Vacaturedruk bij de recherche: feiten en verklaringen

Vacaturedruk bij de recherche: feiten en verklaringen n de afgelopen decennia hebben politiek, politie en media veelvuldig gesproken van een tekort aan rechercheurs. De toegenomen media-aandacht van niet-opgeloste zaken heeft dit beeld versterkt. Met name de beruchte Schiedammer parkmoord heeft geleid tot vragen en bezorgdheid over het functioneren van politie en justitie.

Ook in de Tweede Kamer zijn veelvuldig Kamervragen gesteld omtrent het tekort aan recherchepersoneel. Omdat feiten over het aantal vacatures bij de recherche en eventuele redenen daarvan ontbraken, heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) de Tweede Kamer in 2007 een onderzoek toegezegd naar vacaturedruk bij de recherche. Dit artikel gaat in op de bevindingen van dit onderzoek dat uitgevoerd is in 2008.

Zoeken naar definities
Alvorens gestart kon worden met het onderzoek was de eerste opdracht om het begrip ‘vacaturedruk’ helder en scherp te definiëren. Immers, het begrip ‘vacaturedruk’ is een containerbegrip geworden. Wat is nu daadwerkelijk ‘vacaturedruk’? De meest gehanteerde definitie van vacaturedruk is het aantal vacatures dat een organisatie in een bepaalde periode heeft. Deze definitie dringt niet tot de kern door, omdat dit nog niets zegt over de daadwerkelijk ervaren (werk)druk op de organisatie. Om recht te doen aan de complexiteit van het tekort aan rechercheurs en de daadwerkelijke (werk)druk op de organisatie is de volgende definitie gehanteerd: er is sprake van vacaturedruk als een organisatie niet in staat is om opengestelde vacatures binnen een redelijke termijn op te kunnen vullen. Dus voor het onderzoek geldt dat de vacaturedruk binnen de recherche gebaseerd is op het aantal recherchevacatures, dat binnen een redelijke termijn na openstelling, niet opgevuld wordt.
 

Vacaturedruk: feitelijk of beleving?
Laten we beginnen bij wat we feitelijk kunnen zeggen over de vacaturedruk bij de recherche. De conclusie is dat er sprake is van een landelijke vacaturedruk binnen de recherche. Het is een feit dat het merendeel van de korpsen in meer of in mindere mate moeite heeft met het op tijd vervullen van de vacatures. Echter, de stelling dat de vacaturedruk in dezelfde mate geldt voor alle regionale korpsen, de Bovenregionale Recherche en de Nationale Recherche doet geen recht aan de diversiteit ervan.
Het totaal aantal vacatures recherche voor alle regionale korpsen, Bovenregionale Recherche en het KLPD in het eerste kwartaal van 2008 bedroeg 483. De mate waarin de vacatures wel of niet vervuld zijn, verschilt tussen de regionale, bovenregionale en landelijke politiekorpsen.

De vacatures zijn onderzocht in het eerste kwartaal van 2008 en hebben daarmee betrekking op een relatief beperkte periode. Door deze relatief beperkte periode is het onduidelijk of het aantal vacatures en de vacaturedruk stabiele gegevens zijn. Om hier antwoord op te kunnen geven, zouden de vacaturegegevens over minimaal een jaar bekeken moeten worden.

De volgende regionale korpsen hebben de grootste vacaturedruk in de recherche in vergelijking met het landelijk gemiddelde: Kennemerland, Flevoland, Zeeland, Amsterdam-Amstelland, Hollands Midden, Limburg-Noord en Gelderland-Zuid.

Van de Bovenregionale Rechercheteams kampt BR Oost-Nederland met de grootste vacaturedruk. De cijfers over het KLPD en de Nationale Recherche laten hetzelfde beeld zien. Ook zij hebben relatief veel vacatures en een hoge vacaturedruk. Daarmee behoren zij tot de groep binnen de recherche met de grootste vacaturedruk.
Tijdens het onderzoek is een aantal verdiepende vragen gesteld. Onder meer of de vacaturedruk geldt voor korpsen met een bepaalde omvang, met name de Randstedelijke korpsen, korpsen in een bepaalde regio van Nederland of voor alle recherchefuncties? Op al deze vragen dient ontkennend geantwoord te worden. Het onderzoek laat zien dat de vacaturedruk niet a priori haar oorsprong vindt in omvang, Randstedelijk versus rest van Nederland en/of beheerkorps versus overige korpsen. Dit is een interessant gegeven. Hoe komt het toch dat het verschijnsel vacaturedruk in theorie voor alle korpsen kan gelden? En andersom geldt dezelfde vraag: hoe komt het toch dat de afwezigheid van vacaturedruk in theorie ook voor alle korpsen kan gelden? Voor de beantwoording van deze vragen dient breder gekeken te worden dan alleen naar de feitelijke cijfers, te weten: de maatschappelijke context en de diversiteit/complexiteit van vacaturedruk.
 

Maatschappelijke context
Op dit moment geldt voor de politie hetzelfde als voor andere overheidsorganisaties en bedrijfstakken in Nederland, er is namelijk sprake van een krappe arbeidsmarkt. Dit heeft onder andere haar weerslag op het aantal potentiële kandidaten voor de politie en daarmee wordt het werven van personeel een uitdaging. De veranderende maatschappelijke context brengt een tweede uitdaging met zich mee, namelijk het behoud van huidig personeel. De carrière binnen de recherche (net als voor andere bedrijfstakken) wordt steeds vaker gezien als een tussenstap voor een andere carrière. Dat betekent dat ervaren rechercheurs er steeds vaker voor kiezen om de carrière bij een andere overheids- of bedrijfstak voort te zetten. Het beeld van een rechercheur die zijn hele leven bij de recherche werkt, is aan het vervagen.

Een andere landelijke ontwikkeling, de groei van (nationale) opsporingsdiensten, maakt het werven van rechercheurs tot een nog lastiger uitdaging. Deze ontwikkeling brengt namelijk met zich mee dat meer organisaties uit dezelfde (opsporings)vijver vissen. Voor zover er al vissen zijn in deze spreekwoordelijke opsporingsvijver. De vacaturedruk geldt ook niet evenredig voor alle recherchefuncties. Uit het onderzoek komt naar voren dat politiekorpsen en de Nationale en Bovenregionale Recherche te kampen hebben met een grote vraag naar specialistisch personeel, met name digitale, forensische en financiële rechercheurs. Dit is een belangrijk aandachtspunt gezien het toenemende belang van specialistisch personeel voor de verdere professionalisering van de opsporing.
 

Verklaringen en achtergronden
In het onderzoek is uitvoerig beschreven wat de analyse en bevindingen zijn op basis van het cijfermateriaal. Op verschillende manieren (absolute aantallen, gemiddelden, dwarsverbanden, samenhang) en voor verschillende functiegroepen is uiteengezet wat de cijfers ons kunnen vertellen als het gaat om de aantallen vacatures en de vacaturedruk. De analyse van de cijfers heeft zeggingskracht, in de zin dat er voor het eerst objectief onderbouwd kan worden of er sprake is van vacaturedruk. Echter, de cijfers geven inzicht in slechts één kant van het fenomeen vacaturedruk. Een volledig en juist beeld van vacaturedruk wordt pas geschetst wanneer er inzicht is in de verklaringen en achtergronden van de vacaturedruk bij de recherche. In het onderzoek is daarom ruim aandacht besteed aan het achterhalen van verklaringen en achtergronden omtrent vacaturedruk. Hoe komt het dat er sprake is van een structurele of incidentele vacaturedruk? Welke factoren liggen hieraan ten grondslag? Is er samenhang te achterhalen tussen de verschillende factoren? Gelden bepaalde factoren voor de gehele politie of zijn zij het gevolg van de bedrijfsvoering binnen de korpsen?

Het onderzoek laat zien dat voor het verschijnsel vacaturedruk verschillende factoren aan te wijzen kunnen zijn. Deze factoren zullen afzonderlijk nooit bepalend zijn voor de aanwezigheid van vacaturedruk. Afhankelijk van de regionale/nationale context en de persoonlijke motieven van potentiële sollicitatiekandidaten, zijn één of meer factoren van toepassing voor een korps.

Omwille van dit artikel wordt ingezoomd op een viertal factoren.
Een eerste factor is het geringe aanbod van specialisten. Uit het onderzoek blijkt dat het verschijnsel vacaturedruk bij de recherche enigszins genuanceerd dient te worden. Uit de praktijk blijkt dat de vacaturedruk niet evenredig voor alle recherchefuncties geldt, maar met name voor een drietal recherchespecialisten, te weten: digitale rechercheurs, forensische rechercheurs en financiële rechercheurs.

Een tweede factor is de geringe doorstroom vanuit de Basis Politie Zorg (BPZ). De korpsen geven aan dat er een algemene trend is waarbij er onvoldoende doorstroom vanuit de BPZ naar de recherche is. Vanuit de korpsen wordt veelal gesproken van een redelijke ‘honkvastheid’ van politiefunctionarissen. Politiekorpsen zijn veelal genoodzaakt om (nadat de interne sollicitatieprocedure niet heeft geleid tot nieuw personeel) externe vacatures uit te zetten. De animo om na/tijdens een carrière in de BPZ een recherchecarrière te ambiëren, blijkt over het algemeen gering te zijn. Verklaringen die hiervoor genoemd worden, zijn:
- een sterke daling van de onregelmatigheidstoeslagen. Deze daling wordt veroorzaakt door de sterke daling van onregelmatigheidsuren. De aard van de BPZ-werkzaamheden brengt met zich mee dat er op een meer structurele basis sprake is van onregelmatigheidsuren dan bij de recherche. Deze structurele onregelmatigheidstoeslagen bij de BPZ blijken een belangrijke aanvullende inkomstenbron te zijn op het basissalaris;
- de verbondenheid van BPZ-functionarissen met hun werk (actualiteit, spanning en dynamiek, veelheid aan collega’s, variëteit);
- de opleidingsdruk, toegenomen certificering binnen de opsporing.

De geringe doorstroom blijkt zowel een functieaspect (minder overwerk leidt tot lagere onregelmatigheidstoeslagen) als een persoonlijk aspect te hebben.

Een derde factor is: de recherche als carrièreperspectief. In tegenstelling tot vroeger, is de politie in het algemeen en de recherche in het bijzonder ook onderhevig aan nieuwe ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de binding van personeel aan een organisatie. Steeds vaker kiezen ook rechercheurs (maar dit geldt uiteraard ook voor de gehele politie) ervoor om het recherchevak als een tussenstap te zien in hun carrière. Het carrièreperspectief binnen de recherche en daarmee eigenlijk het gebrek aan perspectief, voldoet niet meer aan de behoeften van de huidige arbeidsmarkt. Dit brengt ook met zich mee dat het behouden van de huidige rechercheurs steeds vaker een uitdaging vormt voor de politiekorpsen. De behoefte aan carrièreperspectief is mede een verklaring voor de blijvende vraag naar rechercheurs.

De vierde factor betreft de relatie tussen vacaturedruk en werkdruk. Onder subjectieve werkdruk wordt verstaan de ervaren werkdruk op de werkvloer. In het voorgaande lag het accent op het verschil tussen aanbod en vraag ten aanzien van rechercheurs. Het onderwerp ‘vacaturedruk’ gaat verder dan alleen cijfers en verklaringen van de objectieve vacaturedruk. Uit het onderzoek blijkt dat de subjectieve werkdruk van grote invloed is op de beleving van de rechercheurs en daarmee de beeldvorming die binnen en buiten (media, Tweede Kamer) de politie ontstaat. Per korps verschilt de beleving over werkdruk en daarmee soms ook de beleving over vacaturedruk. In korpsen waar bijvoorbeeld duidelijke keuzes gemaakt worden en strakke sturing plaatsvindt, ervaart men over het algemeen minder werkdruk/vacaturedruk.
 

Reactie BZK en Justitie
De ministers van BZK en Justitie hebben in de Kamerbrief van 7 november 2008 (kenmerk: 2008-0000542907) aangegeven aanvullende maatregelen te treffen om de vacaturedruk bij de recherche te verminderen. Het gaat hier om de volgende maatregelen:
- de verruiming van de afbouwregeling operationele toelage. Bij de CAO-politie 2008-2010 zijn afspraken gemaakt die de doorstroom moet bevorderen van een functie met onregelmatigheid naar een functie zonder;
- de mogelijkheid om medewerkers van buiten de politie, zonder volledige politieopleiding, direct in te zetten bij de recherche;
- de mogelijkheid om door middel van de pilot hbo-zij-instroom vanuit het programma versterking opsporing en vervolging afstudeerders op verschillende functies bij de recherche in te kunnen zetten;
- de mogelijkheid om aspiranten na hun opleiding ook gelijk in te zetten bij de recherche;
- om loopbaanmogelijkheden binnen de recherchekolom te vergroten wordt gewerkt aan vernieuwing van het functiegebouw opsporing.
 

Tot slot
Meer inzicht in het tekort aan rechercheurs zal recht doen aan het beter begrijpen van de complexiteit van dit vraagstuk. De veronderstelling echter dat de vacaturedruk bij de recherche per definitie een fundamenteel karakter heeft en daardoor drastische wijzigingen in het politiebestel noodzakelijk zijn, is een verkeerde veronderstelling. Dat zou tevens een verkeerd signaal zijn, waardoor mogelijk snelle en relatief makkelijke oplossingen genegeerd worden. De eerste uitdaging ligt eerder in het versterken van het lerend vermogen. Kunnen korpsen van elkaar leren als het gaat om het verminderen van de vacaturedruk? Het antwoord hierop luidt volmondig ja. Daarnaast dienen korpsen gestimuleerd te worden om binnen de kaders te zoeken naar creatieve oplossingen. Het adagium ‘eenheid in verscheidenheid’ geldt ook voor het vraagstuk vacaturedruk.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2009, jrg. 71, nr. 4

0 reacties

Reageer op dit artikel