Politie neemt integriteitschendingen serieus; Monitor Interne Onderzoeken Politie op hoofdlijnen over de periode 1999-2000
Geregeld verschijnen er in de media berichten over politieambtenaren die de fout ingaan. Agenten die informatie lekken, een proces-verbaal vervalsen of winkeldiefstal plegen. Berichtgeving in de media kan de indruk wekken dat het een 'foute boel' is bij de politie. Maar klopt dat wel? Zo 'waarschuwde' het weekblad Panorama in 2000 voor 234 agenten met een strafblad, een uitspraak die onder dreiging van een kort geding moest worden gerectificeerd. Wat is nu eigenlijk bekend van de integriteitschendingen die plaatsvinden binnen de politie en de wijze waarop politiekorpsen daartegen optreden? Om hiervan een beter beeld te verkrijgen, is aan de Vrije Universiteit Amsterdam de Monitor Interne Onderzoeken Politie opgezet.
Sinds de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 1995 een 'structurele voorziening' voor intern onderzoek verplicht stelde, beschikken alle regiokorpsen thans over een Bureau intern onderzoek, een Bureau interne zaken, een Bureau interne veiligheid of een Bureau integriteit & security e.d. (hierna bio's genoemd). Deze bio's ondergaan een professionaliseringsslag. Korpsen kijken bij elkaar in de keuken, er is een opleiding voor interne onderzoekers en er worden landelijke conferenties georganiseerd. Met het invoeren van een model registratieformulier door de Raad van Hoofdcommissarissen, is in 2000 nogmaals het belang benadrukt van adequate registratie van intern onderzoek. Het Centrum voor Politiewetenschappen VU heeft het interne onderzoek van de bio's in kaart gebracht met behulp van een nieuw meetinstrument: de Monitor Interne Onderzoeken Politie. Deze bijdrage doet verslag op hoofdlijnen van de resultaten over de jaren 1999-2000. Alle 26 korpsen hebben aan de monitor meegewerkt. Door het in kaart brengen van de integriteitschendingen die door de bio's zijn onderzocht, van de afdoeningen die hierop zijn gevolgd en van de verschillen die daarbij tussen de korpsen in het oog springen, beoogt de monitor een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van het integriteitsbeleid van de Nederlandse politie.
Uit de monitor blijkt dat de wijze waarop de korpsen hun intern onderzoek registreren, nogal varieert waardoor de onderlinge vergelijking soms wordt bemoeilijkt. Het ene korps registreert per onderzoek terwijl het andere per betrokkene of per integriteitschending registreert. Sommige korpsen registreren een samenloop van onderzoeken (oriënterend, disciplinair en strafrechtelijk) als één onderzoek, waar andere deze apart registreren. Niet alle korpsen leverden op alle gevraagde onderwerpen gegevens aan. Zo is er met name weinig informatie bekend over de functie van de onderzochte functionarissen en over de aanleiding tot het onderzoek. Ook zijn de integriteitschendingen niet altijd helder omschreven waardoor bijvoorbeeld niet duidelijk is of de 'seksuele intimidatie' plaatsvond tegen een collega of een burger. Verder registreren sommige korpsen alle interne onderzoeken die in het korps plaatsvinden, ook de onderzoeken door de districten en de rijksrecherche, terwijl andere korpsen uitsluitend bio-onderzoek registreren. Wij hebben hierdoor niet de pretentie dat de monitor een volledig beeld geeft van alle interne onderzoeken die binnen de korpsen plaatsvinden.
Intern onderzoek
De meeste korpsen maken onderscheid naar oriënterend, disciplinair en strafrechtelijk onderzoek. Een oriënterend onderzoek vindt plaats om een signaal van een integriteitschending naar waarde te kunnen schatten en een keuze te kunnen maken tussen een disciplinair of strafrechtelijk traject. Het disciplinaire onderzoek behelst feitenverzameling waartoe het bevoegd gezag - de korpsleiding of de korpsbeheerder - opdracht geeft. Een disciplinair onderzoek is gericht op de vraag of zich plichtsverzuim heeft voorgedaan en vormt de basis voor de beslissing of er disciplinaire consequenties moeten volgens voor de betrokkene. Op basis van een strafrechtelijk onderzoek neemt het Openbaar Ministerie (OM) de beslissing de zaak al dan niet voor de strafrechter te brengen. Een strafrechtelijk onderzoek kan óók of mede tot de conclusie leiden dat er plichtsverzuim heeft plaatsgevonden.
Volgens opgave van de korpsen heeft in de periode 1999-2000 bijna 20 procent van de onderzoeken een oriënterend karakter gehad (tabel 1.). Tegen circa eenderde van de betrokkenen is een disciplinair onderzoek ingesteld en even vaak is een strafrechtelijk onderzoek gestart. Jegens zes procent van de betrokkenen is zowel disciplinair als strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Er blijken grote verschillen te bestaan tussen de korpsen. Sommige doen alleen strafrechtelijk onderzoek en een aantal korpsen verricht geen oriënterende onderzoeken.
Een intern onderzoek kan gericht zijn op meerdere functionarissen ('betrokkenen'). Per betrokkene kan onderzoek zijn verricht naar meer dan één integriteitschending. Volgens opgave van de korpsen hebben er in 1999 totaal 753 interne onderzoeken plaats¬gevonden naar 833 betrokkenen. In 2000 betrof dat totaal 816 onderzoeken naar 892 betrokkenen. De 'betrokkene' kan trouwens ook een onbekende dader zijn (dit kwam 125 keer voor).
De interne onderzoeken worden met name verricht door de bio's (73%) en deels in de lijn of door de rijksrecherche. De interne onderzoeken kunnen betrekking hebben op zowel executieve als administratieve medewerkers binnen een regiokorps: van executief tot administratief. Alle rangen komen voor, maar het merendeel bestaat uit hoofdagenten en brigadiers. Voorzover bekend is een kleine drie procent van de onderzochte functionarissen niet in dienst van de politie, zoals Stadswachten en medewerkers van de dienst parkeerbeheer.
[Tabel 1]
Op basis van het aantal onderzochte en afgedane integriteitschendingen kan geen uitspraak worden gedaan over het werkelijk aantal plaatsgevonden schendingen. Het ontbreken van een intern onderzoek betekent in ieder geval niet dat er tegen de desbetreffende integriteitschending niet is opgetreden, aangezien deze door de directe leidinggevende kan zijn afgehandeld. Er zal bovendien ook sprake zijn van een zeker dark number dat per type integriteitschending varieert. Schendingen met een direct slachtoffer, zoals ongewenste omgangsvormen of geweldgebruik, leiden per definitie vaker tot een melding en daarmee tot een onderzoek dan zogeheten 'slachtofferloze' overtredingen, zoals het lekken van informatie.
Over de aanleiding tot het onderzoek zijn maar van 40 procent van de gevallen gegevens bekend. Daaruit komt het volgende beeld naar voren. Aangifte en klachten door burgers hadden vooral betrekking op geweldgebruik (48%) en misdragingen in de privé-sfeer (13%). Melding door de leidinggevende had vooral betrekking op diefstal (46%) en het niet-nakomen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen (21%), melding door een collega vooral op ongewenste omgangsvormen (29%), misdragingen in de privé-sfeer (18%) en diefstal (16%). CIE-informatie had, evenals informatie uit een strafrechtelijk onderzoek, vooral betrekking op misbruik van informatie (resp. 50% en 37%). Wanneer de aanhouding van de politieambtenaar de aanleiding tot intern onderzoek vormde, had dat in 91 procent van de gevallen betrekking op een strafbaar feit gepleegd in de privé-sfeer.
Resultaten intern onderzoek
Tegen ruim eenderde van de betrokkenen is een disciplinair onderzoek ingesteld en even vaak is een strafrechtelijk onderzoek gestart. Bij 7 procent van de betrokkenen is zowel disciplinair als strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Ruim 20 procent van de onderzoeken was oriënterend. Overige vormen van onderzoek worden bij bijna 4 procent van de betrokkenen genoteerd. Daarbuiten was in acht procent van de betrokkenen het type onderzoek niet bekend. Uit een vergelijking blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de korpsen. Sommigen doen alleen strafrechtelijk onderzoek en een aantal korpsen verricht geen oriënterende onderzoeken.
Van de oriënterende en disciplinaire onderzoeken heeft de monitor bij 20 procent van de betrokkenen geen resultaat kunnen vaststellen. Van de strafrechtelijke onderzoeken geldt dat voor 40 procent van de betrokkenen. Dit komt met name omdat uit de strafrechtelijke sepotbeslissing niet blijkt of de betreffende zaak wel of geen strafbaar feit betrof. Uitgaande van de gegevens die wel bekend zijn, kunnen op hoofdlijnen de volgende conclusies getrokken worden.
Bij driekwart van de disciplinair onderzochte betrokkenen luidt de conclusie dat er sprake was van plichtsverzuim (72%). Bij bijna eenderde van de strafrechtelijke verdachten werd een strafbaar feit geconstateerd (31%). Het verschil in resultaat tussen disciplinair en strafrechtelijk onderzoek zou verklaard kunnen worden uit de verschillen in bewijslast tussen beide vormen van onderzoek. Bij oriënterend onderzoek bleef de dader vaker onbekend (21%) dan bij disciplinair onderzoek (3%) en strafrechtelijk onderzoek (12%).
Ten slotte blijkt tussen de korpsen het resultaat sterk te variëren, namelijk tussen de 20 en 86 procent van de betrokkenen werd wel plichtsverzuim en/of een strafbaar feit geconstateerd. De uitersten worden ingenomen door kleinere korpsen.
Typen integriteitschendingen
Er worden in de monitor twaalf typen integriteitschendingen onderscheiden, te weten: aannemen van steekpenningen (corruptie), diefstal, valsheid in geschrifte (fraude), onverenigbare nevenfuncties, aannemen van giften & kortingen, meineed, misbruik van informatie, ongewenste omgangsvormen, geweldgebruik, het niet voldoen aan arbeidsrechtelijke verplichtingen, opsporingsmethoden en misdragingen in de privé-sfeer (niet in functie). In tabel 2 is in de eerste kolom het percentage betrokkenen per type schending weergegeven. Omdat het onderzoek gericht kan zijn op meer dan één integriteitschending per betrokkene, tellen de percentages niet op tot honderd. De tabel moet zo gelezen worden dat bijvoorbeeld bij 3,8 procent van de betrokken politieambtenaren het onderzoek gericht was op valsheid in geschrifte (fraude). Ditzelfde geldt voor het percentage betrokkenen in de tweede kolom waarbij het onderzoek tot de vaststelling leidde dat er sprake was van plichtsverzuim en/of een strafbaar feit.
Uit tabel 2 blijkt dat de interne onderzoeken zich hoofdzakelijk richten op maar vier verschillende integriteitschendingen, namelijk misdragingen in de privé-sfeer, geweldgebruik, arbeidsrechtelijke verplichtingen en misbruik van informatie. Bij tweederde van alle betrokken politieambtenaren richtte het onderzoek zich op deze top-4. In bijna de helft (48%) van de betrokkenen resulteerden de onderzoeken daadwerkelijk in vaststelling van plichtsverzuim en/of een strafbaar feit. Hiervan beslaat 80 procent misdragingen in de privé-sfeer, arbeidsrechtelijke verplichtingen, ongewenste omgangsvormen en geweldgebruik. Dit hoge percentage kan onder meer worden verklaard door het feit dat in het geval van onderzoek naar schendingen door een bekende 'dader' (zoals bij misdragingen in de privé-sfeer, arbeidsrechtelijke verplichtingen en ongewenste omgangsvormen) de kans toeneemt dat plichtsverzuim of een strafbaar feit ook daadwerkelijk wordt vastgesteld. Bij misbruik van informatie kon er daarentegen relatief vaak geen bekende dader worden aangewezen.
Uit tabel 2 blijkt verder dat de korpsen naar vijf typen integriteitschendingen zelden onderzoek doen, namelijk 'ongewenste nevenfuncties', 'corruptie', 'misbruik van onderzoeksmethoden', 'giften/kortingen' en 'meineed'. Waarom deze gedragingen relatief weinig zijn onderzocht, kan uit de monitorgegevens niet worden opgemaakt. De meest voor de hand liggende verklaring is dat deze vijf schendingen weinig voorkomen. Ook ligt het voor de hand dat sommige integriteitschendingen niet ernstig genoeg zijn voor een intern onderzoek in aanmerking te komen en anderszins (bijvoorbeeld door de lijnchef) worden afgedaan.
Het percentage betrokkenen per type integriteitschending verschilt overigens per korps aanzienlijk. Dit kan bijvoorbeeld bij misdraging in de privé-sfeer variëren van ruim één tot 32 procent van de onderzochte politieambtenaren, bij geweldgebruik van zes tot 42 procent en bij arbeidsrechtelijke verplichtingen van drie tot 50 procent. Deze opmerkelijke verschillen zeggen mogelijk minder over de daadwerkelijk omvang van de integriteitschendingen dan over de aandacht die er voor bepaalde integriteitschendingen is of de mate waarin collega's hiervan melding maken. Nader onderzoek zou dat kunnen uitwijzen.
[Tabel 2.]
Over sommige typen integriteitschendingen zijn geen gegevens bekend omdat de korpsen niet specifiek genoeg registreren. Bij 'misbruik van informatie' maakt de monitor bijvoorbeeld onderscheid tussen lekken van informatie uit lopend onderzoek en uit bestanden en naar wie de informatie gelekt werd: familie, vrienden, bedrijven, criminelen of de pers. Gezien de angst voor lekken naar criminelen, de discussies over het 'old-boys-network' van voormalige politieambtenaren bij beveiligingsbedrijven, of de discussie over sterke familiebanden binnen sommige bevolkingsgroepen, is dit een relevant onderscheid. De korpsen beperken hun registratie echter overwegend tot 'lekken van informatie' waardoor de gewenste gedetailleerde informatie ontbreekt. Ook het slachtoffer van bepaalde integriteitschendingen blijft vaak onbekend. Zo is bij 'geweldgebruik' meestal niet bekend of dit is toegepast op een arrestant in het bureau of tijdens een aanhouding.
'Ongewenste omgangsvormen' kunnen betrekking hebben op collega's, burgers of arrestanten. Dit onderscheid wordt meestal niet gemaakt in de korpsgegevens. Verder maakt de monitor een onderscheid naar discriminatie, seksuele intimidatie, aanranding/verkrachting, bedreiging/intimidatie en ongewenste omgangsvormen. De korpsen gebruiken overwegend de veelomvattende term 'ongewenste omgangsvormen'.
Voor zover de monitor wel informatie per integriteitschending bevat, levert dat het volgende beeld op.
De 'misdragingen in de privé-sfeer' bestaan deels uit gedragingen die een relatie tot het werk hebben, zoals dubieuze contacten met het criminele milieu, misbruik van het politie¬legitimatie¬bewijs of het benaderen en/of misbruik maken van 'slachtoffers/¬hulpzoekers'. Deels uit commune delicten zoals bijvoorbeeld mishandeling, ontucht, vermogensdelicten (diefstal, verduistering, heling en fraude), hasjteelt, drugshandel en rijden onder invloed. Verder omvat het een scala aan gedragingen waaronder alcoholmisbruik.
'Geweldgebruik' betreft voornamelijk fysiek geweld ('mishandeling'). Een enkele keer gaat het om het gebruik van het vuurwapen, geweld door een politiehond, of vernieling. Voor het grootste deel worden onderzoeken verricht naar aanleiding van een klacht van een burger en in een enkel geval naar aanleiding van de wettelijk voorgeschreven geweldsmelding.
Onder het type 'arbeidsrechtelijke verplichtingen' valt een verscheidenheid van gedragingen die betrekking hebben op het te kort schieten ten opzichte van de eigen organisatie. Wat er enigszins uitspringt, zijn ongeoorloofde afwezigheid, onterechte ziekmeldingen en misbruik van bedrijfs¬middelen. Andere voorbeelden zijn autoschade en aanrijdingen in diensttijd. Verder heeft het betrekking op het niet transparant zijn naar de leidinggevenden, het weigeren van een dienstopdracht, het niet in acht nemen van interne procedures en onzorgvuldige omgang met het dienstwapen. Waar privé-gedrag tot uiting komt in het werk, gaat het om tekenen van alcohol- of drugsgebruik, nevenactiviteiten tijdens diensttijd en loonbeslag. Gedragingen die burgers raken, zijn het te kort schieten in dienstbetoon en gebrek aan objectiviteit.
Het type 'diefstal' omvat vooral diefstal van in beslag genomen goederen gevolgd door diefstal van bedrijfsgoederen en eigendommen van collega's. Sporadisch komt diefstal voor van gevonden voorwerpen of van voorwerpen aangetroffen op de plaats delict of tijdens een huiszoeking. In bijna een kwart van de gevallen was het soort diefstal echter niet geëxpliciteerd.
'Valsheid in geschrifte' kan onder meer betrekking hebben op onjuist rapporteren in een proces-verbaal en het onjuist invullen van declaratieformulieren of werktijden.
Afdoening integriteitschendingen
Het is aan het bevoegd gezag een passende reactie te formuleren op gepleegd plichtsverzuim. Dit kan liggen in de repressieve sfeer door het opleggen van een sanctie zoals bijvoorbeeld (voorwaardelijk) ontslag. Ontslag kan tevens worden opgelegd vanwege ongeschiktheid voor het ambt. Naast een disciplinaire of strafrechtelijke sanctie zijn er ook andere afdoeningen mogelijk. Verplaatsing naar een andere werkplek of functie is wettelijk gezien geen sanctie maar een bedrijfsmatige maatregel die kan worden getroffen in het belang van de bedrijfsvoering. Het plichtsverzuim kan daarnaast als signaal worden gezien van structurele aard dat moet leiden tot bijvoorbeeld het aanpassen van procedures of het nemen van organisatorische maatregelen.
In ruim een derde van de gevallen heeft het onderzoek geen gevolgen gehad omdat er geen sprake was van plichtsverzuim, geen strafbaar feit werd geconstateerd, de dader onbekend bleef of er sprake was van een strafrechtelijk sepot (36,2%). Maar als het onderzoek wel plichtsverzuim en/of een strafbaar feit oplevert, wordt vrijwel altijd actie ondernomen. In maar vier gevallen is geen afdoening getroffen hoewel het onderzoek wel tot de conclusie leidde dat er sprake was van plichtsverzuim of strafbaar feit. Uit de monitorgegevens blijkt dat er in 53 gevallen waarin geen plichtsverzuim of een strafbaar feit is geconstateerd, desalniettemin maatregelen zijn genomen. Dit betreft met name het voeren van een gesprek, maar ook bedrijfsmatige maatregelen kwamen voor. Zowel vastgestelde als mogelijke integriteitschendingen worden dus serieus afgehandeld!
Uit tabel 3 blijkt dat in de periode 1999-2000 totaal 845 integriteitschendingen zijn afgedaan met ontslag, disciplinaire sanctie, strafrechtelijke vervolging of met een afdoening anders. Dat is 44 procent van het totaal aantal afdoeningen. Deze afdoeningen hadden betrekking op 49 procent van de bij het onderzoek betrokken politieambtenaren. Aangezien tegen een betrokkene meerdere sancties of maatregelen getroffen kunnen worden, tellen ook in tabel 3 de percentages niet door tot 100 procent en moeten bijvoorbeeld worden gelezen als: tegen 3,5 procent van de betrokkenen is de bedrijfsmatige maatregel overplaatsing genomen.
Het aantal ontslagen per jaar ontliep elkaar niet veel. In 1999 zijn 83 politieambtenaren ontslagen; dit waren er in 2000 totaal 93. Het aantal gevallen van ontslag ligt hiermee op een jaarlijks gemiddelde van plm. één politieambtenaar per 500 medewerkers. In beide jaren werden evenveel, namelijk voor 41 politieambtenaren, strafontslag aangezegd, dat wil zeggen ontslag zonder aanspraak op een uitkering. In 1999 hebben 24 politieambtenaren zelf ontslag genomen en in 2000 waren dat er 19. De categorie ontslag anders heeft betrekking op ongeschiktheidsontslag en het niet verlengen van tijdelijk dienstverband.
[Tabel 3.]
De strafrechtelijke afdoeningen was als volgt. Aan 38 politieambtenaren werd een transactie aangeboden variërend van ƒ 300,- tot ƒ 7800,-. Een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken tegen 27 politieambtenaren. Over het geheel variëren daarbij de boetes van ƒ 250,- tot ƒ 3000,- terwijl dienstverlening varieerde van 100 tot 240 uur, de voorwaardelijke gevangenisstraf van één week tot één jaar en de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 dagen tot vijf maanden. Aan eerlijkheidsdelicten wordt kennelijk zwaar getild want de gevangenisstraf van vijf maanden plus een boete en ontslag betrof een onderzoek naar meineed terwijl een straf van 40 dagen gevangenisstraf plus een boete van ƒ 3000,- werd opgelegd wegens het onjuist rapporteren in een proces-verbaal (valsheid in geschrifte). Strafrechtelijke veroordelingen betreffen voornamelijk geweldgebruik (in negen gevallen) en misdragingen in de privé-sfeer (elf keer).
In de afdoeningen blijken opmerkelijk grote verschillen tussen de korpsen te bestaan. Het aantal betrokkenen dat geen gevolgen ondervindt van een intern onderzoek verschilt van 3 tot 43 procent. Hetzelfde percentage geldt voor het aantal ontslagen. De overige disciplinaire sancties lopen uiteen van ongeveer 10 tot 50 procent en de bedrijfsmatige maatregelen van 0 tot 23 procent. Ook voor de strafrechtelijke afdoeningen blijken duidelijke verschillen tussen korpsen.
Uit tabel 4 blijkt dat ontslag bij alle vastgestelde integriteitschendingen aan de orde is, het meest bij misdragingen in de privé-sfeer en fraude (valsheid in geschrifte) en het minst bij misbruik van de geweldbevoegdheid. Daarnaast blijkt dat integriteitschendingen die zich binnen de organisatie afspelen, zoals fraude (valsheid in geschrifte), ongewenste omgangsvormen (tegen collega's), het niet nakomen van arbeidsrechtelijke verplichtingen en diefstal relatief vaak tot disciplinaire sancties leiden. Dit geldt ook voor misdragingen in de privé-sfeer.
[Tabel 4.]
Het niet voldoen aan arbeidsrechtelijke verplichtingen wordt relatief vaak gevolgd door een waarschuwingsbrief, een gesprek en bedrijfsmatige maatregelen zoals overplaatsing. Fraude leidt tot een relatief hoog aantal ontslagen (23,1%) en disciplinaire sancties (42,3%) maar daarentegen naar verhouding minder vaak tot het nemen van bedrijfsmatige maatregelen e.d. Misdragingen in de privé-sfeer leiden tot een relatief hoog percentage ontslagen (23,5) en strafrechtelijk vervolg (13). Ongewenste omgangsvormen leiden relatief vaak tot de toepassing van bedrijfsmatige maatregelen zoals overplaatsing en het starten van een functioneringstraject.
Korpsen vergeleken
Politiekorpsen stellen zelf de inzetcriteria van hun Bureau Interne Onderzoeken vast en kennen een grote beslissingsvrijheid ten aanzien van het nemen van passende maatregelen of het opleggen van sancties vanwege plichtsverzuim. Bij de afhandeling van integriteitschendingen mogen dus tussen de korpsen aanzienlijke verschillen worden verwacht. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Om hierop zich te krijgen zijn de belangrijkste monitorgegevens in tabel 5. gepresenteerd per regiokorps. De gegevens kunnen vragen oproepen die het bestek van dit artikel te buiten gaan. Zo is het amper of niet mogelijk nader in te gaan op de mogelijke verklaringen voor de verschillen. Deze kunnen liggen in de strenge of lankmoedige houding van de korpsleiding, maar net zo goed ook in de ernst van de integriteitschendingen die zich hebben voorgedaan in de onderzochte jaren. Dat laatste sluit weer niet uit dat korpsen met een goed functionerend bio en een grote alertheid ten aanzien van integriteitschendingen, hogere aantallen betrokkenen en sancties laten zien dan korpsen die minder prioriteit geven aan de handhaving van integriteit. Daarnaast is er sprake van kleine aantallen waarbij het toeval een grote rol kan spelen. De gepresenteerde cijfers dienen dan ook met de nodige terughoudendheid te worden geïnterpreteerd.
[Tabel 5]
Tabel 5 presenteert de aantallen betrokkenen en aantallen sancties per korps, waarbij de gegevens over de jaren 1999-2000 zijn gemiddeld en zijn vertaald naar het aantal per 500 medewerkers. De tweede kolom van de tabel moet bijvoorbeeld dus zo worden gelezen dat er in Zaanstreek-Waterland 12,2 op de 500 medewerkers onderwerp van intern onderzoek zijn geweest in een jaar. De tabel is gerangschikt naar het aantal sancties per 500 medewerkers, zoals vermeld in de derde kolom.
De derde kolom van de tabel vermeldt het totaal aantal opgelegde sancties per 500 medewerkers. De sancties betreffen de harde kern van de afdoeningen, dat wil zeggen disciplinaire sancties (vierde kolom), ontslag (vijfde kolom) en strafrechtelijke sancties (zesde kolom). De disciplinaire sancties staan voor de in de wet genoemde sancties, zoals voorwaardelijk ontslag, salarismaatregelen en schriftelijke berisping. Bij 'ontslag' zijn alle vormen van ontslag meegeteld, dus strafontslag, ongeschiktheidontslag en ontslag op eigen verzoek. Als strafrechtelijke sanctie is aangemerkt een transactie en een strafrechtelijke veroordeling. De enkele beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan, is dus niet meegerekend. Gemiddeld genomen was van 86 procent van de betrokkenen de afdoening bekend. Zeeland en de KLPD zijn met slechts drie procent bekende afdoeningen wat betreft het aantal opgelegde sancties buiten beschouwing gebleven.
Tabel 5 laat enkele opmerkelijke verschillen zien. Flevoland onderwierp per 500 medewerkers naar verhouding het grootste aantal medewerkers aan intern onderzoek (19,6), gevolgd door Zeeland (19), Amsterdam-Amstelland (16,2) en Friesland (15,4). Het kan zijn dat in deze korpsen relatief streng tegen integriteitschendingen wordt opgetreden en het intern onderzoek laagdrempelig is. Het kan ook zijn dat in de onderzochte periode zich naar verhouding veel integriteitschendingen hebben voorgedaan. Aan de andere kant van dit spectrum staan Hollands Midden en Midden- en West-Brabant (4,7), het KLPD (4,1) en Kennemerland (3,0) waar naar verhouding naar weinig politieambtenaren onderzoek is gedaan. Dat laatste behoeft niet te betekenen dat er minder tegen integriteitschendingen wordt opgetreden. Het kan zijn dat in die korpsen in de onderzochte periode weinig integriteitschendingen plaats hebben gevonden. Zaken kunnen ook informeel in de lijn zijn afgedaan.
Het aantal opgelegde sancties per 500 medewerkers zou een indicatie kunnen zijn van een streng integriteitbeleid dan wel van een hoog aantal vastgestelde integriteitschendingen. De twee korpsen die naar verhouding de meeste sancties hebben opgelegd, zijn Zaanstreek-Waterland (5,2) en Gooi en Vechtstreek (4,8), de twee kleinste korpsen, gevolgd door de twee grootste korpsen Amsterdam-Amstelland (4,5) en Rotterdam-Rijnmond (4,3). Relatief de minste sancties per 500 medewerkers werden opgelegd in Zuid-Holland-Zuid (1,5) en Midden- en West–Brabant (1,4), zij het dat van de laatstgenoemde korpsen maar tweederde van de afdoeningen bekend was. Dat Zaanstreek-Waterland relatief de meeste sancties heeft opgelegd, is met name toe te schrijven aan het aandeel minder ingrijpende disciplinaire sancties daarin.
In de meeste korpsen is het aantal ontslagen politieambtenaren per 500 medewerkers kleiner dan het aantal dat een disciplinaire sanctie opgelegd krijgt. In Noord- en Oost-Gelderland is deze verhouding het meest uitgesproken (resp. 0,2 en 3,7). In enkele korpsen ligt de verhouding omgekeerd: het aantal ontslagen is daar groter dan het aantal andere disciplinaire sancties. In Gooi en Vechtstreek zijn bijvoorbeeld drie keer zoveel medewerkers ontslagen dan het aantal medewerkers dat een disciplinaire sanctie kreeg opgelegd (resp. 4,8 en 2,6) terwijl dat in Amsterdam-Amstelland anderhalf keer zo veel was (resp. 2,4 en 1,6). In hoeverre deze verschillen samenhangen met de strengheid dan wel mildheid waarmee tegen integriteitschendingen wordt optreden, laat zich op grond van de monitorgegevens niet vaststellen.
Uit tabel 5 blijkt verder dat het opleggen van een strafrechtelijke sanctie aan een politieambtenaar tamelijk zeldzaam is. Alleen Gooi en Vechtstreek, Rotterdam-Rijnmond en Limburg-Zuid kennen meer dan één veroordeelde politieambtenaar per 500 medewerkers. Of het OM in deze arrondissementen strenger optreedt, laat zich op grond van de monitorgegevens niet vaststellen. Het betreft geringe aantallen waarbij het toeval een grote rol kan spelen.
De laatste kolom van tabel 5 geeft een beeld in welke mate intern onderzoek voor de betrokken politieambtenaren heeft geresulteerd in het opleggen van een sanctie. Het vaakst was dit het geval in Gooi en Vechtstreek (39,3%), gevolgd door Kennemerland en Brabant-Zuid-Oost (31,3%). Aan de andere kant zijn er korpsen met een uitgesproken laag percentage zoals Twente (9) Zuid-Holland-Zuid (8,8) en Flevoland (7,3). In deze laatste korpsen werd minder dan één op de tien politieambtenaren die bij het intern onderzoek waren betrokkenen, een sanctie opgelegd. Flevoland neemt daarmee een bijzondere plaats in omdat naar verhouding daar de meeste medewerkers aan een intern onderzoek waren onderworpen (19,6 op 500).
Conclusies
De Monitor Interne Onderzoeken Politie is een nieuw meetinstrument dat voor het eerst is toegepast op de jaren 1999 en 2000. Door gerichte bevraging van de bio's zijn per politiekorps de kerngegevens verzameld met betrekking tot het interne onderzoek naar en de afdoening van integriteitschendingen. De monitor maakt voor het eerst mogelijk dat er verbanden worden gelegd tussen bijvoorbeeld het type schending en de wijze van afdoening. Het resultaat van de monitor is gebaseerd op 1569 gevallen van geregistreerd intern onderzoek waarbij totaal 1725 politieambtenaren betrokken waren. In de onderzochte periode zijn er dus jaarlijks gemiddeld 9,6 politieambtenaren per 500 personeelsleden voorwerp van intern onderzoek geweest. Op basis van de monitorgegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
Intern onderzoek vindt plaats naar een verscheidenheid aan integriteitschendingen. Hoewel het maatschappelijk oordeel over de integriteit van de politieorganisatie in belangrijke mate wordt bepaald door schendingen in de sfeer van eerlijkheid en onkreukbaarheid, wordt dit soort integriteitschendingen sporadisch vastgesteld. Het percentage politieambtenaren waarbij fraude (valsheid in geschrifte), corruptie (aannemen van steekpenningen) en meineed werd vastgesteld, maakte maar 6 procent uit van het totaal aantal onderzochte politieambtenaren. Hier tegenover staat dat misdragingen in de privé-sfeer, het niet nakomen van arbeidsrechtelijke verplichtingen en ongewenste omgangsvormen samen goed waren voor 68 procent. Een substantieel deel van de vastgestelde integriteitschendingen betreft dus vooral het gedrag binnen de eigen organisatie.
In bijna de helft van de gevallen (47%) heeft het onderzoek geen gevolgen gehad omdat er geen sprake was van plichtsverzuim, geen strafbaar feit werd geconstateerd, de dader onbekend bleef of omdat een strafrechtelijk sepot volgde. Maar wanneer wél plichtsverzuim en/of een strafbaar feit wordt vastgesteld, wordt zonder meer actie ondernomen. In 13 procent van de gevallen leidde dat tot ontslag, in 19 procent tot een disciplinaire maatregel, in 7 procent tot een strafrechtelijke sanctie en in 23 procent tot een maatregel zoals overplaatsing of een (schriftelijke) waarschuwing. Vastgestelde integriteitschendingen worden dus serieus afgehandeld.
Het percentage politieambtenaren dat bij een bepaald type integriteitschending betrokkenen is, verschilt per korps aanzienlijk. Dit kan bijvoorbeeld bij 'misdragingen in de privé-sfeer' variëren van 1 tot 32 procent, bij 'geweldgebruik' van 6 tot 42 procent en bij 'arbeidsrechtelijke verplichtingen van 3 tot 50 procent. Nader onderzoek zou kunnen uitwijzen in hoeverre de verschillen samenhangen met bijvoorbeeld korpsgrootte, inzetcriteria van de bio's, korpscultuur, het gevoerde integriteitsbeleid, het daadwerkelijk plaatsvinden van schendingen of de mate waarin collega's van de schendingen melding maken. Een meer uniforme en inhoudelijke registratie van het interne onderzoek zou daaraan kunnen bijdragen. Op basis van de monitorgegevens dient nu nog vanwege de beperkingen van de korpsregistraties de nodige terughoudendheid te worden betracht bij het trekken van conclusies met betrekking tot de verschillen tussen de korpsen.
Integriteitschendingen tasten het vertrouwen in de politie aan. Aandacht voor deze schaduwzijde van het politiewerk brengt het risico met zich mee dat het aanzien van de politie wordt aangetast, dat het beeld ontstaat dat de politie niet deugt. De resultaten van de Monitor Interne Onderzoeken Politie geven daartoe geen aanleiding. Vast staat dat de Nederlandse politiekorpsen bereid zijn geweest gevoelige informatie ter beschikking te stellen afkomstig uit hun intern integriteitonderzoek, hetgeen in de meeste Europese landen ondenkbaar is. Met deze openheid van zaken is voldaan aan een belangrijke voorwaarde voor een professionele waarborging van de politiële integriteit.
Summary
The monitor of Internal Police Investigations is a new measurement that was first applied in the years 1999 and 2000. By directly asking for the personal details, essential data has been gathered from police forces with respect to internal investigation and handling of breaches of integrity. The monitor makes it possible for the first time to make connections between for example the type of breach and the way in which it is handled. The results of the monitor are based on 1569 cases of registered internal investigation, in which a total of 1725 police officers were involved. In the period under investigation an average of 9.6 police officers per 500 were the subject of an internal investigation. On the basis of the monitor data the following conclusions can be drawn.
There are internal investigations into a wide range of breaches of integrity. Although public opinion about the integrity of the police organisation is to an important extent determined by breaches in the areas of honesty and uprightness, this sort of breach is rarely found. The percentage of police officers who are proven to have committed fraud (forgery), corruption (accepting bribes) or perjury is only 6% of the total of officers investigated. In contrast to this, offences in the private sphere, such as failure to meet obligations under labour laws, or undesirable forms of conduct, made up 68% of the total. A substantial proportion of the proven breaches of integrity refer thus to behaviour within the organisation.
In almost half of the cases (47%), the investigation has had no result because there was no dereliction of duty, no offence was committed, the perpetrator remained unknown or the criminal case was dismissed. However, when dereliction of duty and/or a criminal act was proven, action was always taken. In 13% of the cases this resulted in dismissal, in 19% to disciplinary action, in 7% to criminal proceedings and in 23% to measures such as transfer or a (written) warning. Proven breaches of integrity are thus treated seriously.
Breaches of integrity reduce trust in the police. Attention paid to the dark side of police work brings with it the risk that respect for the police will be damaged, and an image will be created that the police are no good. The results of the monitor of Internal Police Investigations do not support this conclusion. It is clear that the police in the Netherlands have been prepared to give access to sensitive information resulting from their own internal integrity investigations, something that would be unthinkable in most European countries. This openness satisfies an important precondition for professional guarantee of police integrity.

Reageer op dit artikel