Lokaal veiligheidsbeleid op regionaal niveau
Op 28 januari 2009 organiseerden SMVP en CCV een conferentie onder de titel ‘Integraal veiligheidsbeleid regionaliseert!’. ‘Regionale samenwerking is hot’ zo luidt de beginzin van het boekje/conferentieverslag dat pas onlangs – in het najaar van 2009 – verscheen. De trage verslaglegging is niet de enige gemiste kans. Maar daarover straks.
Aan het thema heeft het niet gelegen. Samenwerking tussen gemeenten – regionaal of kleinschaliger, dat maakt niet uit – is inderdaad ‘in’. Op het terrein van sociale en fysiek veiligheid, maar ook op veel
andere terreinen: sociale zekerheid, woningbouw, arbeidsmarkt, milieu, recreatie etc. Opvallend daarbij is overigens dat de samenwerkingsverbanden vaak in de plaats komen van de provincie (zie bijvoorbeeld de taken van de WGR+ regio’s). Het is de zoveelste aanwijzing dat provincies zich niet effectief bezighouden met hun kerntaken maar wel met nevenactiviteiten waar niemand op zit te wachten (zie: Klaartje Peters, Het opgeblazen bestuur. Een kritische blik op de provincie. Amsterdam: Boom, 2007). Maar dat terzijde.
Wat leert deze bundel ons over samenwerking tussen gemeenten, op regionaal of kleinschaliger niveau?
Het boekje valt in twee delen uiteen.
In het eerste deel vinden we korte verslagen van inleidingen op de conferentie over regionale samenwerking (Haisma), veiligheid (Tops), samenwerking (Terpstra) en de praktijk ( Kloosterman). De bijdrage van Terpstra is de meest grondige. Hij gaat uitgebreid in op problemen die zich bij samenwerken (kunnen) voordoen, op voorwaarden voor succesvolle samenwerking en op de eisen die dat in de praktijk aan samenwerking stelt. Her en der, maar heel bescheiden, klinkt in zijn bijdrage het besef door dat samenwerking in de veiligheidszorg ook een politiek-bestuurlijke component kent.
In het tweede deel wordt verslag gedaan van een tiental workshops. De thema’s van de workshops bestrijken heel redelijk de actualiteit van de samenwerking tussen gemeenten. Aan de orde komen onder meer Veiligheidshuizen, modellen voor regionale samenwerking, afstemming van beleidscycli tussen politie, gemeenten en OM, politiek-bestuurlijke ‘agenda-setting’ op regionaal niveau,
de regionale aanpak van problemen als ‘jeugd en alcohol’ respectievelijk Oost-Europese arbeidsmigranten en het omgaan met informatie op regionaal niveau. De, misschien wel erg korte, verslagen van de workshops laten zien dat er veel gebeurt op regionaal niveau en dat daar interessante ontwikkelingen aan de gang zijn. Ook hier geldt echter wel dat de politiek-bestuurlijke dimensie van regionale samenwerking onderbelicht blijft. Slechts twee van de tien workshops gaan daar op in.
Waarom zijn conferentie en verslag uiteindelijk toch een beetje een gemiste kans? Wat mij betreft vooral omdat sommige relevante problemen wel summier worden aangeduid, maar niet dichter bij een oplossing worden gebracht. Zelfs de vage contouren van een oplossing voor die problemen – een wat realistischer doelstelling – lijken niet in beeld te komen.
Wat mij betreft gaat het daarbij in ieder geval om twee, met elkaar samenhangende, problemen.
Het ene probleem is de afstemming tussen lokaal handelen en organiseren en bovenlokaal handelen en organiseren. Hoe veel geef je als gemeente uit handen aan een bovenlokaal arrangement, een WGR-regeling, een regionaal samenwerkingsverband of een meer informeel arrangement? Dat is een klemmend probleem. Enerzijds omdat gemeenten greep willen houden op beleidsvorming en -uitvoering, ook als die niet meer lokaal ondergebracht zijn. Anderzijds zullen de gemeenten ook willen dat een samenwerkingsverband dat ze (zelf) in het leven roepen, levensvatbaar is. En dat betekent dat het samenwerkingsverband voldoende zelfstandigheid moet hebben of beleidsvrijheid om zijn werk goed te kunnen doen. Dit is vooral de zakelijk uitvoerende kant van het regionaliseringsprobleem. In het boekje komt deze precaire balans tussen regionaal doen versus lokaal sturen en verantwoorden niet voldoende uit de verf.
Het andere probleem betreft vooral de politiek-bestuurlijke sturing en controle van intergemeentelijke samenwerking. Regio’s en subregio’s zijn binnen het huis van Thorbecke – dat zoals bekend tot op de dag van vandaag heilig is – geen bestuurslagen. Dus zal de politieke sturing en controle op (sub)regionale samenwerking, elders plaats moeten hebben: op het niveau van de afzonderlijke gemeenten. Op dat niveau treffen we ook de politiek-bestuurlijke bestuurders die politiek verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de geregionaliseerde gemeentelijke taken, waaronder met stipnotering die op het terrein van veiligheid.
Niet voor niets spreken we al sinds 1994 bijvoorbeeld zorgelijk over het democratische gat binnen het geregionaliseerde politiebestel (zie: Lex Cachet, Arie van Sluis, Theo Jochoms, Anne Sey en Arthur Ringeling, Het Betwiste Politiebestel. De organisatie van de politie in Nederland, België, Duitsland, Denemarken het Verenigd Koninkrijk vergeleken. Den Haag: Reed Elsevier / PEW, 2009, in het bijzonder hoofdstuk 3.)
.
Nog al wat bijdragen – zie bijvoorbeeld die van Haisma – hebben (onbedoeld ongetwijfeld) een sterk technocratisch karakter. Samenwerking moet, want het is goed op de werkvloer. Dat zich, desondanks, op politiek-bestuurlijk niveau stevige problemen kunnen voordoen, wordt niet beseft of niet gemeld. Zoals gezegd, alleen in de bijdrage van Terpstra klinkt wat meer besef van de politiek-bestuurlijke component door.
Mijns inziens zal het vinden van adequate oplossingen voor de politiek-bestuurlijke sturing en controle van doorslaggevende betekenis zijn voor het uiteindelijke succes of falen van regionale vormen van samenwerking. Bestuurders – en in het bijzonder burgemeesters – moeten hun lokale verantwoordelijkheden steeds meer waarmaken met behulp van geregionaliseerde organisaties en binnen regionale samenwerkingsverbanden, als politie- en veiligheidsregio’s. Dat biedt kansen, in de vormen van schaal, kwaliteit en ervaring op het uivoerende niveau. Maar het vergroot ook de risico’s voor en de kwetsbaarheid van bestuurders. Terpstra laat een kant van dat verhaal zien als hij spreekt over de spagaat van burgemeester, die voor regionaal genomen beslissingen ‘in eigen gemeente draagvlak of instemming moet verwerven’ (p.33). De andere kant van het verhaal – en zeker zo essentieel – is dat de burgemeester lokaal afgesproken beleid moet proberen uit te voeren met geregionaliseerde organisaties, waar hij maar in (zeer) beperkte mate zeggenschap over heeft. In een systeem waar ook bestuurders meer en meer op resultaat worden afgerekend kan dat heel vervelende gevolgen hebben.
Het zou goed zijn als SMVP en CCV in het verlengde van deze conferentie een vervolg zouden organiseren. Bij die vervolgconferentie zou dan vooral de politiek-bestuurlijke dimensie centraal moeten staan. Kernvraag zou moeten zijn hoe je voldoende recht kan blijven doen aan politiek-bestuurlijke controle en verantwoording, in een situatie waarin de veiligheidszorg steeds meer regionaliseert. Misschien moet daarbij zelfs wel renovatie van het huis van Thorbecke worden overwogen.
LC
SMVP / CCV, Axel Weggelaar en Lodewijk Gunther Moor (red), Integraal veiligheidsbeleid regionaliseert! Dordrecht / Utrecht: SMVP Producties, 2009. Isbn 978-90-73822-03-0, 80 pagina’s.

Reageer op dit artikel