Oplosbare opsporingszaken

Oplosbare opsporingszaken In dit artikel gaan de auteurs in op het aanbod en screenen van opsporingszaken; een van de aspecten waar aandacht aan is besteed in het experiment ‘Opsporing binnen gecontroleerde banen’ dat in de politieregio Zaanstreek-Waterland is uitgevoerd in het kader van het beleidsplan Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007.

Kenmerkend voor het programma Versterking Opsporing en Vervolging is dat hiermee vooral de blik wordt gericht op de ernstiger vormen van criminaliteit en de meer complexe opsporingsonderzoeken. Echter het merendeel van de opsporingszaken heeft betrekking op veelvoorkomende criminaliteit.
Net als in Zaanstreek-Waterland is zoals bij de meeste korpsen de opsporing van veelvoorkomende criminaliteit ondergebracht in het takenpakket van de gebiedsgebonden politiezorg. De wijkteams zijn dan ook logischerwijs de grootleverancier van het aantal verdachten OM; een prestatiemaat waar de meeste korpsen moeilijk aan kunnen voldoen. Om het opsporingsproces van dit soort zaken goed te kunnen sturen, is het noodzakelijk zicht te hebben op het totale aanbod van zaken met opsporingsindicaties en op de voortgang van lopende opsporingszaken (doorlooptijden); een aspect dat wel is meegenomen in het experiment ‘Opsporing binnen gecontroleerde banen’, maar waar we in het kader van dit artikel verder niet op in zullen gaan.1


Zicht op het aanbod van zaken
Om te bepalen welke opsporingszaken wel en welke niet dienen te worden opgepakt, is het van belang om eerst zicht te hebben op het totaalaanbod van opsporingszaken; een moeilijker klus dan dat het in eerste instantie lijkt. Met regelmaat zitten er opsporingszaken tussen meldingen die lastig zijn te detecteren. Geregeld gebeurt het dat de politie wel signalen over strafbare feiten krijgt, maar dat een formele aangifte achterwege blijft. Zo zijn er in 2007 in Zaanstreek-Waterland 104 aangiften van zedenmisdrijven geregistreerd, terwijl de misdrijvenkubus (GIDS) aangeeft dat er maar liefst 178 van deze misdrijven zijn geregistreerd (gemuteerd in BPS). Ook bij (andere) vormen van huiselijk geweld zien we dit fenomeen terug en in slechts twee van de drie gevallen wordt het incident strafrechtelijk opgepakt door middel van een aangifte of een ambtshalve vervolging (CBA Zaanstreek-Waterland 2007).
De politie in Amsterdam-Amstelland heeft dit probleem opgelost door te werken met kennisregels.
In de regio Noord- en Oost-Gelderland worden de aangiften slechts langs de case-screening geleid en komen de mutaties in de coördinatiemodule van BPS terecht. De teamleider van een gebied kan dan in de rebound eventuele opsporingszaken identificeren.

In Zaanstreek-Waterland is voor een oplossing gekozen, waarbij het niet zozeer gaat om het prioriteren van opsporingszaken, maar om het schiften daarvan. Alle processen (mutaties) die in BPS worden aangemaakt, worden dagelijks door de screeners bekeken en de mutaties die interessant zijn voor het proces handhaving worden doorgesluisd naar de coördinator. Tevens identificeren zij opsporingszaken. BPS kent een screeningsmodule binnen de coördinatiemodule. De ingescreende opsporingszaken worden vervolgens doorgesluisd naar de opsporingscoördinator. Belangrijk is, dat doordat aan de hand van deze module in BPS alleen opsporingszaken worden gescreend, er zicht ontstaat op het totaalaanbod aan opsporingszaken. Ook wordt duidelijk welke opsporingszaken worden ingescreend dan wel uitgescreend. Voordeel van deze methodiek is dat er tegelijkertijd een helderder beeld ontstaat op zaken binnen de andere processen zoals handhaving en hulpverlening.
Daarnaast komen er meldingen binnen bij de politie – bijvoorbeeld over geluidsoverlast – die bij nader onderzoek een signaal van (ernstige) strafbare feiten kunnen blijken te zijn, zoals kindermishandeling of andere vormen van huiselijk geweld. Screeners zijn vaak in staat een mogelijke samenhang te onderkennen, waardoor dergelijke meldingen op de juiste plek in de organisatie neergelegd worden.


Het screenen nader bezien
Case-screening bestaat sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw, en nu, twintig jaar later, maken de meeste korpsen gebruik van dit instrument. Case-screening wordt in het onderzoek ‘Opsporing bezocht’ (Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, 2006) gedefinieerd als: ‘een hulpmiddel bij het selecteren van zaken voor onderzoek waarbij gelet wordt op de kans op succes (opsporingsindicaties) en beleidskeuzes.’ De korpsen die hier geen gebruik van maken, geven wel aan de richtlijnen van het College van Procureurs-generaal te volgen: de ‘Aanwijzing voor de opsporing’.2
Hierin worden drie beleidsregels geformuleerd over de opsporingsinspanningen die van de politie worden verwacht. De eerste regel luidt: ‘Altijd een vervolg bij een bekende dader, tenzij (...).’ Volgens de aanwijzing dienen er altijd opsporingshandelingen te volgen als de identiteit van de verdachte onmiddellijk bekend is, dan wel bij zaken waarin de identiteit van de verdachte eenvoudig is te achterhalen. Het ‘tenzij’ verwijst naar bagatellen. Een zaak kan als ‘bagatel’ worden betiteld als er geen sprake is van schade/letsel en het voorval geen daadwerkelijk gevaar heeft opgeleverd. De tweede regel eist gerichte opsporing bij ingrijpende feiten; dus meer dan oppervlakkig zoeken naar aanknopingspunten voor succesvolle opsporing, zoals het zoeken naar getuigen en/of forensische sporen. De laatste beleidsregel heeft betrekking op zeer schokkende feiten, waarvoor een apart regiem geldt (TGO-zaken).

Zaanstreek-Waterland kende voor de start van het experiment geen formele case-screening. Hier is gekozen voor het scheiden van inhoudelijke redenen om een zaak in te screenen en capacitaire/prioritaire redenen om een zaak daadwerkelijk uit te geven aan een medewerker. Het screenen gebeurt aan de hand van objectieve criteria, waarbij het al dan niet aanwezig zijn van opsporingsindicaties centraal staat. Het net wordt hiermee dus wijder uitgegooid dan de ‘Aanwijzing voor de opsporing’ van de politie verlangt. Ook zaken waarvan niet direct duidelijk is wie als verdachte kan worden aangemerkt, maar waar wel opsporingsindicaties inzitten, worden ingescreend. De coördinator bepaalt vervolgens of er capaciteit binnen de eenheid is om de zaak daadwerkelijk op te pakken.


Organisatorische inbedding
In het korps Zaanstreek-Waterland is de screening en coördinatie van opsporingszaken in drie experimentele settings binnen de regio uitgeprobeerd:
- In Zaanstreek-Noord is gekozen voor een vorm van centrale screening op unitniveau. Gedetacheerde brigadiers van de wijkteams beoordelen alle binnengekomen mutaties en opsporingszaken worden inhoudelijk beoordeeld op opsporingsindicaties. Ingescreende zaken worden vervolgens doorgecoördineerd naar de wijkteamleiding.
- In Zaanstreek-Zuid is met een decentraal model van screenen op wijkteamniveau geëxperimenteerd. Deze taak is neergelegd bij de wijkteamleiding. Hierdoor vallen de taken van screenen en coördineren vaak samen in één persoon.
- De units Purmerend/Waterlanden beschikken over een gezamenlijk combiteam, dat zich exclusief bezighoudt met het afhandelen van opsporingszaken. De taak van screenen is op dit gezamenlijk unitniveau neergelegd bij de infomedewerkers. Niet-opsporingszaken worden doorgecoördineerd naar de wijkteamleiding, terwijl de opsporingszaken naar de leiding van een nieuwe centrale opsporingseenheid gaan, bestaande uit medewerkers van de decentrale recherche en het combiteam.

De conclusie die kan worden getrokken uit deze drie modellen is dat het verenigen van de screenings- en coördinatietaak op decentraal niveau niet de voorkeur verdient. Het blijkt in de praktijk een probleem om sluitende afspraken te maken als het proces over veel mensen is uitgesmeerd; ook is het psychologisch lastig de taak van screenen en coördineren in een en dezelfde persoon te verenigen.
De evaluatie laat tevens zien dat er ‘ruime’ en ‘kale’ screening wordt gehanteerd. Bij het ruime screenen worden wachtcommandanten aangesproken op ‘losse eindjes’ in mutaties en wordt de kwaliteit van de aangifte tegen het licht gehouden. De wijkteamleiding wordt schriftelijk geïnformeerd over wat er naar de mening van de screener nog zou moeten gebeuren. Bij het kale screenen blijven deze handelingen achterwege.
Omdat infomedewerkers al gewend zijn bij te houden wat er in hun gebied gebeurt, geeft het een efficiencyvoordeel om de screeningstaak hier onder te brengen.


Administratieve realisatie
BPS kent een screeningsmodule als onderdeel van de coördinatiemodule. Aan de hand van de volgende vier parameters wordt beslist of een opsporingszaak al dan niet ingescreend wordt.
1 Daderindicatie.
2 Opsporingsverplichting.
3 Maatschappelijke onrust.
4 Bagatel.

Als een opsporingszaak op een van de eerste drie parameters ‘ja’ scoort, dan wordt de zaak ingescreend. Behalve wanneer een zaak het stempel bagatel krijgt; dan wordt deze ondanks daderindicaties toch uitgescreend.

Een ingescreende zaak krijgt de status ‘in behandeling’ binnen BPS en de reden van inscreenen wordt meegegeven. Een uitgescreende zaak wordt ook gekoppeld aan een reden en krijgt de status ‘niet behandelen’.
Het is lastig om uit BPS snel en goed overzichten te creëren. In Zaanstreek-Waterland is gebruikgemaakt van de ideeën ontwikkeld in Noord- en Oost-Gelderland, waar aan de hand van zogeheten buiglijsten dagelijks een datadump vanuit BPS naar een Excelomgeving plaatsvindt.
Aan de hand van deze datadump is het mogelijk een (dagelijks) actueel zicht te krijgen op het aantal in- en uitgescreende zaken, de screeningsreden en de verdere routing van de ingescreende zaken. Ook is in één oogopslag te zien welke zaken wel zijn ingescreend, maar nog niet zijn doorgecoördineerd naar een medewerker.


Administratieve discipline
Het technisch realiseren van een zicht-op-zakensysteem is één ding, maar goed zicht op het gehele opsporingsproces wordt pas verkregen als ook de administratie op eenduidige wijze en consequent wordt gevoed.
Het invoeren van centrale screening heeft nog eens het belang van een eenduidige manier van werken onderstreept. Tijdens het experiment is veel energie gestoken in het controleren van de screeners op het administratief juist gebruik van de screeningsmodule. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een regiobrede identieke wijze van screenen.

Door het screenen in het administratieve proces als dagelijks terugkerende taak te onderkennen, vallen de door de medewerkers gemaakte verschillen in gebruik van incidentcodes veel eerder op. Ook kunnen tijdens de eerste screening dubbele processen (in BPS) worden ontdekt. Door aandacht hiervoor ontstaat een betrouwbaardere administratie die beter bruikbaar is voor analysedoeleinden en jaarplannen.

Onder de vlag van het experiment zijn ook andere elementen van het administratieve proces tegen het licht gehouden. Zo bleek dat in BPS uit meer dan honderd statusredenen kan worden gekozen om een zaak administratief af te boeken. Uiteindelijk is deze lijst van statusredenen teruggebracht tot een aantal van zestien waardoor het gemakkelijker tot eenduidig gebruik zal leiden.


Zicht-op-zaken
Tijdens het experiment – dat in 2007 is uitgevoerd – is het screenen van (opsporings)zaken fasegewijs ingevoerd. Gedurende het experiment zijn er in totaal 5706 opsporingszaken gescreend waarvan 2373 zaken ingescreend (42 procent) en 3333 zaken uitgescreend (58 procent). ‘Opsporingsindicaties’ blijken in 82 procent van de gevallen reden tot inscreenen te vormen. ‘Opsporingsverplichting’ is in 13 procent van de zaken reden tot inscreenen en ‘maatschappelijke onrust’ sluit de rij met 5 procent. Dat een zaak wordt uitgescreend omdat het een bagatel of specifiek beleid betreft, komt zelden voor (1 procent).

Persoonsgerichte misdrijven (bedreiging, geweld en oplichting) worden overwegend ingescreend, evenals winkeldiefstal (vrijwel altijd heterdaadsituatie), woninginbraak (specifiek beleid) en rijden onder invloed (controledelict). Diefstal van goederen kent een veel lager inscreeningspercentage (zie de tabel).

Ervan uitgaande dat de opsporingszaken adequaat zijn ingescreend, ontstaat een goed zicht op de potentiële werkvoorraad. Er kan worden nagegaan of alle ingescreende zaken dan ook daadwerkelijk worden uitgegeven – en als dit niet gebeurt, wat daar de oorzaak van is. Het biedt verder de mogelijkheid de werkdruk van de verschillende wijkteams/units met elkaar te vergelijken en er kan worden nagegaan of een herverdeling van werk of formatiesterkte is gewenst. En het geeft de mogelijkheid tot het nauwkeuriger volgen van de voortgang binnen opsporingszaken. Welke zaken leiden wel en welke zaken leiden niet tot inzending naar het Openbaar Ministerie, Halt of het CJIB? Het vormt kortom de basis voor het beter kunnen monitoren van het opsporingsproces.
Voor meer informatie verwijzen we naar de eindrapportage (zie noot 1).


Vervolgexperiment
De opbrengsten van het experiment liggen enerzijds in een gedocumenteerde onderbouwing van succesvolle werkwijzen en anderzijds in een aantal goed bruikbare, geautomatiseerde instrumenten om het opsporingsproces te volgen.
Het experiment krijgt in het najaar van 2008 een vervolg waarbij het accent komt te liggen op de ketensamenwerking tussen politie en het Openbaar Ministerie, waarbij zowel de kwaliteit en een soepelere overdracht van dossiers, als een vlottere (informatie)uitwisseling tussen politie en OM centraal staat.

 

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, jrg 71, nr. 2, 2009

1 Voor de volledige verslaglegging van het experiment verwijzen we naar de publicaties ‘Opsporing binnen gecontroleerde banen: Kwaliteitsverbetering van het opsporingsproces door experimenteren met werkwijzen’ en ‘Naar een herinrichting van het opsporingsproces: De bredere context van experimentele werkwijzen in de politieregio Zaanstreek-Waterland’. Beide publicaties zijn te vinden op PKN (LKNP-experimenten).
2 De geldigheidsduur van deze aanwijzing is verlengd tot 29 februari 2010. De tekst van de aanwijzing is te vinden op de website van het Openbaar Ministerie, onder de noemer ‘beleidsregels’ (http://archief.om.nl/beleid/beleidsregel.php?rid=110).
 

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel