Politieonderwijs nieuwe stijl: Vernieuwing van het politieonderwijs en ontwikkeling van de kennisfunctie

Op het grensvlak van twee eeuwen en twee millennia maakt het politieonderwijs in Nederland een indrukwekkende metamorfose door. De gedaantewisseling zal compleet zijn wanneer het nieuwe onderwijs is geïmplementeerd in de korpsen, het LSOP Politie Onderwijs- en Kenniscentrum en de participerende ROC's en hogescholen. De aanleiding tot deze ingrijpende vernieuwing is niet primair een onderwijskundige of een didactische. De noodzaak komt van buitenaf, vanuit de samenleving.

 

Achtergrond en historie
Politiemedewerkers van vandaag en morgen oefenen hun beroep uit in een pluriforme maatschappij, die continu in beweging is. Veiligheid en leefbaarheid vormen in die maatschappij steeds belangrijker thema's. Bij het bevorderen en waarborgen van de veiligheid en leefbaarheid speelt de politie een cruciale rol. Dat stelt hoge eisen aan de professionaliteit van de politieorganisatie en aan de bekwaamheid van de beroepsbeoefenaren. Van de organisatie en haar medewerkers wordt gevraagd flexibel om te gaan met veranderingen en permanent te blijven leren. Bij de start van de vernieuwing is geformuleerd dat de politie zich steeds beter moet instellen op:
– de toenemende multiculturaliteit van de samenleving;
– de toename en verharding van geweld, niet alleen tegenover burgers, maar ook tegenover de politie zelf;
– de toenemende confrontatie met sociale problematiek;
het afnemend gezag van de politie;
– vragen om zich te verantwoorden jegens de samenleving;
– vragen zich op te stellen als gelijkwaardige maatschappelijke partner.

De veiligheidsvraagstukken in de maatschappij worden complexer en dynamischer. Dat heeft consequenties voor de professionalisering van de politiemedewerkers. Goed onderwijs en continu leren zijn daarbij van groot belang.
Op die ontwikkelingen speelt het politieonderwijs in. Het LSOP begint daarom in 1999 met een ingrijpende vernieuwingsoperatie,
 

Start: expertmeeting in 1999
In februari 1999 vindt op initiatief van de directeur Politie (BZK) en het College van Bestuur van het LSOP in Den Haag een expertmeeting plaats. In totaal 23 personen nemen daaraan deel: vertegenwoordigers van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), het ministerie van Justitie, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de Bve-Raad, de HBO-Raad, het Korpsbeheerdersberaad, het Nederlands Politie-instituut, Project Personeelsvoorziening Politie, de Onderwijsadviesraad van het LSOP, Stichting Studiecentrum Rechtspleging, de Raad van Hoofdcommissarissen, de Raad van Toezicht van het LSOP en het College van Bestuur van het LSOP. De bijeenkomst staat onder leiding van twee hoogleraren (Nijmegen en Leiden).
Men wordt het eens over een aantal belangrijke principes voor de vernieuwing van het politieonderwijs:
N optimale afstemming van het onderwijs op en samenwerking met de korpsen;
N vermaatschappelijking door afstemming op en samenwerking met het regulier onderwijs;
N de verantwoordelijkheid voor de inhoud bij de ministers van BZK en Justitie.

Voor het eerst, na jaren van gepolitiseerde en gepolariseerde discussie, is tussen departementen, korpsen en het LSOP overeenstemming bereikt over de visie op en kenmerken van het nieuwe politieonderwijs:
Het onderwijs zal zoveel mogelijk aansluiten bij de kwalificatiestructuur van het reguliere beroepsonderwijs (WEB, WHW), waardoor diploma's gelijkwaardig worden en in- en doorstroom worden bevorderd. De inhoud van het politieonderwijs wordt gebaseerd op beroeps- en functieprofielen, die door de beroepsgroep worden gevalideerd, door de politieberaden gelegitimeerd en door de ministers van BZK en Justitie vastgesteld.
N de beroeps- en functieprofielen vormen de basis voor de kwalificatieniveaus;
N competentiegerichte eindtermen;
N de kernopgaven worden na validering door de ministers van BZK en Justitie vastgesteld;
N er zal onafhankelijk worden geëxamineerd en er komt een systeem van kwaliteitszorg;
N er wordt een samenhangend stelsel van opleidingen ontwikkeld onder regie van het LSOP, vormgegeven in duale leertrajecten (werkend leren). Het betrokken politieonderwijsinstituut, de korpsen en het regulier onderwijs (op contractbasis) zullen gezamenlijk in tripartiet verband onder regie van het LSOP het onderwijs uitvoeren.

Begin 2002 is de traditionele, functiegerichte 'bedrijfsopleiding' omgevormd tot een samenhangend stelsel van beroepsonderwijs op mbo-, hbo- en wo-niveau. Deze samenhang in kwalificatie- en opleidingsniveaus is voor het Nederlandse onderwijsstelsel uniek.
 

Samenhangend stelsel
Er zijn vijf niveaus in de initiële kwalificatiestructuur van de politie. In alle gevallen gaat het om kwalificaties (en bijbehorende opleidingen) voor uitvoerende beroepen. De kwalificatieniveaus komen overeen met die in de BVE-sector en het hoger onderwijs. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het nieuwe Europese stelsel van bachelor- en mastergraden. Na het afronden van een initiële opleiding en na enige jaren werkervaring is het mogelijk door te stromen op post mbo, post hbo en postacademisch niveau:
– in een hogere initiële opleiding (verdieping in het vak);
– in een specialistische leergang (recherche, geweldsbeheersing, verkeer, milieu, vreemdelingenzorg);
– in een leergang tot leidinggevende (operationeel, tactisch, strategisch).

Er zijn drie postinitiële kwalificaties (en leergangen) tot leidinggevende en acht kwalificaties (en leergangen) tot specialist. Tevens zijn er postinitiële functiegerichte applicaties ontwikkeld, die voorwaarde zijn om een voorbehouden handeling te kunnen verrichten.
Het politieonderwijs en de politiepraktijk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het leren is contextgebonden, competentiegericht en duaal van opzet. Informatie- en communicatietechnologie leveren een substantiële bijdrage aan het leerproces.
 

Principes en ontwerp
Op welke wijze kunnen (jonge) mensen de vakbekwaamheid verwerven die de politieorganisatie vraagt? Hoe kan het politieonderwijs hen voorbereiden op vraagstukken en problemen die zij zullen tegenkomen in een veranderende werkomgeving, in een beweeglijke maatschappelijke context? Deze vragen stonden en staan centraal bij de vernieuwing van het politieonderwijs. Bij het ontwikkelen van de nieuwe opleidingen in het politieonderwijs doorlopen de ontwikkelaars van instituten en de korpsen een aantal stappen. Daarbij zoeken zij systematisch een antwoord op een reeks met elkaar samenhangende vragen. In de volgende paragrafen bespreken we enkele belangrijke ontwerpstappen (Grotendorst 2002, Grotendorst, Jellema, Stam, Van der Vegt &  Zandbergen, 2002).
 

Beroepsprofielen
Om het politieonderwijs goed te laten aansluiten bij de beroepspraktijk is nagegaan welke beroepsbeoefenaren nodig zijn: aan wat voor medewerkers met welke competenties hebben de korpsen de komende jaren behoefte? Het antwoord op die vraag is neergelegd in vijf beroeps(competentie)profielen voor het initiële politieonderwijs en elf beroepsprofielen voor het postinitiële onderwijs. Deze zijn door de beroepspraktijk gevalideerd, door de politieberaden gelegitimeerd en door de politieministers vastgesteld.
 

Kernopgaven
De profielen vormen de leidraad voor het beroepsonderwijs voor de politie. Ze zijn uitgewerkt in kernopgaven voor de verschillende onderwijsniveaus. Kernopgaven zijn de centrale opgaven en problemen waarmee een beroepsbeoefenaar regelmatig in aanraking komt en die kenmerkend zijn voor het beroep. Ze moeten worden aangepakt binnen een specifieke organisatorische context, waarbij van de beroepsbeoefenaar een oplossing en een aanpak worden verwacht.
De Ordeningsmethodiek Politie (OMP). 'toezicht – ordehandhaving – opsporing – dienstverlening' is terug te vinden in de beschrijving van werkpatronen. Bij de indeling van de kernopgaven is gebruikgemaakt van het Informatiemodel Nederlandse Politie (INP). De kernopgaven zijn ingedeeld naar de resultaatgebieden leefbaarheid, veiligheid, dienstverlening en maatschappelijke integriteit.
 

Competenties
Per kernopgave zijn competenties (bekwaamheden) beschreven die de politiemedewerkers nodig hebben om de vraagstukken op te lossen. De volgende type competenties zijn onderscheiden (naar ACOA, 1999):
N vakmatige en methodische competenties: deze vormen de kern van het beroep en zijn gericht op het vermogen om op adequate wijze producten en diensten te leveren;
N bestuurlijk-organisatorische en strategische competenties: deze zijn gericht op het plannen en regelen van het eigen werk in de context van de organisatie;
N sociaal-communicatieve en normatief-culturele competenties: deze hebben betrekking op het functioneren in een arbeidsomgeving, op samenwerking en op coördinatie van arbeid;
N leer- en vormgevingscompetenties: deze verwijzen naar het vermogen bij te dragen aan de eigen ontwikkeling en die van arbeidsorganisatie en beroep.
Proeven van bekwaamheid en portfolio
Om een betrouwbaar beeld te krijgen van het handelen van studenten in de beroepspraktijk is competentiebeoordeling nodig. Of een student beschikt over de vereiste competenties (bekwaamheden) is alleen waarneembaar tijdens het uitvoeren van beroepsspecifieke activiteiten in een zo realistisch mogelijke context. Proeven van bekwaamheid bieden studenten de mogelijkheid hun bekwaamheid te demonstreren. Per kernopgave is er een proeve. De proeven worden ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van het Centraal Examenbureau Politie (CEP), dat onafhankelijk is van het opleidingsinstituut. De hoofdlijnen (inhoud en vorm) van de proeve worden in samenwerking met de docenten en met materiedeskundigen uit de korpsen bepaald.
Een proeve van bekwaamheid kan bestaan uit verschillende soorten examenopdrachten: (vgl. J.J.M. Straetmans & F. Sanders, 2001):
– een arbeidsproef (examinering in een reële praktijksituatie);
– een simulatie (nagebootste praktijksituatie door computer, actoren, ruimte e.d.);
– een authentieke opdracht (complexe casuïstiek: mondeling of schriftelijk verslag);
– een opdracht met open of gesloten vragen: schriftelijk of digitaal.

Een kernopgave wordt meestal niet voldoende 'gedekt' door één examenopdracht. Een proeve van bekwaamheid bestaat daarom vaak uit verschillende soorten examenopdrachten.
Begeleiding van leerprocessen en beoordeling van leerresultaten worden gescheiden. De beoordeling van de proeven van bekwaamheid vindt plaats onafhankelijk van de docenten en praktijkcoaches die de student hebben begeleid.
Elke kernopgave vormt een afgerond onderdeel van de beroepsuitoefening. Wanneer de student de bij de kernopgave behorende proeve met goed gevolg heeft afgelegd, levert dat hem of haar een certificaat op. Iemand die op een bepaald kwalificatieniveau alle kernopgaven heeft doorlopen en aantoonbaar over de vereiste competenties beschikt, verwerft een diploma. Dit wordt door het CEP afgegeven wanneer de kandidaat aan alle voorwaarden heeft voldaan.
Naast de formele beoordeling via proeven van bekwaamheid vindt regelmatig diagnostische toetsing plaats. Deze dient ertoe om studenten en begeleiders informatie te geven over de voortgang van het leerproces. Diagnose heeft in dit kader de betekenis van vaststelling van de vorderingen in het leerproces: welke bekwaamheid heeft de student verworven, welke nog niet, waar moet extra aandacht aan worden besteed? Deze vaststelling gebeurt door de student zelf, samen met zijn of haar leerprocesbegeleider, docent, praktijkcoach of trajectbegeleider.
De student houdt een persoonlijk dossier (portfolio) bij, waarin hij of zij de voortgang van het leerproces documenteert én de behaalde leerresultaten (bewijzen van bekwaamheid) verzamelt. Het portfolio vervult een belangrijke rol bij de voortgangsgesprekken die de student regelmatig heeft met de trajectbegeleider in het korps en de leerprocesbegeleider op het LSOP-instituut ( Bolhuis, Royen van 2002).
 

Leeromgevingen
In het politieonderwijs is gekozen voor gevarieerde leeromgevingen. De variatie maakt zowel individueel als collectief leren mogelijk, en dat zowel plaats- en tijdgebonden als onafhankelijk van locatie en tijd. De werkplek als leeromgeving krijgt in het politieonderwijs bijzondere aandacht. Daarnaast wordt volop ingezet op leren en ICT.

 

Werkend leren
Een veel voorkomend probleem in reguliere beroepsopleidingen is de aansluiting tussen 'school' en praktijk. Binnen de politie is deze aansluiting gegarandeerd omdat alle leertrajecten duaal van opzet zijn. De studenten leren afwisselend op het onderwijsinstituut en in de politiekorpsen. De kernopgaven en proeven van bekwaamheid sturen het leerproces. Zowel in de instituten als in de korpsen werken studenten daaraan. Zij worden in de korpsen en tijdens het instituutsdeel begeleid door coaches en leerproces- en trajectbegeleiders.
Om een evenwichtig ritme te brengen in het leren op het instituut en het werkend leren ('ritme duaal') is gekozen voor het 'kwartielensysteem'. Dat wil zeggen dat studenten in het initiële onderwijs afwisselend ongeveer twaalf weken op het instituut leren en twaalf weken werkend leren in de korpsen, aansluitend bij het planningssysteem in het korps. In het postinitiële onderwijs zijn ritmes met kortere of langere intervallen mogelijk. Bij de keuze van het ritme hebben onderwijskundige, korpsorganisatorische en onderwijsorganisatorische afwegingen een rol gespeeld. Bij de evaluatie van het vernieuwde onderwijs zal ook expliciet de effectiviteit van dit duale ritme worden beoordeeld.

 

Elektronische leeromgeving
Over tien jaar – zo is de verwachting – is de politieorganisatie een lerende organisatie, waarin het verzamelen, verspreiden en ontwikkelen van kennis is geëvolueerd tot een deel van het primair proces. Daarom is het gebruik van ICT in het onderwijs (de elektronische leeromgeving), een belangrijk kenmerk van het vernieuwde politieonderwijs.
Via de digitale leeromgeving van de e-campus werken alle actoren in het leerproces actief met verschillende toepassingen, aan de hand van leeropdrachten. De LSOP e-campus bestaat uit drie elementen:
– een kennisbank voor het onderwijs (Politie Kennis Net);
– een digitale leeromgeving (Blackboard);
– een communicatieomgeving (intranet en internet).

Voor sommige kernopgaven in het hoger onderwijs is een virtuele (bronnen)stad, Behrloo ontwikkeld, waar studenten op verschillende wijzen aan hun noodzakelijke informatie kunnen komen.
Begeleiding en coaching: rollen en structuur
In het competentie- en praktijkgerichte politieonderwijs hebben docenten en begeleiders andere rollen dan vroeger. De belangrijkste, nieuwe rollen zijn:
– ontwerper (van kernopgaven, proeven, leeromgevingen, leeractiviteiten);
– ontwikkelaar (van proeven, leeractiviteiten, materialen);
– begeleider, coach (van leerprocessen in verschillende leeromgevingen);
– beoordelaar (van leerresultaten);
– expert (politiekundig, wat ook een actuele kennis van de beroepspraktijk inhoudt).

Deze nieuwe rollen vragen ook nieuwe bekwaamheden. Deze kunnen de docenten en begeleiders in verschillende professionaliseringstrajecten verwerven.

Naast bekwame docenten en begeleiders is een begeleidingsstructuur noodzakelijk die continuïteit biedt tussen de verschillende leeromgevingen waarin de student leert.
De begeleidingsstructuur in het politieonderwijs verbindt de diverse leeromgevingen en is opgebouwd rond de leerprocessen van de student. De student ontmoet tijdens zijn leertraject diverse begeleiders, die hem vanuit verschillende rollen faciliteren tijdens het leertraject. Het zijn:
– in het korps: de lijnmanager, de praktijkcoach en de trajectbegeleider;
– op het instituut en in het reguliere onderwijs: het hoofd opleiding, de docent/coach en de leerprocesbegeleider.

Door het werken bij het korps verwerft de student zijn competenties in een werkomgeving die tegelijkertijd de leeromgeving is. Aan de kant van het LSOP zijn de leerprocesbegeleider en docent in diverse rollen betrokken bij het leerproces van de student. Alle actoren gebruiken de e-campus als een digitale leeromgeving om de ondersteunende en begeleidende rol op zich te nemen.
Het LSOP is verantwoordelijk voor het leren, ook voor het leren tijdens de periodes van werkend leren in het korps. Het leren in beide leeromgevingen is complementair en moet leiden tot een goede integratie. De spil in deze afstemming is het duo trajectbegeleider(korps) – leerprocesbegeleider (LSOP instituut).
 

Kwaliteitszorg
Het College van Bestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het politieonderwijs, de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid houdt toezicht (Politieonderwijswet).
Met het oog op het verkrijgen van een kwaliteitskeurmerk als equivalent van het reguliere (beroepsonderwijs) worden de bachelor- en masteropleidingen en postinitiële leergangen ter validatie voorgelegd aan de Nationale AccrediteringsOrganisatie (NAO).
De Politieonderwijsraad (Werkplan POR 2003) draagt bij aan het ontwikkelen en onderhouden van de landelijke kwalificatiestructuur. Van veel belang daarbij zijn de aansluiting en afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (kwalitatief en kwantitatief) en ontwikkelingen in internationaal verband. De POR doet voorstellen aan het ministerie van BZK en Justitie over het samenhangend stelsel van politieonderwijs. De raad doet dat in het licht van een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen. De POR adviseert daarnaast de minister(s) over de eisen die aan (leer)werkplaatsen moeten worden gesteld, waar studenten werkend leren. De Politieonderwijsraad heeft verder tot taak toe te zien op de aansluiting van het politieonderwijs op de kwalificatiestructuur van WEB en WHW. De POR is op 10 januari 2003 geïnstalleerd en heeft een tweetal adviesaanvragen in bespreking:
N het onderzoek naar de wenselijkheid van een (beroepsprofiel) niveau 1 in de kwalificatiestructuur;
N onderzoek naar de afstemming op het regulier beroeps- en hoger onderwijs.

De POR kan zich laten adviseren door de expertteams en programmaraden die als adviserende organen verbonden zijn aan de instituten van het LSOP. Deze adviesorganen dragen zorg voor de permanente actualisering van het politieonderwijs en voor de verankering van de beroepspraktijk in het politieonderwijs.
 

Ontwikkeling van de kennisfunctie: aanleiding
Naast het verzorgen van onderwijs heeft het LSOP Politie Onderwijs- en Kenniscentrum ook de taak om het kenniscentrum voor de politiebranche te zijn (wet politieonderwijs). In het kader van de kennisontwikkeling is aan de Raad van Hoofdcommissarissen (RHC) de volgende centrale vraag voorgelegd (8 mei 2003): 'Wat zijn opgaven (urgente vraagstellingen) voor de politie, die de veiligheid en leefbaarheid bevorderen, die om een oplossing vragen en waar we (nog) geen antwoord op hebben?'
De conclusies van de Raad van Hoofdcommissarissen zijn richtinggevend, zowel voor de inhoudelijke als de organisatorische borging van de kennisfunctie van het LSOP.

In organisatorische zin zal de verbinding tussen politie en wetenschap en de relevantie van kennisontwikkeling en onderzoek voor de politiebranche worden versterkt door een intensieve participatie van RHC-leden en het werkveld in de bestaande kennisplatforms (zoals de Commissie Politie & Wetenschap, het Politie Kennis Net van het LSOP en de Programmaraden van de LSOP-instituten) en in de te ontwikkelen adviesstructuur en kenniskringen.

In inhoudelijke zin vraagt de RHC aan het LSOP om in samenwerking met andere wetenschapskringen kennis te ontwikkelen voor klemmende vragen in de politiebranche als:
N Zijn we verantwóórdelijk voor leefbaarheid en veiligheid of dragen we daaraan bij?
N Hoe realiseren we een tussen korpsen afgestemd issuemanagement?
N Hoe vangen wij boeven en is dat de beste weg?
N Wij doen aan toezicht (als reactie op de mate van criminaliteit), maar helpt het?
N Hoe kan de wetenschap meer strategisch worden ingezet, bijvoorbeeld rondom een actueel thema als veelplegers of het prestatievermogen van de politie?
N Hoe match je het belang van onafhankelijk wetenschap bedrijven met relevantie voor de politiebranche?
N Hoe kunnen we samenhang brengen in de ontwikkeling van de afzonderlijke RHC-boards?
N In hoeverre is kennisontwikkeling gericht op de relatie tussen politie en burgers of ketenpartners?
N Welke stijl van leiderschap heeft de politie nodig binnen de verschillende sturings- en verantwoordingsmodellen?
N Hoe bewerkstelligen we dat de ontwikkeling van politiekunde parallel loopt met het vraagstuk van politieleiderschap?

De zorg om binnen de eigen kerntaken resultaat te boeken, loopt als een rode draad door de probleemvelden. Dat sluit aan bij het hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet: 'Het functioneren van de politie kan en moet effectiever en efficiënter. Daarvoor ligt een nadrukkelijke opdracht bij de korpsen zelf. Ook bij de komende CAO-onderhandelingen zal dit inzet zijn.'  
 

Kijk op kennis
Staat bij politieonderwijs het verwerven van competenties centraal, bij politiekennis het met elkaar delen van verworven kennis en samen ontwikkelen van nieuwe kennis. Wat wordt geleerd (door studie of werkervaring), of in kennis wordt gedeeld, wordt ook daadwerkelijk in de beroepsuitoefening gebruikt. Zo staat de kennisfunctie van het LSOP zowel ten dienste van de verbetering en vernieuwing van de beroepsbeoefening als ten dienste van de ontwikkeling van politiekunde, dat naarmate het meer 'body' krijgt de bijdrage van de politie aan het creëren van een veilige en leefbare samenleving zal vergroten.

 

Toename van kennis
Er is op veel terreinen meer informatie en kennis beschikbaar dan tien jaar geleden. Dat komt door de sterke wetenschappelijke en technologische ontwikkeling en doordat kennisontwikkeling een bepalende factor is geworden in de economie en het maatschappelijk verkeer. Ook ICT brengt de kennisontwikkeling in een stroomversnelling.
De kennisaccumulatie van de laatste jaren heeft ingrijpende gevolgen gehad: voor het onderwijs maar ook voor de samenleving als geheel. Veel kennis veroudert ook weer snel. Dat heeft belangrijke implicaties voor leren en opleiden. Een diploma is steeds meer een startkwalificatie. Het onderwijs moet de deelnemers in staat stellen ook verdere ontwikkelingen te volgen, een loopbaan lang, een leven lang. Dat houdt in dat de nadruk komt te liggen op breed inzetbare kennis en op leercompetenties: het vermogen om blijvend te leren, in en van het werk en in vervolgopleidingen. In aansluiting op de ontwikkeling van het samenhangend stelsel van politieonderwijs is permanente professionalisering van de politie, voortgaande competentieontwikkeling en dus levenslang leren noodzakelijk. De politie is immers een kennisintensieve organisatie. Wat betekent in dit verband nu precies 'kennis'?

 

Kennis als bekwaamheid
Overeenstemming over wat het concept 'kennis' inhoudt is er niet. Het begrip werd tot voor kort vooral geassocieerd met het soort kennis dat aan universiteiten en onderzoeksinstituten wordt ontwikkeld en vastgelegd in tekst, formules, organogrammen, schema's, tabellen (vgl. Onderwijsraad, 2002). Toepassingsmogelijkheden voor zulke kennis worden vervolgens door anderen uitgewerkt en door weer anderen onder gebruikers verspreid. Deze vorm van kennis wordt wel aangeduid als ' gecodificeerde kennis', of 'declaratieve kennis', of 'expliciete kennis'. Dat wil zeggen: kennis die je kunt opslaan, op 'voorraad', op 'stock' kunt hebben (Weggeman, 2000), opgeslagen in boeken of op cd-rom.

In een kennissamenleving en in kennisintensieve organisaties gaat het allang niet meer alleen om dit soort kennis. Juist de inzet, de toepassing van kennis is van belang. Daarvoor is een kennisvorm nodig die 'tacit knowledge' wordt genoemd, 'stilzwijgende kennis' en die tegenover expliciete kennis staat (Nonaka en Takeuchi, 1997). Bij dit soort kennis gaat het om 'know-how', bekwaamheid. Daarnaast is 'know-who' van belang: wie kan ideeën- of operationele kennis leveren die in bepaalde situaties ontbreekt? (Onderwijsraad, 2002; PKN, 2002 ). Stilzwijgende kennis is het resultaat van onderwijs, scholing, ervaring en talent en kan als persoonlijke bekwaamheid worden gezien (Kessels, 2001). Ze blijft overigens niet per definitie stilzwijgend. Tot op zekere hoogte kan ze geëxpliciteerd worden en in persoonlijke contacten worden overgedragen. Steeds echter blijft een 'stille component' aanwezig, al is het maar de opgebouwde routine bij een vaardigheid. In laatste instantie moet 'know-how' door iedereen zelf worden verworven en ontwikkeld. Veel kennis, ook in de politieorganisatie, is nauwelijks codificeerbaar of overdraagbaar. Vandaar ook het belang van 'know-who': in veel gevallen zal een appèl moeten worden gedaan op ervaren beroepsbeoefenaars of experts.
De twee soorten kennis staan niet los van elkaar. De onderscheiden kennisfacetten hangen met elkaar samen. Het klassieke kennisbegrip ('know-what' en 'know-why') moet aangevuld worden met een interpretatie van kennis als bekwaamheid, ofwel: als competentie ('know-how' en 'know-who').
 
Kennisproductieve werkomgeving
De schoolse kennisoverdracht volstaat al lang niet meer; niet voor niets is het nieuwe politieonderwijs competentiegericht. Maar kennisverwerving en -ontwikkeling vindt blijvend plaats, ook na en buiten het onderwijs. Dat vraagt van de korpsen veel aandacht voor het inrichten van de werkplek als kennisproductieve werkomgeving, dat wil zeggen: een omgeving waarin kennis uitgewisseld en nieuwe kennis tot ontwikkeling kan worden gebracht. Deze kennis is nodig om de dienstverlening van de politie voortdurend te verbeteren en te vernieuwen. Op deze manier wordt de kennis productief gemaakt.
Belangrijke principes voor kennisproductiviteit zijn (Kessels, 2001):
N bevorderen van wederzijdse aantrekkelijkheid: het creëren van een sociale context, met anderen de zorg delen voor een aangenaam leerklimaat, je bewust zijn van wat je hebt te bieden en van wat je komt halen;
N op zoek naar een passie: de energie die voortkomt uit gedrevenheid. Nieuwsgierigheid, motivatie, interesse en ambitie praat je niemand aan. Wanneer inhoudelijke gedrevenheid ontbreekt blijven de prestaties middelmatig;
N verleiden tot kennisproductiviteit: anderen uitnodigen tot het bewust gebruiken van de sociale context en inhoudelijke gedrevenheid voor verbetering en vernieuwing van het werk.
 

Samenhang onderwijs- en kennisfunctie
De onderwijsfunctie heeft gestalte gekregen in het samenhangend stelsel van competentiegerichte en contextgebonden politieopleidingen en politieleergangen.
Met de ontwikkeling en inrichting van de kennisfunctie is enkele jaren geleden een begin gemaakt. Zo is er een Politie Kennis Net (PKN) opgericht, waar informatie in samenwerking met de korpsen op een structurele wijze wordt verzameld, 'veredeld' en verspreid. Zo groeit een gevalideerde kennisbank van 'corporate intelligence'.
Via de door BZK gesubsidieerde, onafhankelijke commissie Politie en Wetenschap, die beheersmatig bij het LSOP (de Nederlandse Politie Academie) is ondergebracht, wordt het politiekundig onderzoek gestimuleerd, dat wordt uitgevoerd door diverse universiteiten en onderzoeksinstellingen. Ook de onderzoeksgroep van de NPA doet regelmatig politiekundig onderzoek (op contractbasis) en publiceert daarover.
Verder zijn er de Expertisecentra, een aantal landelijke,een aantal op LSOP-initiatief en enkele in korpsen. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan politiekundige kennisontwikkeling.
Tot slot is mede op verzoek van een aantal korpsen een project gestart om de mediatheekfunctie van het LSOP ook voor de branche toegankelijk te maken.

 

Op weg naar samenhang in kennisontwikkeling
Anders dan in het nieuwe politieonderwijs kan nog niet worden gesproken van een vernieuwende en samenhangende aanpak van de kennisontwikkeling. Ook is er nog onvoldoende samenhang tussen de eerder genoemde activiteiten op het terrein van kennisontwikkeling en onderzoek. Evenmin is internationalisering van het onderwijs voldoende geborgd. Weliswaar zijn er bestendige contacten met buitenlandse politieopleidings- of kennisinstituten en speelt het LSOP een prominente rol in CEPOL ( de Europese politieacademie), maar deze netwerkinformatie krijgt nog geen systematisch beslag in leeropdrachten.
Belangrijk in de komende tijd wordt de koppeling aan de externe kennis-infrastructuur in Nederland. Daarbij gaat het om de verbinding met diverse onderzoekscentra bij universiteiten en andere kennisorganisaties.

 

Netwerkorganisatie
In het LSOP Kenniscentrum, dat samen met andere partijen meer de kenmerken van een netwerkorganisatie zal vertonen dan van een instituut, komen de interne LSOP-kennisontwikkelingsfuncties samen. Het centrum zal worden geleid door een hoogleraar-directeur. Het directoraat van het kenniscentrum wordt tevens gevormd door de PKN-directeur en er is een adviesrol voorzien voor de afdeling Onderwijsinnovatie en Studentenbeleid, de onderzoeksgroep NPA en de mediatheek.
Voor de kennisdomeinen zijn de (onderwijs)instituutsdirecteuren verantwoordelijk. Zij zijn als directeur de kennisdomeinhouder voor een specifiek terrein, in welke hoedanigheid zij hun werkzaamheden nauw afstemmen met het betreffende Expertisecentrum.
Door het instellen van een lectoraat en een kenniskring per kennisdomein leggen we de verbinding voor een coherente positionering van het LSOP als kenniscentrum naast onderwijscentrum voor de Nederlandse politie. Zij geeft ook nadere invulling aan het partnerschap tussen de korpsen en het onderwijs en de kennisontwikkeling van het LSOP.

  Hoofdlijnenakkoord voor het kabinet CDA/VVD/D’66, 16 mei 2003

 

Literatuur
– Adviescommissie Onderwijs-Arbeidsmarkt (1999) Een wending naar kerncompetenties. De betekenis van kerncompetenties voor de versterking van de kwalificatiestructuur secundair beroepsonderwijs. 's-Hertogenbosch: ACOA.
– Bolhuis, Bart & drs. Richard van Royen (2002) Competent blauw op straat. Proeven van bekwaamheid in het vernieuwde politieonderwijs. In: HRD Thema. Passen en meten: naar deugdelijk assessment in organisaties en onderwijs. Gastredactie: Ans Grotendorst & Harm Tillema.
– Broer, drs. Wim (2002) Kennis als Kans, de kennisfunctie van het LSOP. Apeldoorn: LSOP Politie Onderwijs- en Kenniscentrum (PKN).
– Grotendorst, Ans (2002) Non scholae, sed vitae discimus. Een competentiegerichte nadering. In: Mariel Rondeel & Sibrenne Wagenaar (red.): Kennis maken: leren in gezelschap (pp. 193-215). Schiedam: Scriptum Management.
– Grotendorst, A., M. Jellema, I. Stam, M. van der Vegt en C. Zandbergen (2002) Leren in veiligheid. Het nieuwe politieonderwijs in maatschappelijk perspectief. Apeldoorn: LSOP Politie Onderwijs- en Kenniscentrum.
– Kessels, Joseph W.M. (2001) Verleiden tot kennisproductiviteit. Oratie.
Universiteit Twente.
– Nonaka, I. & H. Takeuchi (1997) De kenniscreërende onderneming. Hoe Japanse bedrijven innovatieprocessen in gang zetten. Schiedam: Scriptum.
– Onderwijsraad (2002) Leren in een kennissamenleving. Den Haag: Onderwijsraad.
– Politieonderwijsraad (2003) Werkprogramma.

[kader]
November 2001 ontving het LSOP Politieonderwijs en Kenniscentrum de Onderwijsinnovatie Award. Het traditionele, functiegerichte politieonderwijs onderging een ware gedaanteverwisseling: het werd omgevormd tot een samenhangend stelsel van beroepsonderwijs op mbo- hbo- en wo- niveau.

[kader]
Het LSOP Politie Onderwijs- en Kenniscentrum is in 1992 ontstaan uit een fusie van rijks- en gemeenteopleidingsinstituten. Er zijn dertien onderwijslocaties in het land met in totaal 1200 fte aan vast personeel, 200 fte tijdelijk en gedetacheerd personeel en ruim 400 gastdocenten. De omzet is 155 miljoen euro per jaar.
Jaarlijks komen zo'n 30.000 politiemensen bij het LSOP voor een initieel, postinitieel of ander leertraject. Het initieel onderwijs wordt bekostigd op basis van de instroom met als streefgetal 2000 per jaar en het postinitieel onderwijs op basis van een taakstellend budget van ongeveer 30 miljoen. Voor het overige aangevuld met contractonderwijs, bekostigd door de korpsen en derden.
De instroom in het initiële onderwijs kent een enorme fluctuatie:
Van 1200 in 1998 naar 3000 in 2001, 2100 in 2002 en naar verwachting 1000 in 2003! De bedrijfsvoeringsproblematiek bij het LSOP is aanzienlijk en heeft grote gevolgen voor het personeel, het openhouden van locaties en instandhouden van het samenhangend stelsel.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2003, jrg. 65, nr. 7-8, p. 14-19

0 reacties

Reageer op dit artikel