Reassurance policing; oude wijn in nieuwe zakken?

In 2001 is door de Association of Chief Police Officers (ACPO) in Engeland en Wales begonnen met de uitrol van het project reassurance policing. Op 22 en 23 maart 2007 organiseert de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (SMVP), in samenwerking met haar Belgische tegenhanger, het Centrum voor Politie Studies, een tweedaags congres over reassurance policing.

Voor zijn eindscriptie voerde Luuk Wondergem een onderzoek uit naar reassurance policing in opdracht van de SMVP en het korps Rotterdam-Rijnmond. In dit artikel zet hij achtereenvolgens uit wat reassurance policing is, wat de achterliggende theorie is en hoe het is geïmplementeerd. Ten slotte schetst hij wat reassurance policing in de Nederlandse situatie kan betekenen.

Reassurance policing is als project ontstaan uit een visiedocument van de Association of Chief Police Officers (ACPO). In dit document komen de sterk afgenomen criminaliteit en de publieke opinie die deze trend niet bleek te volgen aan de orde. Dit gat tussen objectieve en subjectieve veiligheid kreeg de naam reassurance gap.
Wat ook meespeelde bij het ontstaan van reassurance policing was de lage score voor het vertrouwen in de politie. In de BCS -veiligheidsmonitor in 2001 bleek deze indicator op een absoluut dieptepunt te zitten. Om dit te veranderen besloot men in het korps Surrey om een wijkaanpak op te zetten die gebaseerd was op wetenschappelijke uitgangspunten.
 

Wetenschappelijke achtergrond
Reassurance policing is primair gebaseerd op prof. dr. Martin Innes’ Signal Crimes perspective (Innes & Fielding, 2002). Zijn werk vormt het theoretisch kader van het concept.
Innes gebruikt in zijn theorie het ‘signaalwaarden’-concept van Slovic, hoogleraar psychologie aan de University of Oregon, en combineert dit met andere semiotische  concepten. Innes definieert een signal event als een signaal van neutrale aard, dat verwijst naar significante veranderingen in de sociale context. Deze signalen kunnen zowel positief als negatief van aard zijn.
Een negatief signaal kan een signal crime of een signal disorder zijn. Een signal crime is elk crimineel incident dat een disproportionele invloed heeft op de publieke risicoperceptie.
Bij de studie van deze signalen blijkt dat de meest voorkomende signalen niet zozeer betrekking hebben op criminaliteit maar veeleer op disorder, inbreuken op de sociale orde.
Voorbeelden van de meest hoog scorende negatieve signalen zijn overlast door hangjongeren, drugsoverlast, graffiti, straatvervuiling, enzovoort.
Deze signalen vormen dus niet per se een inbreuk op het strafrecht. Daarom spreekt men van signal disorder. De titel van Innes’ theorie, Signal crimes perspective, is wellicht enigszins misleidend, omdat het vooral de signal disorders zijn die de grootste invloed hebben op de veiligheidsgevoelens van bewoners.
Men kan deze negatieve signalen ook tegengaan. Een positief signaal wat afgegeven wordt om het publieke gevoel van onveiligheid tegen te gaan noemt Innes een control signal. Dit kan elke handeling zijn, zolang deze erop gericht is om zichtbaar een signal crime of signal disorder aan te pakken en daarmee de boodschap uit te zenden dat er iets aan gedaan wordt.

Wat het publiek als een signaal beschouwt is zeer persoonsgebonden en hangt onder meer af van zichtbaarheid en sociale context.
Misdrijven of overtredingen die niet opvallen, zullen niet als signaal fungeren. De media kunnen de waarde van signalen echter enorm beïnvloeden. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat ook variabelen zoals sociale klasse, leeftijd, geslacht, etniciteit en slachtofferschap meespelen bij de beleving van signalen. 
 

Opzet en implementatie
Er vond in Engeland onder de projectleiding van ACPO en gesteund door het Home Office een pilot plaats in acht korpsen, verdeeld over zestien wijken. Deze wijken waren verdeeld over zeer verstedelijkte, semi-verstedelijkte en rurale gebieden.
Hierbij dient nadrukkelijk opgemerkt te worden dat deze wijkenDeze wijken zijn onderverdeeld in clusters en qua grootte niet vergelijkbaar zijn met een Nederlandse gemiddelde wijk. Het gaat hier veeleer om straten of clusters blokken van enkele straten.

Het National Reassurance Policing Programme (NRPP) was gericht op de volgende doelstellingen:
- afname in de gevoelens van onveiligheid;
- afname in antisociaal gedrag en toename van de leefbaarheid;
- toegenomen tevredenheid over het politieoptreden en toegenomen vertrouwen in de politie;
- versterkt sociaal kapitaal.

Daarbij moest het NRPP-programma bouwen op de volgende uitgangspunten:
- de aanwezigheid van zichtbare, toegankelijke en lokaal bekende wijkpolitie;
- betrokkenheid van de lokale gemeenschap bij het vaststellen van prioriteiten en betrokkenheid bij de aanpak daarvan;
- doelgerichte en probleemoplossende activiteiten van de politie in de aanpak van criminaliteit en overlast die lokaal de hoogste prioriteit heeft.

Vervolgens is dit project, met deze principes in het achterhoofd, uitgerold volgens een projectaanpak, gebaseerd op zeven stappen:
1 Onderzoek
Alvorens ergens aan te beginnen is een zeer goede bekendheid met de buurt en de lokale situatie een vereiste.
2 Tegemoet treden
Deze stap refereert naar het daadwerkelijk in contact komen met bewoners door middel van bijeenkomsten waar ze hun ideeën en gedachten kunnen uitspreken. Het is te verwachten dat er buurten zijn waar men zich niet erg betrokken voelt. Buurtbetrokkenheid ziet men als een cruciaal aspect voor het reassurance policing concept.
3 Publieke voorkeuren vaststellen
De politie heeft vaak een idee over de heersende overlast en criminaliteit in een buurt. Dit hoeft echter helemaal niet samen te vallen met hoe de bewoners dat ervaren. Door middel van vragenlijsten en een schouw worden tekortkomingen en overlastsituaties in beeld gebracht.
Voor het schouwen is een gestandaardiseerde, objectieve en wetenschappelijk onderbouwde, maar nogal complexe methode ontwikkeld. Deze is bekend onder de naam Environmental Visual Audit (EVA).
4 Onderzoek en analyse
Hierbij analyseert men de verzamelde gegevens. De bedoeling is om de oorzaken te identificeren en verantwoordelijke stakeholders te benoemen. Men moet maximaal gebruikmaken van informatie uit bestaande systemen en de informatiegestuurde politiezorg.
5 Prioriteren van publieke keuzes
Het is dan zaak de resultaten van het onderzoek naar de geopperde voorkeuren op een voor het publiek begrijpelijke wijze te presenteren. Dit kan gebeuren in een publieke bijeenkomst. Daarna kan men bepalen hoe het gewenste resultaat eruit ziet en wat de betrokkenheid van de bewoners zal zijn in het behalen van de benoemde doelstellingen. De operationele handleiding van het programma waarschuwt er overigens voor om niet meer dan drie prioriteiten te benoemen!
6 Plannen en actie
Het doel is om te komen tot een plan van aanpak om de specifieke problemen aan te pakken. Het is belangrijk dat de doelstellingen SMART zijn benoemd, en de aanpak zal waarschijnlijk de betrokkenheid vergen van verschillende netwerkpartners.
7 Feedback en bijsturing
Het is noodzakelijk om de voortgang regelmatig te bespreken met de bewoners. Ook als zaken niet lopen zoals verwacht is openheid belangrijk!
 

Evaluatie van het NRPP
De uitvoering en resultaten van het project zijn voor het grootste deel geëvalueerd door een onafhankelijke academische adviesgroep.
In verhouding tot de controlegroepen waren er al na een jaar noemenswaardige uitkomsten, zoals:
- een afname van het slachtofferschap in het algemeen met 5%;
- een positief effect op de perceptie van antisociaal gedrag;
- een significante afname in aan antisociaal gedrag gerelateerde incidenten;
- een algemene afname van gevoelens van onveiligheid (in het bijzonder 4% afname met betrekking tot onveilig gevoel in het donker);
- de toename van de tevredenheid over de politie met 15%;
- de effecten op de sociale cohesie werden niet gemeten, behalve bij de vraag over het vertrouwen in bewoners uit de buurt. Hier werd een netto toename van 5% vastgesteld. Men had de indruk dat het vaststellen van veranderingen in sociale cohesie wellicht over een langere tijdsspanne aan het licht komen;
- een toename van perceptie over de betrokkenheid van de politie bij de buurt (zichtbaarheid, aanspreekbaarheid en bekendheid) met 15%.

Uiteraard kwamen er ook kritische opmerkingen.
Het betrekken en betrokken houden van bewoners bleek moeilijker dan gedacht en ook leefde de indruk dat bewoners last kregen van consultatiemoeheid (door het voortdurend benaderd worden voor verschillende bijeenkomsten, vragenlijsten, e.d.).
Daarnaast waren er ook de nodige zorgpunten vanuit de politieorganisatie. De hoge mate van verwetenschappelijking van het concept evenals de voortdurende monitoring zorgde voor een zware administratieve belasting voor de betrokken uitvoerende medewerkers en de ondersteunende diensten. Doorgaans zag men de noodzaak tot versterkte samenwerking met bewoners wel in. Het bleek echter voor een aantal politieagenten moeilijk om de eigen visie op wat de problemen in een wijk zijn, los te laten ten faveure van de beleving van deze problemen door de wijkbewoners zelf. Ook bleek het moeilijk om gedragsaanpassingen in de uitvoering van de noodhulp te krijgen ter ondersteuning van de wijkpolitie. Burgerbetrokkenheid bleek voor veel noodhulpverleners een ver-van-mijn-bed show.

Ondertussen is het project afgerond. Onder politieke druk is een andere naam gekozen die meer aanspreekt en een bredere lading dekt: Neighbourhood Policing. De grondslagen van dit ‘nieuwe’ concept, zoals de wetenschappelijke achtergrond en de uitvoeringsmethodiek, zijn echter identiek aan reassurance policing.
 

Nederlandse situatie
Op dit moment lijkt het best goed te gaan met de veiligheid in Nederland. De achtste voortgangsrapportage ‘Naar een veiliger samenleving’ geeft aan dat het veiligheidsprogramma van de Nederlandse overheid werkt, en dat we nog steeds op koers liggen.
Ook de veiligheidsmonitor 2006 laat zich gematigd positief uit over recente ontwikkelingen.
Er zijn ten opzichte van 2005 beduidend minder slachtoffers van een delict. Buurtproblemen lijken zich weliswaar te stabiliseren rond het niveau van 2005, maar voor wat betreft onveiligheidsgevoelens is er een significante afname ten opzichte van 2005. Toch voelt circa 25% van de respondenten zich wel eens of vaak onveilig.
Van de respondenten is 46% niet of niet zo tevreden zijn over het functioneren van de politie in de buurt. Ook de beschikbaarheid en zichtbaarheid van de politie in de buurt is nog steeds voor verbetering vatbaar als je bedenkt dat 48% van de respondenten van mening is dat ze de politie te weinig in de buurt zien. 39% vindt dat de politie te weinig aanspreekbaar is en 37% vindt dat de politie te weinig uit de auto komt.

In principe strookt het reassurance policing concept uitstekend met de uitgangspunten van ‘Naar een veiliger samenleving’. Een van de door het kabinet aangewezen knelpunten was immers een te weinig zichtbare aanwezigheid van de bij veiligheid direct betrokkenen in de publieke ruimte. Dit heeft het onwenselijke gevolg dat er minder sociale controle in het publieke domein ontstaat, wat leidt tot een situatie waarbij de eerste overheidsinterventie op regelovertredend gedrag vaak een strafrechtelijke betreft. Het strafrecht is hierdoor vaak niet de laatste maar de eerste schakel in de handhaving, aldus ‘Naar een veiliger samenleving’. Daarnaast wil de overheid het klimaat van veiligheid bevorderen, onder andere door een versterkte wijkgerichte aanpak. Bovendien wil de overheid burgers en bedrijfsleven betrekken bij de verbetering van de veiligheidssituatie in de wijk.
Letterlijk stelt het rapport (pag. 66): ‘De prioriteitstelling van de politie-inzet op wijkniveau kan door die inbreng mede worden bepaald.’
Onafhankelijk van de vraag of dit daadwerkelijk zo in de praktijk wordt gebracht, sluit dit natuurlijk uitstekend aan bij reassurance policing. Sterker nog, het vormt er de grondslag van!
 

PiO
Het visierapport ‘Politie in Ontwikkeling’ (PiO) (Raad van Hoofdcommissarissen, 2005) vormt een andere belangrijk criterium waaraan het concept van reassurance policing getoetst moet worden.
Ik noem enkele kernpunten uit de ‘Tien punten op de horizon’.
- Het gebiedsgebonden werken blijft een leidend principe voor de Nederlandse politie (de lokale politie moet zelfs in staat zijn om sociale actie ter bevordering van veiligheid te organiseren en andere partijen zonodig te mobiliseren).
- Nodale oriëntatie moet een noodzakelijke aanvulling gaan vormen op de lokale oriëntatie.
- De Nederlandse politie zet in op policing of communities. (Het verlenen van vraaggerichte hulp in een probleemgerichte aanpak wordt expliciet benoemd.)
- De Nederlandse politie wil informatiegestuurd werken. (Verbreding van informatiegestuurde opsporing naar informatiegestuurde politie.)
- De Nederlandse politie ziet programmasturing als adequaat middel tot samenwerking.

In zekere zin zou je ook hier reassurance policing kunnen zien als een ideale invulling van PiO. Immers, het is bij uitstek ‘policing of communities’ en het is een vorm van vraaggestuurd werken.
Maar hoe zit het met de voorgenomen informatiesturing, de probleemgerichte aanpak en de nodale oriëntatie?
Welnu, met informatiegestuurde politie en probleemgericht werken heeft reassurance policing geen moeite. Sterker nog, het behoort tot de uitgangspunten.
Informatiegestuurd werken, het zogenaamde Intelligence led policing, is qua sturing nogal ‘top-down’ qua structuur, terwijl Reassurance policing veeleer een ‘bottom-up’ concept is.
Bij beiden is een sterke analysecomponent aanwezig, maar het is de professional op straat die in het reassurance policing concept samen met de bewoners problemen identificeert en prioriteert. Het is dus wel zaak dat een korps dat sterk hecht aan het werken volgens het informatiegestuurd model en toch gebruik wil maken van reassurance policing, rekening houdt dat er ruimte gegeven wordt voor sturing van ‘onderaf’.
Verbreding van informatiegestuurde opsporing naar de hele politieorganisatie is in dat geval een waardevolle aanvulling voor een concept als reassurance policing om schaarse menskracht en middelen in te zetten om de door bewoners en politie samen vastgestelde prioriteiten aan te pakken.

Daarnaast is reassurance policing probleemgericht. Een reeds uit Engeland naar Nederland overgewaaid voorbeeld hiervan is het SARA-model, een methode om op een gestructureerde wijze problemen aan te pakken . Dit is bijvoorbeeld al in gebruik bij korps Haaglanden. Daarnaast is het probleemgericht werken bij veel korpsen ondertussen gemeengoed, wat voor de mogelijke inbedding van reassurance policing een prettige bijkomstigheid is.

  

Nodale oriëntatie
Een nieuwe verschijning in conceptenland is de in PiO gelanceerde ‘nodale oriëntatie’. Volgens de auteurs van PiO is men door het gebiedsgebonden werken de wijken in gezogen, waardoor men ‘...onvoldoende aandacht heeft besteed aan de geografische ruimte buiten de woongebieden en aan de opsporingsfunctie.’
Met name door op kruispunten en knooppunten aanwezig te zijn op de infrastructuur in de buitengebieden hoopt men deze meer aandacht te geven. Het visierapport vervolgt hierover (p. 88): ‘De expliciete aandacht van de politie voor stromen, met de knooppunten (nodes) van de infrastructuur als aangrijpingspunt, is een nieuwe wijze van benaderen die vraagt om een passende, nieuwe term. Dit noemen we de nodale oriëntatie.’

Wat de gevolgen van een nodale oriëntatie zijn op reassurance policing hangt af van de wijze hoe het, nog steeds abstracte concept van nodale oriëntatie, een plaats zal krijgen binnen de Nederlandse politie.
Zoals Hette Bakker naar mijn mening terecht constateert in Het Tijdschrift voor de Politie (nr 10, 2006) wordt de term in PiO voornamelijk gekoppeld aan infrastructurele nodes.
Deze beperkte infrastructurele variant is niet geschikt als leitmotiv voor de wijkpolitie. Om nodale oriëntatie en lokale oriëntatie zinvol te laten samengaan moet nodale oriëntatie eigenlijk breder worden gezien, zoals dat naar mijn mening door Castells (1996) ook bedoeld is. In de postmoderne netwerksamenleving is een goede buurtagent dan plotseling zelf een node die zijn eigen netwerken in de wijk moet/kan koppelen aan politienetwerken. Hij of zij vormt daarmee een belangrijke ondersteuning en informatiebron in het bepalen van de (infrastructurele) ‘hot nodes’. Als je het zo breed bekijkt zou nodale oriëntatie dus zeker een waardevolle aanvulling zijn op een lokale oriëntatie en daar zou reassurance policing prima mee samen kunnen gaan.
Kortom, uit de beschrijving hiervoor blijkt dat de gangbare beleidsplannen en visies zeker te rijmen vallen met reassurance policing.
 

Rol van bewoners
De hoofdrol in reassurance policing spelen bewoners zelf.
Op het moment van schrijven heb ik een tiental panelgesprekken gevoerd met bewoners en een aantal bewonersoverleggen bijgewoond in Schiedam en in de wijk Delfshaven. Uit deze gesprekken en interviews volgen haast steevast dezelfde, hierna volgende algemene aanbevelingen.
Ten eerste heb ik gemerkt dat er buitengewoon weinig kennis is bij bewoners over de politie en haar werkwijzen. Zo ontstaat er veel irritatie uit onbekendheid met bijvoorbeeld de discretionaire bevoegdheid of het rijgedrag op basis van de vrijstelling van de RVV (snel rijdende politiewagens zonder licht- en geluidssignalen). Veel onnodige irritatie ontstaat doordat men niet op de hoogte is van de verschillen in doelstelling en werkwijze van het proces noodhulp en het proces wijkpolitie. Zo ziet men bijvoorbeeld politie rijden in busjes (de noodhulp) die niet bepaald vaak een praatje komen maken met Jan en alleman, zich niet realiserend dat de taakstelling van deze eenheden anders is dan die van de wijkpolitie.
Bovendien sluit het verwachtingspatroon van bewoners ten aanzien van 0900-8844 meldingen niet aan bij de werkelijkheid. Op het gebied van communicatie en verwachtingenmanagement is er voor de politie nog een wereld te winnen.

Bewoners in alle panelgesprekken zien voordelen in een lokale aanpak waarbij men meebepaalt wat de doelstellingen en prioriteiten in de eigen buurt moeten zijn. Op zich wil men er ook best een actieve rol spelen, al voorziet men hier wel moeilijkheden.
Zoals één van de geïnterviewde bewoners het verwoordde: ‘Ik ben hier om te eten en te slapen. Voor mijn werk ben ik ergens anders. Voor mijn vrienden ook.’
De uitdaging zit hem dus in het betrekken en betrokken houden van bewoners voor de eigen veiligheid. Als er geen ‘basisbetrokkenheid’ is, kan dit toch worden bereikt.
Dat dit mogelijk is, bewijst de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie met het reeds jaren geleden geïnitieerde project ter vergroting van sociale zelfredzaamheid (SMVP, 2002). In samenwerking tussen wijkpolitie en opbouwwerk is er in de, bij het project betrokken buurten door aanspreekbaar aanwezig te zijn en daadwerkelijk betrokkenheid met de buurt te tonen, een vertrouwensband ontstaan met de bewoners. Deze kan als basis dienen voor een verdere uitdieping middels reassurance policing.
 

Rol van gemeente
Voor wat betreft de rol van de gemeente is er een groot verschil met Engeland. In Engeland rust een grote verantwoordelijkheid bij de politie, die zelf als regisseur de gemeente moet betrekken bij veiligheid. In Nederland is de gemeente verantwoordelijk voor veiligheid.
Ik zie in de gemeente dan ook eerder een medestander dan een tegenstander als je naar een potentiële implementatie kijkt van reassurance policing in Nederland.
In het bijzonder in en rond de regio Rotterdam-Rijnmond zijn al vele initiatieven ontplooid door de gemeenten. Dit betreft niet alleen initiatieven ten aanzien van de veiligheid, maar ook op gebied van het versterken van de sociale cohesie in wijken. Dit is belangrijk voor reassurance policing omdat een minimale sociale samenhang noodzakelijk is om het concept te laten slagen.

Er zijn diverse voorbeelden van initiatieven in de regio te noemen. Zo werkt men in Schiedam met een wijkbudget, dat wordt beheerd door een gemeentelijke wijkmanager, waarbij het bewonersoverleg het laatste woord heeft over inzet en besteding.
In Rotterdam is wellicht het bekendste voorbeeld ‘Opzoomeren’. In dit project is een slimme combinatie gemaakt van werken aan ‘schoon’ met het versterken van sociale samenhang in de buurt.
Hierop voortbordurend is er het project ‘Mensen maken de Stad’. Waar door ‘Opzoomeren’ de basis is gelegd, wordt in ‘Mensen maken de Stad’ actief burgerschap ontwikkeld. Hierbij maakt men gebruik van een schaalsysteem om de uitgangssituatie van een straat in beeld te brengen en doelstellingen te formuleren met de bewoners.

Een ander voorbeeld wat al aardig neigt naar de opzet van reassurance policing is het project ‘De buurt stuurt’ in de Rotterdamse Meineszbuurt. Nadat bewoners grote ontevredenheid over de politie hadden geuit, is door het wijkteam 350 uur politie-inzet ter beschikking gesteld aan deze buurt. De buurt kwam met een gedegen plan met prioriteiten zoals deze volgens de buurt zouden moeten zijn. Dit project heeft tot grote tevredenheid geleid bij politie en buurtbewoners.

Het toppunt vind ik echter wel het project ‘Drugs in kleur’. Dit relatief onbekende project is door bewoners van de wijk Oude Westen zelf opgezet, en zonder dat men er zich bewust van was heeft men een zeer reassurance-achtige aanpak gehanteerd. Hoewel het project in principe gericht is op drugsoverlast, worden ook zaken met betrekking tot ‘schoon’ en ‘heel’ meegenomen. Men heeft een normeringssysteem opgezet dat men gebruikt om de buurt te schouwen. Hierbij worden ook ‘stille getuigen’ meegenomen in de schouw; zaken die niet direct met criminaliteit te maken hoeven hebben maar die wel invloed hebben op het veiligheidsgevoel van de bewoners.
Schouwen voert men volgens een bepaald patroon uit, om zowel op verschillende dagen en tijdstippen nauwkeurig te kunnen bepalen wanneer zich iets voordoet. De resultaten worden nadrukkelijk met de partners van de bewoners besproken, en correctieve acties geëvalueerd.
Een van de bewoners spreekt daarbij haar mening als volgt uit: ‘Ik was eerst heel negatief over de politie. Ik had al een paar keer meegemaakt dat de politie na een melding niets deed. Tijdens de maandelijkse overleggen vertelt de politie welke acties ze ondernemen naar aanleiding van het schouwen. Het is duidelijk dat ze ermee bezig zijn. Dit geeft mij een extra stimulans om door te gaan.’

Initiatieven worden ook landelijk aangemoedigd via het grotestedenbeleid. Ik noem hier als voorbeeld het project ‘Onze Buurt Aan Zet’, dat tussen 2001 en 2004 tot doel had om sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid te bevorderen in wijken.
 

Conclusie
In Engeland zijn in zeer korte tijd goede resultaten geboekt met reassurance policing.
De Nederlandse veiligheidssituatie lijkt de laatste jaren aan de beterende hand. Toch zijn er nog zwakke plekken in de prestaties van de Nederlandse politie voor wat betreft tevredenheid en vertrouwen, blijkt uit cijfers van bijvoorbeeld de veiligheidsmonitor.
Wijkgericht werken heeft ondertussen ook bij gemeenten de nodige aandacht. De heersende sturingsconcepten en reassurance policing lijken elkaar niet te bijten.
Sturing op de wijkpolitie gebeurt op dit moment primair door de eisen uit de regionale convenanten. Hierdoor lijkt het moeilijk om in wijkteams ook nog eens de wensen van bewoners te laten prevaleren boven de opgelegde prestatie-eisen en doelstellingen.
Toch hoeft dit naar mijn mening geen beperking te zijn. Ik ben ervan overtuigd dat door het werk binnen een wijkteam anders in te delen en verantwoordelijkheden anders te leggen, men aan de behoeften van beide opdrachtgevers kan voldoen.
Trouwens, bewoners vragen erom, serieus genomen te worden. Dat blijkt wel uit de waarderingscijfers en eerdere onderzoeken.
Ik denk dat je kunt stellen dat reassurance policing een aanpak is die goed aansluit bij het verbeteren van de zwakke plekken bij de politie.

Is het oude wijn in nieuwe zakken? Misschien deels wel. Het gaat immers gewoon om wijkwerk. Daarnaast blijkt uit de voorbeelden dat we soms al op verbazingwekkend reassurance policing-achtige wijze werken. Door reassurance policing wordt de politie gedwongen om te luisteren naar de burger. De focus verschuift naar voren in de veiligheidsketen; van repressie naar preventie. De sturing verandert van top-down naar bottom-up, of in Nederland wellicht naar een combinatievorm. Daarbij is er bij reassurance policing een wetenschappelijke onderbouwing aanwezig.
Bovendien is er moed voor nodig en vraagt het veel van leiderschapskwaliteiten van chefs en hoofden. In de huidige outputgestuurde situatie is het immers relatief eenvoudig om een team te sturen. Bij reassurance policing kunnen de doelstellingen per buurt verschillen en is maatwerk vereist. Daarbij geef je de touwtjes ook nog deels uit handen aan de burger. Het vergt daarom in ieder geval een zekere heroriëntatie op het wijkwerk. Naar mijn mening is reassurance policing vooral een vorm van professionalisering van het wijkpolitiewerk dat bijdraagt aan het versterken van vertrouwen en tevredenheid in de politie. In die hoedanigheid lijkt de toepassing ervan me bijzonder zinvol.

Maar misschien is het gewoon oude wijn in héél oude zakken, als je bedenkt dat Sir Robert Peel als een van zijn uitgangspunten reeds in 1829 in een wetsvoorstel vastlegde: ‘Police at all times, should maintain a relationship with the public that gives reality to historic tradition that the police are the public and the public are the police; the police being only members of the public who are paid to give full-time attention to duties which are incumbent on every citizen in the interest of community welfare and existence.’

 

Literatuur

Castells, Manuel (1996). The Rise of the Network Society, The Information Age: Economy, Society and Culture, Vol. I. Cambridge, MA; Oxford, UK: Blackwell.

Innes, M. and N. Fielding (2002). From community to communicative policing: ‘signal crimes’ and the problem of public reassurance. Sociological Research Online. http://socresonline.org.uk/7/2/Innes.html

Raad van Hoofdcommissarissen (2005). Politie in ontwikkeling: visie op de politiefunctie. Nederlands Politie Instituut. Den Haag.

SMVP (2002). Veilig in de wijk. Sociale zelfredzaamheid in de praktijk. Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie. Dordrecht.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2007, jrg. 69, nr. 3, p. 17-22

1  British Crime Survey
Semiotiek - de studie van tekens en tekensystemen.
Zie voor een uitleg over deze toepassing bijvoorbeeld de website http://www.crimereduction.gov.uk/skills/skills04.htm

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel