Stormachtige opkomst DNA-onderzoek in Nederlands strafrecht. Toenemende mogelijkheden forensisch DNA-onderzoek noodzaken strafrechtsketen tot verdieping
De stormachtige opkomst en ontwikkeling van het forensisch DNA-onderzoek in de opsporing en bewijsvoering in strafzaken, die de Canadese auteurs beschrijven in hun artikel ‘The Impact of DNA on Policing’, vertoont grote parallellen met de Nederlandse situatie. Ook in Nederland heeft DNA-onderzoek in een relatief korte tijd een zeer prominente rol in de strafrechtsketen verworven. De introductie van het DNA-profiel is van dermate grote invloed dat dit wellicht alleen is te vergelijken met de opkomst van het vingersporenonderzoek eind negentiende eeuw.
In hoog tempo ontwikkelt de forensisch DNA-technologie zich. Inmiddels is het mogelijk om van minimale biologische sporen DNA-profielen te verkrijgen. Daarnaast dienen zich mogelijkheden aan om in de nabije toekomst op basis van DNA-onderzoek uitspraken te doen over de mogelijke geografische herkomst en een aantal uiterlijke persoonskenmerken van degene van wie een aangetroffen biologisch spoor afkomstig is. De toenemende mogelijkheden en complexiteit van het forensisch DNA-onderzoek hebben tot gevolg dat er hoge eisen worden gesteld aan gerechtelijke DNA-deskundigen. Anderzijds dient er voldoende basiskennis over deze forensische expertise aanwezig te zijn bij politie, Openbaar Ministerie, advocatuur en de rechtspraak, om de resultaten van het onderzoek goed te doorgronden en tot weloverwogen oordelen te kunnen komen. Zo zullen politie en juristen zich bewust moeten zijn van aandachtspunten zoals de toenemende kans op toevallige DNA-databankmatches, de neveneffecten van onderzoek van minimale biologische sporen en het belang van de Eliminatie DNA-databank.
Specifiek, gevoelig en betrouwbaar
Al snel na de ontdekking van de zogenoemde ‘DNA-fingerprint’1 door de Britse wetenschapper Alec Jeffreys werd deze onderzoeksmethode in Engeland ingezet bij het forensisch onderzoek van ernstige misdrijven. De grote doorbraak kwam al een jaar later, in 1986, toen dankzij DNA-onderzoek de vastgelopen dubbele moordzaak op twee jonge meisjes werd opgelost. Het DNA-onderzoek in deze historische zaak, bekend als de ‘Narborough murders’, liet zien dat met DNA-bewijs niet alleen de dader kan worden gevonden, maar ook dat het de onschuld van een verdachte kan aantonen. DNA-onderzoek wees uit dat de man die in eerste instantie een van de twee zedenmoorden had bekend niet de dader kon zijn. Zijn DNA-fingerprint matchte niet met die van de bij de slachtoffers aangetroffen spermasporen, waardoor deze dus niet van hem afkomstig waren.
Forensisch DNA-onderzoek heeft zijn opkomst te danken aan drie eigenschappen die voor elk wetenschappelijk diagnostisch onderzoek van cruciaal belang zijn: specificiteit, gevoeligheid en betrouwbaarheid. Bij DNA-onderzoek staat specificiteit voor de zeldzaamheid van het DNA-profiel en gevoeligheid voor de geringe hoeveelheid biologisch sporenmateriaal (DNA) dat voor het DNA-onderzoek nodig is. Over de zeldzaamheid van DNA-profielen bestaat inmiddels breed gedragen wetenschappelijke consensus: elk volledig2 DNA-profiel is extreem zeldzaam en komt voor met een frequentie van minder dan één op één miljard en is daarmee in zeer hoge mate persoonsonderscheidend. Het huidige DNA-onderzoek is buitengewoon gevoelig. In de afgelopen twee decennia is de techniek van forensisch DNA-onderzoek honderdduizend keer gevoeliger geworden. Validatiestudies en uitgebreid kwaliteitsonderzoek hebben aangetoond dat ondanks deze hoge gevoeligheid DNA-onderzoek zeer robuust en betrouwbaar is.
Eerste Nederlandse ‘DNA-zaak’
Ook de wetenschappelijke medewerkers van de afdeling Bloedgroepenserologie van het voormalig Gerechtelijk Laboratorium (nu Nederlands Forensisch Instituut, NFI) zagen in de jaren tachtig van de vorige eeuw de ongekende mogelijkheden van DNA-onderzoek. De Nederlandse onderzoekers waren vanaf het begin hiervan op de hoogte door de vakliteratuur, wetenschappelijke congressen en contacten met de Engelse collega’s die aan de wieg stonden van het forensisch DNA-onderzoek. Een van de eerste Nederlandse zaken waar DNA-onderzoek werd toegepast, betrof een serie verkrachtingen in Amsterdam (de zogenoemde ‘WTC-verkrachtingen’, omdat de delicten zich afspeelden in de omgeving van het World Trade Center). Er was een verdachte in beeld, die op basis van zijn bloedgroep niet kon worden uitgesloten. Serologisch onderzoek had vastgesteld dat de spermasporen die bij de slachtoffers waren aangetroffen afkomstig waren van iemand met bloedgroep A. Dat zowel de spermasporen als de verdachte bloedgroep A hebben heeft echter een zeer geringe bewijswaarde: ongeveer 42% van de Nederlandse bevolking heeft bloedgroep A. In 1987 gelast de rechtbank Amsterdam daarom een DNA-onderzoek. Het referentiemonster bloed van de verdachte en de spermasporen werden door een onderzoeker van het Gerechtelijk Laboratorium naar het laboratorium van Cellmark Diagnostics in Engeland gebracht, waar men al ervaring had met forensisch DNA-onderzoek. Daar stelde men vast dat de DNA-fingerprints van de spermasporen met elkaar matchten. Doordat DNA-fingerprints zeer sterk persoonsonderscheidend zijn, betekende dit dat het op de twee slachtoffers aangetroffen sperma zeer waarschijnlijk van dezelfde man afkomstig is. Bovendien bleek dat de DNA-fingerprints van de spermasporen niet matchten met de DNA-fingerprint die was verkregen van het bloedmonster van de verdachte. Hij kon daardoor niet degene zijn van wie de spermasporen afkomstig zijn en werd op grond van dit DNA-onderzoek uitgesloten als dader.
Nederland volgt snel
Het resultaat van het DNA-onderzoek in de ‘WTC-verkrachtingen’ was voor het Gerechtelijk Laboratorium aanleiding om ook in Nederland forensisch DNA-onderzoek uit te gaan voeren. Hoewel vrijwel persoonspecifieke DNA-fingerprints werden verkregen kende de techniek in de beginjaren drie belangrijke nadelen: er was veel DNA van goede kwaliteit nodig, het onderzoeksproces duurde minimaal drie weken en de verkregen resultaten konden niet worden gedigitaliseerd, waardoor opslag in een gecomputeriseerde DNA-databank niet mogelijk was. Daarom werd destijds in zaken met een onbekende verdachte geen DNA-onderzoek verricht, omdat dit pas zinvol was wanneer een verdachte in beeld kwam.
Met de inwerkingtreding van de DNA-wetgeving in september 1994 kreeg het forensisch DNA-onderzoek in Nederland een nieuwe impuls. Aanleiding voor de wettelijke regeling van het DNA-onderzoek was een zedenzaak in Limburg met een verkrachter in een clownspak. De verdachte in die zaak voerde met succes aan dat afname van een referentiemonster bloed een aantasting van zijn lichamelijke integriteit was. Met de DNA-wetgeving werd de afname van referentiemonsters van verdachten geregeld en bovendien werd bepaald dat forensisch DNA-onderzoek in Nederland uitsluitend door een hiertoe geaccrediteerd laboratorium mocht worden verricht. Daarnaast werd vastgelegd dat een verdachte recht heeft op een DNA-contraonderzoek door een onafhankelijk hiertoe geaccrediteerd laboratorium. Het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek (FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum werd voor dit doel opgericht.
Het DNA-onderzoek ontwikkelde zich snel. De baanbrekende wetenschappelijke ontdekking van dr. Kary Mullis dat DNA ook in het laboratorium kan worden vermeerderd bood het forensisch DNA-onderzoek belangrijke nieuwe mogelijkheden. Van sporen met relatief weinig DNA, zoals sigarettenpeuken, haren en kleine biologische sporen, konden nu ook DNA-profielen worden verkregen. Een ander zeer groot voordeel van deze nieuwe ontdekking was dat de hiermee verkregen DNA-profielen geschikt waren om in een DNA-databank op te slaan. Figuur 1 toont de DNA-profielen van de auteurs van dit artikel. Deze profielen zijn verkregen met het SGM-Plus-DNA-analysesysteem. Dit DNA-analysesysteem wordt door het NFI standaard ingezet bij forensisch DNA-onderzoek en stelt de DNA-kenmerken vast van tien hypervariabele gebieden op het DNA.

Figuur 1. De DNA-profielen van de auteurs van dit artikel. De DNA-analyseapparatuur geeft de DNA-kenmerken weer als pieken. Het DNA-profiel bevat geen informatie over erfelijke eigenschappen van de desbetreffende persoon. De onderzochte DNA-kenmerken zeggen niets over hoe iemand is, zijn gezondheid of dat van zijn familieleden. Alleen het geslacht is uit een DNA-profiel af te leiden. De onderzochte DNA-kenmerken variëren sterk van persoon tot persoon, en maken deel uit van gebieden op het DNA die niet voor eigenschappen coderen.
DNA-databank belangrijk opsporingsmiddel
In 1999 werd gestart met de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en werden DNA-profielen van verdachten en sporen in een geautomatiseerd systeem opgenomen. De opname van DNA-profielen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken is wettelijk geregeld. Het NFI voert het feitelijk beheer van de DNA-databank. De waarde van de DNA-databank bewees zich al binnen enkele maanden. Het betrof de moord op de dertienjarige Sybine Jansons. Haar stoffelijk overschot was in februari 1999 in een afwateringskanaal aangetroffen. DNA-onderzoek van het nagelvuil van Sybine resulteerde in een DNA-profiel van een man. Dit DNA-profiel was weliswaar onvolledig (niet van alle onderzochte gebieden op het DNA waren de DNA-kenmerken verkregen), maar was voldoende persoonsonderscheidend voor opname in de DNA-databank. In oktober van datzelfde jaar matchte dit DNA-profiel met het DNA-profiel van Martin C., dat aan de DNA-databank was toegevoegd, omdat hij verdachte was in twee verkrachtingszaken. Op het moment van de match waren in de DNA-databank nog maar zeshonderd DNA-profielen aanwezig.
DNA-onderzoek werd een steeds belangrijker opsporingsmiddel. Met de komst van geaccrediteerde commercieel verkrijgbare, kant-en-klare, DNA-analysesystemen werd het voor de forensische laboratoria mogelijk om veel grotere aantallen monsters te analyseren. Hierdoor was DNA-onderzoek niet langer exclusief voor zware misdrijven zoals moord, doodslag en verkrachting, maar kon ook worden uitgevoerd op de grote aantallen sporen van zogenoemde ‘high volume crimes’, zoals woning- en winkelinbraak. In 2001 werd hiermee gestart en werden bloedsporen, mogelijke speekselsporen, peuken en kauwgom aan DNA-onderzoek onderworpen.
Hierdoor groeide het aantal DNA-profielen van sporen in de DNA-databank snel. In 2005 maakte de DNA-databank in Nederland een volgende grote groeisprong. Door het in werking treden van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden konden grote aantallen DNA-profielen van veroordeelden in de DNA-databank worden opgeslagen. De groei van de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken kan door iedereen worden gevolgd op de website www.dnasporen.nl. Eind 2008 bevonden zich in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken bijna 73.000 DNA-profielen van personen (verdachten, veroordeelden en van overleden slachtoffers van onopgeloste misdrijven) en ruim 38.000 DNA-profielen van sporen. Het nut van de DNA-databank blijkt uit de matchstatistieken. Momenteel levert de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken zo’n 60 matches per week op. Ook de totaalcijfers zijn indrukwekkend: eind 2008 zijn er ruim 17.000 matches tussen DNA-profielen van sporen en DNA-profielen van personen gerapporteerd en 4.500 matches tussen DNA-profielen van sporen. Hoewel de opsporingsautoriteiten in dit laatste geval niet de naam van een mogelijke verdachte krijgen, kan een match tussen twee sporen van groot belang voor het recherchewerk zijn: het koppelt twee (of meer) misdrijven aan dezelfde perso(o)n(en).
DNA-databankmatch in context van de zaak
DNA-profielen hebben een hoge zeldzaamheidswaarde. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met een volledig DNA-profiel van een spoor is altijd kleiner dan één op één miljard. In de praktijk wordt lang niet altijd van een spoor een volledig DNA-profiel verkregen. Dit komt doordat het DNA in het spoor sterk kan zijn afgebroken of het spoor bevat een minimale hoeveelheid DNA, zoals vaak het geval is bij biologische contactsporen. Ook DNA-mengprofielen, met DNA-kenmerken van meer dan één persoon, komen veelvuldig voor. Matches met dergelijke DNA-profielen zijn altijd (veel) minder zeldzaam dan matches met volledige DNA-profielen. Bij onvolledige DNA-profielen en DNA-mengprofielen neemt de kans toe dat bij een zoekactie in de DNA-databank een match wordt verkregen met een persoon van wie het onderzochte sporenmateriaal niet afkomstig is. Het DNA-profiel van deze persoon matcht ‘bij toeval’ met het onvolledige DNA-profiel van het spoor. Hoe groot die kans is, is enerzijds afhankelijk van het aantal en de zeldzaamheid van de DNA-kenmerken waarop de match is gebaseerd en anderzijds op de grootte van de DNA-databank waarin is gezocht.
Om de kans op een toevallige match zo klein mogelijk te houden, moeten DNA-profielen om te worden opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken aan stringente kwaliteitseisen voldoen. Zo is er een minimale eis voor de zeldzaamheid van het DNA-profiel. Dit houdt in dat de frequentie van voorkomen van het DNA-profiel kleiner moet zijn dan één op één miljoen. Sinds 2008 worden DNA-profielen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken ook vergeleken met DNA-profielen in DNA-databanken van andere landen. Het verdrag van Prüm heeft deze internationale uitwisseling van DNA-profielen geregeld.
De snelle groei van de Nederlands DNA-databank voor strafzaken en het internationaal vergelijken van DNA-profielen in DNA-databanken biedt vele mogelijkheden. Wel zal men steeds nadrukkelijker rekening moeten houden met de kans op een toevallige match. Elke gerapporteerde DNA-databankmatch moet daarom op zijn waarde worden onderzocht, waarna in het rechercheonderzoek ook het scenario dat het in de desbetreffende zaak een toevallige DNA-match betreft dient te worden beschouwd. Immers, de desbetreffende persoon komt enkel op basis van de DNA-databankmatch in beeld, en was op voorhand geen verdachte in de zaak.
Minimale biologische sporen
Was in de begintijd van het forensisch DNA-onderzoek, eind jaren tachtig, nog een spoor ter grootte van een munt van twee eurocent nodig, tegenwoordig kan uit nauwelijks zichtbare sporen al een DNA-profiel worden verkregen. Door de toegenomen gevoeligheid van het DNA-onderzoek kunnen naast de ‘klassieke’ biologische sporen bloed, sperma, speeksel en haarwortels ook DNA-profielen worden verkregen van sporen die een minimale hoeveelheid DNA bevatten. Veelal betreft dit biologische contactsporen, waarbij het meestal om huidcellen gaat. Deze kunnen worden aangetroffen op bijvoorbeeld verschoten patronen, weggeworpen wapens, kleding en gebruiksvoorwerpen. Voor DNA-onderzoek van minimale biologische sporen zijn zeer gevoelige onderzoeksmethoden ontwikkeld. Deze zogenoemde ‘Low Copy Number (LCN) DNA-analysemethoden’ voeren de analyses nog gevoeliger uit, waardoor DNA-kenmerken zichtbaar kunnen worden die niet of nauwelijks zichtbaar zijn in de DNA-profielen die zijn verkregen met het standaard DNA-onderzoek. Omdat LCN-DNA-analyse gebruikmaakt van dezelfde DNA-analysesystemen als het standaard DNA-onderzoek kunnen de DNA-profielen die zijn verkregen met de LCN-DNA-analysemethode worden vergeleken met de DNA-profielen die zijn verkregen met het standaard onderzoek. Een belangrijk nadeel van de gevoelige LCN-DNA-analysemethoden zijn de complicerende neveneffecten die hierbij kunnen optreden, waardoor de resultaten minder goed reproduceerbaar kunnen zijn. Hiervan moet men zich nadrukkelijk bewust zijn bij het analyseren en interpreteren van de verkregen resultaten van DNA-onderzoek van minimale biologische sporen. Door dit onderzoek uit te voeren volgens vaststaand protocol, en het analyseren en interpreteren te verrichten volgens een alle stappen omvattende leidraad worden betrouwbare LCN-DNA-profielen verkregen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat verkregen resultaten van DNA-onderzoek van minimale biologische sporen uitermate complex kunnen zijn en dat hieruit getrokken conclusies bepaald niet altijd eenduidig zijn. Daarom is het essentieel dat het DNA-onderzoek van minimale biologische sporen wordt uitgevoerd door een hiervoor geaccrediteerd laboratorium en dat het analyseren en interpreteren van de resultaten door ten minste twee ervaren gerechtelijke DNA-deskundigen, onafhankelijk van elkaar, wordt uitgevoerd.
Delictgerelateerdheid
Naast grote zorgvuldigheid bij het analyseren en interpreteren van de DNA-profielen is voorzichtigheid geboden bij de volgende stap: het interpreteren van deze resultaten in de context van het delict. Hierbij moet men altijd rekening houden met de mogelijkheid dat het desbetreffende spoor niet delictgerelateerd is. Er zijn meerdere strafzaken bekend waarin een spoor waarvan het DNA-profiel matchte met het DNA-profiel van een persoon, naar later bleek, niet delictgerelateerd was. De eerste zaak in Nederland waarbij dit het geval was betrof de moord op Cees van der Wiel in Tilburg in 1999. Het DNA-profiel van de onderzochte spermasporen, aangetroffen op het bed waarop het slachtoffer lag, matchte in de DNA-databank met het DNA-profiel van een persoon. Deze persoon werd op grond van de gevonden match als verdachte aangemerkt. Na intensief recherchewerk kon uiteindelijk worden vastgesteld dat de onderzochte spermasporen geen relatie tot het delict bleken te hebben. Deze sporen waren daar eerder terechtgekomen door een eerder (homo)seksueel contact. Dit seksuele contact had geen enkele relatie met de moord op Cees van der Wiel.
Vooral van minimale biologische sporen, die alleen met optische instrumenten zichtbaar zijn en waarvan bovendien veelal de aard van het celmateriaal niet is te bepalen, is het vaak moeilijk vast te stellen of er een relatie is met het delict. Bovendien kan in de meeste gevallen geen uitspraak worden gedaan over wanneer en hoe het minimale biologische spoor op het bemonsterde stuk van overtuiging is terechtgekomen. Daarom is het van het grootste belang de resultaten van het DNA-onderzoek te beschouwen in de context van alle andere informatie in de zaak en hierbij met verschillende scenario’s rekening te houden.
Eliminatie DNA-databank
Forensisch onderzoek in strafzaken is mensenwerk. Ondanks dat dit onderzoek met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gebeurt, is niet uit te sluiten dat er in de onderzoeksketen (van het sporenonderzoek tot en met de uitspraak van de rechter) fouten worden gemaakt. Zo kunnen op de plaats delict sporen worden gemist of sporen worden veiliggesteld die niets met het delict te maken hebben. Ook kan tijdens het onderzoek op de plaats delict verwisseling of contaminatie van veiliggestelde sporen plaatsvinden of kan daarna, bij het onderzoek aan de sporen op het laboratorium, iets fout gaan. Tot slot kunnen er aan het eind van de keten misvattingen ontstaan over de interpretatie van de onderzoeksresultaten. Het omgaan met de kans op fouten is daarom voor de gehele strafrechtsketen van belang.
Een neveneffect van het steeds gevoeligere DNA-onderzoek is dat ook een minimale hoeveelheid DNA die vanuit de ‘omgeving’ op het spoor of het stuk van overtuiging is terechtgekomen in het DNA-profiel zichtbaar kan worden. Om dergelijke contaminatie zo maximaal mogelijk uit te sluiten wordt onderzoek van biologische sporen en DNA-onderzoek uitgevoerd onder stringente voorzorgsmaatregelen (zie figuur 2). Bij het interpreteren van de resultaten van het DNA-onderzoek zijn de DNA-deskundigen alert op de mogelijkheid van contaminatie. Een belangrijke maatregel om contaminatie te kunnen opsporen is het opslaan van de DNA-profielen van alle (ex-)medewerkers van het NFI die, direct of indirect, in contact (kunnen) komen met stukken van overtuiging die onderzocht moeten worden op biologische sporen. Ook de DNA-profielen van personen van buiten het NFI die de laboratoria voor biologisch sporenonderzoek en DNA-onderzoek bezoeken, worden in deze zogenoemde Eliminatie-DNA-databank opgenomen. Dit alles is van belang om bij een eventuele contaminatie vast te stellen of die afkomstig kan zijn van medewerkers of bezoekers. Het nut van de Eliminatie-DNA-databank, die volledig losstaat van de DNA-databank voor strafzaken, heeft zich bewezen. Incidentele gevallen van contaminatie worden herkend door vergelijking van de DNA-profielen van sporen met de DNA-profielen in de Eliminatie DNA-databank. De betekenis van de Eliminatie-DNA-databank zal verder toenemen als ook de DNA-profielen van de andere betrokkenen bij forensisch onderzoek hierin worden opgenomen. Dit bleek toen in 2007 de DNA-profielen van de medewerkers Forensisch Onderzoek van de politieregio Rotterdam-Rijnmond in de Eliminatie DNA-databank werden opgenomen. Hierdoor kwamen drie gevallen van contaminatie in oude zaken aan het licht. Dit toont aan dat het opnemen van DNA-profielen van bij forensisch onderzoek betrokken politiemensen van cruciaal belang is. Dit de enige manier om te kunnen voorkomen dat het DNA-profiel van een betrokkene bij het forensisch onderzoek die het stuk van overtuiging heeft gecontamineerd, in de DNA-databank wordt opgenomen als een DNA-profiel dat mogelijk van de dader is.

Figuur 2. DNA-onderzoek wordt uitgevoerd onder stringente voorzorgsmaatregelen.
Nieuwe ontwikkelingen
Tot dusver betreft het forensisch DNA-onderzoek hoofdzakelijk het verkrijgen en vergelijken van DNA-profielen binnen een zaak, en het opslaan en vergelijken van DNA-profielen in de DNA-databanken. De verwachting is dat DNA-onderzoek in de nabije toekomst de forensische wereld nog meer kan gaan bieden. Nieuwe technische mogelijkheden en een wetgeving die op deze mogelijkheden inspeelt (de wet ‘Wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal’) maken het straks mogelijk om op basis van DNA-onderzoek informatie te verkrijgen over de mogelijke geografische herkomst en een aantal mogelijke uiterlijke persoonskenmerken van degene van wie het aangetroffen biologische spoor afkomstig is. In een aantal strafzaken is inmiddels succesvol DNA-onderzoek gedaan naar de mogelijke geografische herkomst. Ook het bepalen van mogelijke huidskleur en oogkleur zal naar verwachting binnenkort tot de onderzoeksmogelijkheden gaan behoren. Het betreft in deze gevallen een geheel ander type DNA-onderzoek dan dat waarmee de DNA-profielen worden verkregen en staat hier volledig los van. Door de samenwerking van het NFI met het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam loopt Nederland internationaal gezien voorop in deze ontwikkelingen.
Een andere ontwikkeling die van belang is voor de opsporing is het door de minister van Justitie uitgebrachte wetsvoorstel waarin een verruiming van de DNA-wetgeving wordt voorgesteld, onder meer ten aanzien van het toepassen van DNA-verwantschapsonderzoek in strafzaken. Dit biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden in de DNA-databank, of bij een (grootschalig) DNA-onderzoek, te zoeken naar mogelijke bloedverwanten van diegene van wie het spoor afkomstig is. Als het DNA-profiel van het spoor geen match heeft opgeleverd in de DNA-databank of bij het (grootschalig) DNA-onderzoek, kan men door te zoeken naar DNA-profielen die hiermee in hoge mate overeenkomen mogelijk familieleden op het spoor komen.
Kenniskloof
Het is verheugend dat forensisch DNA-onderzoek steeds meer mogelijkheden biedt, maar het wordt daarmee ook steeds complexer. Het analyseren en interpreteren van de onderzoeksresultaten stelt hoge eisen aan de deskundigheid van de DNA-deskundigen en ook aan de wijze waarop zij de resultaten rapporteren. Uiteindelijk moeten politie, Openbaar Ministerie, advocatuur en de rechtspraak hier ondubbelzinnig mee uit de voeten kunnen. Hoe uitgebreid en duidelijk de gerechtelijke DNA-deskundige het onderzoek in zijn rapportage ook beschrijft, om de resultaten van het onderzoek goed te doorgronden en om tot weloverwogen oordelen te komen, is een basiskennis van forensisch DNA-onderzoek bij de opdrachtgevers van het onderzoek onontbeerlijk. Ook zij zullen zich nader moeten verdiepen in de essenties van het forensisch DNA-onderzoek om ervoor te zorgen dat de zogenoemde kenniskloof beheersbaar blijft. Van deze kenniskloof lijken alle partijen in het strafrechtsproces inmiddels wel overtuigd. Diverse inspanningen en initiatieven zijn erop gericht de afstand tussen de forensisch deskundige en de jurist en politie te verkleinen. Technisch rechercheurs, officieren van justitie, parketmedewerkers, advocaten en rechters melden zich in groten getale aan voor praktijkgerichte cursussen over onderzoek van biologische sporen en forensisch DNA-onderzoek. De praktijk wijst uit dat deelnemers na een dag cursus en het bestuderen van het handboek ‘De Essenties van forensisch DNA-onderzoek’, de gerapporteerde informatie over het DNA-onderzoek op juiste wijze kunnen interpreteren en de valkuilen van misvattingen weten te herkennen. Tevens bieden dergelijke bijeenkomsten de forensisch onderzoeker de mogelijkheid zich nader te verdiepen in de behoeften en dagelijkse praktijk van de verschillende professionals in de strafrechtsketen. Dit alles is van groot belang om de groeiende invloed van wetenschap en techniek op het strafrechtsproces hanteerbaar te houden.
Verdere informatie
De continu geactualiseerde website www.dnasporen.nl bevat een schat aan relevante informatie over forensisch DNA-onderzoek en de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Uitgebreide informatie over forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA-onderzoek vindt u in het handboek ‘De Essenties van forensisch DNA-onderzoek’. Begin april 2009 verschijnt de vijfde herziene en uitgebreide druk.
1 De ‘DNA fingerprint’ is de voorloper van het huidige ‘DNA-profiel’.
2 Een volledig DNA-profiel is een DNA-profiel waarin van alle onderzochte gebieden (loci) op het DNA de DNA-kenmerken zijn bepaald. Standaard worden de DNA-kenmerken van ten minste tien gebieden op het DNA onderzocht. Volledige DNA-profielen met de DNA-kenmerken van ten minste tien gebieden hebben altijd een zeldzaamheid die kleiner is dan één op één miljard.

Reageer op dit artikel