Sneeuwbalstrategie brengt reeks misdrijven aan het licht: Groepsverkrachtingen staan niet op zichzelf

In januari 2004 werd de politie Rotterdam-Rijnmond geconfronteerd met een ernstig groepszedenmisdrijf. Doordat het korps koos voor een 'sneeuwbalstrategie' kwamen steeds meer zedenmisdrijven aan het licht. Bovendien kwam men veel andersoortige zaken op het spoor die ogenschijnlijk op zichzelf stonden.

[kader]
Groepszedenmisdrijven onder jongeren lijken een nieuw fenomeen. De media besteden er veel aandacht aan en Rotterdam lijkt de dubieuze eer te beurt te vallen om voorop te lopen als het gaat om het aantal incidenten.
Minder bekend is dat de politie Rotterdam-Rijnmond al bij aanvang van het opsporingsonderzoek naar het eerste zedenmisdrijf de hulp heeft ingeroepen van externe onderzoekers. Deze casus is beschreven in Groepszedenmisdrijven onder minderjarigen, een publicatie in de reeks Politiewetenschap.1
Het onderzoek heeft een exploratief karakter en geeft antwoord op enkele prangende vragen, zoals: wat zijn de kenmerken van deze jongeren, hoe gingen ze te werk en hoe hebben deze misdrijven plaats kunnen vinden onder de ogen van de politie en haar signalerende partners?
[einde kader]

 

Toen bij de Rotterdamse politie in januari 2004 de melding binnen kwam van een ernstig groepszedenmisdrijf, kreeg het rechercheonderzoek prioriteit. De delictvorm raakt namelijk aan twee speerpunten van de Rotterdamse politie: jeugd en geweld. Het district koos voor een 'sneeuwbalstrategie'; dit houdt in dat alle onderzoeksrichtingen volledig worden 'uitgelopen' en alle betrokkenen bij een zaak in onderzoek worden genomen. Zaken worden dus uitgerechercheerd, en op iedere betrokkene wordt doorgerechercheerd op mogelijke andere strafbare feiten.
Bij deze methode wordt niet, zoals gebruikelijk, een verdachte gezocht bij het strafbare feit (zaakgericht rechercheren), maar er is ook sprake van een omgekeerde weg, namelijk het zoeken van strafbare feiten bij een verdachte (dadergericht rechercheren). Hierdoor kwamen steeds meer zedenmisdrijven aan het licht. Bovendien kwam men veel andersoortige feiten op het spoor en werden ogenschijnlijk op zichzelf staande zaken werden opgelost.
 

Maximaal resultaat
Met de sneeuwbalstrategie bereikt men met relatief weinig inspanning een maximaal resultaat. Het dark number wordt uit het verborgene gehaald; met name bij zedenmisdrijven blijft een groot aantal incidenten voor de buitenwereld verborgen. Verdachten, en mogelijk ook potentiële nieuwe daders, worden door deze aanpak afgeschrikt. De aanpak straalt ook uit naar de sociale omgeving van de verdachten, die in hetzelfde kleine gebied binnen de wijk woonden als de slachtoffers. Door het intensief rechercheren werden slachtoffers, verdachten en hun omgeving geconfronteerd met een politie die het er niet bij liet zitten. In de beleving van de verdachten en hun omgeving werd hierdoor de pakkans aanmerkelijk verhoogd, zoals ook blijkt uit de terugval in geregistreerde criminaliteit in de periode na het onderzoek. Voor slachtoffers werkt een dergelijke aanpak mogelijk drempelverlagend voor het doen van aangifte.
Het hoge rendement van de methode heeft ook een nadeel. De stroom aan informatie die aan het licht komt, brengt veel werk mee en kan leiden tot capaciteitsproblemen. In deze casus werd de politie geconfronteerd met een enorm aantal strafbare feiten en betrokkenen. Dit had een weerslag op de partners in de jeugdstrafrechtketen; zowel het Openbaar Ministerie als de Raad voor de Kinderbescherming kregen onverwacht een groot aantal zaken op hun bord.
Uit praktische overwegingen heeft het rechercheteam – in overleg met het Openbaar Ministerie – een eerste cluster van zaken en betrokkenen afgebakend en is voor de daaropvolgende zaken een nieuw dossier opgebouwd.
Toen het opsporingsonderzoek begon, werd de hulp van externe onderzoekers ingeroepen. De rapportage Groepszedenmisdrijven onder minderjarigen die daaruit voorkwam, behandelt de eerste cluster van zaken. De onderzoekscasus betreft dertien zedenmisdrijven, waarbij twaalf verdachten en acht slachtoffers betrokken zijn.
 

Netwerkanalyse
Met behulp van Analysts' Notebook is een netwerkanalyse gemaakt van de verdachten, strafbare feiten en zedenslachtoffers uit het eerste rechercheonderzoek. De figuur op deze pagina toont de samenstelling van de verdachtengroepen, de slachtoffers en de misdrijven op zaakniveau. De lijnen geven de betrokkenheid van de verdachten en slachtoffers bij de misdrijven aan. De netwerkanalyse illustreert de veelheid aan opbrengsten van de sneeuwbalmethode; naast zedenmisdrijven zijn er ook veel andersoortige misdrijven boven water gekomen. Het blauwe veld toont verdachten en slachtoffers die bij de zedenmisdrijven zijn betrokken, daaromheen bevinden zich de verdachten die vanwege andere strafbare feiten in beeld kwamen. Deze laatste groep had via een niet-zedenmisdrijf een relatie met de zedenplegers en viel buiten het aandachtsveld van het wetenschappelijk onderzoek, dat zich uitsluitend op de zedenmisdrijven richtte. De afbakening van de onderzoekscasus is praktisch en organisatorisch van aard. In werkelijkheid is verdachte V20 namelijk de spil in een andere serie van groepszedenmisdrijven die in een later stadium bij de politie bekend werden.

[figuur]

In de figuur is te zien dat binnen de onderzoekscasus een kleine groep van vier verdachten (V1, V2, V3, V4) betrokken is geweest bij het leeuwendeel van de zedenmisdrijven (tien van de dertien). Deze groep is getypeerd als de 'hardekerngroep'. De hardekerngroep maakt zich ook schuldig aan het merendeel van de andersoortige misdrijven. De overige acht verdachten uit de onderzoekscasus, de 'gelegenheidsgroep', zijn bij maximaal twee zedenmisdrijven betrokken. Vijf verdachten uit de gelegenheidsgroep hebben uitsluitend zedenmisdrijven gepleegd en geen andersoortige misdrijven. Tot deze groep behoren ook twee verdachten die solo een zedenmisdrijf hebben gepleegd (V17, V21).
Hoewel voor de politie de zedenmisdrijven 'spontaan' lijken te zijn begonnen, blijkt uit nader antecedentenonderzoek dat zes verdachten al eerder bij een groepsaanranding betrokken zijn geweest. Hiervan werd pas tijdens het rechercheonderzoek in 2004 aangifte gedaan. Deze groepsaanranding vond meer dan drie jaar eerder plaats en de daders waren destijds jonger dan twaalf jaar. Er blijkt dus in ieder geval sprake van een zekere aanloop naar de nieuwe feiten. Dat een aantal jongens zich al op zeer jonge leeftijd schuldig maakt aan zedenmisdrijven is erg, maar dat een dergelijk ernstig feit niet eerder naar buiten komt, maakt het nog zorgwekkender.
 

Modus operandi
Er is sprake van zowel aanrandingen als verkrachtingen van minderjarige meisjes. De misdrijven zijn telkens gepleegd door groepjes van twee tot zes jongens. Met betrekking tot de modus operandi blijkt er in deze casus vrijwel geen sprake te zijn van ernstig fysiek geweld. Wel spelen bedreiging, intimidatie en chantage een rol. De slachtoffers zijn vrijwel allemaal bekenden van de verdachten. Zij kennen elkaar van school, uit de buurt of via internet (chatten). Het eerste contact tussen dader en slachtoffer vindt vaak vrijwillig plaats met één van de jongens uit de hardekerngroep. Wanneer het meisje op de afgesproken plaats verschijnt, zijn er meerdere jongens aanwezig of ze verschijnen korte tijd later. Het meisje wordt dan – al of niet vrijwillig – meegetroond naar een kelderbox of het huis van een van de verdachten. Het eerste misdrijf leidt tot herhaling. Het slachtoffer wordt geprest om geen aangifte te doen en ze wordt gechanteerd. Er wordt gedreigd dat familieleden en vrienden het te weten komen, of dat details via internet worden verspreid. De harde kern heeft een actieve rol; daarnaast zijn er jongens die uitsluitend toekijken of ondersteunende diensten verlenen (bijvoorbeeld de meisjes vasthouden, zorgen dat ze niet weglopen).
 

Profiel
De groep verdachten bestaat uit jongens van dertien tot zeventien jaar. Tweederde is van Kaapverdische/West-Afrikaanse afkomst, daarnaast gaat het om Surinaamse en Antilliaanse jongens. Kenmerkend voor de groep is dat ze een laag tot zeer laag intelligentieniveau hebben. Uit forensisch onderzoek blijkt dat het verdachten over de hele linie ontbreekt aan zelfkennis en introspectie. Verder hebben de jongens een lage frustratietolerantie, een hoog agressieniveau, een zwakke weerbaarheid en zijn ze gevoelig voor groepsdruk. Bij de helft van de verdachten wordt een gedragsstoornis vastgesteld, ze vertonen veelal antisociaal gedrag. Bij twee jongeren is sprake van een seksuele stoornis. Naast deze persoonlijke problematiek speelt het negatieve gezinsklimaat een rol; veel jongeren groeien op in eenoudergezinnen waar men kampt met opvoedingsproblemen. De (alleenstaande) moeders werken vaak buitenshuis en in de gezinnen is gebrek aan toezicht en structuur. Er is sprake van affectieve verwaarlozing. Antecedentenonderzoek wijst uit dat veel verdachten opgroeien in een crimineel milieu; broers, zussen en ouders zijn vaak bekenden van de politie. Ook de meeste verdachten zelf hebben zich eerder schuldig gemaakt aan crimineel gedrag. Opvallend is het gebrek aan schuldbesef, schaamte en empathie met het slachtoffer. Als motief voor de zedenmisdrijven noemen de jongens de directe behoeftebevrediging, de spanning en de opwinding.
 

'Collectieve activiteit'
Uit het feit dat een harde kern van vier jongens verantwoordelijk is voor de meeste zedenmisdrijven mag niet geconcludeerd worden dat er sprake is van een stabiele groep met een hiërarchische structuur en sterk leiderschap. Het gaat in deze casus meer om vier hoofdrolspelers of initiators, die binnen diffuse gelegenheidsgroepen voor meisjes 'zorgen'. Vaak is er maar beperkt sprake van onderlinge afspraken en planmatig voorbereiden van het misdrijf. Tijdens de misdrijven speelt een hardekernverdachte weliswaar een prominente rol, maar hij beschouwt het incident toch als collectieve activiteit waarbij machogedrag, kameraadschap en would-be solidariteit een rol spelen. Zelf beschouwen de verdachten het als een vorm van 'recreatief' groepsgedrag, zoals veel vormen van jeugdcriminaliteit die een groepskarakter hebben. In de literatuur zien we dit terug; groepszedenmisdrijven worden vaker gepleegd door 'diffuse gelegenheidsgroepen' en niet zozeer door strak georganiseerde criminele groepen. Uit de literatuur blijkt ook dat de daders meestal niet vallen onder de categorie 'psychoseksueel gestoorden'. Op twee uitzonderingen na geldt dit ook voor de verdachtengroep in de onderzoekscasus. De prognose is voor deze twee slechter dan voor de overige verdachten; zij zullen onder behandeling moeten worden gesteld.
 

Criminogene factoren
Bij de verdachten concentreert zich een scala aan criminogene factoren. Ze groeien op in problematische tot zeer problematische gezinssystemen, waar delinquent gedrag eerder regel dan uitzondering is. Ook het gebrek aan toezicht en de gesignaleerde emotionele verwaarlozing bovenop hun persoonlijke problematiek kunnen als criminogene factor worden beschouwd. De vraag waarom dit aanleiding zou geven tot juist dit type misdrijven blijft onbeantwoord. Wel kwam in het onderzoek naar voren dat geen van de verdachten seksuele voorlichting heeft gehad binnen de gezinssituatie en dat door het gebrek aan toezicht de toegang tot pornofilms en seksueel getinte sites op internet groot is. Dit kan samenhangen met het feit dat de jongeren opgroeien in een cultuur waar het onderwerp seksualiteit een taboe is en waar niet-westerse denkbeelden over man-vrouwverhoudingen bestaan. Of deze etnisch-culturele aspecten een rol spelen in de ontwikkeling van het normafwijkend seksueel gedrag van deze jongeren, dient nader te worden onderzocht. Uit het onderzoek is dan ook niet gebleken dat groepszedenmisdrijven typisch zijn voor Kaapverdiërs of West-Afrikanen. Deze bevinding wordt ondersteund door de ervaringen uit andere regiokorpsen en door de wetenschappelijke literatuur.

De sneeuwbalmethode blijkt een hoge 'opbrengst' te genereren en leidt daardoor tot een andere beleving van het probleem. Het effect op de politie, de verdachten en de omgeving van de verdachten is groot. Het in de media gepresenteerde beeld van Rotterdam als stad waar dit type misdrijven meer zou voorkomen dan in andere steden is niet bevestigd. Intervisie met andere politieregio's geeft aan dat in deze regio's onderzoeken meer het karakter hebben van incidentafhandeling en daardoor op zichzelf lijken te staan. Doordat de in Rotterdam gehanteerde recherchemethodiek meer zaken in de openbaarheid brengt, lijkt het alsof groepszedenmisdrijven meer voorkomen onder Rotterdamse minderjarigen dan onder jongeren die onder soortgelijke omstandigheden opgroeien in andere grootstedelijke agglomeraties. De visie van de Rotterdamse politie en van de onderzoekers is dat de door Rotterdam gehanteerde recherchemethode meer recht doet aan de ernst van zedenmisdrijven.
De Rotterdamse casus staat niet op zichzelf; groepsverkrachtingen komen in het hele land voor. Omdat zedenmisdrijven zich onder de oppervlakte afspelen, is landelijk onderzoek naar de omvang van het fenomeen wenselijk. De intensieve, outreachende recherchestrategie zoals in Rotterdam wordt toegepast, slaagt er in elk geval in het fenomeen voor een deel uit het verborgene te halen.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2006, jrg. 68, nr. 4, p. 31-33

Leiden, Ilse van en Jolanda Jakobs (2006) – Groepszedenmisdrijven onder minderjarigen. Een analyse van een Rotterdamse casus. Programma Politie en Wetenschap, Politiewetenschap nr. 29. ISBN 90 6720 389 0. Uitgeverij Kerckebosch, Zeist.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel