Politieombudsman herstelt vertrouwen in Noord-Ierland

In 1999 bracht ik een bezoek aan de politie in Belfast. Bij mijn afscheid kreeg ik als cadeau manchetknopen met afbeelding van de 'Royal Ulster Constabulary', de kroon en een harp omringd door groen klaverblad. Met een vleugje galgenhumor werd erbij vermeld: 'Die zullen straks best wat waard zijn, want wij krijgen zeker nieuwe uniformen en een nieuw boegbeeld aangesmeerd.' De katholieke republikeinen in Noord-Ierland waren de kroon en de aanduiding 'royal' al jaren een doorn in het oog (de harp en 'shamrock' zijn zinnebeelden in Ierland). Naar hun mening was de Royal Ulster Constabulary (RUC) een steunpilaar van de meerderheid van de protestantse unionisten, die de katholieken al zeventig jaar lang onderdrukten.

Nu was er een radicale koerswijziging op komst. Het beruchte RUC moest worden hervormd. Het vertrouwen in de politie van Noord-Ierland moest worden hersteld. Een onderdeel van de hervorming was de aanstelling van een onafhankelijke 'Police Ombudsman Northern Ireland' (PONI).
Omdat ik mij al jaren met vraagstukken over afwijkend gedrag en controle binnen de politie bezighoud, vond ik dit initiatief interessant. Dit werd versterkt toen PONI mij vroeg een aantal seminars in Belfast te geven. De mensen van PONI beweren dat wat ze doen 'uniek' is. Ik wil aandacht besteden aan de bevoegdheden en werkwijze van deze bijzondere instelling om te kijken of er algemene conclusies te trekken zijn over extern toezicht op de politie. Ook wil ik bekijken of de werkwijze van PONI interessant kan zijn voor de Nederlandse politie.
De ontwikkelingen van de laatste jaren hebben bijna universeel het accent op toezicht, integriteit, verantwoording en transparantie bij de politie versterkt: de roep – naar aanleiding van schandalen, zoals in Nederland de IRT-affaire – om meer verantwoording af te leggen, de toenemende aandacht van de media, en het bewegen naar een meer 'klantvriendelijke' werkwijze.
 

Geschiedenis Noord-Iers conflict
Na de onafhankelijkheidsstrijd van de Ieren tegen Engeland werd het eiland in 1922 in tweeën verdeeld. Het zuiden werd de 'Irish Free State' (later de 'Republiek van Ierland') en in het noorden werd de 'Province of Northern Ireland' als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk opgericht. In het zuiden had je een katholiek land, waar vaststond dat Ierland op den duur moest worden herenigd; en in het noorden had je een protestantse meerderheid die koste wat kost bij Engeland wilde blijven. De protestanten overheersten in het openbare leven en de katholieken voelden zich tweederangs burgers.
In 1922 werd het RUC opgericht en vanaf het begin bestond de meerderheid van de officieren uit protestanten (80 procent in 1928, maar later werd het meer dan 90 procent). Omdat er altijd een dreiging vanuit het zuiden bestond, met sporadische campagnes van het IRA (Irish Republican Army), werd de politie, anders dan elders in het Verenigd Koninkrijk voornamelijk een gewapend apparaat gericht op terrorisme en staatsveiligheid. Bovendien zagen de katholieken in Noord-Ierland de politie gewoon als een belangrijk element in hun onderdrukking.
De kentering kwam met de beweging voor burgerrechten voor de katholieken in de tweede helft van de jaren zestig. Het protestantse verzet tegen de demonstraties van de katholieken leidde tot ernstige ordeverstoringen. Tijdens de rellen bleek de politie vaak partijdig te zijn en aan de kant van de protestanten te staan. Aanvallen op katholieke families heeft de Britse overheid doen besluiten om troepen naar de provincie te sturen. Door allerlei omstandigheden werd de IRA in Noord-Ierland weer actief tegen de 'bezetters' en er onstond een gewapende strijd die dertig jaar geduurd heeft. De 'troubles' hebben meer dan 3000 slachtoffers gemaakt; meer dan 300 politiemensen vonden de dood.
 

Burgeroorlog
In wezen woedde er tot voor kort in Noord-Ierland bijna dertig jaar lang een soort burgeroorlog tussen delen van de katholieke en protestantse gemeenschappen. Deze werd uitgevochten tussen katholieke en protestantse 'para-militaries', maar vooral tussen `'terroristen' van de IRA (en haar afsplitsingen) en het bevoegd gezag van de Britse overheid, met name de politie en het leger. In 1998 werd het 'Goede Vrijdag Verdrag' getekend dat een eind zou maken aan de gewapende strijd en dat zou leiden tot een eerlijker verdeling van de macht tussen de partijen.
Een behoorlijk struikelblok in het vredesproces was de RUC. Drie facetten waren van belang. Ten eerste moesten de symbolen van de Britse overheersing bij het RUC weg – het uniform, de 'Union Jack' die boven de bureaus wapperde, het portret van de koningin dat aan de muur hing en de aanduiding 'royal'. Het korps werd aangeduid als 'Police Service for Northern Ireland' (PSNI). Ten tweede moest het apparaat afslanken en een begin maken met 'normaal' politiewerk afgestemd op de behoeften van de twee verschillende groepen.1 Er moesten ook veel meer katholieke agenten worden aangenomen. Het derde en eigenlijk belangrijkste punt was het herstel van het vertrouwen in een beschadigde politie.
De politie werd altijd gezien als partijdig, tegen de katholieken. Welke ernstige vormen dit kon aannemen, valt te lezen in een rapport dat onlangs is gepubliceerd. Binnen de 'gewone' strijd tegen het terrorisme werd er ook een andere, duistere, smerige oorlog gevoerd. Leden van de Britse geheime diensten, het leger en de politie werkten samen met militante protestantse groepen om katholieken die men verdacht van activiteiten voor de IRA, te liquideren. Na een onderzoek van liefst veertien jaar heeft de huidige korpschef van de Metropolitan Police van Londen, Sir John Stevens, een vernietigend rapport uitgebracht over de heimelijke samenwerking tussen veiligheidsdiensten en protestantse bendes. Het staat onomstotelijk vast dat onschuldige mensen werden vermoord. Opnieuw werd het beruchte RUC, en vooral haar "'Special Branch' of politieke inlichtingendienst, in een kwaad daglicht gezet.
 

Wie onderzoekt de politie?
Van groot belang is hier het algemene vraagstuk over extern toezicht, het
behandelen van klachten en de verantwoording van de politie. In het Verenigd Koninkrijk worden klachten behandeld door het korps zelf. Er zijn wel externe klachtencommissies, maar die werken reactief en zijn voor informatie en medewerking afhankelijk van de politie. In ernstige gevallen vraagt de korpschef of leden van een ander korps de zaak willen onderzoeken. Een politieofficier uit Londen deed daarom onderzoek bij zijn collega's in Noord Ierland. In een andere zaak, waarbij militante protestanten een juriste hadden doodgeschoten (Rosemary Nelson, zij verleende bijstand aan republikeinen), haalde men er niet alleen een hoge officier uit Engeland bij, maar zelfs de FBI. De beschuldiging luidde dat leden van het RUC Rosemary Nelson met de dood hadden bedreigd. In het algemeen worden zulke onderzoeken op een zorgvuldige en professionele wijze uitgevoerd, maar af en toe worden er wel vraagtekens gezet bij de mate van deskundigheid. Bijvoorbeeld wanneer men er rechercheurs bij haalt van kleine, landelijke korpsen die weinig ervaring hebben met gecompliceerde onderzoeken.

Van een heel andere orde is de hamvraag: kan een instelling zichzelf onderzoeken?
Critici van de politie vinden van niet. Is het niet beter, beweren ze, om alle mogelijke beschuldigingen van partijdigheid te voorkomen, dat er een volledig onafhankelijk orgaan bestaat? In Nederland bestaat er wel een onafhankelijke instantie, de rijksrecherche, die klachten en vermeende misdrijven door ambtenaren bij politie of andere overheidsdiensten kan onderzoeken. Het Verenigd Koninkrijk heeft gewoon geen equivalent van de rijksrecherche. Dit betekende dat het nieuwe korps de meeste klachten zelf zou blijven onderzoeken terwijl vertrouwen onder de katholieken in de legitimiteit van het PSNI zeer gering was.
Het antwoord hierop bij de hervormingen van de politie, waarin het '"Patten Report' (Patten was oud gouverneur van Hong Kong) een sleutelrol vervulde, was om veel aandacht te vragen voor toezicht en verantwoording.3 Dit heeft geleid tot het aanstellen van een 'Oversight Commissioner' om het veranderingsproces te monitoren en tot het oprichten van twee nieuwe gezagsorganen voor de politie. Allereerst is er de 'Policing Board', waaraan de PSNI verantwoording moet afleggen over beleid en functioneren (een 'korpsbeheerdersraad' rol). Ten tweede is er een splinternieuwe instelling voor het behandelen van klachten tegen de politie, de 'Police Ombudsman voor Northern Ireland' (PONI). PONI werd eerst voorgesteld in een nota van een hoge ambtenaar in Noord-Ierland, kreeg steun van Patten in zijn rapport en werd in 2000 wettelijk opgezet.
 

PONI
PONI moest in zeer korte tijd operationeel worden. Haar eerste chef is Nuala O’Loan, is een Britse. Zij was hoogleraar in de rechten en is lid geweest van de 'Policing Authority', de voorloper van de 'Policing Board' en is moeder van vijf zonen. Zij kreeg leiding over een unieke instelling met vergaande bevoegdheden.
Kenmerken
PONI:
– is onafhankelijk en onpartijdig;
– neemt alle klachten tegen de politie op en onderzoekt alle klachten tegen de politie;
– is proactief en mag onderzoeken zelf initiëren (dus ook zonder een concrete klacht van een burger of anderen);
– heeft toegang tot alle databestanden van het PSNI (waar nodig);
– kan zaken uit het verleden heropenen (aan de ene kant zijn er veel mensen die beweren dat hun of hun verwanten in het verleden groot onrecht is aangedaan en aan de andere kant heb je een korps dat voortdurend in verlegenheid wordt gebracht door retrospectieve onderzoeken die oude lijken uit de kast halen, soms letterlijk, terwijl men druk bezig is met grondige verbeteringen en imagoverandering);
– kan het hoofd van de politie dwingen om medewerking te verlenen aan PONI;
– kan de korpschef bewegen om zijn excuses aan te bieden, of compensatie te betalen aan mensen die door de politie zijn benadeeld;
– kan beleidsaanbevelingen doen;
– mag op eigen initiatief opinieonderzoek doen naar onderwerpen van belang en openbare zittingen houden;
– moet verantwoording aan het parlement afleggen.
 

Opzet
Er moest heel snel een nieuw orgaan uit de grond worden gestampt, er was nog helemaal niets. In zeer korte tijd werd een klein team geformeerd, dat veel uren draaide en dat een gebouw, computers en faciliteiten moest regelen. Van groot belang was de kwaliteit van het personeel. PONI moest aan een kritische buitenwereld en een sceptisch korps laten zien dat zij zeer deskundige mensen in huis hadden. Binnen een jaar waren er rond de honderd mensen aangenomen. De onderzoekers werden gerekruteerd uit de onderzoeksafdelingen van verschillende diensten, maar de kern bestond uit zeer ervaren rechercheurs uit Engeland en Gemenebestlanden. Een aantal had ervaring opgedaan in proactieve anticorruptie-eenheden in grote steden, zoals Londen en kende het klappen van de zweep. Een klein aantal onderzoekers werd vrij snel ongeschikt bevonden en moest het veld ruimen, want kwaliteit, onpartijdigheid en integriteit stonden centraal.
Alle onderzoekers hebben de status van opsporingsambtenaren en kunnen zelf mensen aanhouden. Er wordt 365 dagen per jaar op 24-uurbasis gewerkt. Senioronderzoekers zijn permanent oproepbaar en politiechefs zijn geïnstrueerd om PONI in te schakelen bij ernstige zaken, zoals schietpartijen, het overlijden van een verdachte in een cel of een verkeersongeluk met dodelijke afloop waarbij de politie betrokken was. Ze worden aangemoedigd om te bellen zelfs als ze twijfels hebben over de ernst van het incident. Onderzoekers gaan regelmatig naar incidenten om polshoogte te nemen.
 

Klachten
Wat PONI uniek maakt, beweren de mensen van PONI, is dat zij alle klachten over de politie aanneemt en onderzoekt. In feite, speelt de PSNI nauwelijks een rol meer in het afhandelen van klachten. In haar eerste rapport (over de periode november 2000 - maart 2002) meldt O’Loan dat PONI in de eerste 17 maanden 12.500 telefoontjes van het publiek had ontvangen, ruim 1500 mensen een bezoek aan het bureau brachten en meer dan 5000 klachten (met over 6390 beschuldigingen) in behandeling werden genomen.4 Klachten kunnen informeel
worden afgehandeld of worden soms niet verder onderzocht omdat er onvoldoende informatie of medewerking is om verder te kunnen gaan. Bij specifieke of ernstige beschuldigingen tegen officieren wordt een onderzoek ingesteld (2331 zaken). Bijna de helft van alle zaken gaan over onrechtmatig geweld door agenten (48 procent) gevolgd door falend optreden (23 procent) en onheuse bejegening (14 procent). Ongeveer eenderde van alle klachten leidt tot een onderzoek. In het laatste jaar zijn er minder klachten binnengekomen dan in het eerste periode, maar er wordt meer onderzoek verricht naar zwaardere zaken.
Sinds de opening van PONI zijn er 260 dossiers doorgegeven aan de 'DPP' (Director of Public Prosesutions). Het kan zijn dat PONI geen vervolging aanbeveelt, maar de DPP beslist. De eerste strafprocessen tegen 18 agenten vinden nu plaats.
 

Relatie PSNI
Veel leden van de PSNI hebben het bijzonder moeilijk. Er is een omvangrijke reorganisatie geweest en veel oudgedienden hebben het korps verlaten met afvloeiingsregelingen. Naast al de veranderingen worden zij ook nog eens geconfronteerd met het lastige PONI.
Als we kijken naar de verhouding tussen de twee instellingen, zien we dat het hoger kader is in het algemeen coöperatief is. Deze mensen zijn dan ook bijna allemaal aangesteld om de veranderingen door te voeren. Agenten die ervaring met PONI hebben, zijn vaak positief over de manier waarop zij zijn bejegend. Het gebeurt ook dat PONI de beschuldigingen ongegrond verklaart als blijkt dat de PSNI geen enkele blaam treft. Juist omdat het resultaat van PONI komt, wordt dat door beide gemeenschappen geaccepteerd. Bijvoorbeeld in een onderzoek over het omstreden schieten met 'baton-rounds' (of rubberkogels) op demonstranten, werden alle incidenten als gerechtvaardigd beoordeeld.
Natuurlijk blijft er een oude garde die negatief is over al de veranderingen. Vooral de 'Federation' stribbelt nog tegen. De politie in het Verenigd Koninkrijk mag geen vakbond hebben; de Federation is de belangenorganisatie voor de lagere rangen.
Hoe dan ook: PONI moet zaken durven aanpakken, hoe gevoelig deze ook zijn. Bijvoorbeeld het ernstigste incident in die dertig jaar van 'the troubles' was de bomontploffing in Omagh in 1998, waarbij 29 mensen om het leven kwamen. Er zijn nog geen veroordelingen in deze zaak. PONI begon een onderzoek en kwam tot de conclusie dat de RUC al vóór de ontploffing informatie bezat5 en dat de toenmalige chef, Sir Ronnie Flanagan, niet alert genoeg heeft gehandeld. PONI kreeg de hele Noord-Ierse protestantse elite, plus een woedende Sir Ronnie, over zich heen. In die omstandigheden bleek dat een ombudsman voor politiezaken in Noord Ierland niet alleen stevig in haar schoenen moet staan maar ook geraffineerd de media moet kunnen bespelen en de sleutelfiguren moet kunnen overtuigen. O’Loan is een sterke persoonlijkheid en dat is essentieel.
Hoewel veel zaken routinematig zijn, blijft Noord-Ierland een politiek mijnenveld waar men graag in controversiële zaken uit het verleden graait. Het vereist moed om die zaken te tackelen, maar vooral deskundigheid en onpartijdigheid. PONI kan zich geen fouten permitteren.
 

Onderzoek en netwerken
De mensen van PONI hebben in het begin veel gereisd en veel gezien. Zij proberen op de hoogte te zijn van ontwikkelingen elders. Er is een bibliotheek en een plek waar materiaal en publicaties worden verzameld. In november vindt de eerste internationale conferentie plaats .6 Er worden regelmatig seminars georganiseerd. Op mijn eigen seminar kwamen officieren van het RUC, zelfs iemand van de Ierse politie, ambtenaren van verschillende instellingen in de provincie en gewone burgers.
PONI kan zelf onderzoek verrichten; er zijn artikelen gepubliceerd over het gebruik van de wapenstok en over gedrag van agenten tegen advocaten. Een recent onderzoek betreft de meningen van leden van PSNI over PONI en relevante vraagstukken (de gegevens zijn nog niet beschikbaar).
In protestantse en katholieke wijken worden openbare zittingen met burgers gehouden over politie, misstanden en klachten. Ook zoekt men contact met allerlei groeperingen: etnische minderheden, vrouwenorganisaties, adviesbureaus en rechtswinkels. In een korte tijd is er veel aandacht in de media geweest en PONI heeft zelf ook veel aan publiciteit gedaan. Dit betekent dat veel mensen ervan op de hoogte zijn, ze staan er positief tegenover en zijn veel beter dan voorheen geïnformeerd over de klachtenprocedure.
 

Conclusie
De korte geschiedenis van PONI kun je op drie manieren benaderen. Ten eerste hebben wij het over een zeer omvangrijke en betekenisvolle innovatie bij de Britse politie. Ten tweede: PONI speelt een sleutelrol bij de hervorming van de Noord Ierse politie. Ten derde brengt het belangrijke vragen naar voren over legitimiteit en verantwoording bij de politie in relatie tot klachten en misdaden. En over de noodzaak van een onafhankelijk orgaan dat de buitenwereld kan overtuigen dat het kundig en onpartijdig onderzoek kan verrichten.
Ik zal trachten PONI van een afstand te bekijken en vooral te letten op het laatste vraagstuk.
 

Uniek?
Is PONI uniek? Waarschijnlijk wel, want ik ken geen andere instelling met zulke bevoegdheden. De 'Anti-Corruption Commission' in Hong Kong is voor alle vormen van ambtelijke en zakelijke corruptie. De 'Independent Complaints Directorate' in Zuid-Afrika heeft wel bijna dezelfde bevoegdheden, maar de onderzoekers moeten het doen met hetzelfde aantal mensen als PONI, terwijl het korps 130.000 man telt en er ieder jaar ongeveer duizend mensen worden gedood in vuurgevechten met de politie. In een aantal staten in Australië is de aandacht vooral gericht op klassieke vormen van corruptie en veel minder op bredere misstanden.
De kracht van PONI – als voorbeeld van een extern onderzoeksorgaan – is dat zij onafhankelijk en onpartijdig is en duidelijk in een sterke machtsverhouding tegenover de politie staat. Van groot belang is dat zij proactief en zelfs retrospectief kan opereren. En cruciaal is dat zij goed gefinancierd is en zeer deskundig mensen kan aantrekken, ook uit het buitenland.
Een 'zwak' element is misschien dat veel mensen PONI zullen zien als een specifieke reactie op een bijzondere situatie. En dat de ervaring niet makkelijk is te 'transplanteren', vooral omdat politiemensen vaak sceptisch staan tegenover innovaties van elders. Voor veel politiemensen, zelfs de meest progressieve en vooruitstrevende, is de macht die PONI bezit waarschijnlijk net iets te veel van het goede. Op dit moment hebben de hervormers de wind mee, maar over een paar jaar zien wij misschien een afslanking bij PONI en krijgt het PSNI een interne onderzoeksafdeling.
 

Partnership
Het is moeilijk om de instelling los te zien van de context van de hervorming van de politie in Noord-Ierland. In zekere zin heeft de politie PONI nodig om haar legitimiteit te bevestigen. Tegelijkertijd heeft PONI bijna een opvoedende rol tegenover het PSNI. Er is intensief contact met het hoger kader en agenten krijgen veel cursussen over mensenrechten en integriteit. Dit geeft een ander beeld, van een partnership tussen politie en een extern toezichtorgaan.
Toezicht heeft bovendien nog een andere kant. Hoeveel 'controle' kan een korps hebben en wanneer wordt het 'te veel'? In sommige gevallen is de externe druk op korpsen, door bijzondere onderzoekscommissies en speciale anticorruptie-eenheden, zo groot dat de agenten gedemoraliseerd raken en niemand meer initiatieven durft te nemen. Er zijn zelfs beschuldigingen van onethisch gedrag door onderzoekers om resultaten te kunnen boeken (in Engeland en Australië). Proactieve eenheden die gebruikmaken van 'integrity testing' en verborgen-cameratoezicht kunnen of apathie of verzet veroorzaken. In Londen zeggen agenten dat ze niet meer rustig naar de wc kunnen omdat ze misschien worden bespioneerd. In Australië (New South Wales) worden nieuwelingen in het korps wantrouwend bekeken omdat zij spionnen kunnen zijn. In de ogen van sommige agenten is er een 'anticorruptiehetze' tegen de politie gaande. De cruciale vraag is hoeveel middelen een organisatie aan interne een externe controle kan besteden en toch haar kerntaak effectief kan uitoefenen.7
 

Nederland
Wat is nu de relevantie voor de Nederlandse politie? Moet hier ook een aparte ombudsman voor de politie komen? Ik ben geneigd dit met 'ja' te beantwoorden. Zowel de gemeentelijke als de nationale ombudsman zijn voor alle vormen van misstanden bij de overheid en staan heel ver weg van de politiepraktijk. De politie is een machtig apparaat; politiemensen mogen rechtstreeks in de levens van burgers interveniëren, zij kunnen mensen van hun vrijheid en desnoods mensen van hun leven beroven (geweldsmonopolie). Dit is toch andere koek dan bij veel overheidsdiensten. Het gevaar voor misbruik van bevoegdheden en de soms uitermate ingewikkelde zaken bij de politie, denk aan de moeilijkheidsgraad van bewijsvoering bij corrupte relaties met de georganiseerde misdaad of een rechterlijke dwaling gebaseerd op fouten in het politieonderzoek, pleit voor een gespecialiseerde eenheid.
De  rijksrecherche is primair reactief. Elders is er een trend naar meer proactieve optredens van overzichtsorganen (VS, VK, Australië) en een sterk punt van PONI is dat zij zelf onderzoeken kan openen. Misschien dat een rijksrecherche 'nieuwe stijl' op eigen initiatief onderzoeken kan verrichten, vermoedens van misstanden proactief kan onderzoeken en aanbevelingen kan doen. Een onderdeel van die nieuwe opzet zou kunnen zijn een afdeling die zich louter op de politie richt, of een politieombudsman. Nederland eist van alle korpsen integriteit. Dit gaat terug naar 1992, toen wijlen Ien Dales, als minister van Binnenlands Zaken een appèl deed op de politie, ambtenaren en lokale overheden met de woorden: 'een beetje integer kan niet'. Deze verplichting moet zonder meer worden voortgezet. De behandeling van alle klachten was misschien noodzakelijk in Noord-Ierland, maar het gevaar bestaat dat men alles doorschuift en weinig aandacht besteedt aan disciplinaire en andere zaken. Je zou kunnen denken aan een arbeidsverdeling waarbij alle ernstige zaken automatisch worden doorgesluisd naar de politieombudsman en het korps (BIO) verantwoordelijk blijft voor het onderzoek van de minder zware zaken.
Uiteindelijk draait het allemaal om verantwoording en transparantie bij de politie. Naar mijn mening, maar ook die van anderen, is de structuur en cultuur van de Nederlandse politie vrij open en democratisch. Maar toch moet je anticiperen op toekomstige ontwikkelingen en nooit tevreden zijn met de huidige situatie. De trend neigt naar nog meer verantwoording bij openbare instanties en de bestaande organen zijn reactief, traag en staan ver van de politiepraktijk af.8 Omdat PONI grotendeels op de Noord-Ierse situatie is afgestemd, is zij misschien niet helemaal het juiste model voor Nederland. Toch valt veel te leren van een zeer actieve proactieve ombudsman die niet alleen klachten grondig onderzoekt, maar ook de misstanden in de politiepraktijk stevig wil aanpakken en veranderen.
De huidige korpschef van het PSNI zegt dat hij meer verantwoording moet afleggen dan welke chef in West-Europa dan ook. Het zou eigenlijk heel gezond zijn als een Nederlandse politiechef dat ook zou beweren. Politiewerk is zo`n belangrijke en verantwoordelijke taak in een democratische samenleving dat 'een beetje verantwoording' niet bestaat.

 

Abstract
There has been thirty years of 'the troubles' in Northern Ireland with over 3000 deaths. The Royal Ulster Constabulary (RUC) was seen by the Catholic minority as biased against 'republicans' and sympathetic towards the 'unionists' of the Protestant majority. When the armed struggle, principally by the IRA against the British 'occupation', was effectively ended by the Good Friday Agreement of 1998, the reform of the police was a major issue. As part of the Agreement the RUC was renamed (Police Service of Northern Ireland), reformed (see Patten Commission), and a new agency was created to investigate complaints against it – the Police Ombudsman Northern Ireland (PONI).
PONI is exceptional as a police oversight agency in that takes all the complaints against the PSNI and investigates them all. It is independent and impartial and can commence an investigation without a complaint; it can work retrospectively by opening old cases; and it can make policy recommendations. Starting in 2000 it has built up a staff of over 100, with a core of experienced investigators from British forces, and it has investigated thousands of complaints. Sometimes it concludes that members of the RUC acted correctly; for example in the use of 'baton-rounds' (rubber-bullets) against demonstrators; but in examining the Omagh bombing, in which 29 people died, it maintained that the police had received information and had not reacted alertly enough. The RUC, its then Chief Constable and the Protestant establishment were furious and attacked the PONI's credibility.
But the Ombudsman, Mrs. Nuala O`Loan, stuck to her guns. She works in a political minefield with a long history of injustice souring the relationships between the two communities. It is difficult to satisfy both sides. PONI`s strength has to be in conducting impartial and competent investigations irrespective of personal or institutional feelings. And the PSNI needs PONI in order to rebuild credibility and to restore confidence in the police.
PONI is a key element in reforming the police; but it also raises fundamental issues about accountability, transparency and control of the police organization. Should the police investigate themselves or should there be an external, independent body like the rijksrecherche in the Netherlands? Should there not be an Ombudsman solely for police matters, given how important policing is in modern society? The innovative work of PONI is valuable in raising general issues of debate about effective and legitimate oversight of the police organization.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2003, jrg. 65, nr. 9, p. 4-8

1 Het RUC bestond uit 13.000 agenten (inclusief vrijwilligers) voor een bevolking van 1.6 miljoen mensen; er moest bijna de helft weg; volgens Britse maatstaven had het korps een omvang van 6000 man moeten hebben (agenten en burgerpersoneel). Zelfs in het jaar van 'vrede' ( Het Verdrag van Goede Vrijdag, 1998) werd het korps geconfronteerd met 44 doden, 187 schietpartijen en 123 bombincidenten in relatie tot terroristische activiteiten; de laaste jaren is er een verschuiving geweest van terrorisme naar georganiseerde misdaad, met veel afrekeningen en informele straffen (of een zware mishandeling of 'knee-capping' – het doorboren van de knieschijf met een Black en Dekker) en naar veel openbare orde-situaties wegens frictie tussen de gemeenschappen, soms met immenging van de voormalige terroristische bendes. Report of the Chief Constable 1998/99. RUC: Belfast. 
2 'Patten Report': A New Beginning: Policing in Northern Ireland. London: HMSO: 1999.
3 Police Ombudsman Northern Ireland, First Annual Report: November 2000-March 2002. Belfast: 2002. Het tweede jaarverslag is net uit: Annual Report April 2002-March 2003. Belfast: PONI: 2003.
4  Report, Police Ombudsman Northern Ireland, Investigation of matters relating to the Omagh Bomb on August 15, 1998. Belfast: 2001.
5 5-7 november: Voor informatie raadpleeg de website van PONI www.policeombudsman.org  of neem contact op met  m.ostermeyer@policeombudsman.org (Malcolm Ostermeyer is Hoofd Media, Informatie en Onderzoek bij PONI) ; de meeste rapporten van PONI zijn beschikbaar via de website.
6 F. Anechiarico & J. Jacobs, The Pursuit of Absolute Integrity. Chicago: Chicago University Press: 1996.
7 G. Markham & M. Punch, The Gemini Solution: Embracing Accountability. University of Essex: 2000.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel