleiding
De analyse berust op twee empirische peilers. Ten eerste is gebruikgemaakt van een landelijk, geanonimiseerd HKS-bestand met verdachten van zedendelicten over de periode 1996-2005. Met behulp van DEX2000 zijn deze gegevens voor analyse ontsloten. Hiermee ontstaat uiteraard alleen zicht op zaken die bij de politie bekend zijn en waar een verdachte bij is aangemerkt. Ten tweede zijn er 24 respondenten geïnterviewd door 8 studenten van de TCA-opleiding. De respondenten zijn geselecteerd op basis van hun expertise op het gebied van zedenzaken en komen uit de hoek van de wetenschap, het Openbaar Ministerie, de hulpverlening en de politie. Tevens is voor het kwalitatieve gedeelte gebruikgemaakt van zowel Nederlandse, als ook internationale literatuur en onderzoeken.
Het aandeel van vrouwen bij zedenmisdrijven
In Nederland zijn er 38.309 verdachten met antecedenten voor zedendelicten in het HKS geregistreerd in de periode 1996-2005. Er is sprake van een stijgende tendens. In 1996 werden er 3.471 verdachten geregistreerd, in 2005 waren dat er 4.454. Een stijging van 28 procent. Het gaat om verdachten die ten minste eenmaal in het peiljaar waarin ze geregistreerd zijn, verdacht worden van het plegen van een zedenmisdrijf. Van alle verdachten (38.309) zijn 639 verdachten van het vrouwelijke geslacht, wat overeenkomt met 1,7 procent. Het procentuele aandeel van vrouwelijke verdachten fluctueert enigszins per jaar gedurende de onderzoeksperiode, maar er is geen sprake van een toenemende, dan wel afnemende tendens.
In de onderzoeksperiode zijn er in totaal 11.303 zedendelinquenten in HKS geregistreerd in de leeftijdsklasse 12-23 jaar. Ook is hier bij deze leeftijdsgroep sprake van een stijgend aantal geregistreerde verdachten; in 1996 werden er 919 verdachten in de leeftijd 12-23 jaar geregistreerd voor een zedenmisdrijf; in 2005 was dit aantal 1.452. Een stijging van 58 procent. Het percentage jonge vrouwen als verdachten van een zedenmisdrijf ligt op 158 (1,4 procent) in de onderzoeksperiode. Ook hier geldt dat het aandeel van vrouwen varieert, maar er is sprake van een gelijkblijvende tendens. Van de 158 vrouwelijke verdachten zijn er 88 minderjarige meisjes (56 procent) en 70 jongvolwassen vrouwen (44 procent).
Type zedendelicten
De 156 unieke vrouwelijke jongvolwassen en minderjarige zedendelinquenten (twee vrouwen kwamen in meerdere peiljaren voor, vandaar het unieke aantal van 156) zijn in HKS geregistreerd voor 208 zedendelicten. Hiervan zijn er 126 gepleegd door minderjarige meisjes en 82 door jongvolwassen vrouwen. Het meest voorkomende zedendelict is ontucht. Ruim de helft van de geregistreerde zedendelicten hebben betrekking op dit feit. Verkrachting tekent voor iets minder dan een kwart van de zaken, terwijl de laatste 25 procent staan voor schennis der eerbaarheid, seksuele handelingen met personen onder de 12 jaar oud of een ander zedendelict (zie ook tabel 1). Wat betreft verkrachting is er geen verschil tussen minderjarige en jongvolwassen vrouwelijke verdachten, maar er treedt wel een verschil op bij de andere zedendelicten. Jongvolwassen vrouwen maken zich relatief vaker schuldig aan het plegen van schennis, terwijl minderjarigen vaker geregistreerd staan voor het plegen van ontucht en seksuele handelingen met personen onder de 12 jaar en andere zedenmisdrijven.
Zoals eerder vermeld, heeft ruim de helft van de geregistreerde zedendelicten met jonge vrouwen als verdachte betrekking op ontucht. Het kan om ontucht onder bedreiging gaan, maar ook om vormen van ontucht met minderjarigen. Tabel 2 geeft een overzicht.
[tabel]
Soort delict 12 t/m 17 18 t/m 23 Totaal
Ontucht 68 41 109
Verkrachting 24 23 47
Schennis der eerbaarheid 4 13 17
Seksuele handelingen bij personen < 12 jaar 12 4 16
Anders 18 1 19
Totaal 126 82 208
Tabel: Type zedenmisdrijf van vrouwelijke verdachten in de leeftijd 12-23 jaar (1996-2005). Bron: HKS (LCK).
[tabel]
Soort ontuchtdelict Totaal
Ontucht onder bedreiging 35
Ontucht met personen van 12-16 jaar 18
Ontucht met personen onder de 16 jaar of onmachtige 39
Ontucht met personen < 18 jaar middels giften en beloften 2
Ontucht met aan zorg toevertrouwde minderjarige of onmachtige 15
Totaal 109
Tabel 2: Overzicht gepleegde ontuchtdelicten van vrouwelijke verdachten in de leeftijd 12-23 jaar (1996-2005). Bron: HKS (LCK).
Medeverdachten
Uit het aangiftebestand met bekende daders, dat de periode 2003-2005 bestrijkt, blijkt dat vrouwen zedendelicten ook in groepsverband plegen. In deze periode worden er namelijk 17 feiten door 23 minderjarige meisjes en jongvolwassen vrouwen in vereniging gepleegd met een of meer andere mannen of vrouwen (zie ook tabel 3). Wat direct opvalt, is dat bij de 17 gevallen die in vereniging gepleegd worden, er in alle gevallen een of meerdere mannen of jongens als medeverdachte aanwezig zijn. In geen van de gevallen is er sprake van alleen vrouwelijke verdachten. Verder valt op, dat er drie zaken zijn waarbij het zedendelict wordt gepleegd door een minderjarige vrouwelijke verdachte in vereniging met een grote groep minderjarige jongens (groep varieert van 7 tot 11 jongens aangemerkt als verdachte).
Uit onderzoek blijkt, dat het in dit soort gevallen vaak gaat om een geweldsmisdrijf tegen een leeftijdsgenoot, dat uiteindelijk ontaard in een seksueel delict. Vaak speelt wraak hierbij een grote rol en is het seksuele aspect hieraan ondergeschikt. Een van de interviewrespondenten suggereert, dat voornamelijk bij het misbruiken van een leeftijdsgenoot, de jeugdige vrouwen de feiten in vereniging plegen. Dit zou verklaard worden door de fysieke beperkingen van de vrouwelijke dader ten opzichte van het slachtoffer.
[tabel]
Dadergroep Leeftijd vrouw Leeftijd man Aantal
1 vrouw/1 man 14 t/m 22 14 t/m 34 5
1 vrouw/2 mannen 14 t/m 22 13 t/m 28 5
1 vrouw/7 mannen 13 13 t/m 14 1
1 vrouw/10 mannen 14 14 t/m 16 1
1 vrouw/11 mannen 14 14 t/m 16 1
2 vrouwen/1 man 17 en 23 50 1
2 vrouwen/2 mannen 17 24 en 26 1
3 vrouwen/1 man 12, 15, 33 49 1
3 vrouwen/3 mannen 12, 13, 15 14 1
Totaal aantal zaken 17
Tabel 3: Zedendelicten in vereniging gepleegd met minimaal één vrouwelijke verdachte in de leeftijd 12-23 jaar (2003-2005) (n=69). Bron: HKS (LCK).
Psychologisch profiel
In het algemeen vormen jeugdige zedendelinquenten volgens Bijleveld en Hendriks (2005) een homogene groep, met daarbinnen diverse subgroepen. Verder, zo stellen ze, heeft iedere subgroep zijn eigen karakteristieke kenmerken, aangevuld met een behoefte om zedendelicten te plegen. In een onderzoek naar verschillen tussen de subgroepen jeugdige zedendelinquenten worden deze ingedeeld in solodaders en groepsdaders. De solodaders kunnen weer verdeeld worden in kindmisbruikers en misbruikers van leeftijdsgenoten (Bijleveld & Hendriks, 1999 en 2005).
Uit de gehouden interviews komt naar voren dat groepsdaders in het algemeen veel ‘normaler’ zijn dan de solodaders en minder vaak te maken hebben met depressiviteit. Ze zijn minder neurotisch, hebben een redelijk zelfbeeld en hebben vaak al eerder een seksuele ervaring opgedaan, terwijl dit bij de solodaders bijna nooit het geval is. Er ligt een andere dynamiek ten grondslag aan het delict. Solodaders – en dan met name de kindmisbruikers – zijn vaak psychisch verstoord, in zichzelf teruggetrokken, worden vaak op school gepest en zijn achterop geraakt in hun sociale emotionele ontwikkeling.
Uit onderzoek naar jeugdige vrouwen die zedendelicten plegen komt het volgende psychologische profiel naar voren (Righthand & Welch, 2001; Hendriks, 2004; Vandiver & Teske, 2006).
- In veel gevallen is er sprake van een of meerdere verschillende vormen van gedragsstoornissen, zoals een gebrek aan zelfbeheersing.
- Het eerste seksuele delict wordt al op vrij jonge leeftijd gepleegd. Uit de verschillende onderzoeken komt een gemiddelde leeftijd van 14 jaar naar boven.
- Over het algemeen maken de delinquenten heel jonge slachtoffers. Het gaat hier om een gemiddelde leeftijd van 5 jaar.
- Het afwijkende seksuele gedrag vindt vaak in oppassituaties plaats. Vaak is het slachtoffer een bekende of familie van de dader.
- Regelmatig is er sprake van een matig presteren op school en een beneden gemiddeld tot laag IQ van rond de 93.
- Het overgrote deel van de meisjes heeft een laag zelfbeeld en verkeert in een sociaal isolement.
- Bij een groot deel van de doelgroep is er sprake van zelfmoordgedachten, zelfmoordpogingen en/of depressies.
Meisjes zijn qua gedrag niet duidelijk in te delen in subtypes maar kunnen, daar waar het gaat om psychische gesteldheid, het best vergeleken worden met kindmisbruikers. Het gaat dan om personen die door seksuele nieuwsgierigheid gemotiveerd worden tot het plegen van een seksueel misdrijf. Hierbij valt te denken aan betasten en/of orale seks in oppassituaties. Een tweede groep pleegt seksuele delicten vanuit hun eigen verleden en slachtofferschap. Hun misbruikgedrag vertoont ernstiger afwijkingen en veelal beginnen ze al op jongere leeftijd (Hendriks, 2004).
Een van de interviewrespondenten stelt, dat alleen het feit al, dat een persoon een delict alleen pleegt, geeft aan dat hij/zij gestoorder is dan een dader die een feit in groepsverband pleegt. Er moet namelijk een grotere drempel overschreden worden om het feit te plegen. Is de dader dan ook nog een meisje, dan houdt dat in dat ze nog gestoorder is dan haar mannelijke tegenhanger. Bovendien is het maatschappelijke beeld van meisjes dat ze over het algemeen veel braver zijn dan jongens en fysiek zwakker. Er moet dus zogezegd ‘meer aan de hand zijn’ met dit meisje. Het is meer vanuit een persoonlijkheidsproblematiek dat dit soort delicten gepleegd worden, zoals het hebben van een heel laag zelfbeeld.
Sociale achtergronden
De achtergronden van jeugdige vrouwen die zedendelicten plegen zijn onder meer beschreven door Hunter (1993) en Vandiver & Teske (2006). Volgens deze onderzoekers zijn de vrouwen vroeger zelf vaak slachtoffer geweest van seksueel misbruik, emotioneel misbruik, lichamelijk misbruik en enige vorm van verwaarlozing. Deze meisjes komen uit instabiele gezinnen, waarin de ouders niet in staat zijn om hun kinderen te beschermen. Bovendien komt meer dan de helft uit zogenaamde eenoudergezinnen, waarbij ze ook slachtoffer zijn van verwaarlozing en verschillende vormen van misbruik Verder stellen ze dat de gezinnen vaak disfunctioneel zijn en veelal chaotisch.
Etnische achtergrond
Van de 156 unieke vrouwelijke verdachten in de leeftijd van 12-23 jaar (HKS) is het merendeel van Nederlandse afkomst (63 procent). De grootste etnische groep van jonge zedendelinquenten wordt gevormd door vrouwen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst (bij elkaar 18 procent). Er blijkt geen samenhang tussen herkomst en leeftijd van de verdachten. Ook is er geen samenhang tussen herkomst en type zedenmisdrijf.
Slachtoffers
Uit internationale onderzoeken blijkt, dat de slachtoffers van jeugdige vrouwelijke zedendelinquenten erg jong zijn. Het misbruik van deze kinderen vindt vaak plaats in verzorgingssituaties en oppassituaties en het betreft vaak familieleden of bekenden (Hendriks, 2004). Uit de interviews komt naar voren dat er in deze gevallen bijna altijd sprake is van een meisje als dader. Meisjes komen namelijk in vergelijking met jongens veel sneller met dit soort situaties in aanraking. Verder speelt weer het fysieke overwicht daarbij een rol. Een meisje van 14 zal zich namelijk niet zo snel kunnen vergrijpen aan een mannelijke leeftijdsgenoot. Dat is dus een praktisch aspect. Uit verschillende onderzoeken blijkt, dat hoe jonger het slachtoffer is, hoe groter de kans dat de dader een meisje is. Kijken we echter naar de gezinssituatie, dan plegen zowel meisjes als jongens delicten met hun jonge broertjes en zusjes.
In die gevallen dat er sprake is van misbruik van een leeftijdsgenoot, dan zien we dat deze vaak beginnen met fysiek geweld. Daarna escaleert de situatie en volgt seksueel geweld. Het seksuele aspect komt dus pas later om de hoek kijken en wordt meer gebruikt als één van de geweldsmiddelen waar naar gegrepen wordt. Vaak gaat het hierbij om een wraakactie, waarbij het slachtoffer een meisje is. Hendriks (2004) illustreert een dergelijke situatie aan de hand van een praktijkvoorbeeld: een meisje, dat wraak neemt op de nieuwe vriendin van haar ex-vriend. Het slachtoffer wordt opgewacht en in elkaar geslagen door de ex-vriendin en haar vriendinnen. Vervolgens wordt het slachtoffer gedwongen onder bedreiging met geweld zich uit te kleden en een tandenborstel in haar vagina te stoppen. Als later een paar mannelijke bekenden van de dader langslopen, worden deze aangemoedigd om het slachtoffer te verkrachten. De seksuele factor is dan dus niet of nauwelijks bij de dader aanwezig en speelt voor de vrouwelijke dader geen wezenlijke rol. Het draait dan meer om vernedering en wraak.
Recidive
Volgens Bijleveld en Hendriks (2004) recidiveren in het algemeen kindmisbruikers en aanranders en verkrachters met een antisociale houding en een vijandig vrouwbeeld. Over recidive van vrouwen komt uit de literatuur en uit de interviews geen informatie naar boven. De cijfers uit HKS bevestigen de onderzoeksresultaten, want hieruit komt naar voren, dat van de 37.670 mannelijke verdachten er 4.133 recidiveren (11 procent). Bij de vrouwen gaat het om 639 verdachten, waarvan er slechts 12 recidiveren (2 procent).
Beperkte registratie
Het spreekt voor zich dat lang niet alle zedendelicten die gepleegd worden door jeugdige vrouwen bekend zijn in de (politie)registraties. De geringe aangiftebereidheid komt onder andere voort uit schaamte onder mannelijke slachtoffers om aangifte te doen. Daarnaast wordt gesuggereerd dat veel zedendelicten waarin jonge vrouwen een hoofdrol spelen, plaatsvinden in ‘oppassituaties’. Veelal is het slachtoffer te jong om te ageren en te reageren en vaak is het zo dat seksueel misbruik heel moeilijk te bewijzen is, want wanneer houdt de ‘verzorging’ op en begint de ‘seksueel getinte’ aanraking? Bovendien bestaat er een maatschappelijke terughoudendheid om toe te geven dat meisjes in staat zijn om seksuele delicten te plegen, laat staan om deze delicten vervolgens te rapporteren.
Uit de interviews met de respondenten komt naar voren, dat de beperkte registratie niet alleen te maken heeft met een geringe aangiftebereidheid, maar ook doordat het plegen van seksuele delicten door meisjes vaak niet opgemerkt wordt. Als een meisje of vrouw bijvoorbeeld speelt met een naakte baby, dan zal dit niet direct in verband worden gebracht met het eventuele seksuele aspect. Mannelijke slachtoffers vinden het bovendien over het algemeen moeilijk om aangifte te doen van seksueel misbruik door een meisje, omdat er vaak ook bij hen sprake was van enige seksuele opwinding. Ze vragen zichzelf af, hoe ze een erectie hebben kunnen krijgen, als ze het gebeuren zelf ook niet ‘lekker’ hebben gevonden. Zelf trekken ze dan de conclusie, dat het in een dergelijk geval vast niet om een strafbaar feit gaat en doen vervolgens geen aangifte. Als het om misbruik binnen de familie gaat, kan er tevens sprake zijn van een schuldgevoel, omdat het slachtoffer dan vaak bang is, dat hij bij melding van het misbruik verantwoordelijk is voor het uiteenvallen van de familie.
Conclusie en discussie
De uitkomsten van het kwantitatieve en kwalitatieve onderzoek doen geloven dat de omvang van de problematiek van jeugdige vrouwelijke zedendelinquenten wel meevalt. Voor welk deel dit toe te schrijven is aan een grotere onderrapportage dan bij zedenmisdrijven gepleegd door jonge mannen is niet goed te beantwoorden. Om vast te kunnen stellen of specifiek beleid op dit punt wenselijk is, moet vooralsnog eerst zichtbaar worden, wat nu nog (gedeeltelijk) onzichtbaar voor ons is.
Met name uit buitenlands onderzoek komt naar voren dat jonge vrouwelijke zedendelinquenten vaak hun feiten plegen in zogenaamde ‘oppassituaties’ met hele jonge slachtoffertjes. Eén van de ontuchtdelicten is ontucht met een aan zorg toevertrouwde minderjarige, zoals het geval is in oppassituaties (zie tabel 2). Dit delict komt 15 keer voor in het HKS-bestand. Het verrichten van seksuele handelingen met personen die de leeftijd van 12 jaar nog niet bereikt hebben komt 16 keer voor (zie tabel 1). Echter op basis van deze gegevens kunnen we niet zeggen dat het in al deze gevallen om oppassituaties gaat. Bij elkaar kunnen maximaal 31 geregistreerde zedenzaken met jonge vrouwen als verdachte betrekking hebben op een oppassituatie. Betekent dit gegeven dat zedenmisdrijven gepleegd in oppassituaties in hogere mate niet tot aangifte bij de politie leiden, of is dit een indicatie dat de resultaten van buitenlandse onderzoeken op dit punt minder opgeld doen in Nederland? Op basis van de analyse van de HKS-gegevens kan deze vraag niet worden beantwoord, maar het is wel een vraag die om een antwoord vraagt. Wellicht dat toekomstig onderzoek, op basis van andere dan politiële of justitiële bronnen, dit antwoord kan brengen.
Literatuur
Bijleveld, C. en Hendriks, J. (2005). Jeugdige zedendelinquenten, Justitiële Verkenningen, jrg. 31, nr. 1, pp. 95-104.
Hendriks, J. (2004). Meisjes als zedendelinquent: Een exploratieve studie, Tijdschrift voor seksuologie, nr. 28, pp. 67-74.
Hendriks, J. en Bijleveld, C. (1999). Jeugdige zedendelinquenten: Verschillen tussen groeps- en alleenplegers, Delikt en Delinkwent, nr. 29, pp. 722-736.
Hunter, J.A. e.a. (1993). Psychosexual, Attitudinal, and Developmental Characteristics of Juvenile Female Sexual Perpetrators in a Residential Treatment Setting, Journal of Child and Family Studies, Vol. 2, No. 4, pp. 317-326.
Righthand, S. en Welch, C. (2001). Juveniles Who Have Sexually Offended. Washington, DC: Office of Juvenile Justice and Delinquency Prevention.
Vandiver, M. en Teske Jr, R. (2006). Juvenile Female and Male Sex Offenders, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, Vol. 50, no. 2, pp. 148-165.
1 Met dank aan Dr. Peter Kruize, studiebegeleider van de TCA.

Reageer op dit artikel