Op weg naar ‘signaleren en adviseren’-nieuwe stijl; Van zendeling naar betrouwbaar bondgenoot
Tot voor kort kende de politie drie klassieke kerntaken: handhaving, opsporing en noodhulp. Sinds het verschijnen van het visiedocument “Politie in Ontwikkeling” van de Raad van Hoofdcommissarissen in 2005 , is – in ieder geval door de politie zelf - aan dat rijtje een vierde kerntaak toegevoegd: signaleren en adviseren (S&A). In Politie in Ontwikkeling (PIO) sprak de politie immers uit dat het tot haar corebusiness behoort om aan te geven “waar bestuur, OM en partners in haar optiek een bijdrage zouden kunnen en moeten leveren aan het reduceren van onveiligheid" .
Nu signaleert en adviseert de politie al jaren. Denk bijvoorbeeld aan de advisering van het lokale bestuur rond integrale veiligheid, aan de advisering op het gebied van verkeer en aan de activiteiten van de politie in de wijken en buurten. Maar volgens velen binnen en buiten de politie kan dat nog wel een stukje handiger, slimmer en, vooral, met meer resultaat. Je zou dus kunnen zeggen dat PIO pleit voor ‘signaleren en adviseren nieuwe stijl’. In hedendaags taalgebruik: voor Signaleren en Adviseren 2.0.
Het afgelopen jaar is op verschillende plekken in het land en bij verschillende gelegenheden gekeken naar wat dat Signaleren en Adviseren 2.0 in zou kunnen houden. In diverse korpsen zijn interessante initiatieven ondernomen die – al dan niet óók – een nieuwe invulling geven aan deze kerntaak. Een landelijke werkgroep Tegenhouden boog zich over de doorontwikkeling van het zogenaamde ‘ bestuurlijk dossier’. Het programma Politie en Wetenschap initieerde twee onderzoeken naar de ‘nieuwe’ politietaak. En het landelijke PiO-ambassadeursteam bracht in 2007 bij werkbezoeken aan de korpsen allerlei gedachten en initiatieven over (ook) signaleren en adviseren in kaart.
Daarnaast werden enkele verkennende bijeenkomsten gehouden. De School voor Politieleiderschap (SPL) van de Politieacademie organiseerde in het voorjaar van 2007 zo’n eerste verkenning. In goed overleg haakte het PIO-ambassadeursteam daar op in en bracht een aantal portefeuillehouders uit de korpsen rond de tafel, om daarmee inzichten uit te wisselen en gezamenlijke ontwikkelopgaven te definiëren.
In dit artikel wordt op een rij gezet wat (vooral) die verkenningen vooralsnog hebben opgeleverd. Hoe ontwikkelt zich nu het denken over signaleren en adviseren? Waar blijkt het in de praktijk vooral nog te wringen? En waar liggen (dus) de belangrijkste aanknopingspunten voor verdere ontwikkeling?
Dit artikel maakt daarmee als het ware een tussenbalans op van de ontwikkeling van het denken over signaleren en adviseren. Zo’n tussentijdse balans kan wellicht bijdragen aan de ontwikkeling van een breed gedragen gedachtegoed over deze kerntaak. Maar de hoop is ook, dat de bevindingen uit deze tussenbalans alweer snel achterhaald zullen zijn door de actualiteit. Ligt binnen afzienbare tijd als het ware een gemeenschappelijk referentiekader signaleren en adviseren op tafel?
Signaleren en adviseren: waarom eigenlijk?
Signaleren en adviseren kan wel geschetst worden als de verbindende schakel tussen politiezorg en veiligheidszorg. Als de verbindende schakel tussen de klassieke kerntaken van de politie en de kerntaken van andere organisaties in de veiligheidsketen, die samen de veiligheidszorg vormgeven. De politie vergaart immers bij de uitoefening van de politiezorg informatie die minstens zo belangrijk is voor de andere actoren in de veiligheidszorg als voor haarzelf. Voor een succesvolle veiligheidszorg is het dus zaak dat die informatie (en de daaruit voortvloeiende professionele inzichten) gedeeld worden. De Zuid-Afrikaanse ‘nodal governmance-goeroe Prof. Clifford Shearing onderstreepte dat onlangs nog eens in enkele – in samenwerking tussen KLPD, SPL, PiO en VU georganiseerde - bijeenkomsten rond ‘politie en nodal govenance’. Volgens hem is het, in deze ontluikende netwerksamenleving, voor een succesvolle veiligheidszorg minstens zo noodzakelijk dat de politie een adequate informatie-uitwisseling met de netwerkpartners ontwikkelt, als dat zij haar ‘klassieke’ politietaken uitoefent. De politie is immers niet meer de veiligheidsmonopolist van weleer: veiligheid wordt georganiseerd door (de samenwerking van) vele partners. Al die partners verhogen hun effectiviteit in het bereiken van de veiligheidsdoelen door de bundeling van krachten én uitwisseling van informatie.
Tijdens de verschillende verkennende bijeenkomsten over signaleren en adviseren werd dit gemeenschappelijk belang zeker onderschreven. Zo werd signaleren en adviseren wel betiteld als “de smeerolie van de integrale samenwerking”. Maar ook werd nog eens onderstreept dat een goede S&A functie zowel het gemeenschappelijk belang dient áls het welbegrepen eigenbelang van de politie. “Je moet immers ook voorkomen dat je als het ware een sleepnet gaat vormen voor allerlei maatschappelijke ellende”, zo drukte een werkgroep tijdens één van de verkenningen het uit. “Dat kan je voorkomen door tijdig te signaleren welke factoren aan de geconstateerde problemen bijdragen, bij die partijen die daar ook een verantwoordelijkheid voor hebben”. Heden ten dage geldt ‘responsabilisering’ als een belangrijk thema in de veiligheidszorg. Signaleren en adviseren vormt dus een instrument dat dat kan stimuleren.
What’s new?
Met het voorgaande lijkt natuurlijk weinig nieuws onder de zon te zijn beschreven. Ook in het veld valt dat in discussies over signaleren en adviseren nogal eens te horen. “Signaleren en adviseren: dat doen we toch al jaren?”. Kortom: what’s new, want het is toch al min of meer staande praktijk? Natuurlijk, dat is zo. Maar tegelijkertijd zijn er in het veld óók nogal eens teleurgestelde of gefrustreerde geluiden hoorbaar. Geluiden in de trant van: “zien die andere partijen dan niet wat er aan de hand is?”, “waarom doen ze niet datgene wat zo voor de hand ligt”, of, nog erger: “moeten wij het dan echt allemaal alleen doen?”. Er mag dan wellicht al vaak aan signaleren en adviseren worden gedaan, de effectiviteit ervan laat kennelijk nog wel eens te wensen over. Want blijkbaar landen de signalen en adviezen van de politie lang niet altijd in vruchtbare grond. Wie de commentaren van politiemensen daarop soms hoort zou bijna denken dat de ‘ beadviseerde partijen’ wel heel kortzichtig, heel doof en wel erg weinig verantwoordelijk moeten zijn. Dat geeft natuurlijk te denken.
Wie dan echter bij die andere partijen te rade gaat krijgt al snel een heel ander plaatje voorgeschoteld. Een plaatje van een politie die z’n signalen en adviezen lang niet altijd stevig onderbouwt, niet altijd goed adresseert, timed of toonzet en die er ook nogal eens een handje van heeft de andere partij te vertellen wat die moet doen, in plaats van gezamenlijk op zoek te gaan naar wat er, binnen de gegeven omstandigheden, mogelijk is. De politie dus bijna als zeurende zendeling, in plaats van als betrouwbare, bindende bondgenoot. En dat is, zachtjes uitgedrukt, niet bepaald bevorderlijk voor de acceptatie van de zo goed bedoelde signalen en adviezen.
In een recent artikel in dit blad constateerden ook Frederik Jansen e.a. dat op dit vlak veel winst te behalen is voor de politie (en haar partners). Jansen was districtchef en portefeuillehouder ‘Strategische afspraken maken met partners’ in de regio Twente. Hij was nauw betrokken bij de ontwikkeling van een nieuwe visie voor dat regiokorps, een traject waarin zich aanvankelijk een stevige botsing voltrok met de partners. Jansen c.s. constateren dat de politie op systeemniveau niet zelden te intern gericht is én zichzelf van oudsher als ‘de enige weldoener’ op veiligheidsgebied ziet. Dat geeft een mengsel dat bijna garant staat voor spanningen. Het overstijgen van die interne gerichtheid én het inzien dat de politie allang niet meer die enige weldoener is volgens Jansen c.s. essentieel om een constructieve verhouding met partners te creëren. In die optiek is een herijking van het zelfbeeld dus een belangrijke voorwaarde voor adequaat signaleren en adviseren.
Wat gij niet wilt dat u geschiedt….
Het helpt wellicht ook om een concept van stal te halen dat tegenwoordig als de maat geldt voor de interactie met individuele burgers: actieve wederkerigheid. Tijdens de verkennende bijeenkomsten werd al snel duidelijk dat die wederkerigheid óók het leidend thema zou moeten zijn bij signaleren en adviseren. Net zoals duidelijk werd dat die wederkerigheid op dit moment nog vaak ontbreekt. Dat werd nog eens op een prikkelende helder gemaakt door een vraag van COT-onderzoeker Raymond Bron aan zijn gehoor tijdens de SPL-verkenning. “ Stelt u zich nu eens voor”, zo vroeg hij, ”dat niet ú een vertegenwoordiger van één van uw partnerorganisaties adviseert, maar dat het andersom is: uw partner komt met adviezen naar u toe. Hoe ontvankelijk zou u dan daarvoor zijn?”. Er was enig ongemakkelijk geschuifel op stoelen hoorbaar, waarna de meeste deelnemers ruiterlijk erkenden dat zij daar niet bijster open voor zouden staan. Precies. Waarom verwacht de politie dan wel die openheid wanneer de signalen en adviezen de andere kant uitgaan?
Kennen en gekend worden
Om signalen en adviezen goed te kunnen adresseren is een goed inzicht nodig in wat de relevante organisaties zijn én wie daarbinnen dan de sleutelfiguren vormen. En wederzijdse, meestal persoonlijke bekendheid draagt er dan aan bij dat signalen en adviezen op vruchtbare bodem vallen. Want de “Wet van de Warme Communicatie” zegt dat een boodschap die wordt overgebracht binnen een goede relatie, oneindig veel beter overkomt en effectiever is dan de boodschap “over de bekende schutting” naar een willekeurig iemand die nietsvermoedend achter die schutting staat. Dat betekent dat ook een tweede leitmotiv van succesvolle politiezorg: ‘kennen en gekend worden’ minstens zo relevant is voor signaleren en adviseren. Investeren is dus geboden: in het krijgen van een overzicht over het relevante netwerk, in het opbouwen en onderhouden ook van persoonlijke relaties. Niet alleen op het niveau van wijk- of buurt, maar ook op vele andere, bijvoorbeeld meer strategische niveaus (zie ook hierna). Wie dat pas gaat doen op het moment dat er daadwerkelijk ‘gesignaleerd of geadviseerd’ moet worden is te laat. Want ook hier geldt: eerst zaaien, dan oogsten. Wie pas contacten gaat leggen en onderhouden op het moment dat er echt wat moet gebeuren is te laat. Tijdens een van de verkenningen constateerden diverse deelnemers dat op - met name - tactisch en strategisch niveau nog relatief weinig aandacht voor de opbouwen van een breed maatschappelijk netwerk bestaat. Ook dit werd dus aangemerkt als een aanknopingspunt voor nadere professionalisering van S&A.
Signalen en adviseren: twee verschillende dingen!
Signaleren en adviseren worden meestal in één adem genoemd. Het lijkt wel alsof het om één begrip, één taak, één activiteit gaat. Maar signaleren en adviseren zijn wel degelijk twee verschillende dingen. Nauw met elkaar verwant, dat wel. Maar het zijn twee aparte species uit het genus ‘effectief beïnvloeden’.
Signaleren
Signaleren is tijdens de verkenningen uitgelegd als het zorgen dat anderen een bepaalde ontwikkeling die schadelijk is of kan zijn voor de veiligheid, (ook) gaan zien. De politie is 24 uur per dag, 7 dagen per week actief in de samenleving en ziet bijvoorbeeld de opkomst van een nieuw dadertype, merkt in de praktijk criminogene effecten van een beleidsmaatregel, constateert toenemende wrijvingen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Het signaleren gebeurt dan natuurlijk met de achterliggende bedoeling om tegenkrachten op gang te brengen. Eigenlijk is signaleren dus niet veel anders dan agenda-setting: zorgen dat een bepaalde ontwikkeling ook door relevante anderen wordt gezien en dan ook nog eens door hen ook wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die aandacht behoeft. Voor het ánderen kunnen wijzen op relevante ontwikkelingen is het natuurlijk allereerst zaak die ontwikkelingen zélf te zien. De kerntaak signaleren vergt dus eerst zélf signaleren, in de zin van waarnemen én betekenis geven. Een sterke informatiepositie, informatiehuishouding en een goed ontwikkelde analysefunctie zijn hierbij absolute randvoorwaarden. Het op waarde kunnen schatten van de bevindingen vormt dus een onontbeerlijk fundament. Of, zoals een deelnemer het verwoorde: “je moet dus allereerst leren kijken, en dán nog leren zien”.
Adviseren
Adviseren komt aan de orde wanneer een probleem al op de agenda staat en bezien moet worden wié dan wát daaraan kan doen. Tenminste, in theorie dan. Want in de praktijk lijkt de politie nogal eens aan het adviseren te slaan terwijl het probleem bij de ‘beadviseerde partij’ nog helemaal niet op de agenda staat. Dat wekt dan per definitie weerstand. “Want waarom zouden wij iets moeten doen terwijl wij nog helemaal niet van mening zijn dat er sprake is van – een voor ons relevant – probleem?”. Kortom, adviseren kan pas beginnen op het moment dat er sprake is van een gedeeld probleembesef. Dat moet dus gecreëerd worden.
Maar ook dan blijkt adviseren nog een kunst apart, zoals menig organisatieadviseur al aan den lijve heeft ondervonden. Want adviseren vereist als het ware meedenken met de ander, de ander dus helpen een voor hem of haar werkzame oplossing te vinden. Dat is heel wat anders dan de ander ‘voorzeggen’ of overtuigen wat die moet doen. In de praktijk blijkt dat nogal eens lastig. Omdat het in de eigen ogen niet snel genoeg gaat bijvoorbeeld, of omdat in de ogen van de politie niet aan de juiste touwtjes wordt getrokken. De verleiding is dan groot zelf de aap op de schouder te nemen, waarmee de politie zelf probleemeigenaar wordt. Op de korte termijn biedt dat wellicht enig soelaas, op de langere termijn is het niet vol te houden en wekt het alleen maar irritatie. Waakzaam en dienstbaar is dus ook hier het devies. Met een nadruk op het tweede.
Net Public Affairs…..
De uitdagingen rond signaleren en adviseren lijken sterk op die waarmee ook het vakgebied van Public Affairs omgeven is. Dat is niet toevallig, want Public Affairs is eigenlijk het derde lid van de familie ‘Effectief Beïnvloeden’. Alleen het doel verschilt. Want wordt Public Affairs vooral bedreven om het belang van de eigen organisatie te dienen, bij signaleren en adviseren staat – in ieder geval in theorie - vooral het gemeenschappelijk belang centraal.
Binnen de Nederlandse politie bestaat in toenemende mate het gevoel dat (ook) op het gebied van Public Affairs nog wel wat te winnen valt. Daarom boog een action-learning groep van strategisch leidinggevenden uit verschillende korpsen zich recent over de vraag hoe de politie op dit moment haar Public Affairs verzorgt én waar mogelijkheden voor verbetering zitten. Heel slim ging men eerst luisteren bij de partijen die de signalen van de politie (zouden moeten) ontvangen, om van hen eens te horen hoe men de Public Affairs van de politie ervaart. Dat leverde een scala aan aanknopingspunten voor verbetering op. Die varieerden van de mate waarin planmatig en strategisch wordt geopereerd en de mate waarin oog bestaat voor de belangen van voor- en tegenstanders (beiden: te weinig) tot de manier waarop het netwerk wordt onderhouden (te beperkt), het niveau waarop boodschappen worden ingestoken (vaak te hoog!), de timing (te laat), de toonzetting (niet blamen!) en de manier waarop de boodschap wordt ‘geframed’ of verbonden aan een groter issue (eveneens te weinig) .
De bevindingen van de action-learning groep lieten zien dat effectieve Public Affairs een zeer professionele aanpak vereist, met een uitgebalanceerde strategie én een grondige uitvoering daarvan. Waarbij het succes vaak in kleine details schuilt. Gelet op de grote gelijkenissen tussen de opgave van Public Affairs en die van Signaleren en Adviseren kunnen de bevindingen vrijwel één-op-één ook van toepassing op Signaleren en Adviseren worden verklaard.
S&A: een proces én een attitude
Wil het concern Nederlandse politie haar signalerende en adviserende taak op een professionelere leest schoeien, dan is het zaak te werk te gaan met zowel een gezonde dosis IQ als met een gezonde dosis EQ. Allereerst zijn er immers voldoende aanknopingspunten om S&A als proces op een hoger plan te brengen. Dat vergt natuurlijk vooral ook een rationele aanpak (‘IQ’). Maar die zal alleen zoden aan de dijk zetten, wanneer zowel het procesontwerp als de uitvoering daarvan óók plaatsvinden met de juiste attitude, die vooral gekenmerkt wordt door een hoge mate van invoelend vermogen (‘ÉQ’). Betrouwbaarheid, positionering, wederkerigheid en coproductie zijn daarbij sleutelwoorden.
Het woord coproductie komt in die laatste zin wellicht wat uit de lucht vallen. Maar laten we omwille van de discussie het proces van signaleren en adviseren eens voorstellen zoals afgebeeld in figuur 1. Daarin geven we een mechanistische kijk op beide (deel)processen). Het proces van signaleren bestaat dan uit informatieverzameling (waarneming) – analyse – duiding en betekenis geven (probleemdefiniëring), gevolgd door overdragen. Het proces adviseren bestaat dan veelal wederom uit duiden, alternatieven afwegen, feitelijk adviseren. Beide processen zijn daarbij onder te verdelen in een intern deel en een extern deel. Onder het externe deel valt ook het scheppen van de juiste voorwaarden voor signaleren en adviseren, zoals creëren en onderhouden van een geschikt netwerk, en het adequaat positioneren van de politie daarbinnen.
[figuur 1: een mechanistische kijk op signaleren en adviseren]
De stelling is dat de hedendaagse praktijk van signaleren en adviseren nog relatief veel weg heeft van het bovenstaande model, waarbij dus sprake is van een duidelijke scheiding tussen in- en extern proces en signalen en adviezen relatief ‘kant-en-klaar’ aan andere partijen worden aangeleverd. En waarbij overigens ook aan het scheppen van de juiste voorwaarden in de zin van netwerkontwikkeling en positionering nog relatief weinig aandacht wordt besteed. In de termen van de Nederlandse Public Affairs-expert prof. Rinus van Schendelen is dus nog vooral sprake van een zogenaamde ‘windows-out- werkwijze.
Signaleren en adviseren zal aan effectiviteit winnen, zo is de gedachte, naarmate meer wordt bewogen in de richting van een ‘windows-in’ werkwijze. Daarbij verdwijnt de scherpe scheiding tussen intern en extern proces. Hoe meer de diverse partners betrokken worden bij het doorlopen van de verschillende stappen in het proces – en daarop ook een daadwerkelijke invloed hebben, des te meer een interactieve in plaats van een mechanistische werkwijze ontstaat, wat uiteindelijk zowel de kwaliteit als de acceptatie zal vergroten.
Des schoenmakers’ leest
Voor de acceptatie én de kwaliteit van de signalen en adviezen is het ook nog zeer relevant, zo bleek uit de verkenningen, om een scherp oog te houden voor de grenzen van het domein waarop de politie signaleert en adviseert. Dat kan alleen zijn op onderwerpen die rechtstreeks voortvloeien uit de missie en de kerntaken van de politie. Hoe verder de onderwerpen hier vandaan raken, hoe lager de acceptatie en hoe groter de kans op weerstand is. Dat schaadt dus de effectiviteit en mogelijk zelfs het aanzien van de politie.
Véél verschillende niveaus!
Als er voorbeelden worden genoemd rond signaleren en adviseren komt overigens meestal slechts één niveau aan de orde: dat van het lokale bestuur. Nu ís dat ook een belangrijk niveau, waar de input van de politie vaak onontbeerlijk is om de regierol van het lokale bestuur over het veiligheidsbeleid te kunnen waarmaken. Maar wanneer de aandacht voor S&A zich louter tot dit niveau beperkt, doet de politie zich ernstig tekort. Dat lijkt nu echter wel het geval te zijn, zo bleek uit de diverse verkenningen. Zo benadrukte onze – voormalige- vertegenwoordiger bij de Nederlandse Ambassade in Brussel tijdens één van de verkenningen dat het concern Nederlandse politie nog nauwelijks ziet welke effecten met goede signalen en adviezen in Brussel bereikt kunnen worden. Naar zijn mening laat de Nederlandse politie hiermee veel kansen liggen. Eenzelfde geluid werd in één van de verkenningen ingebracht door een vertegenwoordiger van BZK. Op het landelijk niveau zou het concern Nederlandse politie met een doortimmerder, pro-actievere S&A-strategie een aanzienlijk groter effect kunnen sorteren. Er is op dit niveau, zo stelde hij, ook domweg behóefte aan meer systematische, betrouwbare, goed onderbouwde input van het concern Nederlandse politie.
Maar ook aan de andere kant van de schaal lijkt behoefte aan en ruimte voor effectievere S&A. Op wijk- en buurtniveau bijvoorbeeld. “De wijkagent is in feite onze beste adviseur”, zo stelden enkele deelnemers aan de verkenningen. Maar daarbij werd óók geconstateerd dat de kwaliteit van S&A op wijkniveau wellicht nog al te vaak aan het toeval wordt overgelaten.
Met de verschillende schaalniveaus komt natuurlijk ook meteen het vraagstuk van consistentie aan de orde. Want ‘wees eenduidig!’ is een is die de omgeving nadrukkelijk aan de politie stelt waar het gaat om haar signalen en adviezen. Goed zal dan moeten worden bewaakt dat het ene niveau niet iets heel anders verkondigt dan het andere. Dat de districtschef en de wijkagent geen totaal andere geluiden laten horen bijvoorbeeld. Maar dat kan ook op één en hetzelfde niveau spelen, als meerdere partijen zich hier competent voelen. De fietsverlichtingsdiscussie uit 2007 mag hier dan tot voorbeeld (en vooral: leermoment!) strekken.
Naar S&A als volwaardig onderdeel van het vak
“Het zou jammer zijn”, zo merkten de deelnemers aan een van de verkenningen op, “als signaleren en adviseren als een nieuwe gimmick van het management wordt gezien. Het moet uitgroeien tot een volwaardig onderdeel van het vak. Dat maakt het ook belangrijk het (ook) van onderop te ontwikkelen. Waarbij het vooral een kwestie is van cultuur, niet zozeer van structuur”. Tegelijkertijd werd onderkend dat signaleren en adviseren aanvullende en deels andere competenties vereist. Dat betekent dat in de toekomst in die competenties zal moeten worden geïnvesteerd, zowel op het strategisch, als op het tactisch, als op het operationeel niveau. Hier ligt dus een ontwikkelopgave voor het politieonderwijs.
Het denken over signaleren en adviseren kan overigens nadrukkelijk aansluiten op de reeds bestaande bewegingen om meer de samenwerking en samenspraak met allerlei maatschappelijke partners te zoeken, zo benadrukten deelnemers eveneens. Daarbij wordt eveneens zichtbaar hoezeer door hen in de politie ‘betrouwbaarheid’ wordt gezocht. Die betrouwbaarheid zal moeten uitstralen in de manier waarop de politie haar signalerende en adviserende functie invult: gedegen, onderbouwd, liefst ook rustig, met enige afstand tot de waan van de dag. Maar tegelijkertijd kan goede signalering en adviseren ook bijdragen aan een beeld van professionele betrouwbaarheid: het werkt dus twee kanten uit.
Ook op het vlak van die (al dan niet gepercipieerde) betrouwbaarheid valt nog wel wat te winnen, zo werd tijdens de verkenningen gesignaleerd. Maar zoals altijd moeten dergelijke bevindingen – net als de andere kritische kanttekeningen die wij elders in dit artikel plaatsten - wel worden bezien in het licht van de aloude vraag ‘is het glas halfvol, of is het halfleeg?’. Voor wie neigt naar halfleeg vermelden we dan ook nog maar even de ervaringen van een recent congres over programmasturing. Daar werd de politie door veel lokale spelers collectief geprezen om haar bereidheid om informatie te delen en werd de politie door één wethouder afgeschilderd als ‘de enige betrouwbare lokale partner die ik heb”. Anders gezegd, laten we vooral kritisch kijken naar wat er op het gebied van signaleren en adviseren beter kan. Maar zónder uit het oog te verliezen wat er al wél is opgebouwd, wat er al wél aan goede bijdragen wordt geleverd!
Wordt vervolgd
Het voorgaande is niet meer dan een tussenstand in het denken en doen ten aanzien van ‘signaleren en adviseren nieuwe stijl’. Er zijn voldoende redenen én aanknopingspunten voorhanden om tot een verdere professionalisering van deze kerntaak te komen. Ongetwijfeld zal die ontwikkeling de komende tijd hard gaan. In de korpsen wordt het nodige ontwikkeld en uitgeprobeerd. Medio 2008 verschijnen verschillende studies die nadere inzichten en aanknopingspunten moeten opleveren. Vlak voor het verschijnen van dit nummers hebben de deelnemers aan de - door het PIO-ambassadeursteam in samenwerking met de SPL georganiseerde – ‘tafel signaleren en adviseren’ afgesproken nog deze zomer een gezamenlijke ontwikkelvisie op te stellen. En begin juni presenteren de zogenaamde TIJN-korpsen de opbrengst van een groots opgezet ontwikkeltraject op dit gebied. Aan het eind van dit jaar kan vast weer een nieuwe, veel verdergaande tussenstand worden opgemaakt. Waarover u in dit blad dan vast weer zult kunnen lezen….
[kader]
De eerste tien vuistregels voor effectief signaleren en adviseren
Uit de verkenningen zijn wat eerste ruwe vuistregels voor succesvol signaleren en adviseren af te leiden. De auteurs zijn zich ervan bewust dat deze vuistregels, hoe valide zij wellicht ook zijn, het niveau van ’10 basisregels voor een goed huwelijk’ van het gemiddelde lifestyleblad nog nauwelijks ontstijgen. Wat zal de volgende stap in de ontwikkeling opleveren?
1. weet waar je het over hebt.
De informatiepositie van de politie is ook voor deze taak van essentieel belang. De waarnemingen van de politie moeten nauwkeurig en scherp zijn, en de informatie moet zijn geanalyseerd en waar relevant gecombineerd zijn met kennis en informatie uit andere bronnen, zoals van partners. Adviezen moeten daarmee goed onderbouwd worden, het bevoegd gezag en de partners verwachten nadrukkelijk kwaliteit. Lever dat dus ook.
2. ontwikkel en onderhoud een adequaat netwerk
Niet alleen op het moment dat er iets aan de knikker is”, maar juist als randvoorwaarde om effectief te kunnen zijn op het moment dat het nodig is.
3. heb daarbij oog voor álle schaalniveaus
Operationeel, tactisch, strategisch; lokaal, regionaal, nationaal, internationaal. Elk verdient zijn eigen benadering. Stel wel prioriteiten. Waar is op langere termijn de grootste winst te behalen?
4. heb gevoel voor de belangen en de mogelijkheden van de ander
Wanneer breng ik het onderwerp in en bij wie? En op welke wijze?Geef bestuurders bijvoorbeeld ook de gelegenheid een gesignaleerde probleem te positioneren ( en eventueel prioriteren) ten opzichte van de vele andere al voorliggende vraagstukken. Daarvoor is tijd en manouvreerruimte nodig, ontneem die niet bij voorbaat.
5. ontwikkel interactief
Hoe meer signalen en adviezen zijn opgesteld in nauwe samenwerking met diegenen aan wie de signalen en adviezen zijn geadresseerd, hoe groter de kans op een ‘fit’ en op acceptatie.
6. wees wederkerig
Sta óók open voor de adviezen van anderen over de politie! Dat lijkt meer vanzelfsprekend dan het is.
7. communiceer rechtstreeks
Signaleren en adviseren via de media komt vaak neer op adviseren met het mes op de keel. En dat blijkt vrijwel altijd weer contra-productief. Vroeg of laat wordt de rekening vereffend….
8. hou je bij je leest.
Baseer signalen en adviezen louter op de eigen taken en beleidsvelden en dus de eigen professionaliteit. “Buiten de oevers treden” wekt irritatie op en werkt averechts.
9. wees eenduidig
Niet eenduidige adviezen zijn per definitie niet betrouwbaar. Dat vraagt dus om een proces van informatie en afstemming vooraf, zowel vertikaal als horizontaal.
10. hou rekening met teleurstelling
Zorg voor een constructieve strategie voor het geval de adviezen –hoe perfect ook- niet worden opgevolgd en sneuvelen in de strijd om de prioriteit bij partners. Hou altijd rekening met die mogelijkheid. Zoek een middenweg tussen het volledig laten vallen van het onderwerp of de aap toch maar weer op de eigen schouders torsen.
[einde kader]
1 In de Kabinetsreaktie op Politie in Ontwikkeling heeft het Kabinet immers aangegeven wel het belang van signaleren en adviseren te onderschrijven, maar daar vooralsnog geen nieuwe kerntaak in te (h)erkennen
2 RHC, 2005
3 SPL Action Learning Groep Public Affairs, 2007
4 Twente, IJsselland, Noord-Oost-Gelderland
5 Met dank aan Auke van Dijk, regiopolitie Amsterdam-Amstelland

Reageer op dit artikel