Van wie is de politie eigenlijk?

Onlangs verscheen het rapport van de stuurgroep Leemhuis. De conclusie luidt dat de Nederlandse politie één concern moet worden. Bestuurders, wetenschappers en politiebazen trekken nut en noodzaak van centralisatie sterk in twijfel. Ook de maker van de huidige politiewet verwees het advies van de stuurgroep naar de prullenbak.

Na het zomerreces buigt het parlement zich onder meer over het wetsvoorstel tot wijziging van de politiewet. De minister hoopt met deze wijziging zijn greep op de politie te versterken en daarmee de dienstverlening door de politie te verbeteren. Bestuurders, wetenschappers en politiebazen hebben hun ernstige twijfels geuit  over nut en noodzaak van deze centralisatie van de politie. Onlangs verscheen het rapport van de stuurgroep Leemhuis waarin deze verslag doet van zijn evaluatie van de politieorganisatie. De evaluatie van het beheer is nog gaande; mogelijk heeft dit te maken met de opdracht onderzoek te doen naar een 'zo optimaal mogelijk' beheer. Dat bestaat (ook taalkundig) niet; meer dan optimaal zit er niet in.

De stuurgroep Leemhuis komt tot de conclusie dat de Nederlandse politie goed op (voor?) haar taak is berekend, maar dat het nog beter zal gaan als het één concern wordt onder een vierhoofdige leiding. Aanvankelijk repten de media van 'instemmend gemompel'; de maker van de huidige politiewet, Cees Fasseur, verwees het advies echter in een snijdend betoog naar de prullenbak.1 Al eerder klonken waarschuwende woorden tegen een dergelijke vorm van verzelfstandiging. Zo vermeldt het vorig jaar verschenen rapport Een herkenbare staat2: 'De verzelfstandiging van overheidstaken heeft de afgelopen jaren niet aan de verwachtingen voldaan. Integendeel: er is veel onduidelijkheid ontstaan. (...) Er is een "tussenstructuur" ontstaan die "zich met eigen boodschappen in het verkeer tussen minister en uitvoerders beweegt".' In het commentaar van het kabinet op het rapport toont het zich voorstander van een 'civil society' waarin meer ruimte wordt gelaten aan de verantwoordelijkheid van maatschappelijke actoren.3 Met de prioriteiten van het programma Andere Overheid van mei 2005 borduurt het kabinet voort op deze lijn: 'Maatschappelijke instellingen en uitvoerders van beleid in sectoren als zorg, onderwijs, veiligheid en wonen moeten meer het vertrouwen krijgen. Zij zijn immers de onmisbare schakel tussen overheid en burger'.4
 

Omgekeerde bewijslast
Alleen ingewijden lijken intussen nog in staat in deze baaierd van noties, overwegingen en conclusies enige consistentie te ontwaren. De verleiding zal groot zijn het allemaal nog eens uit te leggen, tot murw makens toe. Daar vloeit doorgaans weinig bloed uit. Niemand zal weten of handhaving van de bestaande situatie achteraf te verkiezen zou zijn geweest boven de nieuwe, omdat deze tegelijk met de gekozen verandering ophoudt te bestaan. Om deze reden valt steeds vaker een pleidooi te beluisteren voor een omgekeerde bewijslast: wie een verandering wil, is gehouden niet alleen de knelpunten te benoemen maar ook aannemelijk te maken dat de voorgestane ingreep inderdaad tot de gewenste verbetering zal leiden. Mensen lijken behept met een neiging kritischer te zijn dan nodig over hoe het gaat en optimistischer dan gerechtvaardigd over hoe het worden zal.

Vaststaat dat de huidige politieorganisatie bewezen heeft in staat te zijn zich te voegen naar de eisen van de tijd. Al tien jaar lang werken bestuur en politie eendrachtig via een uitgekiend systeem van audits, visitaties, inspecties en convenanten aan een stelselmatige verbetering van de dienstverlening. Geen wens van de minister of andere gezagsdrager blijft onbeantwoord. De stuurgroep stelt overigens zelf ook vast dat het centrale niveau in staat is geweest 'om zaken die het centrale belang aangaan te regelen'. Het is onduidelijk waarom dit gegeven onvoldoende vertrouwen voor de toekomst biedt. Zo leert onderzoek naar de mate waarin gemeente en parate diensten zijn voorbereid op calamiteiten dat de politie daar de minste problemen kent.
 

Deus ex machina
Laten we de stuurgroep Leemhuis eens langs de maatlat van de omgekeerde bewijslast leggen. De stuurgroep heeft zich er niet met een jantje-van-leiden van afgemaakt. Het rapport telt 170 pagina's en bevestigt het buitengewoon complexe speelveld waarop de politie opereert. De beschouwingen zijn zonder uitzondering interessant maar daarmee lang niet altijd even relevant. Het pleidooi voor een concern is stellig gevoed door de politie zelf, die sinds de reorganisatie belangrijke stappen heeft gezet om de voordelen van zo'n concept te (gaan) verzilveren. De uiteindelijke conclusie dat politie Nederland ook een concern moet worden met een vierhoofdige leiding ontkomt echter niet aan de verdenking dat eerst de pijl is gegooid en dat nadien de roos is getekend. Het concernbestuur geldt als een deus ex machina; het volgt bepaald niet logisch uit de vele beschouwingen die de stuurgroep in zijn rapport ten beste geeft.
 

Praktijk
De praktijk van de afgelopen jaren is de belangrijkste troef om de onontkoombaarheid van de aanbeveling van de stuurgroep te betwisten. Politie Nederland is van ver gekomen. De veiligheid heeft getuige de aangiftecijfers en de veiligheidsbeleving de afgelopen 12 jaar een sterke groei doorgemaakt. Het wetsvoorstel uit 1998 om de politie meer onder het centrale gezag te plaatsten, heeft het niet gehaald. Niettemin zijn met de concernvorming van politie Nederland juist in de periode 1998-2005 belangrijke vorderingen gemaakt. Zaken worden afgedaan op het niveau en de schaal die daarbij horen, van wijk tot wereld.

Een van de kritiekpunten van de stuurgroep betreft de ICT en communicatievoorziening. Het zou mooi zijn als de minister de knelpunten op dit terrein even voor politie zou kunnen oplossen. De ervaringen met C2000, het communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten, de problemen met het veiligheidssysteem voor de HSL en tal van andere voorbeelden, leren dat op dit terrein de roep om een sterke man hoogstens enige tijdelijke opluchting maar zelden een echte oplossing biedt.
 

Panacee
Blijft natuurlijk de reactie: wil je beweren dat de dienstverlening door de politie probleemloos verloopt? Het antwoord is neen. Net zo min als het gedachte concern met zijn vierhoofdige leiding als panacee voor de gesignaleerde knelpunten geldt. Mogelijk struikelt de wens tot instelling van deze raad van bestuur al onmiddellijk over het vinden van een voorzitter die bereid is dit te doen voor een salaris beneden dat van de minister-president. Voor een doorsnee zorginstelling blijkt dat al een lastige opgave.

Mocht de politiek ervoor kiezen eis dat de politie een concern wordt volgens het model Leemhuis overeind blijven, dan brengt de politie ook die missie stellig tot een goed einde. De fusie van 150 gemeentepolitiekorpsen met het korps Rijkspolitie werd kwam twaalf jaar geleden immers ook betrekkelijk geruisloos gerealiseerdtot stand. Maar of de keuze om die reden ook gemaakt moet worden? Waarom tegen enorme veranderkosten meer overhoop halen dan voor de oplossing van knelpunten nodig is? Waarom een ontwikkeling tot vernieuwing van het regionale bestel  frustreren die door de politie zelf is ingezet? goede schoenen weggooien en verruilen voor andere waarvan niet duidelijk is of ze passen? Voor wie de politie is, is duidelijk. Maar ván wie is zij eigenlijk?

Bron: Het Tijdschrift voor Politie, 2005, jrg. 67, nr. 9, p. 27-28

Cees Fasseur: ‘Ideeën over politie rijp voor prullenbak’, de Volkskrant ,7 juli 2005.
2 Een herkenbare staat: investeren in de overheid, rapport van de werkgroep Verzelfstandiging Organisaties op Rijksniveau.  Interdepartementaal Beleidsonderzoek 2003-2004, nr. 1.
3 Kabinetstandpunt van 26 mei 2005 over IBOR rapport.
4 Brief van de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer van 24 november 2004 naar aanleiding van Voortgangsrapportage Project Andere Overheid 2004.

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel