Politieacties in historisch perspectief

Door Dr. R. van der Wal; Ronald van der Wal is werkzaam bij de Politieacademie, 01 juni 2008 09:08 uur0 Waardering:

De onderhandelingen voor de nieuwe Politie-CAO zij niet bepaald soepel verlopen. Over en weer beschuldigden de partijen elkaar van onduidelijk gedrag en koppigheid. In de NRC van 15 maart 2008 verbaasde minister Ter Horst zich over de woede van de politiebonden. Toch is het niet de eerste keer dat de bonden boos zijn. Meerdere malen dreigden de politiebonden met harde acties en in meerdere gevallen zetten zij dit dreigement ook kracht bij. Dit artikel laat zien hoe het actievoeren bij de politie zich vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft ontwikkeld van een eerste, nog schuchtere protestbijeenkomst tot stiptheidsacties en werkonderbrekingen.

 

Samenwerking in de Centrale van Politieorganisaties
Lange tijd werkten de grote politiebonden, Nederlandse Politie Bond(NPB), het RK St. Michaël en de Bond van Christelijke Politieambtenaren in Nederland(BCPN)  samen in de Centrale van Politieorganisaties (CPO). Dit verband kwam direct na de bevrijding tot stand. Andere organisaties zoals de Bond van Hogere Politieambtenaren(BHP), de voorloper van de huidige VMHP en Rijkspolitievereniging, de voorloper van de ANPV, werden lange tijd geweerd.
Binnen de CPO behielden de drie bonden hun eigen identiteit en zelfstandigheid. De belangrijkste waarborg voor samenwerking was de afspraak dat de bonden rond concrete kwesties als de arbeids-voorwaarden, de arbeidsomstandigheden steeds eensgezind naar buiten zouden treden. De statuten lieten alleen ruimte voor een gezamenlijk standpunt. In de praktijk leverde dit nog wel eens moeilijk-heden op, want de bonden verschilden sterk van karakter. De NPB gedroeg zich het meest radicaal. Hij riep vaak als eerste om acties. St Michaël nam een middenpositie in, maar schoof gedurende de jaren vijftig steeds meer naar de linkerflank. De BCPN was de meest behoudende. Acties ging hij zo lang mogelijk uit de weg.

 

De eerste na-oorlogse kwestie
Hoe essentieel de samenwerking was bleek wel uit de eerste na-oorlogse kwesties, waarvan de salarië-ring er één was. Sinds de invoering van een nieuw salarisstelsel, in het voorjaar van 1943, was het politiesalaris niet meer verhoogd. Volgens de buitenwereld was de politie er fors op vooruit gegaan. De salarissen waren verhoogd en er kwam een ziektekostenverzekering met een riante dekking voor de ambtenaar en zijn gezin.
Deze voordelen werden na de oorlog al snel te niet gedaan door de snel oplopende inflatie. De buitenwereld geloofde echter nog steeds dat de politie een financiële voorsprong had op het andere overheidspersoneel. Daarom kregen rijks- en gemeenteambtenaren in 1945 en 1946 tot twee maal toe een salarisverhoging. De politie kreeg niets.
Hoewel de CPO alle reden had om actie te voeren voor een beter salaris deed zij dit niet. Het zat de centrale nog niet in het bloed. Veel meer hanteerde zij de vooroorlogse werkwijze van petities en rapportages, waarin zij de aandacht vestigde op de belabberde financiële positie van het politiepersoneel. In haar berichten aan de regering gaf zij een ontluisterend beeld van jonge agenten die in fiere armoede leefden. Velen van hen moesten bijklussen om thuis de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Anderen verkozen een beter betaalde baan buiten de politie. De BCPN waarschuwde in dit opzicht zelfs voor aantasting van de integriteit van het politiepersoneel. 
Al deze aandacht leverde uiteindelijk een officieel onderzoek op naar de verhouding tussen de inhoud van de politiefunctie en de salariëring. Dit onderzoek wees uit dat de politieman te maken kreeg met verzwarende factoren, waardoor zijn werk er aanmerkelijk anders uitzag dan dat van andere ambtenaren. Deze waren: onder meer het lagere pensioen door geringere diensttijd, een groter gevarenrisco, onregelmatige dienst, onvermijdelijk overwerk, volkomen integriteit en politieke betrouwbaarheid en de noodzaak om voortdurend in goede fysieke en psychische conditie te blijven. Toch werden deze verzwarende factoren uiteindelijk maar in beperkte mate in het salaris verdisconteerd.


De eerste politieactie: het pensioencongres van 1950
De eerste echte vakbondsactie werd in 1950 georganiseerd. De aanleiding hiertoe was de verlaging van de pensioenleeftijd van politieambtenaren te naar 55 jaar. Deze maatregel had voor veel politie-mensen ernstige gevolgen omdat zij dan niet meer in staat zouden zijn om een volwaardig pensioen op te bouwen. Bovendien was het niet de bedoeling dat de vrijgevallen werkplekken werden opgevuld met nieuwe politiemensen. Dit maakte de maatregel tot een ordinaire bezuinigingsmaatregel. De CPO was verbolgen. Niet alleen vanwege de rampzalige gevolgen van deze maatregel, maar ook omdat de regering haar niet formeel van dit voornemen in kennis had gesteld. Zij had het nieuws uit de krant moeten vernemen.
De pensioenmaatregel vroeg om een krachtige reactie. De voorzitter van St-Michaël, Körner, stelde in oktober 1949 voor om een groot congres te organiseren met ministers, kamerleden, burgemeesters en de pers. Iedere bond zou de vertegenwoordigers van zijn eigen zuil benaderen. Dan kon de CPO haar standpunt in brede kring uitdragen. Om te voorkomen dat de bijeenkomst in een ordinaire scheldpartij zou ontaardden, mocht er niet worden gedebatteerd. De NPB voelde wel voor dit idee, maar de BCPN was tegen. Voorzitter Van Netten vond het te provocatief. Hij vreesde dat de bijeenkomst een negatieve weerslag zou hebben op arbeidsverhoudingen.  Veel liever bewandelde hij de diplomatieke weg, bestaande uit besprekingen met Tweede Kamerleden en de betrokken ministers. Omdat de CPO-statuten een absolute eensgezindheid voorschreven, moesten de NPB en St. Michaël water bij de wijn doen, zij het onder voorwaarde dat de besprekingen op korte termijn iets moesten opleveren. Anders organiseerden zij alsnog een protestbijeenkomst. Het overleg leverde uiteindelijk niets op. De BCPN moest nu wel meedoen.
Het congres vond op 23 januari 1950 plaats in Den Haag. De opkomst was boven verwachting. Afgezien van de beide politieministers, die van stek lieten gaan, waren er tal van politici, hoge ambtenaren. persmensen en meer dan duizend politiemensen. De drie bondsvoozitters hielden ieder een betoog. Tussen de regels door bleek dat zij niet alleen stelling namen tegen pensioenmaatregel maar ook tegen de hiermee gepaard gaande inkrimping van de sterkte. De aanwezige politiemensen reageerden enthousiast. Er werd steeds langdurig geapplaudisseerd. In een gezamenlijke resolutie namen de politiebonden aan het einde van de vergadering openlijk afstand van het regeringsbeleid.
De regering was onaangenaam verrast door alle kritiek. Een dergelijk aanvallende houding was zij van de politiebonden niet gewend. In het eerstvolgende overleg met het departement van Binnenlandse Zaken kreeg de CPO de wind van voren. Het hoofd van de afdeling Openbare Orde en Veiligheid, Mijnlieff, noemde de aanpak onchristelijk en asociaal. Hij vond dat de CPO met het congres de spelregels van het overleg had geschonden. De CPO kaatste de bal onmiddellijk terug en verweet de regering dat er helemaal geen overleg had plaatsgevonden. De regering immers niet de moeite genomen om de politiebonden formeel van haar plannen op de hoogte te brengen.
Hoewel het pensioencongres niets tastbaars opleverde en de pensioenmaatregelen onverkort werden ingevoerd, had de actie van 1950 een grote morele en publicitaire waarde. De CPO had openlijk stelling genomen tegen de regeringsplannen. Kamerleden en pers waren gemobiliseerd en hadden het conflict alle aandacht gegeven.


De eerste protestmars van 1960
In 1960 ging het politiepersoneel voor het eerst de straat op. Ditmaal was een langdurig conflict over de vaststelling van een nieuw salarisstelsel de aanleiding. Op aandringen van de politiebonden had de regering tussen 1957 en 1960 een functieonderzoek laten verrichten door een commissie onder leiding van de burgemeester van Hilversum, Boot. Dit onderzoek bevestigde opnieuw dat er sprake was van bijzondere waarderingsfactoren, te weten: onregelmatig werk, volkomen integriteit voor de politieambtenaar èn zijn gezin en de verhuisplicht voor leden van het Korps Rijkspolitie.
De verwachtingen onder het politiepersoneel waren van begin af aan hooggespannen. Men was ervan overtuigd dat de regering de uitkomsten van het onderzoek niet zo maar naast zich neer kon leggen. Het geduld werd van de politie werd echter danig op de proef gesteld. Eerst werd de dead-line van 1 februari 1960 niet gehaald. Vervolgens hield de regering de onderzoeksresultaten ge-heim. Ondertussen lekten mondjesmaat de eerste conclusies uit, op grond waarvan de CPO alvast een salariseis van tien procent voor de lagere rangen indiende.
Pas op 28 juni 1960 kregen de politiebonden de rapportage toegestuurd. Het rapport sprak inder-daad van achterstanden met betrekking tot de salariëring. Het bevatte tevens een voorstel voor een nieuw salarisstelsel. De regering liet echter weten alleen de overwerkregeling te willen herzien.
Het politiepersoneel was woedend. Men voelde zich letterlijk belazerd! De hoofdbesturen stonden onder zware druk. Meerdere bondsafdelingen riepen op tot harde acties. De hoofdbestuursleden maanden de boze leden tot kalmte. Zij moesten zich toch vooral waardig gedragen. Tot acties wilden zij in dit stadium nog niet overgaan. De NPB en St. Michaël stelden voor om een evenals in 1950 een congres te organiseren om de salariskwestie onder de aandacht van de pers en de poli-tiek te brengen. De BCPN aarzelde. De protestants-christelijke bond was ook nu weer terughou-dend en wilde eerst nog een keer overleg voeren met de regering. Dit overleg leverde niets op. Minister van Binnenlandse Zaken Toxopeus gaf in bedekte termen te kennen zich niet aan de con-clusies van het rapport Boot te willen binden.
De CPO moest nu wel tot actie overgaan. Op stel en sprong organiseerde de centrale een salaris-congres in Den Haag. Vijfhonderd politiemensen, pers en politici bezochten deze vergadering. De bondsvoorzitters spraken hun teleurstelling uit over de starre houding van de regering. Na afloop besloten de aanwezige politiemensen spontaan in optocht op te trekken naar de regeringsgebouwen. Zij voerden protestborden mee met leuzen als “Veel beloven, weinig geven, doet de politie in armoe leven” en “Een man een man, een woord een woord”. 
De protestmars baarde buitengewoon veel opzien. Wanneer de politie de straat op ging, dan moest de nood wel hoog zijn, redeneerden de dagbladen. Maar niet alleen de media hadden alle begrip voor het politiepersoneel, ook de politiek roerde zich. Minister Toxopeus kreeg het in de Tweede Kamer zwaar te verduren. Aan het einde van het debat gaf hij dat de politie beter verdiende. Maar tegelijkertijd maande hij tot voorzichtigheid, omdat hij vreesde dat er van een algehele verbetering van het politiesalaris een precedentwerking zou uitgaan naar andere beroepsgroepen, zoals de verpleging en het onderwijs. Het is dus niet voor het eerst dat deze groepen met elkaar in verband worden gebracht.
Nadat er nog eens zes maanden waren verstreken, kwam de regering in december 1960 alsnog met een nieuw salarisstelsel dat in grote lijnen overeenstemde met de voorstellen van de Commissie Boot. Dit stelsel werd in de zomer van 1962 ingevoerd. Toxopeus gaf toen ook in de Tweede Kamer toe dat de politie “jarenlang was zoet gehouden met de gedachte straks komt er wel.”

 

1970: De eerste stiptheidsacties
De toenemende invloed van de vakbeweging die zich na de periode van wederopbouw steeds krachtiger begon te manifesteren is zeker van invloed geweest op het gedrag van de politiebonden. De protestmars door Den Haag is hier een voorbeeld van. Wat andere vakorganisaties konden, konden de politiebonden ook! In 1970 voegden de politiebonden een nieuw actiemiddel aan het repertoire toe: de stiptheidsactie.
1970 staat in de vakbondsgeschiedenis te boek als een onstuimig jaar. De aankondiging van de regering om via wettelijke maatregelen de voortdurende loonstijgingen af te remmen, stuitte op felle protesten.  
Bij de politie speelde meer dan alleen het salaris. De maatschappelijke ontwikkelingen van de jaren zestig hadden het politiewerk aanzienlijk veranderd. De criminaliteit groeide, er waren meer grootschalige ordeverstoringen en meer geweldsincidenten gericht tegen politieambtenaren. Politiemensen klaagden over de verzwaring van hun arbeidsomatsandigheden. Daarbij kampte de politie met een groeiend personeelstekort. Veel politiemensen konden de financiële verlokkingen van het bedrijfsleven moeilijk weerstaan en vertrokken. Hierdoor nam de werkdruk extra toe. dat er een verband werd gelegd tussen de oplopende werkdruk en de salariëring was dan ook niet verwonderlijk. Dat het politiepersoneel deze toenemende werkdruk in verband bracht met het salaris was onvermijdelijk.
De bom barstte in augustus 1970. Eerst waren er hevige rellen in de hoofdstad, toen de politie zogeheten damslapers verwijderde bij het Nationaal Monument. Het tweede incident vond plaats op 31 augustus. Die dag vond de Haagse politieman Molenaar de dood toen Molukse extremisten de residentie van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar bezetten. Het politiepersoneel reageerde geschokt. De politiebonden eisten meer aandacht voor veiligheid en tegelijk een financiële compensatie voor de toegenomen werkdruk.
De politiebonden hadden de publieke opinie op hun hand. Wetenschappers, politici en pers waren vol begrip voor de situatie waarin de politie verkeerde. Zij beaamden dat het politievak in de loop der jaren veel zwaarder was geworden. Een financiële tegemoetkoming was zeker op zijn plaats.
Minister van Binnenlandse Zaken, Beernink, zocht de oplossing echter vooral in het verstrekken van meer technische en mobiele middelen, zoals nieuwe portofoons, surveillancewagens en de bouw van nieuwe politiebureau’s. Tevens vond hij dat de politie haar werk beter moest organiseren, met minder aandacht voor het zogeheten “kruimelwerk” zoals fietsen- en winkeldiefstallen. Een loonsverhoging zat er op korte termijn voorlopig niet in. Hij wilde de werkdruk hooguit compenseren met een eenmalige uitkering van 500 gulden. Voor een algehele salarisverhoging vond hij het nog te vroeg. Eerst wilde hij onderzoeken of het politiewerk nu werkelijk zoveel zwaarder was geworden.
Het politiepersoneel was gegriefd. Beerninks aanbod was in de ogen van veel politiemensen niet meer dan een “beledigende fooi”. Overal in het land organiseerden de bondsafdelingen protestbijeenkomsten. De kritiek op de regering was snoeihard.
Eind oktober besloot de CPO om zich aan te sluiten bij de acties van de grote vakcentrales tegen de loonmatiging. Het was strategisch gezien een goede zet. De politieacties en die van de vakcentrales konden dan worden gecombineerd en tevens kon worden voorkomen dat het geschil tussen de regering en de politiebonden als een geïsoleerd conflict zou worden beschouwd. Dit besluit stelde de CPO echter wel voor een nieuw dilemma, want de vakcentrales hadden 15 december uitgeroepen tot een landelijke stakingsdag. Het was de vraag of het politiepersoneel ook aan deze actie kon deelnemen. Voor ambtenaren gold namelijk een wettelijk stakingsverbod en hier wilde de CPO zich in ieder geval aan houden. In een circulaire aan de leden legde zij uit dat dit verbod niet betekende dat er überhaupt geen acties mogelijk waren. Wat wel mogelijk was waren bijvoorbeeld stiptheidsacties, waarbij men door het letterlijk opvolgen van de voorschriften het werkproces vertraagde. De essentiële hulpverlening bij verkeersongevallen, brand, enz. kortom alle gevallen die onmiddellijk politieoptreden noodzakelijk maakten mocht in het gedrang komen.
De regering beschouwde de circulaire als een stakingsoproep en hiermee hadden de politiebonden in haar ogen de grens van het toelaatbare overschreden. Die opvatting ventileerde zij ook naar de pers. Op 13 december 1970 riep minister Beernink de bondsvoorzitters ter verantwoording op zijn departement. De voorzitters ontkenden met klem ooit aan staken te hebben gedacht, laat staan hiertoe te hebben opgeroepen. De regering had volgens hen de circulaire volkomen verkeerd geïnterpreteerd, en erger nog, de politiebonden publiekelijk in een kwaad daglicht gesteld. De bonden eisten een formele rectificatie, waaraan de bewindsman met tegenzin voldeed. Op 15 december 1970 legden honderddui-zenden Nederlanders een uur lang het werk neer. Veel politiemensen voerden stiptheidsacties uit.
Het conflict eindigde uiteindelijk onbeslist. Behalve de toegezegde veiligheidsmaatregelen kreeg de politie de gewraakte eenmalige uitkering. De herziening van het salarisstelsel was afhankelijk van de uitkomsten van het functieonderzoek dat in 1971-1972 werd uitgevoerd door de Commissie Taakverzwaring. Hoewel de commissie vaststelde dat vanwege de veranderde werkomstandigheden een her-ziening van het salarisstelsel gerechtvaardigd was, werd deze aanbeveling niet uitgevoerd. De oliecrisis, die in 1973 losbarstte, noopte de regering tot nieuwe loonmaatregelen. De ambtenarensalarissen werden bevroren.

 

De hete herfst van 1983
De stiptheidsacties van 1970 waren een succes gebleken. Met deze manier van actievoeren trokken politiemensen alle aandacht naar zich toe. Meestal kregen de acties een ludiek tintje. Bovenal waren zij publieksvriendelijk en kweekten zij begrip bij de burgers en de media. De regering bekeek de acties echter door een heel andere bril. Dit bleek in de “hete herfst” van 1983 toen de politiebonden deelna-men aan het ambtenarenverzet tegen een korting van 3,5 procent op de ambtenarensalarissen.
De ambtenarencentrales namen onmiddellijk ferm stelling tegen deze bezuinigingsmaatregelen en dreigden met harde acties, variërend van stiptheidsacties en werkonderbrekingen tot stakingen. Maar over dit laatste actiemiddel waren de meningen verdeeld. Het stakingsverbod voor ambtenaren was nog steeds van kracht, al was er een wetswijziging in de maak. Op Europees niveau was dit recht al geregeld en de Nederlandse regering was min of meer gedwongen om de Europese lijn te volgen  Me-de hierom beschouwde het FNV de staking als een legitiem actiemiddel. Het CNV was terughoudend en wees de staking vooralsnog af.
Ook de politievakbeweging worstelde met deze kwestie. Iedere politiebond ging nu zijn eigen weg. Door de samenvoeging van de BCPN en St. Michaël in de ACP in 1977 was de status van de GPO namelijk veranderd. Niet langer waren de politiebonden gehouden aan de afspraak dat zij alleen eens-gezind naar buiten zouden treden. Dit bleek onder meer uit de standpunten over het stakingsrecht. De NPB, aangesloten bij het FNV, vond dat in de strijd tegen de verslechtering van de positie van politiepersoneel alle middelen geoorloofd waren, dus ook de staking. De ACP volgde daarentegen het CNV standpunt. Het officiële standpunt luidde dat de politie niet mocht staken omdat dit onaanvaardbare en ernstige gevolgen voor het openbare leven kon hebben. Toch vond een groeiend aantal leden dat bij de voortgaande aantasting van de arbeidsvoorwaarden, de bond een stok achter de deur moest hebben. Daarom wilden zij het stakingsrecht niet bij voorbaat afzweren.
Op de derde dinsdag van september 1970 werden de kortingen op de ambtenarensalarissen definitief. Vanaf dat moment sloot ook het CNV de staking niet uit. De ACP volgde dit besluit, maar dan wel met de kanttekening dat de politieacties de samenleving niet mochten ontwrichten. Het hoofdbestuur vond dat er ook dan tal van grimmige acties waren te bedenken zonder dat de rechtstaat geweld werd aangedaan.
Begin oktober besloten de ACP, de NPB en de Vereniging van Hogere Politieambtenaren om samen actie te gaan voeren. In overleg met de ambtenarencentrales maakten zij een actiedraaiboek. In eerste instantie zou men zich richten op stiptheidsacties om zodoende de “productie” praktisch tot nihil reduceren. Mocht een snelle oplossing voor het arbeidsconflict uitblijven, dan werden de acties opgevoerd en grimmiger van aard. Bij alle acties was steeds voldoende politiezorg gegarandeerd, zodat men bij calamiteiten en levensgevaarlijke situaties niet voor verrassingen zou komen te staan.
Op 13 oktober barstte het actiespektakel los. In Nijmegen legden agenten het werk een uur lang neer. De Amsterdamse NPB-afdeling gaf aan voorlopig niet meer mee te zullen werken aan de ontruiming van kraakpanden. Overal in het land kwamen ludieke acties op gang. Meestal gebeurde dit met gebruik van materiaal, zoals politieauto’s en motoren, hetgeen de acties veel meer allure gaf. Zo werden bijvoorbeeld de voorzitters van de vakcentrales met politieauto’s en met sirenegehuil uit de besprekingen met de regering opgehaald. De acties moesten bovenal een publieksvriendelijk karakter hebben. In het begin lukte dit wel, maar naarmate het conflict voortduurde, werden de acties grimmiger. Extra verkeerscontroles veroorzaakten lange files. Overigens trad de politie bij deze controles alleen vermanend op.
De acties waren de regering een doorn in het oog. Niet alleen stoorde zij zich aan de uitdagende op-stelling van het actievoerende politiepersoneel, ook bekommerde zij zich om de eventuele gevolgen van de acties. Openbare ordeproblemen waren namelijk niet uitgesloten. De acties van de ambtenaren ontregelden namelijk het openbare leven. Na twee weken van actievoeren begonnen burgers de ongemakken van de acties te voelen. Vuilnis werd niet langer opgehaald, de post niet meer besteld, het openbaar vervoer raakte ernstig verstoord en gezamenlijke acties van de politie Rijkswaterstaat veroorzaakten ellenlange files op de autowegen. Het publieke draagvlak voor het ambtenarenverzet begon geleidelijk aan af te brokkelen. De regering achtte het niet onwaarschijnlijk dat deze irritaties uiteindelijk aanleiding zouden geven tot reacties van het publiek. Mocht het zover komen dan was het wel zo prettig om een betrouwbaar machtsmiddel achter de hand te hebben. Tevens wilde zij ook op kunnen treden voor het geval de ambtenarenacties uit de hand liepen. In beide gevallen wilde zij kunnen vertrouwen op het gezagsapparaat, met de politie als belangrijkste steunpilaar. Dit lag echter moeilijk, omdat de politie volop aan die acties deelnam. Voor alle zekerheid werden de Commissarissen der Koningin er in een vertrouwelijke telex op gewezen dat zij de bijstand van de Koninklijke Marechaus-see in konden roepen wanneer de politie in gebreke bleef.  De Marechausseevereniging liet vervolgens weten solidair te zijn met de actievoerende politiemensen. Zij wilde niet als stakingsbreker fungeren.
Eind oktober probeerde de regering voor het eerst om het politiepersoneel tot de orde te roepen. Na werkonderbrekingen in Amsterdam, Arnhem en Delft vroeg zij op 29 oktober de politiebonden vriendelijk doch dringend om de leden niet langer tot acties aan te zetten. “Wil de overheid de aan haar opgedragen taken inzake de handhaving van de rechtsorde naar behoren vervullen, dan moet het bevoegd gezag onder alle omstandigheden kunnen rekenen op de politie”, zo luidde de boodschap. Deze oproep had geen effect. De politiebonden maakten geen aanstalten om de acties te beëindigen.
Een tweede poging had meer succes. De aanleiding om te interveniëren was een actie van de ME tijdens de voetbalwedstrijd PSV-AJAX. Op 5 november verliet een peloton demonstatief het stadion. De actie was niet van te voren aangekondigd. De ME had de catacomben van het stadion nog maar nauwelijks betreden, of de rivaliserende supportersgroepen vlogen elkaar in de haren. Zij keerde haastig terug om de orde te herstellen.
Voor de regering was de grens nu bereikt. Op 7 november spande zij een kort geding aan tegen de politiebonden om de acties te beëindigen. De uitspraak viel in het nadeel van de politie. De Utrechtse rechter Harinxma thoe Slooten wees de bonden op de grondwettelijke plicht van de staat om de orde te bewaren. “Daarom heeft een afwijking van de normale taakvervulling voor de politie volstrekt andere gevolgen dan voor de normale werknemer” luidde de uitspraak. De bonden moesten de stiptheidsacties onmiddellijk staken, want volgens de rechter hadden deze een ontwrichtende werking en waren zij niet in overeenstemming met de handhaving van de openbare orde.
De verbittering bij de politiebonden was groot. NPB-voorzitter Van der Linden vertelde de pers dat de politie nu echt tweederangsburgers waren geworden. De regering had er in zijn ogen alles aan gedaan om het politiepersoneel te criminaliseren. Koffeman van de ACP vond dat dertigduizend politiemensen waren aangetast in hun grondrechten. Van der Steege van de VHPA zag in het vonnis een continuering van de ongelijkwaardige behandeling van het politiepersoneel.
De politiebonden beëindigden hun acties. Hier en daar sputterden zij nog wat na. Door kleine stekeligheden en een bijzonder permissieve houding tegenover de ambtenaren die hun acties wel mochten voortzetten, liet het politiepersoneel zien dat het zijn verzet tegen de regeringsplannen nog niet had opgegeven. Op een grote demonstratie in Den Haag trokken zo’n zevenduizend politiemensen in “een stille tocht” langs het Binnenhof. Demonstreren was immers niet verboden. Tijdens deze demonstratie gaven de politiemensen blijk van hun frustraties. Er werden spandoeken meegevoerd met leuzen als: “Politie berooid en gekooid”. Meerdere collega’s hadden demonstratief hun broekspijpen afgeknipt.
Het ambtenarenprotest liep eind november af. De regering bleek uiteindelijk toch de langste adem te hebben en voerde de bezuinigen door.

 

Politieacties na 1983
In 1985 gingen de politiebonden tevergeefs in hoger beroep tegen de uitspraak van Utrechtse kantonrechter. De uitspraak maakte nog eens duidelijk dat de politiebonden beperkt zijn in het gebruik van actiemiddelen. Waar veel bedrijfsbonden door middel stakingen en bedrijfsbezettingen de werkgever onder druk kunnen zetten, gelden voor de politiebonden andere regels. Hoe men het ook went of keert de politievakbeweging voert strijd met een hand gebonden op de rug. Hans van Duin de voorzitter van de NPB verwoordde het tijdens het laatste loonconflict kernachtig: “Als ik de werknemers van een beschuitfabriek vertegenwoordigde, dan gooide ik de tent dicht en aten de mensen voorlopig even geen beschuit.”  Bij de politie is dit dus minder eenvoudig.
In de periode na 1985 hebben de bonden nog herhaaldelijk actie gevoerd. Het vergde het nodige aan creativiteit van de bondsbestuurders, maar het gelukte de politiebonden toch om steeds weer de aandacht trekken voor hun problemen. Dat gold ook voor de acties van 1987, waarbij het conflict wederom draaide om de sterkteproblematiek en de salariëring. De massale demonstraties en werkonderbrekingen van het politiepersoneel hadden steeds een hoog ludiek gehalte en daarmee kon zij steunen op een breed publiek draagvlak. Ook de Blauwe Belegering van het ministerie van BZK in juni 2005 is hier een voorbeeld van. Gedurende een week belegerden politiemensen het departementsgebouw uit protest tegen de door de regering voorgenomen bezuinigingen op de politie.
Wil men als politiebond effectief actie kunnen voeren dan moet men evenals iedere andere vakorganisatie soms de grenzen opzoeken van datgene wat toelaatbaar en geaccepteerd is. In het verleden zocht men steeds naar nieuwe middelen en methoden om de problematiek van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor het voetlicht te brengen.
Zo schoof de grens van het actievoeren toch steeds weer een beetje op. Dat gebeurde ook tijdens het laatste CAO-conflict toen de politie wegbleef bij een aantal belangrijke wedstrijden van de Eredivisie Voetbal. Hiermee kwam de publieksvriendelijkheid voor het eerst sinds jaren onder spanning te staan.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2008, jrg. 70, nr. 6, p. 4-11

Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis(IISG) Archief BCPN , inv. 14, Notulen CPO, 28-8-1946
IISG Archief BCPN, inv. 14, Notulen CPO, 19-10-1949.
3  R. van der Wal, De geschiedenis van de Nederlandse politie. De vakorganisatie en het vakonderwijs, pp. 383-386
S. van der Velden, Stakingen in Nederland. Arbeidersstrijd 1830-1995, Amsterdam 2000, p. 306-307.
De Politie, 1970, jg. 25, nr. 18.
P. Broertjes en A. Joustra, Ambtenaren in actie. Reportage van een Hollandse herfst, Amsterdam 1984, p. 31.
NOS journaal, 9-1-2008.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel