Marokkaanse jongens (blijven) in beeld
Ongeveer een jaar geleden verdedigde ik mijn proefschrift Tussen respect en doorpakken over de aanpak van overlast en criminaliteit van Marokkaanse jongens door de politie (Bervoets, 2006). In dat jaar laaide de aandacht voor de problemen hevig op met de publicatie Het Marokkanendrama van journaliste Fleur Jurgens. Daarnaast bleven zich ook nieuwe incidenten aandienen. Denk daarbij heel recent nog aan het Utrechtse Kanaleneiland-Noord, waar de burgemeester overwoog een samenscholingsverbod in te stellen en de voetbalrel in Tilburg van mei 2007, waar jongeren het veld bestormden bij de wedstrijd Jong Oranje tegen Jong Marokko. In dit artikel bespreek ik de essenties van mijn proefschrift in het licht van de actualiteit. Besproken wordt ook wat kansen zijn voor de politie bij hun aandeel in de probleemaanpak.
Nooit van de agenda verdwenen…
De problemen met Marokkaanse jongens zijn niet van vandaag. Bijna twintig jaar geleden al constateerde de Amsterdamse gemeenteambtenaar Kees Loef in een interne rapportage een bovenmatige betrokkenheid van jongeren van Marokkaanse afkomst bij straatroof in de Amsterdamse binnenstad (Loef, 1988). Het rapport lekte uit en voor politiek, minderhedenorganisaties en journalistiek was de wereld te klein. Openlijk een link leggen, of alleen al een indirect verband veronderstellen, tussen jeugdcriminaliteit en etnische afkomst lag destijds erg gevoelig. En dat was nog lang het geval. Ook de vele publicaties die volgden, onder andere de dissertaties van Werdmölder (1990) en Van Gemert (1998) en het essay van Bovenkerk over Marokkaanse jongeren in Hedendaags Kwaad (1992) konden daarom niet altijd rekenen op begrip.
In 1998 raakten politie en Marokkaanse jongeren slaags op het Amsterdamse August Allebéplein in Overtoomse Veld, als gevolg van een ge-escaleerde aanhouding en opgelopen spanningen (COT, 1998). De ongeregeldheden leidden tot een hausse aan beleidsvoornemens en publicaties. En ook de focus van de politie was nooit eerder zo nadrukkelijk op Marokkaanse jongens gericht. Hoewel Antilliaanse en Somalische jongeren de Marokkanen afgelopen jaren naar de kroon staken, is daarin anno 2007 weinig veranderd. De Amsterdamse recherchechef Woelders merkte in zijn afscheidsinterview met het AD op 18 september op dat de opvolgers van Willem Holleeder en consorten klaarstaan en wel eens van Marokkaanse origine zouden kunnen zijn. Zij zouden in een paar jaar zijn uitgegroeid tot criminelen die klaar zijn voor het grotere werk. Overigens werd vooral deze uitspraak uit het interview gelicht en breed uitgemeten op radio en televisie. Marokkaanse jongeren houden media en samenleving bezig, zo blijkt. De persverslaggeving is zonder twijfel onderdeel van het probleem (Harchaoui en Huinder, 2003). Maar zoals gezegd blijven zich nieuwe incidenten aandienen, waardoor het onjuist is om te beweren dat de media de Marokkaanse-jeugdproblematiek ‘maken’ en slechts sprake is van morele paniek. Er is meer aan de hand. Dat de jeugdproblematiek geen gedachtespinsel is, merkt ook de politie in wijken als Kanaleneiland en Overtoomse Veld.
Er is nog altijd stevig debat over de oorzaken van de problemen. Waar sommige wetenschappers die zoeken in sociaal-structurele omstandigheden (scholing, werkloosheid, economie, uitsluiting) versterkt door selectiviteit van politie en justitie, daar leggen anderen de nadruk op culturele verklaringen. Bekende voorbeelden zijn Van Gemert (1998) en Werdmölder (2005). Laatstgenoemde spreekt in Marokkaanse Lieverdjes van een verinnerlijkt cultuurconflict: jongeren zouden niet adequaat om weten te gaan met de soms botsende eisen van de Nederlandse, Marokkaanse en de straatcultuur. Van Gemert benadrukt daarentegen het veranderlijke karakter van cultuur en waarschuwt voor starre cultuurinterpretaties.
De veiligheidsproblematiek heeft bij Marokkaanse jongens zowel een criminaliteits- als een openbare orde-component. Jongens zijn nog altijd oververtegenwoordigd in de criminaliteitsstatistieken en er is veel straatoverlast. Steeds wanneer er spanningen zijn in de banlieus van Parijs, vraagt de politiek zich af of het ook in Nederland die kant opgaat. Wat niet is kan nog komen, is dan een gemakkelijk antwoord. Er zijn echter twee afremmende factoren voor de Nederlandse context. Ten eerste heeft de politie hier een ander profiel dan de Franse, waarbij ongenuanceerd hard optreden het enige antwoord lijkt. De machteloosheid die dat rechttoe-rechtaan optreden uitstraalt verergert de ordeproblemen alleen maar (Body-Gendrot, 1999). Verder kent Nederland geen wijken die zich buitengesloten voelen door de rest van de samenleving met de schaal van de Parijse buitenwijken. Wel zijn er individuen en groepringen die zich afkeren van de samenleving. Vooral na 911 is er veel meer aandacht voor moslimradicalisering. Bijna zouden beleidsmakers vergeten dat er ook nog ‘gewone’ probleemjongeren zijn die weinig op hebben met radicale interpretaties van de Koran. Tijdens mijn veldwerk kwam ik meer Ali B’s tegen dan Mohammed B’s.
De handdoek in de ring
Er worden bij de Marokkaanse-jeugdproblematiek door de politie, gemeenten en jongerenwerk overal in het land vele wielen heruitgevonden, maar niets helpt echt. Dat beeld heeft een deel van de professionals en zij gooien daarom de handdoek in de ring. Precies die categorie komt in Het Marokkanendrama van Jurgens aan het woord. Werdmölder (2005) zette alle initiatieven nog eens op een rij en komt tot de slotsom dat noch ‘Nederlandse’, noch ‘Marokkaanse’ oplossingen succes garanderen.
Het beeld dat niets helpt behoeft nuance. Er zijn wel degelijk praktijkmensen, zowel bij de politie als jongerenwerk of hulpverlening, die hebben ontdekt dat een bepaalde manier van opereren zoden aan de dijk zet. Opvallend vaak gaat het dan om vuistregels bij het omgaan met straatgroepen, het verhoor van Marokkaanse jongens en het onderhouden van contacten met de Marokkaanse wijkbevolking. Deze praktijkkennis werd en wordt echter nauwelijks gedeeld en is nog altijd erg persoonsgebonden. Als de wijkagent of noodhulpagent die grip leek de hebben op Marokkaanse jeugdgroepen verdwijnt, dan verdwijnt vaak ook de expertise. Het ‘organisationele geheugen’ is bij de politie, ondanks alle initiatieven, nog steeds zorgelijk. Precies daarom verzuchten politiemensen eens in de zoveel tijd dat zij niet verder lijken te komen en het nog altijd onduidelijk is wat ‘werkt’.
Toch zijn in het algemeen onderzoeken naar wat werkt in rap tempo toegenomen, hoewel dat vaker beschrijvingen zijn van hoe iets werkt. Effecten van overheidsoptreden (dus ook politieoptreden) zijn namelijk niet eenvoudig vast te stellen en al helemaal niet als zij worden gegenereerd in een coproductie in het kader van een ‘integrale aanpak’. Onderzoek waarin duidelijk wordt onder welke omstandigheden een bepaalde aanpak werkt is al helemaal schaars. Dat is wel hard nodig, want de relatie tussen aanpak en effect is geen vaststaand gegeven. Die relatie wordt beïnvloed door de sociale omgeving waarin de probleemaanpak plaatsheeft (Pawson en Tilley, 1997). Dat vereist maatwerk. In mijn proefschrift onderzocht ik de invloed van de sociale omgeving op het lokale politiebeleid.
Embedded research
Voor mijn onderzoek evalueerde ik Topic: een meerjarige politiesamenwerking rond Marokkaanse jongeren van de korpsen Amsterdam-Amstelland, Hollands-Midden en Utrecht . De keuze van de korpsen voor die doelgroep was destijds ingegeven door de actualiteit en de politiek-maatschappelijke druk om wat aan het probleem te doen (Stol e.a., 1998). Het samenwerkingsproject richtte zich nog op het ‘ouderwetse’ knelpunt van overlast en jeugdcriminaliteit. In 1998 stond radicalisering nog veel minder in de belangstelling, wat iets anders is dan constateren dat het er niet was. De onderzoeksperiode viel samen met 911, de moord op Fortuyn en een veranderde kijk op integratievraagstukken en islam in de Nederlandse samenleving.
De start van de politiesamenwerking was kort voor de ordeproblemen in Amsterdam-West van april 1998. Toen al stelden de drie korpsen dat er wel degelijk individuele kennis was over ‘wat werkt’ bij Marokkaanse-jeugdproblematiek. Die kennis zat echter nog vooral in de hoofden van mensen en was weinig toegankelijk voor andere politiemensen. De korpsen wilden al doende gezamenlijk expertise opbouwen, uitwisselen en vastleggen. Het samenwerkingsproject richtte zich op drie projectwijken: één in Gouda (Hollands-Midden), één in Amsterdam-West (Amsterdam-Amstelland) en één in Utrecht. Mijn rol was het op de voet volgen van het samenwerkingsproject en de aanpak in de projectwijken. Bij de aanpak concentreerde ik me vooral op het politiebeleid, hoewel dat overal plaatsvond tegen de achtergrond van een ‘integraal’ beleid met de veiligheidspartners. De onderzoeksstrategie had wat weg van embedded research, zoals embedded journalists in het Midden-Oosten meereizen met legereenheden om verslag te doen. Kwantitatieve en kwalitatieve dataverzameling werd gecombineerd. Desondanks lag de nadruk op interviews met buurtbewoners, politiemensen en (andere) professionals en etnografisch veldwerk onder Marokkaanse jongeren. Daarvoor bezocht ik jongerencentra en ik hing rond met jongens op straat. Steeds stelde ik me op als onderzoeker. Ik streefde naar hoor- en wederhoor om kritische afstand te bewaren en me niet te vereenzelvigen met een bepaalde respondentcategorie of bijvoorbeeld het politieproject .
Hierna bespreek ik op hoofdlijnen waar het politiebeleid in de drie projectwijken overeenkwam en van elkaar verschilde en waarom dat zo was.
Drie variaties op een thema
Gouda is een kleine stad in het Groene Hart met een naar verhouding grote Marokkaanse bevolkingsgroep. Zij woont voornamelijk in de wijken Oosterwei en Korte Akkeren. Hoewel er ook wel perioden zijn van relatieve rust, vergen deze wijken eens in de zoveel tijd weer de aandacht van de lokale overheid als gevolg van jeugdproblematiek. Dat was in de onderzoeksperiode ook zo. Hoewel Korte Akkeren projectwijk was, lag de oorsprong van het politiebeleid bij de werkvloer in Oosterwei. Halverwege jaren negentig werden er geregeld politieauto’s vernield en de ruiten van het bureau werden frequent ingegooid. Er was een diep onderling wantrouwen: niet alleen tussen politie en jongeren, maar ook tussen politie en Marokkaanse gemeenschap. Een jonge brigadier vond dat het zo niet langer kon en probeerde zijn collega’s en de gemeenschap te winnen voor een ‘tweesporenbeleid’. Daarin moest hard optreden tegen normschending gepaard gaan met het blijven opzoeken van het contact met de jongeren en de gemeenschap. Deze benadering werd later dominant in het interregionale politieproject. Toch was er in Gouda zelf aanvankelijk terughoudendheid op de politiewerkvloer. Het sporenbeleid werd uitgebreid naar het hele district. In het begin beperkte het zich tot het aanhalen van de contacten met jongeren en sleutelfiguren in de Marokkaanse gemeenschap en werd er nog weinig geïnvesteerd in een hardere aanpak. Pas toen Gouda onder invloed van de politiesamenwerking experimenteerde met een veelplegersaanpak en hotspot-toezicht, werd het handhavingsspoor concreter. Politiemensen gaven het beleid op zijn minst het voordeel van de twijfel, toen een structureel contact met de Marokkaanse bevolkingsgroep meerdere malen nuttig bleek bij het de-escaleren van dreigende spanningen en om het politiebeleid uit te leggen. Een vader die bij de moskee zijn beklag deed over de aanhouding van zijn zoon, kreeg van het moskeebestuur te horen dat hij beter op zijn zoon moest letten en dat het bestuur achter de hardere politieaanpak stond.
Het aanvankelijke onderlinge wantrouwen in Gouda was nog niets vergeleken met de Utrechtse projectwijk. Daar stonden gedurende de onderzoeksperiode de verhoudingen op scherp en was sprake van veel ‘oud zeer’ als gevolg van incidenten. Hoewel sommige incidenten al enkele jaren oud waren, bepaalden zij de manier waarop politiemensen en jongeren met elkaar omgingen. Beide zijden werden ‘opgevoed’ met verhalen die moesten aantonen hoe onbetrouwbaar ‘de andere kant’ was. De korpsleiding zette in op capaciteit. Zij trachtte de relatie met de wijk te herstellen, door het uitbreiden van het wijkteam van vier naar vijftien wijkagenten. Die waren echter geregeld nodig voor de noodhulpdienst, vanwege een structureel te kort aan personeel. Daarmee kwamen zij haast niet toe aan hun eigenlijke opdracht: relatieherstel. Hoewel de politieleiding in de projectwijk onder de indruk was van het Goudse tweesporenbeleid, had de werkvloer meer behoefte aan repressie. Het gezamenlijke experiment van politie en OM met de Top10 van jonge veelplegers werd daarom met open armen ontvangen.
In de Amsterdamse wijk werd aanvankelijk ingezet op politieel beheer. De handhaving werd aangehaald, wanneer de overlast en criminaliteit toenamen. Er was in het begin geen speciale politiestrategie, omdat de jeugdproblematiek in het stadsdeel aanvankelijk nog minder intensief en overzichtelijker was dan bij de buren in Overtoomse Veld. De lokale overheid zette daarom vooral in op Overtoomse Veld, wat ten koste ging van de aandacht voor andere stadsdelen. Zo vertrok in de Amsterdamse projectwijk een aantal buurtregisseurs met goede netwerken en straatvaardigheden naar wijkteams die op dat moment meer prioriteit kregen. Ook bij de noodhulp was een groot verloop. De nieuwe buurtregisseurs en noodhulpagenten hadden tijd nodig om ingewerkt te raken. Intussen nam de urgentie in de wijk toe vanwege toenemende incidenten tussen jeugdgroepen en buurtbewoners (en ondernemers). In deze moeilijke omstandigheden trachtte ook het Amsterdamse wijkteam aspecten van het Goudse politiebeleid over te nemen. De handhaving werd ingevuld door gericht toezicht op hangplekken en ook daar werd geëxperimenteerd met een veelplegerslijst. De combinatie van handhaving en relatiebeheer was in Amsterdam lastiger vol te houden. Vanwege personele wisselingen was de kennis van de wijk en de jongeren nog niet optimaal. Verder waren er in der projectwijk minder beeldbepalende en toegankelijke sleutelfiguren bij de Marokkaanse bevolking dan in Gouda (en Utrecht).
Samengevat blijkt dat de wijkteams een vergelijkbare jeugdproblematiek kenden. Het verschil in de schaal, intensiteit en de sociale wijkopbouw maakten desalniettemin dat niet overal hetzelfde antwoord mogelijk was. De teamleidingen in Utrecht en Amsterdam waren weliswaar geïnspireerd door het Goudse tweesporenbeleid. In de praktijk bleek de combinatie van een gelijktijdige harde aanpak en relatiebeheer soms nog erg lastig. De sociale omgeving van het politiebeleid was in Gouda toch wezenlijk anders dan in de andere steden. De mate waarin de Marokkaanse bevolkingsgroep toegankelijke aanspreekpunten had verschilde per projectwijk. En ook de intensiteit van de problemen en de mate waarin ‘oud zeer’ en wantrouwen de verhoudingen domineerden waren niet hetzelfde. Bovendien lag de oorsprong van het Goudse politiebeleid bij de werkvloer, wat de kans van slagen aanzienlijk vergrootte.
Kansen
Uit de reacties op mijn proefschrift blijkt dat veel politiemensen de zoektocht van de drie korpsen naar effectieve aanpakken herkennen en in bepaalde stadswijken tegen precies dezelfde knelpunten aanlopen. Nog altijd. Het beeld dat niets helpt behoeft zoals gezegd nuance. Er zijn kansen. Op basis van mijn onderzoek komt het advies neer op onderbouwing van het politiebeleid met zowel ‘harde’ feitenkennis als gebiedsinlichtingen. Verder tellen maatwerkbeleid en focus. Kennis van (sub)cultuur loopt hier als een rode draad doorheen.
Een tweesporencombinatie zoals in Gouda zou ook elders van dienst kunnen zijn. Structureel contact maakt het de-escaleren van dreigende spanningen gemakkelijker. Bij dat contact is kennis van (sub)cultuur en de straatcodes van jongeren onmisbaar. Het is echter veel belangrijker dat de politie met één mond spreekt en niet willekeurig en ondoordacht hard wil optreden en dan weer de ‘dialoog’ aan probeert te gaan. Een Marokkaanse jongen vertelde in een interview dat hij niet wist wat de politie nu eigenlijk wilde en dat hij en zijn maten daar op straat behoorlijk misbruik van maakten door politiemensen tegen elkaar uit te spelen.
Verder is de politie-aanpak niet zelden een korte-termijnreactie op incidenten en impulsen uit de omgeving. Dat is begrijpelijk, want de druk op de politie is groot. Nodig is desalniettemin een meer doelgericht en gefundeerd politiebeleid. Algemene criminologische (beleids)theorieën bieden onvoldoende houvast voor een lokale aanpak. Het gaat erom dat het politiebeleid (en het bredere veiligheidsbeleid) past bij de wijze waarop de problemen zich in een bepaald gebied manifesteren (vgl Van der Torre, 2005). Dat betekent een beweging van confectiebeleid naar maatwerkbeleid. Dan komt het aan op een actuele criminaliteitsbeeldanalyse, kennis van de lokale sociale verhoudingen en het is nodig om de vitale krachten van een gebied te kennen. Dat kan alleen als de politie beschikt over een scherp beeld van de kansen en bedreigingen vanuit de sociale omgeving - gebiedsinlichtingen - en daartoe is structureel relatiebeheer noodzakelijk. Overbodig te zegen dat juist bij relatiebeheer expertise nodig is over (sub)cultuur, om de plank niet mis te slaan en om beter zijn weg te vinden in de voor buitenstaanders ondoorzichtige Marokkaanse gemeenschap. Verder blijkt uit Amerikaans onderzoek van ondermeer Skogan en Frydl (2004) dat politiebeleid meer kans van slagen heeft als er focus is aangebracht. De capaciteit wordt bijvoorbeeld tijdelijk gericht op bepaalde overlastlocaties of op een beperkte groep veelplegers. De Marokkaanse-jeugdproblematiek wordt dan een problematiek waarbij heel concreet bepaalde locaties, families en gezichten horen. Dat betekent keuzen maken en prioriteit aanbrengen in plaats van alles tegelijkertijd willen aanpakken, zoals veel beleidsplannen en politieprojectplannen nu voorstaan.
Slotsom en discussie: de handschoen oppakken
Fleur Jurgens meent in het Marokkanendrama dat ‘politiek-correct denken’ een barrière is voor een geslaagde probleemaanpak. Zij biedt daarmee munitie aan hen die een harde aanpak voorstaan. Maar wat mensen onder een dergelijke aanpak verstaan verschilt nogal. Ongenuanceerd hard aanpakken zoals de Franse politie in Parijs is nog eens wat anders dan een doordachte, gefundeerde strenge aanpak vanuit een achterliggend plan. Met dat laatste is volgens mij weinig mis, voor het slagen van de ‘Franse aanpak’ is maar weinig wetenschappelijk bewijs. Ook volgens een deel van de Marokkaans-Nederlandse bevolking zou het politiebeleid best wat harder mogen, of toch in elk geval consequenter. Heel veel Marokkaanse Nederlanders schamen zich diep voor de uitspattingen van een deel van ‘hun’ jongeren. Zij vinden dat de gemeenschap ook de hand in eigen boezem moet steken, hoewel slechts enkelen daadwerkelijk de handschoen oppakken en proberen (vaak ook met lokale initiatieven) het tij te keren. Hun pogingen dienen met open armen te worden ontvangen. Jurgens heeft gelijk als zij pleit voor het nemen van verantwoordelijkheid en afrekenen met fatalisme en hospitalisering. Ook van jongeren eist zij het oppakken van de eigen verantwoordelijkheid. Daar is niets mee, hoewel zij mij teveel deed denken aan de succesvolle zakenman John in een reclame voor instantsoep die meende dat ‘succes een keuze is’. Naast de gemeenschap en de jongeren zie ik ook politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid. In een tijd van kerntaken benadrukt de politie dat zij de onveiligheid niet alleen aankan en volgens mij klopt dat ook wel. Het gevaar is wel dat zowel politie als andere overheidsinstanties teveel heil verwachten van wijkbeleid. De diepere oorzaken van de jeugdproblematiek moeten vaak helemaal niet op dat niveau worden gezocht, laat staan dat zij met wijkbeleid kunnen worden beïnvloed. Ik hecht ten slotte veel waarde aan bestuurlijke voorwaarden die de politie een steun in de rug bieden. Bestuurlijke maatregelen tegen straatoverlast komen daarbij wellicht van pas. Of moet ik zeggen: onder bepaalde omstandigheden?
Literatuur
Bervoets, E. (2006). Tussen respect en doorpakken: een onderzoek naar de politiële aanpak van Marokkaanse jongeren in Gouda, Utrecht en Amsterdam. Den Haag: Elsevier.
Body-Gendrot, S. (1999). Urban Violence in France. In: G. Bruinsma en C.D. van der Vijver, Public Safety in Europe. Enschede: University of Twente, p.33-44.
Bovenkerk, F. (1992). Hedendaags Kwaad: criminologische opstellen. Amsterdam: Meulenhoff.
COT (1998). Incident en ongeregeldheden, Amsterdam West 23 april. Alphen aan den Rijn: Samsom.
Gemert, F. van (1998). Ieder voor zich: kansen, cultuur en criminaliteit van Marokkaanse jongens. Amsterdam: Spinhuis.
Harchaoui en Huinder (2003). Stigma Marokkaan! Utrecht: Forum.
Jurgens, F. (2007). Het Marokkanendrama. Amsterdam: Meulenhoff.
Loef, C. (1988). Marokkaanse daders in de Amsterdamse binnenstad. Gemeente Amsterdam.
Pawson, R and N. Tilley (1997). Realistic evaluation. London: Sage.
Skogan, W. and K. Fryddl (2004). Fairness and effectiveness in policing. Washington DC: National Academies Press.
Stol, W, R. van Treeck en E. Bervoets (1998). Problemen met Marokkaanse jongeren, Tijdschrift voor de Politie, 60, 9, 22-26.
Torre, E. van der (2005). Strategische drugsanalyse. Apeldoorn/Den Haag: Politie en Wetenschap/COT.
Werdmolder, H. Marokkaanse lieverdjes. Amsterdam: Balans.
1 Topic was een afkorting voor Talentontwikkeling Politie Interculturele Communicatie, maar Topic was vooral als projectnaam gekozen om aan te geven dat het de politie ernst was met de Marokkaanse-jeugdproblematiek.
2 Ik dank de korpsen voor hun vertrouwen, openheid en hun medewerking. En ook dank aan iedereen die me hielp bij het onderzoek.

Reageer op dit artikel