Pepperspray: het gebruik in de praktijk

In de periode juni 2001-december 2002 is pepperspray landelijk ingevoerd bij de Nederlandse politie. De rapportage over het invoeringstraject trekt onder andere conclusies over logistieke, organisatorische en opleidingsaspecten. In deze bijdrage gaan we in op het gebruik van pepperspray in de praktijk.

Na de pilots die vanaf juli 2000 in vier korpsen zijn gehouden, viel de beslissing om pepperspray standaard onderdeel te maken van de politiebewapening van de politie. De Ambtsinstructie 1994, de Bewapeningsregeling 1994 en de Uitrustingsregeling 1994 werden aangepast. Pepperspray is qua geweldsniveau in de omgeving van de wapenstok geplaatst. Het wordt geen alternatief geacht voor het gebruik van fysieke aanhoudingstechnieken, daarvoor is het middel te ingrijpend: het veroorzaakt – weliswaar kortstondig – hevige pijn. Het gebruik van pepperspray biedt de politie de mogelijkheid een (potentieel) gevaarlijke verdachte zonder ernstige gevolgen op een verantwoorde wijze van een veilige afstand onder controle te krijgen. In een aantal gevallen is daarbij politieel vuurwapengebruik voorkomen. In 93 procent van de gevallen dat pepperspray is gebruikt, is de betreffende verdachte daadwerkelijk aangehouden. De gegevens in dit artikel zijn gebaseerd op 1882 meldingen van 1603 incidenten (bij één incident kunnen meerdere agenten of verdachten betrokken zijn) waarbij daadwerkelijk pepperspray tegen een persoon is gebruikt.
 

Medische aspecten
Voorafgaand aan de invoering van pepperspray was er veel discussie over mogelijke gezondheidsrisico's. Inmiddels zijn in Nederland ruim tweeduizend verdachten ingespoten met pepperspray. In geen enkel geval is sprake geweest van ernstige medische complicaties, in incidentele gevallen wel van heftige reacties. In totaal zijn 153 verdachten die met behulp van pepperspray zijn aangehouden, gezien door een arts, overigens meestal niet naar aanleiding van het gebruik van pepperspray. Zevenmaal is melding gemaakt van het optreden van een medische noodsituatie. In geen van deze gevallen is sprake geweest van blijvend medisch letsel.

Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol. Hij verzette zich tegen zijn aanhouding en werd gepepperd. Na verloop van tijd reageerde hij nergens meer op, ook niet op pijnprikkels. Langdurig spoelen bracht geen verandering in de situatie. Nadat de GGD ter plaatse was gekomen, kwam de verdachte weer bij zijn positieven.

In Rotterdam is een zich hevig verzettende verdachte in aanwezigheid van de GGD overleden nadat hij o.a. met gebruik van pepperspray was aangehouden. Uit toxicologisch onderzoek bleek later dat hij was overleden als gevolg van overmatig gebruik van cocaïne.

Tijdens een training zijn duizenden agenten op vrijwillige basis gecontroleerd ingespoten met pepperspray. In iets minder dan eenduizendste van de gevallen bleek daarbij sprake te zijn van overgevoeligheid, die gepaard ging met heftige reacties (overgeven, bewusteloosheid). Bij geen van de personen waarbij overgevoeligheidsreacties optraden, was er sprake van blijvende effecten.

De toelichting op de Ambtsinstructie 1994 stelt dat om het risico te beperken dat een persoon tengevolge van het gebruik van pepperspray met gezondheidsproblemen te kampen krijgt, het gebruik van pepperspray tegen personen behorende tot risicogroepen dient te worden vermeden. Zo mag pepperspray niet worden gebruikt tegen personen ouder dan 65, jonger dan 12, zichtbaar zwangere vrouwen of personen voor wie dit gebruik als gevolg van een zichtbare ademhalings- of andere ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn. In totaal is er drie keer melding gemaakt van gebruik van pepperspray tegen een persoon ouder dan 65 jaar (twee waren 66, een was 75) en is éénmaal melding gemaakt van gebruik tegen een (niet zichtbaar) zwangere vrouw. In geen van de genoemde gevallen heeft het gebruik van pepperspray nader medisch handelen noodzakelijk gemaakt. Er is geen enkele maal melding gemaakt van gebruik van pepperspray tegen een kind jonger dan 12 of tegen een persoon met een zichtbare ademhalings- of andere ernstige gezondheidsstoornis.

Gezien de heftige reacties die kunnen optreden (en om te voorkomen dat verdachten langer pijn lijden dan nodig is) is een consequente uitvoering van het nazorgprotocol van belang.
In de toelichting op de Ambtsinstructie 1994 is expliciet opgenomen dat, nadat pepperspray is gebruikt, 'in ieder geval een adequate nazorg plaats [dient] te vinden'. Daartoe zijn politievoertuigen uitgerust met bussen koelvloeistof en een groot aantal politiebureaus met oogdouches. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat niet in alle gevallen nazorg verleend wordt. Van 198 verdachten waarvan bekend is dat ze geen nazorg kregen:
– wilde 40 procent geen hulp of was te agressief om nazorg te kunnen verlenen;
– had 29 procent geen last van de spray (en was nazorg dus niet relevant);
– was 14 procent niet aangehouden (en kon dus niet worden geholpen);
– kon 4 procent niet direct worden geholpen omdat in het voertuig geen nazorgmiddelen aanwezig waren.

In 27 gevallen (14%) was er geen duidelijke reden om geen nazorg te verlenen.  Dat betekent dat bij ten minste 1 procent (en ten hoogste 4%) van alle met pepperspray bewerkte aangehouden verdachten die de effecten van pepperspray ondervonden hebben, ten onrechte geen nazorg is verleend.
 

Het gebruik
De frequentie van gebruik verschilde aanzienlijk tussen regio's en van maand tot maand: per duizend agenten werd pepperspray gemiddeld per dag tussen 0,11 en de 0,47 keer gebruikt. Internationaal gezien lijkt dat niet erg laag. In een stad als Boston (USA) met 2300 agenten ligt in dezelfde periode de frequentie omgerekend op 0,06 per duizend agenten per dag (Boston police Department, 2001 Annual report).

63 Procent van de agenten die daadwerkelijk pepperspray tegen een persoon gebruiken, is behoorlijk tot zeer tevreden over het resultaat, 28 procent is redelijk tevreden over het resultaat en 9 procent niet of nauwelijks. De tevredenheid is vanzelfsprekend groot als daardoor bijvoorbeeld vuurwapengebruik kan worden voorkomen:

Ik werd aangevallen door een man met een mes. Die man riep: 'ik maak je kapot'. Je begrijpt dat ik toen heb gepepperd. Als ik geen pepper had gehad, had ik moeten schieten!

Er zijn ook een aantal gevallen bekend geworden waarbij door gebruik van pepperspray voorkomen is dat iemand zichzelf van het leven zou beroven (door voor een trein te springen, door met een mes de polsen door te snijden). Pepperspray kan ook preventief werken:

'Ik wil nog even met u praten. Ik wil dit namelijk nooit meer meemaken. Ik zal vanaf nu al mijn medewerking verlenen en mij nooit meer verzetten tegen politieagenten. Wilt u dat aan alle agenten vertellen. Ik wil nooit meer met pepperspray bespoten worden. Ik dacht werkelijk dat ik doodging.'

Agenten die in de loop van het onderzoek geïnterviewd zijn beginnen vaak spontaan over het preventieve effect van pepperspray zoals zij dat in de praktijk ervaren:

'Een voordeel is de preventieve werking van de spray. Afgelopen weekend zei iemand nog: ik werk wel mee, maar gebruik alsjeblieft geen pepperspray. We merken dat het de ronde doet bij bepaalde criminele figuren. Vooral de vechtersbazen kennen het inmiddels.'

Gevraagd door de hulpofficier van justitie zegt 63 procent (N = 882) van verdachten op de vraag 'wat doet u de volgende keer als een agent u zegt dat hij pepperspray gebruikt als u niet meewerkt?', dat ze zullen meewerken. 22 procent weet het nog niet of wil het niet zeggen, 4 procent overweegt tegenmaatregelen (vluchten, hand voor ogen), 4 procent zou hetzelfde doen en 7 procent overweegt verzet of geeft aan dan nog agressiever te worden.

Pepperspray draagt er vaak toe bij dat een verdachte makkelijker kan worden aangehouden. De effectiviteit van het gebruik van pepperspray is in vergelijking met de pilot wel significant afgenomen. Volgens de opgave van de agenten die gericht pepperspray gebruikt hebben tegen een persoon en deze goed in het gelaat hebben geraakt:
– wordt 57 procent van de verdachten geheel of grotendeels weerloos (pilot 75%), terwijl 28 procent niet of nauwelijks weerloos wordt (pilot 11%);
– wordt 64 procent van de verdachten minder agressief (pilot 67%) en 20 procent juist agressiever nadat pepperspray tegen hen gebruikt is (pilot 14%);
– kan 74 procent van de verdachten makkelijker worden aangehouden nadat pepperspray tegen hen gebruikt is (pilot 84%) en 15 procent juist moeilijker (pilot 5%).

Vervolgonderzoek zal duidelijk moeten maken welke factoren van invloed zijn op de effectiviteit van pepperspray.

Behalve dat pepperspray niet altijd werkt, zijn er ook andere nadelen (al geven agenten aan dat de voordelen ruimschoots opwegen tegen de nadelen). Bij 25 procent van de incidenten raakten ook een of meer agenten besmet met pepperspray, en soms leidde dat tot gevaarlijke situaties. Bij 5 procent van de incidenten werden onschuldige omstanders besmet met pepperspray.

In 4 procent van de gevallen (N = 1739) werd eenzelfde verdachte vaker dan twee keer in het gelaat gespoten (het maximum is zeven keer). Dat is zinloos (als pepperspray na twee keer geen effect heeft, zal nog meer spuiten ook geen effect hebben) en levert het risico van overdosering op. In 33 procent van de gevallen (N = 1809) werd niet gewaarschuwd voorafgaand aan het pepperspraygebruik, vaak vanwege tijdgebrek in combinatie met de acuutheid van een dreiging, soms vanwege taalproblemen. In 47 procent van de gevallen dat niet gewaarschuwd werd (N = 603) gaven agenten niet aan waarom zij dit – in afwijking van de richtlijnen – hadden nagelaten. Uit interviews bleek dat sommige agenten bewust niet waarschuwden (en dat ook hun collega's adviseren) om te voorkomen dat verdachten tegenmaatregelen konden nemen (door zich bijvoorbeeld weg te draaien of een hand voor het gezicht te houden). In de praktijk kwam het zelden voor dat verdachten dergelijke tegenmaatregelen namen (in 4% van de gevallen). Waar zij dat wel deden, nam de dreiging die van hen uitging, af. In 31 procent van de gevallen (N = 1815) werd pepperspray – in strijd met de richtlijnen – van een afstand van minder dan een meter gebruikt. Dat duidt op tekortkomingen in de tactische aanpak van de situatie of een te late inzet van pepperspray.
Hoewel er in vergelijking met de pilot een aantal duidelijke verbeteringen merkbaar waren, blijft het technisch en tactisch juiste gebruik van pepperspray daarmee een punt van aandacht in de training. Er waren nog meer aandachtspunten.
 

Geïmproviseerd gebruik
Voor een juiste toepassing van politieel geweld dienen geweldmiddelen te worden gebruikt op de wijze zoals bedoeld. Het geïmproviseerd gebruik van geweld is in principe ongewenst. Het geïmproviseerd gebruik van pepperspray (zoals het met de hand wrijven van pepperspray in de ogen of het gezicht van een verdachte) leidt tot onzekerheden in dosering en kan leiden tot misbruik.

In 34 gevallen (2% van het pepperspraygebruik) maakten agenten op geïmproviseerde wijze gebruik van pepperspray. In 30 gevallen was daarbij sprake van het met de hand wrijven van pepperspray in het gezicht van een verdachte (in enkele gevallen nadat deze al eerder bespoten was), in één geval ging het om het verzadigen van een ruimte met pepperspray en in twee gevallen werd pepperspray gebruikt om te voorkomen dat een verdachte van drugshandel bewijsmateriaal zou doorslikken. Deze laatste twee gevallen zijn uiteindelijk (mede nadat de chef IBT erop had geattendeerd dat pepperspray geen middel is ter vereenvoudiging van de opsporing) als onrechtmatig bestempeld en in deze vorm daarna niet meer voorgekomen.

Uit een analyse van de meldingen en interviews met agenten die pepperspray in het gezicht van een gedachte hebben gewreven, blijkt dat er in de meeste gevallen sprake was van een zich heftig verzettende verdachte, waarbij het niet lukte (vaak met meerdere collega's) om de verdachte onder controle te krijgen. In sommige gevallen was er sprake van een kleine ruimte, waar ook niet betrokken omstanders aanwezig waren:

'De verdachte bevond zich in een EHBO-tent. Gezien de nabijheid van diverse patiënten koos ik ervoor om niet met pepperspray te spuiten, maar het gezicht van de man ermee in te wrijven'

Doel van het wrijven was veelal het voorkomen van zelfbesmetting of besmetting van collega's. Dat doel werd niet altijd bereikt. Het spuiten van pepperspray in de niet-gehandschoeide hand leidde per definitie tot zelfbesmetting, die niet zonder gevolgen bleef:

'Het bleef een paar dagen gloeien en ik kon ’s nachts niet slapen van de pijn'

Ook kan bij het spuiten van pepperspray in de hand makkelijk een deel van de spray terugkaatsen in het gezicht van de politieambtenaar.
De effectiviteit van geimproviseerd pepperspraygebruik week overigens niet af van die van regulier pepperspraygebruik. Uit de meldingen bleek niet dat verdachten als gevolg van de wijze van toepassing specifieke nadelige gevolgen hadden ondervonden. In alle gevallen waarin een oordeel bekend is geworden over het met de hand wrijven van pepperspray in de ogen of het gezicht van een verdachte, heeft de meerdere het als rechtmatig betiteld.
Geconcludeerd kan worden dat de redenen om het met de hand wrijven van pepperspray in de ogen of het gezicht van een verdachte niet te propageren, onveranderd zijn gebleven. In de praktijk blijkt dat er (in sommige regio's duidelijk meer dan in andere) incidenteel en meestal weloverwogen van deze methode wordt gebruikgemaakt.
 

Gebruik buiten diensttijd
Pepperspray is een politieel geweldmiddel en een wapen volgens de Wet Wapens en Munitie. De Bewapeningsregeling 1994 geeft geen nadere regels voor het dragen van pepperspray buiten diensttijd en dit dient dan ook, net als het dragen van pepperspray door burgers, als ongeoorloofd te worden beschouwd.

In zes gevallen is gemeld dat politieambtenaren buiten diensttijd (en niet in uniform) pepperspray hebben gebruikt. In vier van de zes gevallen was er sprake van pepperspraygebruik onmiddellijk voorafgaand aan of direct na afloop van de dienst. In de andere twee gevallen ging het om gebruik van pepperspray in de privé-sfeer. In alle gevallen heeft de meerdere het pepperspraygebruik kritisch doorgesproken met de betrokken ambtenaar en het uiteindelijk als rechtmatig beoordeeld. Een van de leidinggevenden heeft expliciet aan de betreffende politieambtenaar te kennen gegeven dat hij zich buiten diensttijd van optreden moet onthouden, tenzij er sprake is van noodweer of grove aantasting van de rechtsorde.

Uit met agenten gehouden interviews blijkt dat het veelvuldig voorkomt dat politieambtenaren hun pepperspray na afloop van de dienst mee naar huis nemen. Ook zou het geen uitzondering zijn dat politieambtenaren buiten dienst (los van het in of uit dienst komen) hun pepperspray bij zich dragen. Volgens een van de geïnterviewde agenten 'dragen alle collega's pepper buiten diensttijd'. Uit de interviews met de deelprojectleiders blijkt dat in de meeste regio's geen regels gesteld zijn met betrekking tot het meenemen en bewaren van pepperspray na afloop van de dienst.

Geconcludeerd kan worden dat regio's over het algemeen geen regels hebben met betrekking tot het meenemen en bewaren van pepperspray na afloop van de dienst en dat er sprake is van een onbekend (mogelijk aanzienlijk) aantal politieambtenaren dat buiten diensttijd beschikt over pepperspray.
 

Geboeide verdachten
Als verdachten aangehouden en geboeid zijn, zal geweldgebruik veelal niet meer aan de orde zijn. Indien toch gebruik van geweld geboden is, zijn strenge eisen ten aanzien van subsidiariteit en proportionaliteit van toepassing. Al direct na de pilot was aangegeven dat het nodig was om in training en beoordeling nader aandacht te besteden aan de wenselijkheid, de proportionaliteit/ subsidiariteit en de risico's van het gebruik van pepperspray tegen verdachten die al geboeid zijn.

In 56 gevallen (3,5% van het totale gebruik) is pepperspray gebruikt tegen verdachten die al geboeid waren. In 43 gevallen is er een oordeel van een leidinggevende over het pepperspraygebruik bekend geworden, waarbij het gebruik twee keer als onrechtmatig is betiteld. In drie gevallen is aangegeven dat het gebruik aanleiding is geweest voor een uitgebreid evaluatief gesprek.

Uit de via de meldingsformulieren verstrekte gegevens komt het volgende beeld naar voren:
– in tenminste de helft van de gevallen verbleef de bespoten verdachte in een politievoertuig;
– in 82 procent van de gevallen was er sprake van één verdachte en waren er geen omstanders of speelden deze geen rol van betekenis;
– in 90 procent van de gevallen waren meerdere politieambtenaren bij de gebeurtenis aanwezig (twee tot vier);
– in 43 procent van de gevallen was de afstand waarvandaan de verdachte in het gelaat werd gespoten kleiner dan één meter;
– aanleiding voor het gebruik van pepperspray was meestal als 'recalcitrant' betiteld gedrag van de verdachte, al dan niet geslaagde pogingen het politievoertuig te verlaten of agressief gedrag van de verdachte (spuwen, schoppen). In enkele gevallen gaven de agenten aan dat zij de verdachte door het gebruik van pepperspray wilden 'kalmeren'. Vooral heftige beenbewegingen en schoppen van de verdachte tegen (het interieur van) het politievoertuig of in de richting van een politieambtenaar waren aanleiding voor het gebruik van pepperspray;
– in 16 procent van de gevallen gaf de agent die pepperspray had gebruikt aan dat hij sterker was dan de verdachte, in 31 procent was hij even sterk en in 53 procent van de gevallen was de verdachte sterker;
– in 28 procent van de gevallen was het gebruik van pepperspray niet of niet volledig effectief in de zin dat de verdachte zijn gedrag niet staakte. In 24 procent van de gevallen werd de verdachte agressiever. Deze percentages wijken niet significant af van pepperspraygebruik onder andere omstandigheden.

Bij 13 agenten die betrokken zijn bij deze gevallen van gebruik van pepperspray is nadere informatie ingewonnen. Daaruit komt het volgende beeld naar voren:
– het gaat in de meeste gevallen om zeer agressieve verdachten. Als de betrokken agenten geen pepperspray zouden hebben gebruikt, zouden zij in hun optiek met aanzienlijk fysiek geweld te werk hadden moeten gaan;
– de keuze om pepperspray te gebruiken, is in de meeste gevallen niet lichtvaardig totstandgekomen, gezien het feit dat eerst op diverse andere manieren getracht is de verdachte op andere gedachten te brengen. Deze conclusie wordt versterkt doordat het in de meeste gevallen gaat om agenten die de effecten van pepperspray zelf aan den lijve hebben ondervonden (75 procent van de geïnterviewde agenten heeft zich tijdens de training in laten spuiten met pepperspray. Dat is aanzienlijk hoger dan gemiddeld).

Geconcludeerd kan worden dat politieambtenaren soms worden geconfronteerd met verdachten die, ondanks dat ze geboeid zijn, recalcitrant zijn (bijvoorbeeld door te weigeren een politievoertuig in te gaan of te verlaten) of agressief (bijvoorbeeld door met de benen te schoppen of vernielingen te plegen aan het politievoertuig waar ze zich in bevinden). Pepperspray wordt daarbij soms gebruikt in een poging de verdachte te kalmeren, vaak van te korte afstand. Pepperspray is echter geen kalmeringsmiddel; in een aantal gevallen zijn er op zijn minst ernstige twijfels mogelijk over vooral de subsidiariteit van deze vorm van pepperspraygebruik. Leidinggevenden zijn zich, als gevolg van signalen vanuit het onderzoek, actiever gaan opstellen ten opzichte van deze vorm van pepperspraygebruik. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat in de meeste van de gesignaleerde gevallen pepperspray niet lichtvaardig is gebruikt maar weloverwogen, nadat alternatieven geen resultaat hadden opgeleverd. Opvallend is echter dat in sommige regio's (veel) vaker dan in andere pepperspray wordt ingezet tegen recalcitrante geboeide verdachten. Overigens is niet bekend wat in andere regio's in vergelijkbare situaties gebeurt.
 

Gebruik op een politiebureau
Ten opzichte van aangehouden verdachten die zich onder de hoede van de politie bevinden, bijvoorbeeld in het bureau, zijn, indien gebruik van geweld geboden is, strenge eisen ten aanzien van subsidiariteit en proportionaliteit van toepassing. In 31 gevallen (2% van het totale gebruik) is gemeld dat door politieambtenaren gebruik is gemaakt van pepperspray tegen een al aangehouden verdachte binnen een politiebureau.
Het kon daarbij gaan om personen die werden voorgeleid aan de officier van justitie, die voor insluiting gefouilleerd werden, die zich bevonden in een verhoor- of ophoudkamer of in een cel, of werden overgebracht naar of vanuit een cel:

'Een aangehouden verdachte werd overgebracht naar het hoofdbureau. In de verhoorkamer werden de transportboeien verwijderd. Hierop ging de verdachte door het lint en dreigde de aanwezige collega's, inclusief de hovj, tegen de muur te plakken. Verdachte reageerde nergens op en was de aanwezige drie collega's de baas. Ter voorkoming van letsel en schade is pepperspray gebruikt. Als men dit niet had gehad, was vermoedelijk het vuurwapen ingezet.'

'Verdachte wenste geen fouillering te ondergaan. Hij werd gewaarschuwd dat geweld tegen hem gebruikt zou worden als hij niet zou meewerken. Hij werkte niet mee. Gedreigd met pepperspray. Hij werkte nog steeds niet mee. Gepepperd.'

Als er geen sprake is van noodweer voorziet de Ambtsinstructie 1994 niet echt in gebruik van pepperspray in een politiebureau: in sommige gevallen is met enige fantasie te concluderen dat de verdachte zich aan zijn aanhouding (of voorgeleiding) trachtte te onttrekken. Relatief veel van de gevallen van gebruik van pepperspray in een politiebureau zijn door de meerdere als onrechtmatig beoordeeld.
 

Mogelijk onnodig of te snel gebruik
Mede gezien de discussie over de juiste plaats van pepperspray in het geweldscontinuum zijn drie typen situaties onderscheiden waarin pepperspray gebruikt werd:
– een verdachte is in het bezit van een wapen dat hij daadwerkelijk kan gebruiken;
– een verdachte is feitelijk gewelddadig, en het is risicovol om de verdachte te benaderen;
– een verdachte is lastig, werkt in woord of gebaar niet mee aan zijn aanhouding, of hindert de aanhouding van een andere verdachte.

In het overgrote deel (85%) van de gevallen dat agenten gericht pepperspray gebruiken, was er sprake van een verdachte met een of ander wapen of van een verdachte die feitelijk een of andere vorm van gewelddadig verdrag vertoonde of daarmee dreigde.
In 15 procent van de gevallen bleek dat de verdachte geen daadwerkelijk geweld had gebruikt, en niet bekend stond als geweldpleger of op dat moment beschikkend over enig wapen. In 40 procent van deze 232 gevallen was er ook geen sprake van dreiging (in woord of gebaar) met geweld door de verdachte. Desondanks koos de betreffende agent toch voor het gebruik van pepperspray, ook al schatte hij zichzelf ten minste even sterk in als de verdachte (61% van de gevallen) en waren er meer agenten dan verdachten ter plaatse (61% van de gevallen).
Dat betekent dat op grond van de informatie in de meldingen naar schatting in 6 procent van alle gevallen pepperspray mogelijk is ingezet in situaties waarin er van de verdachte geen enkele geweldsdreiging uitging. Daarbovenop is sprake van tot 9 procent van alle gevallen waar alternatieven, met name fysieke controletechnieken, mogelijk uitkomst hadden kunnen bieden.
Geconcludeerd kan worden dat pepperspray in 6 tot 15 procent van de gevallen gebruikt wordt in situaties waarin een verdachte lastig is, in woord of gebaar niet meewerkt aan zijn aanhouding of de aanhouding van een andere verdachte hindert, zonder dat er sprake is van daadwerkelijk gebruik van geweld of dreiging daarmee en zonder dat er andere risicoverhogende omstandigheden zijn.
 

Conclusies
Agenten lijken terecht tevreden over de invoering van pepperspray als nieuw geweldsmiddel: het biedt vaak effectieve mogelijkheid een (potentieel) gevaarlijke verdachte zonder ernstige gevolgen op een verantwoorde wijze van een veilige afstand onder controle te krijgen. Vergeleken met de pilot lijkt de effectiviteit van het gebruik van pepperspray echter te verminderen. Een oorzaak is daarvoor nog niet aan te wijzen. De preventieve werking van pepperspray is duidelijk aanwezig en lijkt eerder toe- dan af te nemen.

De aanscherping van de opleiding op grond van de aanbevelingen uit de pilot-rapportages heeft effect gehad (en de verschillen tussen regio's in interpretatie van de richtlijnen zijn minder groot geworden), maar er blijven een aantal aandachtspunten: het percentage besmetting van agenten en omstanders kan niet laag genoeg zijn, er wordt (soms welbewust) niet gewaarschuwd, ook als de omstandigheden een waarschuwing wel toelaten, en het aantal gevallen waarbij pepperspray van een afstand van minder dan 1m gebruikt wordt, neemt toe. Dat is een indicatie voor tactische onvolkomenheden. Ook krijgen niet alle met pepperspray bewerkte aangehouden verdachten die de effecten van pepperspray ondervonden hebben, de vereiste nazorg. Overige aandachtspunten worden gevormd door het geïmproviseerde gebruik, het gebruik tegen geboeide verdachten en het gebruik tegen verdachten die op een politiebureau aanwezig zijn. Enkele regio's springen er duidelijk uit wat betreft deze vormen van gebruik van pepperspray. Hoewel gebruik buiten diensttijd zelden voorkomt, baart het toch zorgen dat, terwijl hieromtrent door de korpsen niets geregeld is, onbekende aantallen agenten privé beschikken over pepperspray. Daarnaast is het opvallend dat pepperspray in 6 tot 15 procent van de gevallen gebruikt werd zonder dat van de verdachte enige geweldsdreiging uitging. Mede gezien de toch ingrijpende effecten van pepperspray en de aanvankelijke discussie over de juiste plaats van pepperspray in het geweldscontinuüm is het van belang ervoor te waken dat pepperspray niet al te makkelijk wordt ingezet. Dat zou niet alleen in strijd zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar ook kunnen leiden tot een verminderd draagvlak bij het publiek en een aantasting van het imago van de politie.

 

Abstract
Between June 2001 – December 2002 pepper spray was introduced as a new weapon for all Dutch police forces. The report on the introduction draws conclusions in relation to logistical, organisational and educational aspects. This article focuses on the use of pepper spray in police practice, and is based on an analysis of 1882 reports concerning 1603 incidents in which an individual was actually sprayed with pepper spray (one incident can involve more than one officer or suspect).
Officers seem justly satisfied with pepper spray: it makes it possible to effectively control a (potentially) dangerous suspect from a safe distance and without serious consequences. However, compared with the previously held street trials, effectiveness seems to have diminished. Further research will go into factors influencing effectiveness. The availability of pepper spray is often effective in itself, and this preventive effect seems to be getting stronger.

As a result of recommendations made following the street trials, changes have been made in training. These changes have been successful. There are still a number of consideration points, however: cross-contamination of officers and bystanders should be reduced further, officers should not forego the required warning and pepper spray is used too often from a distance of less than 1 meter. All of these matters are an indication of tactical imperfections. In addition, not all suspects arrested with the help of pepper spray received the prescribed after-care. Further points of attention are the questionable improvised use of pepper spray (by rubbing it in the face of a suspect), the use of pepper spray against suspects who are already in handcuffs and against suspects already in custody. Use of pepper spray by off-duty officers was rare, but it is worrying that an unknown number of officers carry pepper spray when off duty, without this matter being subject to regulation.
Six to 15 per cent of all use of pepper spray was against suspects who did not pose any threat to the officer concerned or to others. In light of the painful effects of pepper spray and the discussion that took place during the street trials about the right place of pepper spray in the use-of-force continuum, it is important to ensure that pepper spray is not deployed all too easily. This would not only be in disregard of the principles of subsidiarity and proportionality, but it would also damage the police image and do nothing to promote public acceptance of pepper spray as a proper police weapon.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2003, jrg. 12, nr. 12, p. 15-19

1 Adang, O.M.J. & J.G.B. Mensink (2003) De invoering van pepperspray bij de Nederlandse politie. 'Ik wil dit nooit meer meemaken', Apeldoorn, LSOP.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel