The impact of World War II on policing in Northwest Europe: Wat zijn de lessen voor een 'Europese' politie?
In het kader van de geschiedschrijving van de Nederlandse politie in de twintigste eeuw werd op initiatief van prof.dr. Cyrille Fijnaut eind november 2002 in de Universiteit van Tilburg het symposium 'The impact of World War II on policing in Northwest Europe' georganiseerd. Het symposium werd ingeleid door prof.dr. Hans Blom (directeur van NIOD), die het toejuichte dat er allerwegen in Europa een toenemende belangstelling bestaat voor de belangrijke plaats van de politie in de moderne samenleving, aangezien dit in de geschiedschrijving lang niet altijd tot uitdrukken komt.
Blom ging uitvoerig in op het verschil tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Kan de Eerste Wereldoorlog gezien worden als een klassenstrijd van de arbeidende klassen tegen de samenleving, de Tweede Wereldoorlog had meer de vorm van een oorlog tussen staten en was tegelijk een gigantische ideologische strijd. Het fascisme en nationaal-socialisme werden verpletterend verslagen en de parlementaire democratie kwam onverwacht als winnaar te voorschijn. Aan de hierna volgende 'Koude Oorlog' tussen het communistisch blok en de democratische staten kwam in 1989 een einde als gevolg van het onvermogen van het Sovjet-imperium om de wedloop economisch vol te houden.
Dit alles laat de politie in de West-Europese landen niet onberoerd. Het gaat hierbij om de vraag hoe de rol van de politie gezien moet worden:
n als handhaver van orde en gezag, waarbij de politie vooral een instrument is van de machthebbers en als enige gerechtigd is tot geweldstoepassing;
n als de handhaver van het recht, de bestrijder van de criminaliteit en de beschermer van de burger tegen chaos, willekeur en machtsmisbruik; of
n als de vaak informele sociale regulator in het dagelijkse leven van de burgers, daarbij fungerend als de 'smeerolie in de machinerie van de samenleving'.
In de eerste opvatting pas een gecentraliseerde politieorganisatie, terwijl in de andere gevallen sprake zal zijn van een gedecentraliseerd politieapparaat.
Veel vragen
Blom kwam vervolgens tot een van de meest klemmende vragen, namelijk: hoe de relatie van de politie was tot het staatsgezag in het kader van de strijd die in de twintigste eeuw werd gestreden in de samenlevingen. Werd de politie ingezet tegen de politieke en/of maatschappelijke oppositie? En hoe werd daarover in de politie gedacht? Was er interne tegenstand tegen – al of niet politieke – opdrachten van het overheidsgezag of pogingen tot ontwijking daarvan? Hoe reageerde de politie op opdrachten sociaal oproer neer te slaan en omgekeerd, hoe werd hierop door de oproerkraaiers gereageerd?
In het kader van de Tweede Wereldoorlog is het voorts hoogst relevant te weten waar, wanneer, hoe en waarom de politie tot louter machtsinstrument in de dienst van de feitelijke machtshebbers werd en of daarbij de functie van de rechtshandhaver volledig wegviel. Duidelijk is wel – volgens Blom – dat de politie zich in heel wat gevallen, zowel in de staten waarin fascistische, nationaal-socialistische of communistische regimes ontstonden als in bezettingssituaties, heeft laten gebruiken voor doeleinden, waarin wij thans zonder moeite vaststellen dat zij misdadig waren en in ieder geval niets met rechtshandhaving te doen hadden.
Een belangrijke vraag is daarom hoe men zich bij de politie, maar ook in de politiek en de samenleving in bredere zin zich daarvan na de Tweede Wereldoorlog rekenschap heeft gegeven en wat dat dan opleverde.
Blom gaf aan het slot van zijn inleiding toe beter te zijn in het stellen van vragen dan in het beantwoorden daarvan. Maar dit neemt niet weg dat het geen kwaad kan af en toe eens aandacht te vragen voor de plaats van het specialistisch onderzoek in een breder verband.
Situatie in Duitsland
Wie verwacht had dat prof.dr. Herbert Reinke van de Universiteit Wuppertal ook nog (enige) aandacht zou besteden aan de rol van de Duitse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog in de bezette landen, kwam bedrogen uit. Hij volstond met op te merken dat hij geen aandacht zou besteden aan de 'Gestapo', omdat dit geen 'gewone' politie was, dit in tegenstelling tot de recherche.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de reorganisatie van de Duitse politie door de drie bezettingsmachten voortvarend ter hand genomen. In het door de Russen bezette deel van Duitsland werden nagenoeg alle politiefunctionarissen (99,5%) ontslagen en een volslagen nieuwe politieorganisatie ingevoerd. In West-Duitsland gebeurde dit door de Britten aan de hand van de 'vier d's', te weten:
n decentralisatie, waarbij de politie aan de lokale overheid in plaats van aan de centrale overheid werd gekoppeld;
n demilitarisering, waarmede een einde werd gemaakt aan de in Duitsland bestaande hiërarchische structuur;
n denazifisering, waardoor het politieapparaat ontdaan zou moeten worden van aanhangers van het nazi-regime alsmede van medewerkers van de Gestapo;
n democratisering, waarin de politie zou worden ingepast in het op democratische wijze tot stand gekomen bestuur.
Volgens Reinke was de hervorming van de recherche (Krimalpolizei) bepaald niet eenvoudig verlopen. Ook nu werd van de recherche verwacht dat de criminaliteit effectief zou worden bestreden, maar de bevoegdheden waren aanzienlijk verminderd. Tijdens het nazi-regime konden immers niet alleen de 'vijanden van de staat', maar ook allerlei randfiguren als alcoholisten, zwervers en asocialen worden opgepakt.
Reinke vroeg zich ten slotte wel af wat nu eigenlijk verstaan moest worden onder een 'democratische politie'. Dat dit alleen betekende dat de politie niet centraal, maar lokaal zou worden aangestuurd, leek hem (terecht) wat erg simplistisch.
Situatie in Frankrijk
Prof.dr. Jean-Marc Berlière van de universiteit Bourgogne begon zijn betoog met erop te wijzen dat er in Frankrijk sprake was van een andere situatie dan in andere West-Europese landen. Frankrijk had namelijk in 1940 een wapenstilstand met Duitsland gesloten, waardoor het Vichy-bewind zeggenschap behield over het niet-bezette deel van Frankrijk.
Het Vichy-bewind was er zich al snel van bewust dat het versnipperde politieapparaat dringend gereorganiseerd moest worden. Dit gebeurde volgens Berlière op een 'indrukwekkende' wijze, gezien de tijdsomstandigheden. Tussen half april en half juli 1941 werden er niet minder dan elf wetten en decreten uitgevaardigd in het kader van de reorganisatie van de politie.
Hierdoor kregen alle gemeenten met meer dan 10.000 inwoners staatspolitie onder gezag van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De gemeentepolitie in de andere gemeenten werd onder toezicht geplaatst van de regionale prefect, die eveneens de controle kreeg over alle bijzondere opsporingsapparaten zoals de inlichtingendienst. De prefecten werden bijgestaan door politiedirecteuren die tevens belast waren met de opleiding van de functionarissen van de bijzondere diensten.
Ook de taak van de politie veranderde. In het kader van de bestrijding van de 'anti-France'-activiteiten werden bijzondere opsporingsdiensten geformeerd. Deze diensten werden ingezet ter bestrijding van het communisme en van staatsvijandelijke acties, alsmede in 'joodse aangelegenheden'. Het gemis aan ervaring van deze functionarissen werd ruimschoots gecompenseerd door een overdreven ijver en fanatisme.
De leiding was er aanvankelijk alles aan gelegen om hun activiteiten uit de politieke sfeer te halen en vandaar dat zij als onafhankelijke diensten opereerden en niet in de officiële politieorganisatie waren opgenomen.
Maar nadat Bousquet in 1942 door Laval was benoemd tot secretaris-generaal voor de politie, kwam daar verandering in en kwamen ook deze drie diensten onder zijn leiding te staan. Zij werden niet alleen uit 'geheime fondsen' betaald, maar kregen ook opsporings- en arrestatiebevoegdheid. Teneinde het optreden van deze drie diensten te legaliseren, werd door Bousquet ook de 'gewone' politie met deze activiteiten belast, hetgeen desastreuze gevolgen heeft gehad.
In het eerste jaar van het bestaan van voornoemde diensten werden 12.549 communisten gearresteerd, terwijl er bovendien nog 3.500 door de Parijse politie werden aangehouden.
De reorganisatie van de Franse politie met een centrale rol voor het ministerie van Binnenlandse Zaken veroorzaakte een ware aardschok.
Door de vakbonden werd hierop 'handig' ingespeeld met als resultaat een betere bezoldiging en een betere opleiding. Ook kwam er in Saint-Cyr-au-Mont-d'Or voor de training van politiecommissarissen een geavanceerde politieschool. De doorgevoerde reorganisatie gold overigens niet voor de Parijse politie, die ook tijdens de oorlog zijn bijzondere status behield.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog leverde het bestaan van het Vichy-bewind tal van problemen op. Was het tijdens de oorlog legaal, na de oorlog werd het als illegaal aangemerkt. Dat gold ook voor de functionarissen die deel hadden uitgemaakt van het door het Vichy-bewind gecontroleerde politieapparaat.
De voorlopige regering had na de bevrijding voor de handhaving van de orde en het voorkomen van revolutionaire bewegingen enerzijds behoefte aan een grote politiemacht, maar anderzijds bestond er bij het verzet dat werd geleid door de communisten, een sterke behoefte datzelfde politieapparaat grondig te zuiveren.
De communistische partij wilde door een grootscheepse zuivering niet alleen genoegdoening voor de vele slachtoffers onder hun aanhang, maar deze aanwenden ter bereiking van politieke doeleinden. Zij wilden de opengevallen plaatsen bij de politie laten innemen door (communistische) verzetsstrijders en zodoende infiltreren in politiekorpsen, hetgeen hen tot dan nog steeds niet was gelukt. Generaal De Gaulle was zich van dit gevaar bewust en zag het als een poging van de communisten om het politieapparaat te verzwakken en te ontdoen van de beste experts en specialisten.
In politiekringen zorgde de zuivering voor de nodige beroering. Deze bereikte een hoogtepunt na een wijziging in de gevolgde procedure, waardoor zij zich niet meer zouden kunnen beroepen op de van hogerhand ontvangen opdrachten. Zij eisten bescherming tegen 'maatregelen van de toekomstige regering voor orders die zij van de huidige regering hadden ontvangen'.
Ondanks het verschil van inzicht over de zuivering, waren de nieuwe leiders het erover eens dat dit niet het moment was om de politieorganisatie terug te draaien. Het is dan ook niet zonder reden dat Berlière sprak over de schipbreuk van het vooroorlogse Franse politieapparaat.
Situatie in Groot-Brittanië
Groot-Brittanië heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog – behoudens op de Kanaaleilanden, waarover volgens prof.dr. Clive Emsley van de Open Universiteit nauwelijks wordt gepraat – geen Duitse bezetting gekend. Toch heeft de Tweede Wereldoorlog ook op het functioneren en de organisatie van de politie in Engeland en Wales grote invloed gehad.
Zo bestond er een duidelijke voorkeur voor politiechefs die over militaire dan wel koloniale ervaring beschikten. Van de vijftig in de oorlog nieuw benoemde politiechefs was bijna eenderde afkomstig uit het leger en ruim eenderde uit politiekorpsen in de Britse koloniën.
Evenals in de Eerste Wereldoorlog dreigde door dienstneming in de krijgsmacht de sterkte van de politie aanzienlijk te verminderen. Dit werd ondervangen door het aanstellen van politiereservisten en fulltime hulpagenten.
Politiewerk… mannenwerk
Bovendien was er in 1939 sprake van de instroom van een aantal vrouwen in de Britse politie, ondanks het feit dat de politiechefs en het merendeel van hun medewerkers van mening waren dat 'politiewerk mannenwerk was'. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vrouwelijke politiefunctionarissen pas in 1948 als lid van de politievakorganisaties werden toegelaten. Opmerkelijk was voorts de terugkeer in actieve dienst van inmiddels gepensioneerde politiefunctionarissen.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken (home office) had reeds in juni 1940, na het einde van de vijandelijkheden in Frankrijk, voorgesteld om de kleinere politiekorpsen samen te voegen teneinde de politie beter te kunnen aansturen. Dit voorstel werd aanvankelijk verworpen, maar onder druk van een dreigende invasie, waarbij de politie een belangrijke rol was toebedeeld bij de evacuatie van de burgerbevolking, achttien maanden later wel aanvaard. Het land werd verdeeld in elf districten onder leiding van een 'civil commissioner', die de leiding had over de burgerlijke verdediging en de activiteiten van rijk en gemeenten – waaronder die van de politiezorg – moest coördineren. Bij de invoering van deze maatregel was door het 'home office' de verzekering gegeven dat deze regeling slechts gold voor de duur van de oorlog, tenzij het parlement deze in een nieuw besluit zou willen continueren.
Ook de aard van de werkzaamheden van de politie veranderde tijdens de oorlog. Zo moest er worden gecontroleerd op het bezit van het inmiddels ingevoerde identiteitsbewijs. In dat verband maakte Emsley nog melding van de arrestatie in mei 1940 van buitenlanders. Hieronder bevonden zich ook verschillende joden die nazi-Duitsland waren ontvlucht.
Een andere nieuwe activiteit was de bestrijding van de zwarte markt. Voor de politie was voorts een belangrijke taak weggelegd tijdens de bombardementen, waarbij het voorkomen van inbraken en plunderingen centraal stonden. Hierbij hebben 278 politiefunctionarissen het leven verloren. De komst van zeer veel geallieerde militairen zorgden eveneens voor problemen van nieuwe aard. Daarbij werd er vanuit gegaan dat de reguliere politie deze zou overlaten aan de Amerikaanse en Britse militaire politie.
Ondanks het feit dat er door de centraal aangestuurde politiekorpsen aanmerkelijk efficiënter werd gewerkt, werd tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog de vooroorlogse situatie hersteld. De bezwaren tegen het op het continent gebruikelijke op militaire leest geschoeide politieapparaat (gendarmerie) wogen niet op tegen een grotere efficiëncy. De door Emsley aangehaalde uitspraak 'we willen geen Gauleider in Birmingham' behoeft geen nadere toelichting. Dit neemt niet weg dat er toch onder invloed van deze maatregelen sprake is geweest van een bepaalde mate van fusering. Eind 1947 was het aantal vooroorlogse politiekorpsen van 180 namelijk verminderd tot 131.
Situatie in België
Door prof.dr. Xavier Rousseaux samen met Benoit Majérus van de Universiteit Leuven werd vervolgens de politieorganisatie in België besproken. Vanaf 1830 was daar sprake van een versnipperd politieapparaat, dat gekenmerkt werd door een gebrek aan samenwerking tussen de verschillende soorten politie.
De Duitse inval in België had ernstige gevolgen voor de Rijkswacht. Zo waren er tijdens de vijandelijkheden enkele tientallen rijkswachters gesneuveld. Voorts bevonden zich een groot aantal rijkswachters in Duitse krijgsgevangenkampen en wachtten vele anderen in het zuiden van Frankrijk nog op repatriëring.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken aan de 'Militärverwaltung' verzocht in de aldus ontstane vacatures te mogen voorzien. Daarnaast pleitte hij ook voor een uitbreiding waarin kon worden voorzien door inpassing van oud-militairen. Dit werd weliswaar door de Duitsers geweigerd, maar desalniettemin gaf de secretaris-generaal aan luitenant-kolonel Van Coppenolle opdracht om een concreet voorstel tot uitbreiding van de Rijkswacht uit te werken.
Van Coppenolle wilde vooral de mobiele eenheden in Vlaanderen aanvullen en stelde voor daartoe de Rijkswacht met duizend man te versterken. Dit voorstel werd in het najaar 1941 door de 'Militärverwaltung' aanvaard onder de voorwaarde dat geen beperkingen tot toelating zouden worden opgelegd aan degenen die de Nieuwe Orde waren toegedaan. In mei 1943 volgde op voorstel van Van Coppenolle, die eind januari 1943 tot commandant van de Rijkswacht was benoemd, nogmaals een uitbreiding met duizend man waarmee de sterkte op 10.200 werd gebracht. Dit was nog ver verwijderd van een sterkte van 20.000 waar Van Coppenolle naar streefde.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ook enige veranderingen doorgevoerd bij de gemeentepolitie. Zo werd op last van de bezetter het politiekorps van Brussel met de korpsen van de zestien buurgemeenten samengevoegd.
Opmerkelijk is dat in België regelmatig door de politie werd geprotesteerd tegen arrestaties en huiszoekingen die hun door de 'Militärverwaltung' werden opgedragen. Nog opmerkelijker is dat dit vaak tot gevolg had dat de politie dergelijke opdrachten – zij het soms slechts tijdelijk – kon weigeren. Vandaar de opmerking van Rousseaux dat de bevoegdheden tot arrestatie iedere drie maanden werden gewijzigd.
Was er bij de Rijkswacht sprake van een enigszins gelijkvormig optreden, bij de gemeentelijke politiekorpsen was dit allerminst het geval. Zo werd in Antwerpen door de politie medewerking verleend aan de arrestatie van joden, terwijl dit in Brussel werd geweigerd.
Rousseaux stelde vast dat de wijzigingen doorgevoerd door de 'Militärverwaltung' in België beperkt zijn gebleven. Van Coppenolle zag – als Flamingant – zijn kans schoon om een aantal veranderingen door te voeren ten koste van Wallonië. De bezwaren tegen het door hem gevoerde beleid kwamen dan ook hoofdzakelijk uit de Waalse hoek en van de kant van de gerechtelijke politie.
Ondanks het feit dat in de naoorlogse jaren de vraag naar veiligheid sterk was toegenomen, bleef reorganisatie van het inefficiënte Belgische politieapparaat uit. Het in 1987 door de Belgische minister van Binnenlandse Zaken Tobback ingediende voorstel tot reorganisatie van de Belgische politie zou pas aan het begin van deze eeuw worden gerealiseerd.
Situatie in Nederland
Prof.dr. Cyrille Fijnaut van de Universiteit van Tilburg begon in de aula, waar de deelnemers aan het symposium naar waren verhuisd, zijn betoog met uitvoerig aandacht te besteden aan de rol van de Nijmeegse hoofdcommissaris Perrick in de naoorlogse oordeelsvorming over het politievraagstuk.
Belangrijke rol Perrick
Als hoofdredacteur van het Tijdschrift voor de Politie en auteur van enkele boeken (o.a. Naar een nieuw Politiebestel) was Perrick na de Tweede Wereldoorlog een van de meest prominente voorstanders van een andere politieorganisatie, te weten: één Nederlandse politie.
Perrick, die tijdens de bezetting als inspecteur van politie werkzaam was geweest in Nijmegen en in 1943 had moeten onderduiken, had aan den lijve de veranderingen bij de politie meegemaakt en kende als geen ander de ernstige gevolgen voor het image van het politieapparaat. Maar hij kende ook de voordelen en die moesten zijns inziens worden bewaard.
De vooroorlogse politieorganisatie was een lappendeken die op alle niveaus, zowel functioneel als geografisch, de nodige onvolkomenheden vertoonde. Tijdens de bezetting werd hierin al snel verandering gebracht. Door de rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied werd de politie al eind mei 1940 onder toezicht van de Duitse politie geplaatst.
De vijfsoortige politie (rijksveldwacht, gemeenteveldwacht, gemeentepolitie, politietroepen en marechaussee) werden in stappen gecentraliseerd, zodat er in de vijf politiegewesten gemeentepolitie voor de steden en marechaussee/gendarmerie voor het platteland overbleef. Daarnaast kwam er een groot aantal landelijke diensten op het gebied van de centrale opsporing, verbindingen, intendance, opleiding en gezondheidszorg.
Na de bevrijding maakte de regering weliswaar een einde aan de door de bezetter ingevoerde eensoortige politie, maar het zou tot 1957 duren voor de Politiewet werd ingevoerd die geen werkelijke oplossing voor het politievraagstuk bracht, maar politiek gezien was dit het enig haalbare. In de jaren zestig en zeventig zou blijken dat een herziening van het politiebestel dringend noodzakelijk was, maar dat de daarvoor vereiste politieke bereidheid ontbrak. De alom bekende stammenstrijd tussen de departementen van Binnenlandse Zaken en Justitie bleef dan ook onverminderd voortduren.
Nadelige invloed op image van politie
De bezettingstijd is bijzonder schadelijk geweest voor het image van de Nederlandse politie, vanwege de samenwerking met de Duitse politie. Een deel van de bevolking identificeerde de politie met de SS waarmee Fijnaut in Amsterdam bij gelegenheid van het huwelijk van Beatrix en Claus bij de bewaking van het stadhuis persoonlijk werd geconfronteerd. De sissende geluiden toen naar hem en andere politiefunctionarissen gemaakt, hebben een diepe indruk achtergelaten.
Tegenover dit nadeel staat ook een voordeel en wel de professionalisering van de politie, waarmede in de bezetting een begin is gemaakt. Toch zou het nog geruime tijd duren voordat het politievraagstuk zowel binnen het eigen apparaat als in de samenleving aanspreekbaar werd. Eerst na de rumoerige jaren zestig en onder invloed van de Koude Oorlog waren de eerste tekenen van een open debat merkbaar. Hierbij kwam het accent te liggen op een transparante, integere organisatie die zou kunnen voldoen aan de toenemende behoefte aan orde en veiligheid. In ieder geval was er in de jaren tachtig duidelijk sprake van een groeiende bereidheid om het politievraagstuk aan te pakken.
Tot slot
De 'dagsluiting' werd verricht door hoofdcommissaris mr. Jan Wiarda (Regiokorps Haaglanden), die zich afvroeg wat nu eigenlijk verstaan moet worden onder 'Policing', zijnde het onderwerp van dit symposium. In ieder geval is een geprofessionaliseerde politie moeilijker te controleren en volgens Wiarda zal men zich moeten bezinnen op de eisen die men hierbij zowel in technische als democratische zin zal moeten stellen.
Zowel Wiarda als de inleiders waren van mening dat de politie in Nederland in een ongunstige positie kwam te verkeren door de aanstelling van een rijkscommissaris ('burgerbestuur'), terwijl in andere West-Europese landen sprake was van een 'Militärverwaltung'.
Het was overigens voor Wiarda geen verrassing dat de politie tijdens de bezetting bereid was geweest de (nieuwe) machthebbers te gehoorzamen. In dit verband wees Wiarda op het verschil tussen het Britse model waarbij het dienen van de gemeenschap en het Franse model waarbij het ondersteunen van de regering uitgangspunt is. Het vinden van een juiste balans tussen deze twee modellen zal voor de politie in de Europese Unie een belangrijke opgave zijn. Hierdoor zou ook een einde gemaakt kunnen worden aan de fricties tussen Europese politiefunctionarissen die elkaar vaak niet begrijpen als gevolg van de geldende uitgangspunten.
[Kader]
Vijf voor twaalf
Enkele jaren geleden is door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie en de regionale politiekorpsen besloten over te gaan tot de geschiedschrijving van de Nederlandse politie in de twintigste eeuw. Een alleszins prijzenswaardige zaak om deze voor de politie zo turbulente eeuw vast te leggen. Het is te hopen dat niet te lang gewacht wordt met de nog in leven zijnde politiefunctionarissen die de bezettingstijd en de daarna volgende jaren in al dan niet leidinggevende functies hebben meegemaakt te interviewen. Vooral wat de eerste categorie betreft is het 'vijf voor twaalf'.
[Einde kader]

Reageer op dit artikel