Opsporing en burger: een moeizame relatie
Recherchewerk staat volop in de belangstelling. Opsporing kan echter niet zonder de hulp van burgers. Er zijn diverse opsporingsprogramma’s waarin de hulp van die burgers gevraagd wordt. Ook op de websites van de diverse korpsen wordt de hulp van burgers gevraagd. Hoe is het echter gesteld met de kwaliteit van die programma’s en websites? Dit artikel is de uitkomst van een onderzoek dat onlangs is gehouden.
Gezien de eindeloze stroom publicaties en tv-series heeft het recherchewerk1 bepaald niet over belangstelling te klagen. De invloed daarvan op bijvoorbeeld het recherche-imago is zo groot dat er sinds kort zelfs een universitaire opleiding is voor forensisch onderzoeker. Ook zal een officier van justitie tegenwoordig een op tv verschenen getuige niet snel negeren,2 hoe onwaarschijnlijk die getuigenverklaring ook lijkt. De resultaten van de Nederlandse opsporingsinstanties lijken onder al die aandacht niet te lijden. Er wordt veel opgelost en de technische kennis lijkt hoog. Het willekeurig journaalbeeld van een Amsterdamse liquidatie laat bijvoorbeeld zien dat Nederlandse rechercheurs geavanceerder werken dan de Amerikaanse ‘tv-CSI’.
Toch staat het vertrouwen in de recherchediensten onder druk. Zaken als Putten, Schiedam, Baarn, Nunen, Vaatstra of Deventer – en de kritiek van mensen als Wagenaar, Knoops, Crombag of Van Koppen – slaan bressen in het publieke vertrouwen. De groei van particuliere initiatieven via internet, zoals bij vermissingen of bij oplichting, geven ook aan dat burgers zo nodig het heft in eigen hand nemen. Ongetwijfeld leidt doe-het-zelfopsporing tot uitwassen. De acties van De Hond in de Deventer moordzaak komen daar al dicht bij in de buurt. Ook Kamervragen over illegale praktijken van privédetectives zijn een teken aan de wand.3
De reactie van de recherche daarop is vooral op zichzelf gericht. Zo verscheen in het najaar van 2004 een pleidooi voor uitbreiding van met name het DNA-onderzoek.4 En ‘Schiedam’ leidde onder meer tot een pleidooi voor het organiseren van (interne) tegenspraak, voor meer samenwerking binnen de recherche en voor eerherstel van het adagium ‘in dubio pro reo’.5 Het meest tastbare gevolg is voorlopig de instelling van de commissie-Posthumus II.
Wat uiteindelijk het resultaat van dergelijke maatregelen zal zijn, moeten we nog afwachten. Wel kunnen we concluderen dat er van een zekere eenzijdigheid in het beleid sprake is. Technisch onderzoek, ondersteund door gigabites rekenkracht, voert de boventoon. Organisatorische voornemens omtrent opleiding, leidinggeven of zelfkritiek moeten nog vorm krijgen. Een potentieel belangrijke medestander wordt daarentegen nauwelijks genoemd: de burger.
Opsporingsprogramma’s
Sinds mensenheugenis wordt bij recherchewerk de hulp van burgers ingeroepen. Zelfs de eerste tv-uitzending met een ‘opsporingsbericht’ dateert al uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Toch bleek bij onderzoek6 dat opsporing via tv-uitzendingen nog vooral gekenmerkt wordt door amateurisme – ondanks de grote inzet en betrokkenheid van vooral de politieproducers. Geen enkele politieproducer had een gerichte opleiding gevolgd. Sommigen werk(t)en zonder een functiebeschrijving, deden de tv-uitzendingen als neventaak of namen informeel het werk van een voorganger over. Hun plaats in de organisatie, meestal bij de afdeling Communicatie, veroorzaakte onduidelijkheden. En de resultaten van hun werk hebben ze niet in de hand, afhankelijk als ze waren van soms wantrouwige collega’s, van onduidelijke administraties en statistiekjes of van belangen van omroepbazen.
Uit het hier bedoelde onderzoek kwam verder naar voren dat het de recherche ontbreekt aan een duidelijk zicht op en inzicht in de (on)mogelijkheden van opsporingsberichtgeving. Daarom werd gepleit voor een professionele en strategische aanpak van opsporingsberichtgeving – van begin tot eind. De noodzaak daartoe wordt hierna nog eens toegelicht aan de hand van enkele aspecten van opsporingsberichtgeving op tv en op internet.
Opsporing op tv
Het belangrijkste tv-programma voor opsporingsberichten is nog steeds Avro’s Opsporing Verzocht (verder: OV).7 In het tv-seizoen 2004-2005 werd OV op de maandagavond op Ned1 uitgezonden en bestond het programma uit twee delen. Naar schatting werd OV dat seizoen per avond door ruim 1,5 miljoen kijkers bekeken. Weliswaar een wat ouder en lager opgeleid publiek, maar qua aantal heel stabiel. In het tv-seizoen 2005-2006 werd OV op Ned2 uitgezonden. Het programma bestond in het najaar uit één aflevering in de vooravond. Het aantal kijkers daalde dramatisch tot 650.000 à 800.000, soms zelfs minder. Of dat gevolgen had voor het aantal tips – daar gaat het tenslotte ook om – is overigens onbekend.
Vanaf januari 2006 werd OV weer in twee delen uitgezonden. Het aantal kijkers steeg aanzienlijk. Vooral het tweede deel trok de eerste paar maanden zo’n 900.000 tot 1 miljoen kijkers. Het verschil met het seizoen 2004-2005 op Ned1 blijft echter aanzienlijk. Een belangrijke oorzaak daarvoor is het karakter van Ned2: bij belangrijke sportevenementen of politieke uitzendingen werd OV overgeplaatst naar een ander tijdstip en/of naar Ned1. Het minste aantal kijkers scoorde OV tijdens de Olympische schaatsmijl: amper 100.000.
Per september 2006 wordt OV weer op de dinsdagavond op Ned1 uitgezonden, rondom 10 uur. Met ruim een miljoen kijkers lijken de eerste cijfers positief. Maar bij de voetbalmatch PSV-Liverpool daalde het aantal kijkers met zo'n 40% tot ruim 600.000. Afgewacht moet worden of de vele wijzigingen in het zendschema OV voldoende beschermen tegen voetbal, schaatsen of andere rampen. Waar je als crime fighter al geen rekening mee moet houden! Bovendien komen echte fans er toch wel, dankzij herhalingen, elektronische nieuwsbrieven en websites.
De belangrijkste concurrent van OV is ongetwijfeld Peter R. de Vries (PRdV) op SBS6. Dat programma werd in het seizoen 2005-2006 op wisselende dagen en in wisselende frequentie uitgezonden. In het najaar keken er zo’n 800.000 tot meer dan een miljoen mensen. Dat PRdV een stabiele groep kijkers heeft, lijkt waarschijnlijk. Want in januari en februari werden er herhalingen uitgezonden, waarnaar toch nog 500.000 à 700.000 mensen keken. Slechts weinig minder dan naar de ‘verse’ uitzendingen in de maanden daarna.
Natuurlijk bestaat er concurrentie. De sinds 2004 bestaande combinatie tussen OV, het radioprogramma Arbeidsvitaminen en de gratis verspreide krant Sp!ts is zeker bedoeld om de concurrentie het hoofd te bieden. Dat geldt ook voor de manier waarop een programma soms wordt aangekondigd, zoals de zaak-Sévèke, een gevonden babylijkje of de moord op Kennedy. De onderlinge concurrentie blijkt ook uit de programmering op de dinsdagavonden in januari en februari 2006. PRdV en OV overlapten elkaar toen goeddeels.
Toch heeft dit waarschijnlijk weinig invloed op de aantallen kijkers. Zowel OV als PRdV haalde in januari/februari 2006 een stabiel aantal kijkers. Voor OV was het zelfs de beste periode van het seizoen. Op een dinsdagavond in januari trokken OV en PRdV samen 2,3 tot 2,7 miljoen kijkers. De ene dinsdag dat PRdV niet uitzond, keken er bij elkaar zo’n 1,7 miljoen mensen naar OV. Ook in februari 2006 lijkt de belangstelling voor OV niet geleden te hebben onder PRdV. Een conclusie zou zelfs kunnen zijn dat de combinatie van beide programma’s de aantrekkelijkheid van de dinsdag als tv-avond vergroot!
Het derde ‘misdaadprogramma’ van het afgelopen tv-seizoen, Bureau Misdaad van RTL5, begon met ruim 700.000 kijkers goed. Gedurende het seizoen daalde dat aantal gestaag. Dat zal zeker te maken hebben met de opzet, de keuze van zaken en de presentatie van het programma. Gezien het aantal kijkers lijkt er toch ruimte voor een echt alternatief. Dit is broodnodig, want een deel van de jongeren wordt noch door OV noch door PRdV bereikt. Voor opsporingsberichtgeving is dat een gemis.
Opsporingsberichtgeving op ‘politie.nl’
De informatie over criminaliteit en opsporing op internet is enorm, net zoals de variatie aan onderwerpen en de wijze van presenteren. In het kader van dit artikel beperk ik me daarom tot de politiewebsites. Allereerst is dat de door het NPI onderhouden website: politie.nl en dan vooral de informatie over ‘opsporing in de media’.8
Helaas blijkt dat overzicht onvolledig. Alhoewel ‘opsporing in de media’ een algemene term is, worden op ‘politie.nl’ de vele stedelijke of regionale advertentiebladen geheel genegeerd. Ook allerlei particuliere websites zoals misdaad.startpagina.nl blijven ongenoemd. En dat zijn media die bij het recherchewerk echter nog steeds en graag gebruikt worden.
In de tweede plaats worden de gegevens alfabetisch gepresenteerd. Rijp en groen komt zo door elkaar te staan. Opvallend is ook dat volgens ‘politie.nl’ de regionale omroepen geen deel uitmaken van de publieke omroep. Dat is onjuist.
Het gebrek aan zorgvuldigheid blijkt ook uit de manier waarop met ‘links’ wordt omgesprongen. Doorklikken naar bijvoorbeeld Bureau Hengeveld/RTV Utrecht of naar Avro/OV is wel mogelijk. De websites van de Limburgse en Brabantse opsporingsprogramma’s zijn op die manier echter niet te bereiken. Waarom wordt het zonnige zuiden zo gediscrimineerd?
Nog vervelender is dat ‘politie.nl’ soms onjuiste of achterhaalde informatie verstrekt. Van OV wordt vermeld dat het nog steeds uit één deel bestaat en de vele programmawijzigingen worden genegeerd. Het Fryske Plysjepost staat vermeld voor de woensdag, maar zond het afgelopen seizoen op dinsdag uit. Het Noord-Hollandse Ter Plaatse begon een uur eerder dan volgens ‘politie.nl’. En over Sp!ts wordt gemeld dat die krant op maandagochtend met een opsporingsbericht komt, terwijl dat al maanden op dinsdagochtend is.
Helemaal bont maakt het NPI het met de informatie over SBS6. Informatie over PRdV ontbreekt geheel, terwijl er wel een programma wordt genoemd dat al meer dan een jaar geleden werd opgeheven.
En waarom staat er op ‘politie.nl’ geen informatie over ‘M’, zelfs niet onder het ‘politie ABC’?
Opsporingsberichtgeving op korpswebsites9
Elk korps heeft een eigen website. Ondanks een tamelijk uniforme indeling blijkt er bij opsporingsberichtgeving toch sprake van aanmerkelijke verschillen. De variatie is zelfs zo groot dat hierna een samenvatting volgt. Als een korps hierbij niet genoemd wordt, zegt dat dus niets over de kwaliteit van zijn website.
Korpsen zonder eigen regionaal tv-opsporingsprogramma hebben het makkelijk. Bij Drenthe, de Gelderse korpsen, Zeeland en Zuid-Holland Zuid (Z-H Z) staat op de voorpagina een summier overzicht van opsporingsberichten. Meer informatie is te vinden op de opsporingspagina. Daar staan ook knoppen naar vermiste personen en zaken van andere regio’s. Verder staan op die pagina knoppen naar ‘M’, naar ‘Nederland veilig’ en knoppen voor internetaangifte. Het korps Z-H Z heeft helemaal geen knop naar ‘M’. Vreemd.
Fryslân, Hollands Midden of Twente doen ongeveer hetzelfde als Drenthe c.s., maar hebben bovendien elk een regionaal opsporingsprogramma. Daar is natuurlijk een knop voor. Bij Fryslân kom je dan op een pagina van de korpswebsite met informatie over Plysjepost. Een link naar de omroepwebsite ontbreekt echter. Hollands Midden heeft wel een knop naar het regionale opsporingsprogramma ‘Team West’. Ook geeft dat korps informatie over de eigen opsporingsresultaten. Zo hoor je als burger nog eens wat. Twente had in het voorjaar nog een link naar het eigen opsporingsprogramma 'Onder de loep', maar die link ontbreekt tijdens de zomermaanden. Wel staat er op de korpswebsite een overzicht van zaken waarover tips worden gevraagd. Heel verstandig. De vraag is echter hoe lang je een oproep op de site laat staan?
Dat een korps de beschikking heeft over een regionaal opsporingsprogramma garandeert nog niet dat daar op de website naar wordt verwezen. Brabant Z-O linkt bijvoorbeeld wel naar het eigen ‘Bureau Brabant’. M-W Brabant noemt ‘Bureau Brabant’ zijdelings bij een cold case. Wel staat er op de website van dat korps in juli 2006 nog een zaak die al in januari 2005 werd opgelost. De zin daarvan is onduidelijk. Ook al werkt de politieproducer van Bureau Brabant vanuit het korps Brabant-N, op de website van dat korps komt de naam van ‘Bureau Brabant’ niet voor, zelfs niet in de ‘Vraagbaak’.
Als het om eensgezindheid gaat, doen de Noord-Hollandse korpsen het veel beter dan de Brabantse. Geen van hen vermeldt op zijn website ook maar iets over het regionale opsporingsprogramma ‘Ter Plaatse’ – ook niet in de ‘Vraagbaak’. En dus is er ook geen knop of link. Verder heeft alleen Zaanstreek-Waterland een knopje voor ‘M’.
Op de dag dat de gegevens voor deze paragraaf werden verzameld, werd in Amsterdam een tweede verdachte in een geruchtmakende verdwijningszaak aangehouden. Het betreft de verdwijning van een zwangere vrouw sinds de dag voor haar bevalling! Over die zaak stond op de website van het Amsterdamse korps summiere informatie. Op de website van PRdV bleek daarentegen over deze zaak heel veel informatie te staan. Daaruit viel op te maken dat de Amsterdamse recherche er werkelijk alles aan had gedaan om de zaak te kunnen oplossen. Waarom werd die zaak dan niet ook op de eigen website genoemd? De Amsterdamse politieproducer gaf als reden dat hij niet het idee had dat daarmee de zaak kon worden opgelost. Niet onlogisch, maar zolang een zaak niet is opgelost, is niets zeker. Dat openheid van zaken vaak een positief effect op het vertrouwen in de politie heeft, was geen overweging. En een verwijzing naar PRdV? Nee, dat ging te ver.
Websites van opsporingsprogramma’s
Hoe gemakkelijk het is als een korpswebsite een link heeft naar het regionale opsporingsprogramma blijkt vooral als je daarvoor naar de website van de regionale omroep moet. Wie niet precies de naam van het programma weet, moet flink zoeken. De meeste websites zijn bovendien van bescheiden omvang met voornamelijk een archief/overzicht van lopende zaken. Bij RTV Rijnmond loop je dan ook nog de kans terecht te komen op een verouderde website van het Rotterdamse ‘Ve!l!g’. De omroepwebsite zelf blijkt wel bijgewerkt.
De regionale opsporingswebsites zijn beperkt van opzet omdat de kosten ervan vooral drukken op de omroepbegroting en de oproepen hebben maar een beperkt belang bij opsporing. Vooral als verschillende korpsen met dezelfde omroep werken zou het veel beter kunnen. In vergelijking met bijvoorbeeld de korpsen in Noord-Holland geven de Brabantse korpsen het goede voorbeeld. Op de website van ‘Bureau Brabant’ staan een archief, een overzicht van opgeloste zaken en van gestolen of opgespoorde goederen, kijkersvragen, een e-zine en uiteraard een mailknop. Een overzicht van ‘harde resultaten’ wordt alleen door het Limburgse programma Gouden Tip gegeven. Dat oogt leuk, maar zegt helaas niet zo veel.
Natuurlijk hebben Avro/OV en PRdV een eigen website. Bij OV vallen de ‘kijkersvragen’ op. Een aparte link daarnaar vanaf elke politiewebsite is eigenlijk een verplichting. Omgekeerd zou nog beter zijn: de politie zelf zorgt voor zulke informatie. Een ander sterk punt is het archief met gestolen of opgespoorde spullen. Zo’n archief zou toch echt verzorgd moeten worden door de politie gezamenlijk en niet door een particuliere organisatie. Bovendien zou zo’n archief dan netjes in rubrieken onderverdeeld en goed toegankelijk moeten zijn. Het is een dienst die je de burger tegenwoordig niet meer mag onthouden.
Voor informatie over zaken moet je natuurlijk bij PRdV zijn. Zijn overzicht is indrukwekkend c.q. deprimerend – al naargelang je stemming. Verder geeft die website een uitstekende lijst met links naar allerlei organisaties. Wie de weg kwijt is, vindt daar al snel een goede hint. Ook die dienstverlening zou de politie niet misstaan. Maar op geen enkele korpswebsite werd een link naar PRdV gevonden. Heeft men soms ergens last van?
Conclusies
Opsporingsberichtgeving is een instrument waarmee mag worden gemanipuleerd, mits de waarheid geen geweld wordt aangedaan. Informatie daarover is echter voorlichting en daaraan moeten andere eisen gesteld worden. Criteria moeten zijn: makkelijk te vinden, bij de tijd, foutloos, ter zake, begrijpelijk en volledig. Als dat niet zo is, is er algauw sprake van verspilling van belastinggeld. En als die informatie niet aan die eisen voldoet, bijvoorbeeld in het algemeen belang, dan moet een burger dat kunnen weten.
Op basis van deze criteria kan geconcludeerd worden dat de informatie over opsporingsberichtgeving op ‘politie.nl’ zonder enig nadeel van internet verwijderd kan worden. Wat heb je aan informatie die ondeskundig, onjuist, onvolledig en/of verouderd is?
De korpsen hebben in principe alle vrijheid om hun website op te zetten zoals ze willen, mits natuurlijk algemene kwaliteitseisen worden gehaald. Helaas werd diverse malen verouderde of onvolledige informatie aangetroffen. Ook lijkt er soms sprake van vooringenomenheid of onzorgvuldigheid. De korpswebsites wekken daarmee niet de indruk dat er alles, maar dan ook werkelijk alles aan gedaan wordt om de burger bij de opsporing te betrekken.
De meeste websites van regionale opsporingsprogramma’s zijn bescheiden van opzet. Bureau Brabant is hierbij de positieve uitzondering. De websites van Avro/OV en PRdV zetten kwalitatief echt de toon. Er is veel informatie te vinden die op een politiewebsite absoluut niet misstaat.
Aanbeveling en PET-2006
Alles bijeengenomen wordt er met het belang van opsporingsberichtgeving nog steeds onzorgvuldig en zelfs ondoordacht omgegaan. Daarnaast ontbreekt het ook aan een goed inzicht in de resultaten van opsporingsberichtgeving. Er zijn tegenwoordig zo veel mogelijkheden om (anoniem) informatie over een misdrijf kwijt te raken dat de relatie tussen een getuigenoproep en een opgeloste zaak vaak niet te achterhalen is. Meting van effectiviteit is bijna altijd lastige materie – dat geldt ook voor opsporingsmiddelen. Wat kost een DNA-onderzoek en wat levert het op? Aandacht voor de effectiviteit van opsporingsmiddelen zal de kans op verbetering van de opsporing echter aanzienlijk vergroten.
Naast het oplossen van misdrijven speelt bij opsporingsberichtgeving ook nog het algemene vertrouwen in justitie en politie. Goede informatie over opsporingsberichtgeving is een aanwijzing dat die organen er werkelijk alles aan doen om een misdrijf op te lossen. Wat hier beschreven is, vestigt echter de indruk dat men dáárvoor weinig oog heeft. Anything goes, lijkt het. Terwijl het weinig kost.
In het kader van de Pet-2006 – de Politie E-mail Test – werd de korpsen gevraagd naar hun kosten voor het bijhouden van opsporingsberichtgeving op hun website. Nauwkeurige gegevens op jaarbasis bleken schaars. Eén korps schatte de kosten op ongeveer € 3200 (exclusief btw!). Een ander kwam uit op € 10.000, maar daarin zat ook webbeheer. Twee korpsen gaven aan twee fte’s ofwel ongeveer € 40.000 te besteden aan het beheer van intra- en internet samen. Vijf korpsen wisten het niet en verwezen naar het NPI of CIP. De kosten voor opsporingsberichtgeving op internet lijken al met al te overzien. Bovendien kan geen korps meer zonder website. Dus vaste kosten zijn er altijd.
Kostenbesparing is wel goed mogelijk. Een helder onderscheid tussen landelijke en regionale of korpsgebonden onderwerpen voorkomt dubbel werk en bevordert de duidelijkheid. Vaste schoningstermijnen besparen webruimte. Wat in het kader van een opsporingsprogramma op tv wordt verzameld, bewerkt of opgenomen, kan ook op de eigen website worden geplaatst. Een landelijke databank voor gestolen en opgespoorde goederen is niet alleen een gratis dienst aan burgers, maar helpt om misdrijven op te lossen en om de kosten van opslag en administratie te beperken. En een goed inzicht in doelgroepen werkt altijd kostenbesparend.
Alles staat of valt echter met het inzicht dat recherchebeleid stevig op twee benen moet staan. Opsporing is niet alleen een zaak voor politie en justitie. Zonder de burger gaat het niet. Maar is dat nog wel de heersende visie?
[kader]
De PET 20061
De derde PET (Politie E-mail Test ©) is op dezelfde manier opgezet als de eerdere edities. Alle korpsen kregen op nagenoeg hetzelfde moment dezelfde vraag toegestuurd, met als primair doel het meten van de reactietijd. Er werd, onder eigen naam en adres, een tamelijk simpele vraag gesteld. Verwacht werd dat die vraag conform de 'netiquette' binnen twee dagen beantwoord kon worden. Een ontvangstbevestiging telde niet mee en er werd niet gerappelleerd.
In deze derde PET werd de volgende vraag gesteld: ‘Ten behoeve van een publicatie over opsporingsberichtgeving in een vakblad ben ik onder andere op zoek naar het volgende gegeven: hoeveel euro heeft uw organisatie in 2004 respectievelijk in 2005 uitgegeven aan het opzetten en/of onderhouden van uw website?’ De daardoor verkregen informatie is gebruikt in het artikel ‘Opsporing en burger: een moeizame relatie’ dat elders in dit tijdschrift is opgenomen.
De vraag werd op 19 juni rond 18.00 uur verzonden. De eerste reactie werd op zijn vroegst pas de volgende dag om 8 uur verwacht. Dat tijdstip werd als uitgangspunt genomen.
In 2004 was de KLPD de snelste met reageren: na 59 minuten. Dit is nog steeds de te kloppen tijd, want in 2005 reageerde IJsselland als eerste na 3.05 uur.
Resultaten
Noord-Oost Gelderland, Noord-Holland Noord, het NPI en Het Wapen zijn voor burgers nog steeds niet via e-mail bereikbaar. Ook Amsterdam-Amstelland en Midden-West Brabant horen in deze groep thuis. Twee twee korpsen werden gemaild via een achterdeur, maar zo zou het niet moeten zijn. Is het echt nodig om met e-mail te wachten tot het kalf verdronken blijkt?
Gelukkig is er wel enige vooruitgang te constateren: Haaglanden en Hollands Midden waren dit keer probleemloos bereikbaar. En Zuid-Holland Zuid heeft nu ook e-mail.
Opvallend is het toegenomen aantal korpsen dat werkt met een e-mailformulier. Het heeft voordelen, maar het is geen garantie dat men echt weet met wie men te doen heeft. Een denkbeeldig adres met een 06-nummer werkt immers ook. En stel dat iemand behoefte heeft aan anonimiteit, bijvoorbeeld om te vragen hoe dat gaat met ‘M’ ? Maar ook al is een formulier beter dan helemaal geen e-mailadres, het garandeert nog geen antwoord.
Ondanks hun formulier werd van Groningen en Utrecht niets meer vernomen. Net zo min als van Fryslân en de KLPD, die daarmee hun indrukwekkende prestatie uit 2005 niet herhaalden.
Een automatische ontvangstbevestiging waar verder niets op volgt, is natuurlijk nauwelijks beter dan geen reactie. En voor- en achteruitgang doen zich hier beide voor.
Limburg-Noord liet in 2004 en 2005 niets van zich horen, maar heeft de weg naar boven nu misschien gevonden. Brabant-Noord deed het ook iets beter dan in 2005. Als men zo doorgaat, komt er in 2007 en op zijn laatst in 2008 ook nog een echt antwoord.
Naast Zeeland en Zuid-Holland-Zuid volstond ook de trotse winnaar van de PET-2005, IJsselland, met een bevestiging. Aan de top komen blijkt opnieuw makkelijker dan er blijven.
Eigenlijk doet A-A niet mee, maar vooruit: na twee dagen en zeven uur kwam er keurig per telefoon antwoord. Ietsje te laat, maar nog wel 44 minuten eerder dan Flevoland.
Gelderland-Zuid had er – met excuses, dat wel – twee weken voor nodig.
Maximaal twee dagen is geheel conform de 'netiquette'. Kennemerland (1 dag en 1.49 uur) was de snelste van dit groepje. Gevolgd door M-W Brabant (1 dag en 2.56 uur) – ook al doet dat korps eigenlijk niet mee omdat het via ‘uw mening’ werd benaderd. Gooi-Vechtstreek (1 dag + 5.44 uur) en Rotterdam-Rijnmond (1 dag + 7.59 uur) bleven ook keurig binnen de termijn.
In 2004 reageerden zeven korpsen binnen een etmaal. In 2005 waren dat er slechts drie. De score van 2006 is in dat licht bezien dus een verbetering. De PET schrijft dit resultaat schaamteloos op zijn eigen conto. Met dank aan
8e - Limburg-Zuid : 7.24 uur
7e - Twente : 6.19 uur
6e - Haaglanden : 4.04 uur
5e - Gelderland-M : 3.53 uur
4e - Brabant Z-O : 3.17 uur
Zaanstreek-Waterland reageerde na drie uur en vier minuten, met als zeer geldig excuus dat men niet al om vijf over acht wilde bellen.
En terwijl Hollands-Midden na anderhalf uur de PET belde, bleek op datzelfde moment Drenthe te mailen. Ex Aequo dus. En ‘chapeau!’
Slot
Alhoewel de PET verschillende verbeteringen constateert in vergelijking met de vorige edities, moet tegelijkertijd worden geconstateerd dat het over het geheel genomen beter kan – véél beter zelfs.
drs. Arie Kuijvenhoven
[einde kader]
1 De termen recherche(werk) en opsporing(swerk) worden hier, conform het algemene spraakgebruik, geheel synoniem gebruikt.
2 Zie bijvoorbeeld de uitzending van Bureau Misdaad bij RTL5 op 22 mei 2006.
3 Zie hierover de vragen van het Kamerlid Weekers van 26 juni 2006 aan de minister van Justitie.
4 Spelverdeler in de opsporing – een visie op forensische opsporing, december 2004, nota van de Projectgroep Forensische Opsporing van de Raad van HC’s, in de wandeling ook wel aangeduid als ‘Bernards stokpaardje’.
5 Evaluatieonderzoek in de Schiedammer parkmoord, een rapportage in opdracht van het College van procureurs-generaal, F. Posthumus, Den Haag, 2005.
6 ‘Van strohalm tot strategie – een onderzoek naar ervaringen met opsporingsberichtgeving via elektronische media’. Dit onderzoek werd uitgevoerd door Bureau Kuijvenhoven, in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap. Het onderzoek verscheen in het najaar van 2005. Zie de website www.politieenwetenschap.nl.
7 In het kader van dit artikel kan helaas geen aandacht worden geschonken aan de opsporingsprogramma’s van de regionale omroepen.
8 De gegevens voor deze paragraaf zijn verzameld op 24 mei 2006 en nog eens gecontroleerd op 18 juli 2006.
9 De gegevens voor deze paragraaf werden verzameld op 26 mei 2006. Waar nodig werden zij tijdens het schrijven van dit artikel, eind juli 2006, gecontroleerd.
Noot bij kader
1 De PET 2004 verscheen in Wijzer no. 2 en 3, jg 2004. De PET 2005 verscheen in het Algemeen Politieblad no. 6, jg 2005.

Reageer op dit artikel