Preventief beleid verdient steun politie: Jeugdoverlast en -criminaliteit in Utrecht

Door Drs. F.V. Roijackers; Floris Roijackers is secretaris van de Rekenkamer Utrecht, 01 juli 2005 15:03 uur0 Waardering:

De Rekenkamer Utrecht deed vorig jaar een onderzoek naar het jeugd-en-veiligheidsbeleid van de gemeente Utrecht. Deze gemeente voert een preventief beleid ten aanzien van risicojongeren. Hiervoor heeft zij de medewerking van partners als de politie hard nodig. De politie heeft er op haar beurt belang bij de preventieve aanpak te ondersteunen, omdat zij dan beter aan haar kerntaken toekomt.

Bij het voorkomen en bestrijden van overlast en crimineel gedrag door jongeren zijn veel instellingen betrokken: de gemeente, wijkwelzijnsorganisaties, jeugdzorginstellingen, scholen, het Openbaar Ministerie en natuurlijk de politie. Elke instelling heeft een deel van de problemen van jongeren in het vizier; beschikt als het ware over een stukje van de puzzel. Voor het oplossen van de puzzel zijn instellingen afhankelijk van elkaar. Dit kun je als een probleem zien, maar het is de realiteit van waaruit een doeltreffende aanpak vorm moet krijgen.
De gemeente Utrecht zet zich in om jongeren die de fout in (dreigen te) gaan op het goede spoor te krijgen of te houden: een preventieve aanpak door bijvoorbeeld jongerenwerk en hulpverlening. Voor een zo succesvol mogelijk beleid heeft zij de medewerking van partners als de politie nodig. Dat de politie zich tegenwoordig concentreert op repressie, betekent niet dat zij geen bijdrage kan hebben aan de preventieve aanpak.
 

Bedrijfsprocessensysteem
De Rekenkamer Utrecht, het onafhankelijke controleorgaan dat toezicht houdt op de doeltreffendheid van het gemeentelijk beleid, deed in 2004 een onderzoek naar het jeugd-en-veiligheidsbeleid van de gemeente1. De Rekenkamer constateert dat de doeltreffendheid van de aanpak onder meer kan worden verbeterd door binnen de gemeente informatie beter te delen, maar ook door de informatie waarover andere instellingen beschikken beter te benutten. Waar het met name aan ontbreekt, is goede informatie over de oorzaken van overlast en crimineel gedrag door jongeren. Deze informatie is bij andere instellingen wel aanwezig.
In het onderzoek van de Rekenkamer is gekeken naar de informatievoorziening door de politie aan de gemeente over jongerenoverlast. De politie registreert in haar Bedrijfsprocessensysteem meldingen van overlast door jongeren. De gemeente Utrecht krijgt deze informatie om zich een beeld te vormen van de omvang van jongerenoverlast in de wijken van Utrecht. Naar aanleiding daarvan stelde de gemeente zich ten doel: 'het aantal meldingen van jongerenoverlast in de stad neemt af van acht in 2003 tot zeven meldingen per duizend inwoners, maar stabiliseert minimaal op acht in 2005'.
Om de juistheid van deze cijfers te controleren, onderzocht de Rekenkamer steekproefsgewijs wat agenten ter plaatse hadden aangetroffen. Om een voorbeeld te geven: in de wijk Overvecht troffen de agenten in 40 procent van de bekeken gevallen helemaal niets aan: geen jongeren, geen sporen van vernieling, geen overlast. Let wel: dat betekent niet dat de overlastsituatie er niet geweest is. Overlast is immers een 'vluchtig' verschijnsel, dat er het ene moment is en het andere moment zich mogelijk naar een volgende straathoek heeft verplaatst. Omdat meldingen van overlast geen prioriteit hebben, kan het tot dertig minuten duren voordat men ter plaatse is.
 

Eenduidigheid informatie
De Rekenkamer constateerde ook dat de meldingen niet consequent worden geregistreerd. Een deel van de meldingsrapportages konden of moesten (gezien de definities) onder andere incidentcodes worden verwerkt dan onder 'overlast van/door jeugd', bijvoorbeeld onder 'vandalisme' of 'overlast vuurwerk'. Het Bedrijfsprocessensysteem is niet eenduidig van opzet: er zitten dader- en incidentgerelateerde categorieën in. Hierdoor is het met dit systeem niet mogelijk de gemeente van eenduidige informatie te voorzien.
Deze bevindingen wekken de indruk dat de politie de gemeente die gegevens levert die eenvoudig zijn uit te draaien, zonder analyse of toelichting op de context. Informatie over oorzaken van bijvoorbeeld overlast wordt helemaal niet gegeven, terwijl daar bij de politie toch goed zicht op moet zijn.
Ondanks de manco's gebruikt de gemeente de politiecijfers om haar aanpak te bepalen. In Utrecht is er zelfs een centrale doelstelling van het beleid aan gekoppeld: 'afname meldingen jongerenoverlast'. Daarvoor zijn deze cijfers ontoereikend. Kort gezegd: de gemeente weet niet wat er precies aan de hand is, bepaalt haar aanpak, maar kan achteraf ook niet weten of de aanpak effect heeft gehad. Immers, een ontwikkeling in het aantal meldingen hoeft niet te betekenen dat de overlast is toe- of afgenomen. De gemeente weet dus niet of de veiligheid is verbeterd of verslechterd.
 

Politie als informatiecentrum
Toch is het logisch dat de gemeente, om te weten te komen wat er op straat gebeurt, haar oor bij de politie te luisteren legt. Als er één instelling is die daar zicht op heeft, is het de politie. Omgekeerd heeft de politie ook baat bij het preventieve beleid dat de gemeente voert. Hoe beter de gemeente erin slaagt jongeren 'binnenboord te houden', hoe meer de politie de handen vrij heeft voor de andere prioriteiten. De politie heeft er dus belang bij de gemeente van kwalitatief goede informatie te voorzien. Zij zou daarom moeten meedenken over hoe de informatievoorziening kan worden vormgegeven. Dus niet: de gemeente vraagt om informatie en de politie draait het uit. Maar: de politie denkt mee over hoe zij partners als de gemeente relevante, volledige en betrouwbare beleidsinformatie kan verschaffen en richt de eigen bedrijfsprocessen en administratieve organisatie waar mogelijk zo in dat zij daaraan tegemoet kan komen.
 

Best practices
De Rekenkamer heeft niet onderzocht of dit elders in het land wel gebeurt. Wel blijkt uit het jaarverslag 2004 van de Nederlandse politie dat andere korpsen de noodzaak inzien van een op samenwerking met partners gerichte politieorganisatie. Het jaarverslag licht twee best practices uit op het gebied van 'aanpak van overlastgevende groepen' (pagina 22):

'In Limburg-Noord is een "criminaliteitsbeeldanalyse jeugd" gemaakt die de problemen met betrekking tot crimineel gedrag van jongeren beschrijft. Dit beeld helpt politie en andere betrokken partijen om de problemen beter in kaart te brengen en ook de achtergronden te achterhalen.'

'Het regiokorps Brabant-Zuid-Oost heeft een brede analyse van de jeugd gemaakt, waarbij in de diepte de achtergronden van individuele (criminele) jeugdigen en (criminele) jeugdgroepen in beeld zijn gebracht. Door gebruik te maken van diverse software kan het korps visueel weergeven waar hanggroepjongeren samenkomen, wat de mobiliteit van individuele leden van de groep is, hoe de (criminele) samenstelling van de groep eruitziet en welke incidenten zijn geregistreerd op en rond hanggroeplocaties. De resultaten van deze analyse zijn toepasbaar in de jeugdketen voor strategische beleidsvorming […]'.

Uit deze passages blijkt natuurlijk niet of de informatie voldoet aan de kwaliteitseisen 'juistheid' en 'volledigheid'. Maar als we dat aannemen, is het wel gerichte informatie, die ook iets zegt over de achtergronden van de problemen, waarop de gemeente haar aanpak kan baseren. De gemeente stuurt immers de wijkwelzijnsorganisaties aan; zij kan ervoor zorgen dat bijvoorbeeld jongerenwerkers op de juiste tijd en plaats hun rol vervullen. Ook kan zij erop toezien dat in overleg met buurtbewoners de jongeren een goede plek krijgen toegewezen om samen te komen. Waarmee de politie weer is ontlast.
 

Nadruk op repressie
In Utrecht heeft de politie een beperkte rol in het analyseren van wat er aan de hand is met jongeren op straat. In ons onderzoek troffen wij bij de politie geen wijkanalyses aan, zoals die waarvan in het jaarverslag 2004 van de Nederlandse politie melding wordt gemaakt. De gemeente Utrecht probeert dit overigens wel te compenseren, bijvoorbeeld door de wijkwelzijnsinstellingen analyses te laten uitvoeren. Dit is echter een ondoelmatige oplossing, omdat de 'natuurlijke vergaarbak' van informatie over overlast en criminaliteit die de politie is, onvoldoende wordt benut.
De Utrechtse politie legt de nadruk op reactie en repressie; in het faciliteren van de preventieve actie van de partners wordt onvoldoende geïnvesteerd. Hiermee bijt de politie zich uiteindelijk in haar eigen staart. Door het preventieve beleid van de partners beter te faciliteren, kan de politie beter aan haar repressieve taak toe komen.

De Rekenkamer raadt de gemeente aan beter gebruik te maken van de kennis binnen de eigen organisatie en de informatie die ze van partners krijgt. Dit geldt ook voor de politieorganisatie; politieregio's kunnen bijvoorbeeld analysemethoden met betrekking tot hanggroepjongeren uitwisselen. Daarbij is het van belang dat de juistheid en volledigheid van de informatie goed worden gewaarborgd en dat de gegevens nader worden geanalyseerd, zodat deze bruikbaar zijn voor de partners voor het bepalen van een aanpak. Een cruciale stap daarin is dat de politie haar kennis van de oorzaken van overlast en criminaliteit door jongeren met de partners deelt.

Met dank aan drs. G. Bouwers en drs. J. van der Zee, die mede het onderzoek uitvoerden, voor het commentaar op eerdere versies van dit artikel.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2005, jrg. 67, nr. 7-8, p. 26-27

Rekenkamer Utrecht, mei 2005. Jeugd en Veiligheid. Een onderzoek naar het jeugd-en-veiligheidsbeleid van de gemeente Utrecht. Zie www.rekenkamer.utrecht.nl

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel