Tuin van Bezinning eert omgekomen politiemensen

De Tuin van Bezinning is een monument voor politiemensen die tijdens of als gevolg van de dienst zijn omgekomen. Op 21 maart was de opening. Het voorlopige eindpunt van een zoektocht die nog niet is voltooid.

Onder de rook van Zutphen ligt het plaatsje Warnsveld. Hier is in een mooi oud landhuis – Huis 't Velde – de School voor Politie Leiderschap (SPL) van de Politieacademie gevestigd. De grond achter het voormalige koetshuis werd nauwelijks gebruikt. Een ideale plek voor een labyrint, vond Ineke Stam, voorzitter van het college van bestuur van de Politieacademie. In maart 2005 bezocht SPL-directeur Anita Hazenberg in Schotland een monument voor politiemensen die tijdens hun dienstuitoefening waren omgekomen. Na haar terugkomst lag er binnen een week een voorstel voor een Tuin van Bezinning, het Nederlandse equivalent van het Schotse monument.

 

Persoonlijk monument
Er ontspon zich een levendige discussie over de vraag of de tuin een algemeen of een persoonlijk monument diende te worden. De voorstanders van een algemeen monument wezen op de eenvoud van deze variant. Een algemeen monument (zonder namen) zou onderzoek overbodig maken en er zouden geen problemen of conflicten ontstaan over wie er wel en wie er niet in de tuin thuishoorde. Commissaris Hazenberg was van begin af aan voorstander van de Schotse aanpak: een persoonlijk monument. Voor haar stond vast dat de namen van de omgekomen collega's op het monument zouden komen. Hiermee zouden de nabestaanden van de omgekomen collega's voor het eerst in de Nederlandse politiegeschiedenis een plek hebben waar zij hun dierbaren konden gedenken. De tuin was in haar ogen voor drie doeleinden bedoeld: als herdenkingsplaats voor de nabestaanden, als plek waar de politieorganisatie haar doden eert en een plaats voor bezinning op de waarden van het politievak. Binnen een paar weken werd besloten tot de aanleg. De Tuin van Bezinning moest de vorm van een acanthusblad krijgen, zoals in de oorspronkelijke plannen voor een labyrint. In de borders zouden op roestvrijstalen platen de namen van omgekomen politiemensen komen te staan.
 

Obstakels
De keuze voor een persoonlijk monument stuitte op drie problemen. Ten eerste: hoever moest men in de tijd teruggaan? Moesten politiemensen die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen erin worden opgenomen? Het bleek al snel niet doenlijk om alle namen uit de vooroorlogse periode te achterhalen. En de meeste politiemensen die tijdens de oorlog zijn omgekomen, worden al geëerd, bijvoorbeeld met oorlogsmonumenten of – op de grotere politiebureaus – met naamplaquettes. De conclusie was dat het monument degenen zou eren die na de Tweede Wereldoorlog in de dienst waren omgekomen. Een voor de hand liggend startpunt was het Politiebesluit 1945, waarin het eerste naoorlogse politiebestel werd geregeld en het Korps Rijkspolitie het levenslicht zag.

Een ander probleem was dat ook het opsporen van na de oorlog omgekomen politiemensen geen sinecure was. In de periode 1945-1993 bestond de politie uit het Korps Rijkspolitie en de gemeentepolitie, die soms werden bijgestaan door de Koninklijke Marechaussee, en na 1993 uit de regionale politiekorpsen en het Korps Landelijke Politiediensten. De Koninklijke Marechaussee eert haar doden in het Gulden Boek en is bovendien een onderdeel van de krijgsmacht. Het werd dus al snel duidelijk dat het Wapen buiten beschouwing kon worden gelaten. Besloten werd het onderzoek naar de namen te richten op het Korps Rijkspolitie (dat vanaf zijn ontstaan tot opheffing grofweg groeide van 7000 naar 14.000 mensen), de gemeentepolitiekorpsen (tussen de 20.000 en 30.000 personeelsleden), de regiokorpsen en het KLPD. Het grootste probleem vormde de gemeentepolitie, die heeft bestaan uit ruim honderd korpsen van verschillende omvang en uiterst gefragmenteerde archieven heeft. Uiteindelijk werden John de Boer en Jos Smeets, beiden werkzaam voor de Politieacademie, verantwoordelijk voor het traceren van omgekomen politiepersoneel.

Ten slotte: de tuin moest een belangrijke plek voor nabestaanden worden. Dit betekende dat men zoveel mogelijk nabestaanden moest opsporen en hun toestemming moest vragen de naam van hun overleden geliefde in de tuin te plaatsen. Dat dit geen kleinigheid was, bleek al snel tijdens de zoektocht naar familieleden van politiemensen die al bijna een halve eeuw geleden waren overleden. John de Boer heeft talloze telefoongesprekken gevoerd, en de korpsen verleenden alle denkbare steun. Tijdens gesprekken met nabestaanden bleek het geheugen soms parten te spelen. Sommigen gaven verkeerde voorletters en data op, anderen vergisten zich in het korps waarbij hun familielid had gediend.
 

Vergaren van informatie
Toen de keuze voor een persoonlijk monument was gemaakt, gingen het NPI, de regiokorpsen, het KLPD en de Politieacademie een samenwerkingsverband aan om informatie uit te wisselen. De regiokorpsen en het KLPD zouden gegevens over in hun regio omgekomen politiemensen aanleveren en zorgen dat deze informatie op een gezamenlijke lijst terechtkwam. Omdat de lijst met namen van de korpsen verre van volledig was, besloot men een flankerend onderzoek uit te voeren. Er kwam een plan van aanpak dat uitging van een cesuur die werd bepaald door de Politiewet 1993. Vóór dat jaar richtte het onderzoek zich op het Korps Rijkspolitie en de gemeentepolitiekorpsen, na 1993 op de regiokorpsen en het KLPD. Omdat het Korps Rijkspolitie ressorteerde onder het ministerie van Justitie werd eerst geïnventariseerd welke archieven van dit departement in aanmerking konden komen voor nader onderzoek. Het bleek dat slechts de archieven van de Algemene Inspectie van het Korps Rijkspolitie soelaas konden bieden. Uiteindelijk werden 176 dozen doorgenomen die een klein aantal namen van omgekomen politiemensen bevatten. Bij het departement van Binnenlandse Zaken waren helaas geen archiefstukken meer te traceren die voor het onderzoek van belang konden zijn.

Tegelijkertijd werden het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie benaderd. Al snel werd echter duidelijk dat zij niets konden betekenen. Beide instanties konden alleen dossiers opvragen als er namen en geboortedata bekend waren, en dan nog was het niet zeker of de doodsoorzaak in de dossiers zou zijn vermeld.
Hierna probeerde men het bij het Nederlands Politiemuseum te Apeldoorn en het Marechausseemuseum te Buren. In Apeldoorn dook een – onvolledige – lijst op van omgekomen rijkspolitiepersoneel, van de gemeentepolitie werd helaas geen namenlijst aangetroffen. Daarop besloot men alle jaargangen van het Algemeen Politieblad te scannen op personeelsmutaties. Zo hoopte men informatie te krijgen over namen en overlijdensdata van gemeentepolitiemensen. Deze gegevens zijn inderdaad in deze mutaties terug te vinden; het probleem is alleen dat niet is aangegeven hoe deze personen waren overleden. Hierna bleef één optie over: het archief van een landelijke krant. In de Koninklijke Bibliotheek is een aantal op microfilm vastgelegd. De keuze viel op De Telegraaf.  Vele jaargangen van deze krant zijn bestudeerd en gecontroleerd aan de hand van de APB-lijst van overledenen. Dit onderzoek is – mede vanwege een verbouwing van de bibliotheek – nog niet volledig afgesloten.
 

Twijfelgevallen
De naspeuringen hielden niet op bij het verzamelen van namen. De cruciale vraag: of politiemensen ín de dienst waren omgekomen, kon vaak alleen worden beantwoord door korpsen of nabestaanden. Een begeleidingscommissie besliste over de twijfelgevallen.
Het monument is bedoeld voor collega's die tijdens de uitoefening van hun dienst door geweld of een ongeval zijn gestorven. Politiemensen die bijvoorbeeld zijn overleden ten gevolge van een ongeval dat plaatsvond toen zij op weg naar de dienst waren, zouden niet worden opgenomen. De begeleidingscommissie stond voor de zware beslissing om bepaalde namen niet op te nemen. Sommige nabestaanden werden hierdoor pijnlijk getroffen. Omdat rijkspolitiemensen meestal hun bureau aan huis hadden, waren zij in de jaren vijftig en zestig altijd 'in dienst'. Burgers konden bij nacht en ontij bij hen terecht; van een 'op weg naar de dienst zijn', was in die jaren dus geen sprake. Ook politiemensen die het leven verloren door huiselijk geweld of geweld in de relationele sfeer werden niet vermeld. Wel opgenomen werd een rechercheur die het huis van zijn buren was binnengegaan toen daar werd ingebroken. Hij trof de inbreker nog in de woning aan en er ontstond een handgemeen, waarbij de rechercheur door de inbreker werd neergestoken. Kort daarop overleed hij aan de gevolgen van zijn verwondingen. Deze voorbeelden geven aan dat het niet altijd duidelijk was of de betrokkene de dood vond in diensttijd of tijdens de vervulling van zijn plicht.
Een ander precair punt vormt de volledigheid. Op dit moment zijn 141 namen achterhaald. De mensen die hieraan hebben meegewerkt, pretenderen niet dat zij iedereen hebben getraceerd die tijdens de dienst is omgekomen. Zij zien de tuin dan ook als een voortgaand project; ook in de toekomst kunnen namen worden toegevoegd van politiemensen die tijdens de dienst zijn omgekomen.
Hoewel de uitvoerders van het project zich bewust zijn van de tekortkomingen, overheerst bij allen die eraan hebben meegewerkt een gevoel van voldoening. Tijdens de werkzaamheden ontvingen zij van de politie en het publiek vele blijken van waardering. Tijdens de emotionele opening van de tuin, op 21 maart, bleek weer hoe belangrijk dit nationale gedenkteken voor nabestaanden is.

Moge de Tuin van Bezinning nog veel aanleiding geven tot reflectie over het politievak en moge hij tot in lengte van dagen een nationaal monument zijn voor in de dienst omgekomen politiemensen.

 

[kader]
De Tuin van Bezinning wordt bekostigd met bijdragen van het Politiefonds Ien Dales, de Raad van hoofdcommissarissen, de Politieacademie en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2006, jrg. 68, nr. 5, p. 30-32

0 reacties

Reageer op dit artikel