Veiligheidszorg in Tilburg

Net zo min als de brandweer verantwoordelijk is voor branden, zijn politie en justitie verantwoordelijk voor onveiligheid. Brandweer en politie zijn wel verantwoordelijk voor een goede bestrijding van het betreffende euvel. Iedereen snapt het als ik de opmerking over de brandweer maak, maar het vreemde is dat het thema "veiligheid en onveiligheid" nog steeds nagenoeg exclusief aan politie en justitie hangt. Absoluut onterecht! In huizen met het Politie Keurmerk Veilig Wonen wordt nagenoeg niet ingebroken. Is de politie dan verantwoordelijk voor het voorkomen van woninginbraken?

Historie

De politie heeft zich in de afgelopen 30 jaar wel sterk op het terrein van de preventie begeven door de voormalige bureaus Voorkoming Misdrijven en door de projecten
"Integrale Veiligheid" in de jaren –’90. De politie heeft dit getrokken, geregisseerd en uiteindelijk ook maar uitgevoerd. Hierdoor heeft de politie zich verantwoordelijk gemaakt voor oorzaken waar zij totaal geen invloed op uit heeft kunnen oefenen. Het denken in termen van integrale veiligheid was in basis zeker goed, maar in de uitwerking wilde of moest de politie ook de regie voeren. Daar is het fout gegaan.

 

Tilburg 2002

Na de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 is onderzoek gedaan naar de veiligheid/onveiligheid in de stad, door een commissie (professionals en burgers) o.l.v. de Tilburgse criminoloog, prof.dr. C. Fijnaut. De commissie heeft haar informatie vooral wijkgericht, dicht bij de burger, gehaald. Het rapport is vooral een maatregelenrapport. De commissie heeft geen beleidsaanbevelingen gedaan of een visie ontwikkeld waaronder de veiligheid kon verbeteren maar heeft vooral gekeken naar de actualiteit van de stad. Daarnaast heeft zij gekeken hoe de bestaande instrumenten en instellingen werden ingezet en wat hieraan verbeterd moest worden.
Als je "Fijnaut" op de keper beschouwt, had Tilburg geen veiligheidsprobleem maar had het een probleem met de aanpak van onveiligheid. Feitelijk ontbrak het aan regie en samenhang bij de aanpak van onveiligheid.
Bij de uitvoering van het rapport "Fijnaut" is er voor gekozen om van achteren naar voren te werken; vanuit nazorg, via repressie (ik prefereer echter de term handhaving) naar preventie. Uitgangspunt was om eerst een aantal problemen beheersbaar te krijgen zodat er ook sneller resultaten geboekt konden worden. In die nazorgfase kon ook meer zicht gekregen worden op het functioneren van zorginstellingen (bijvoorbeeld verslavingszorg, GGZ etc) die ook in de preventieve fase van groot belang zouden zijn.
Binnen die prioritering werd nog een tweede keuze gemaakt. Het programma zou zich richten op de gebieds-, persoons-, en delictgerichte aanpak.

 

Veiligheidshuis

Tilburg was in die tijd al gezegend met een Veiligheidshuis. De indruk bestaat dat het veiligheidshuis voort is gekomen uit het rapport "Fijnaut". Dit is niet zo. De credits zijn echt voor het Openbaar Ministerie in Breda dat "founding father" is. Door een eendrachtige samenwerking met de politie in het district Tilburg, de gemeente maar ook de andere justitiële instellingen (HALT, reclassering, jeugdzorg, slachtofferhulp, kinderbescherming, verslavingszorg en inmiddels ook maatschappelijk werk en leger des heils) is dit initiatief wel een kroonjuweel van het veiligheidsbeleid geworden. Het Veiligheidshuis Tilburg is namelijk een plek van regie (Openbaar Ministerie) en samenhangende aanpak. Het is geen instelling maar een plaats van samenkomst voor medewerkers van betrokken instellingen. Zij doen hun feitelijke werk maar dan niet alleen in het moederbedrijf maar ook voor een deel in het Veiligheidshuis. Dit betekent dat de betrokken instellingen de inzet op een persoon veel meer op elkaar afstemmen en dat instellingen zicht krijgen op elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden.
Het Veiligheidshuis kent een scenario-overleg jeugd, waarbinnen ook de zwaarste groep risicojongeren besproken wordt. Afspraken worden gemaakt over de hele keten preventie-opsporing-vervolging-berechting-executie-nazorg. Voor een intensieve begeleiding heeft de gemeente Cross Roads opgericht (een ordeschool waarbinnen jongeren tussen 08.00 uur - 20.00 uur intensief begeleid worden, ook tijdens de weekenden en tijdens de vakanties). Daarnaast gaat de gemeente, samen met Bureau Jeugdzorg, Leger des Heils, Openbaar Ministerie te Breda en de Regionale Instelling voor Beschermde Woonvormen, begin 2008 beginnen met een nadetentievoorziening (de Sluis) voor jongeren tot de leeftijd van 24 jaar. Dit moet het door de Rekenkamer gesignaleerde probleem over de geringe effectiviteit van jeugddetentie mede gaan ondervangen.

Een aantal ervaringen van het veiligheidshuis over de periode 2003 - 2007 is voor dit artikel van belang.
1. Door de persoonsgerichte aanpak van het veiligheidshuis weten we eigenlijk precies om wie het gaat. We hebben 24 minderjarige veelplegers, 63 harde-kernjongeren, 503 veel- en meerplegers, 30 verslaafde straatprostituees, zo´n 100 (overlastgevende) verslaafden en dan nog wat gekken en dwazen die problemen veroorzaken. Het zijn zo´n 1000 mensen (een half procent van de bevolking) die de echte problemen veroorzaken en toch is het alle vele jaren moeilijk om de problemen te beheersen.
2. De interventie van de het veiligheidshuis doet er toe. Het recidivecijfer voor jongeren is in Tilburg over de periode 2002 – 2006 gedaald met 49%.  Dit resultaat komt vooral voort uit de werkwijze binnen het veiligheidshuis met het afspreken van scenario´s waarvan de uitvoering nauwgezet gevolgd worden. Het aantal first offenders blijft echter nagenoeg gelijk.
3. Het scenario kan nog zo goed zijn; het staat of valt bij de uitvoering (de mens als zwakste schakel).
4. Alle goede bedoelingen ten spijt; er is een categorie die niet kan of wil. Voor deze categorie moet je als samenleving en overheid ook durven besluiten dat het beter is dat we de samenleving in bescherming gaan nemen. Echt langdurige gevangenisstraffen (ISD-maatregel is dan alleen nog maar een begin) voor degene die niet wil en zorgboerderijen in het buitengebied o.i.d. voor degene die niet meer kan. Er moeten ook mogelijkheden komen om duidelijkheid in de strafoplegging (zoals langdurig uit de maatschappij) ook daadwerkelijk te effectueren in de interne strafrechtsketen. Het overtreden van een voorwaarde moet bijvoorbeeld meteen tot een reactie leiden, een voorwaardelijke gevangenisstraf moet snel uitgevoerd kunnen worden en driemaal achtereen een taakstraf heeft geen enkele zin.
5. Onlangs is gebleken dat een groot deel van onze notoire overlastplegers (ook veelplegers ) een verstandelijke beperking heeft. De begeleiding en zorg zijn daar nooit op afgestemd geweest. Behandelingen konden dus niet aanslaan en mensen bleken dus niet in staat hun criminele carrière te doorbreken. Deze mensen kunnen ook geen keuze maken of ze willen resocialiseren. In mijn optiek zijn hier landelijk verder onderzoek en een probleemgerichte aanpak naar deze bijzondere groep hoognoodzakelijk.

 

De Tilburgse zorgwereld

Organisatie van de zorg
Kritiek op zorg is een taboeonderwerp in de politiek. In oktober 2007 kwam de SP (Agnes Kant) met spotjes op de radio die de zorg in bescherming nemen. Als het gaat om de mensen die in deze zware bedrijfstak werken, ben ik helemaal akkoord. Ik heb groot respect voor deze mensen die, net als de wijkagenten van de politie, steeds geconfronteerd worden met de onderkant van de samenleving en bijna in een onmogelijke positie proberen toch het verschil te maken, en dat voor een gering salaris. Deze onmogelijkheid wordt echter in stand gehouden door het systeem (concurrentie en taakgerichte financiering) zoals we het bedacht hebben en door de wijze waarop instellingen, vaak halsstarrig proberen om het in stand te houden.
Gekscherend zeg ik bij inleidingen over dit thema wel eens het volgende:
"Je kunt in Nederland geen probleem hebben of er is wel een instelling of belangengroepering die je helpt. Al heb je een ingescheurde teennagel, dan nog kun je ergens terecht. Maar, o wee, als je 2 of meer problemen hebt, dan heb je pas echt een probleem. Zeker als die problemen ook nog eens te maken hebben met de combinatie zorg en justitie. We hebben last van mensen met complexe problemen. Er zijn gezinnen waarbinnen iedereen werkloos is, geen diploma´s worden gehaald, vader een drankprobleem heeft en moeder (als er nog sprake is van een tweeouder gezin) te vaak naar de bingo gaat, 2 zoons regelmatig bij de politie zitten en er ook nog een geestelijk gehandicapte dochter is. Waar moet zo´n gezin toch beginnen als het hulp nodig heeft? Eerst moet er een hulpvraag gedefinieerd worden en dan zijn er maar liefst een stuk of 8 instellingen die komen "helpen". In het beste geval worden de problemen deels overgenomen en het gezin wordt niet gestimuleerd om zelf het heft in handen te nemen. We gaan verzorgen."
U kunt de conclusie uit dit voorbeeld zelf trekken.

De overheid heeft gekozen voor een taakgerichte financiering om de onderlinge concurrentie in de zorg te stimuleren. Dat is heel mooi voor mensen die op internet vergelijkingen kunnen trekken tussen zorgaanbieders, niet voor mensen die het begrip "definiëren van de vraag" niet eens begrijpen.
De taakgerichte financiering leidt er toe dat instellingen vooral kijken naar het probleem waar zij voor zijn. Daar worden de turfjes voor de verantwoording gehaald. Tsja, dat er dan nog andere problemen zijn die jouw inzet van jouw inzet volledig teniet doen, is dan jammer.
Tilburg kende op een bepaald moment 3 verslaafde straatprostituees met een IQ lager dan 80. Nummer 1 en 2 waren al vrij snel in verwachting. Wie doet er dan iets? De instelling van mensen met een verstandelijke handicap heeft geen verstand van verslaving, de verslavingszorg kan niets met mensen met zo´n laag IQ, de instelling voor maatschappelijke opvang kan de vrouwen alleen maar een kop koffie geven en de GGD verweert zich met de mededeling dat: "mevrouw geen prikpil wil."

 

Cultuur in de zorg
Er is behalve deze systeemfouten ook sprake van een cultuurprobleem. Ik stoor mij aan zorgaanbieders die het niet hebben over hoeveel patiënten of cliënten zij kunnen helpen maar over hoeveel bedden zij hebben. Dat geeft kennelijk status. Ik heb mij erg gestoord aan zorginstellingen die mij wisten te vertellen dat zij het in hun instelling goed op orde hadden want er waren geen veiligheidsproblemen. Dat betreffende patiënt buiten de instelling veel overlast veroorzaakte, dat was toch echt het probleem van de politie.
Gelukkig is dit in Tilburg inmiddels toch gekanteld. Veruit de meeste zorginstellingen voelen inmiddels hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Enerzijds omdat zij snappen dat ze meer moeten doen om dit soort cliënten of patiënten uit overlastgevende situaties te halen, anderzijds omdat die maatschappij ook gaat reageren (lees ageren) tegen hun cliënt of patiënt. Maatschappelijke opvang, GGZ en verslavingszorg hebben bijvoorbeeld een outreachend team opgericht dat zoveel mogelijk overlastgevende drugsverslaafden, meestal met een psychische stoornis, volgt en aanspreekt. Het probleem lost zich niet op maar het wordt wel beheerst.

 

Repressie, nazorg, preventie

Ik kom langzamerhand bij de twee andere pijlers van het veiligheidsbeleid: preventie en nazorg. In 2006 is het veiligheidsbeleid onderzocht door een onafhankelijke visitatiecommissie o.l.v. een andere Tilburgse hoogleraar, prof. Dr. P. Tops. De commissie-Tops was lovend over de Tilburgse aanpak op een aantal fronten maar bracht de worsteling van de gemeente met het regiethema feilloos aan de oppervlakte. Daarnaast adviseerde de commissie om ook in de zorg een duidelijke regisseur aan te wijzen (de gemeente) en te komen tot een samenhangende aanpak in de zorg en dus de opzet van een zorghuis.
College en Raad hebben dit voorstel overgenomen maar daar ook een verbreding aan gegeven door een preventiehuis op te zetten via de stedelijke component van het Centrum voor Jeugd en Gezin.
Alle drie de Tilburgse "huizen" zullen onder een dak gaan opereren conform het concept van het Veiligheidshuis. Dit betekent dat zaken die volledig preventief afgewerkt kunnen worden daar ook blijven maar dat zaken die ook strafrechtelijke of handhavingaandacht behoeven ook meteen in de keten betrokken kunnen worden. Het gaat er namelijk niet om dat een jongere die over de schreef gaat gestraft gaat worden maar dat deze, eventueel met een stok achter de deur, weer zo snel mogelijk in een preventief traject komt. Hetzelfde geldt voor mensen die uit het strafrechtelijke traject komen en nog (soms langdurig) in een zorgtraject begeleid moeten worden. De repressieve fase, en nogmaals ik spreek liever van handhavingfase, is daar vaak van groot belang. In veel gevallen werken preventie en zorg alleen effectief als er naast de beloning van de hulp en zorg, echter ook een drang-en-dwang-kader is.
Hiervoor is een sterke cultuurverandering nodig bij vooral de zorg. Zorginstellingen, en dit geldt ook voor onderwijsinstellingen, blijven net zo lang zorgen totdat het echt niet meer kan, soms zelfs tegen beter weten in. Een goede zorg kan echter ook betekenen dat je soms drang-en-dwang moet organiseren en dan heb je misschien instellingen nodig die binnen de zorg bijna als natuurlijk vijand worden gezien. Zorg kijkt soms op een bijna archaïsche wijze naar politie terwijl juist politie vaak een eerste vindplaats is voor mensen met een complex zorgprobleem. Politie heeft in haar taakstelling zelf zorg staan (zorg verlenen aan hen die deze behoeven). Helaas vindt de politie nog te vaak een gesloten deur als zij een zorgklant geholpen wil zien.
Dit betekent dat preventieve, repressieve en zorgscenario´s op elkaar afgestemd dienen te worden en dat ook deze ketens op elkaar afgestemd moeten worden. Bij een bijeenkomst van de Grote Veiligheidscommissie van Tilburg in juni 2005 heeft prof. Fijnaut betoogd dat het misschien beter is om niet meer te praten over ketens. Dit heeft het gevaar van doorschuiven in zich. Het is beter om als instellingen als een schil om een complex van problemen heen te gaan staan. Bepaal in overleg wie welke interventies moet doen en welke interventies misschien in dit stadium achterwege kunnen blijven! Soms zal een instelling ook dingen moeten doen die misschien niet rechtstreeks uit de taakstelling komen. Het leidt echter wel tot resultaat.

Dit betekent echter ook dat samenwerking moet gebeuren op basis van informatie-uitwisseling.

 

Privacy

Privacy lijkt een zeer groot probleem. Kun je informatie uitwisselen tussen de zorgkolom en de justitiekolom? Het lijkt van niet. Op een privacysymposium op 7 juni 2006 voor de zorgwereld aan de Universiteit van Tilburg leek aanvankelijk dat niets kon. Ook heerste binnen de zorgwereld bijna een anarchistische houding t.o.v. de justitiekolom. `Aan politie gegevens over mijn cliënt geven? Over mijn lijk`

Ik kan mij daar niets bij voorstellen. Privacy beschermt vooral mensen die heel goed voor zichzelf kunnen zorgen. Informatie-uitwisseling helpt echter vaak de mens die hulp dringend nodig heeft en dat moet prevaleren. In discussies met de zorg, vooral met de GGZ, is dat een lastig onderwerp. Men wil alleen informatie geven als de cliënt toestemming geeft. Ik vraag mij af of je aan iemand, die denkt dat hij een deurklink is, wel toestemming moet vragen. Net zo goed als dat ik mij afvraag of je een verslaafde straatprostituee met een verstandelijke beperking moet vragen of ze een prikpil wil. Privacy impliceert een keuze en er zijn mensen die weinig keuzes meer kunnen maken. Het systeem is gericht op weldenkende mensen. Het maakt echter mensen die dit talent niet mee hebben gekregen, extra kwetsbaar. Die moet je tegen zichzelf beschermen, dat hoort namelijk bij een maatschappij die zich voorstaat op haar beschaving.

Privacy wordt echter ook te vaak gebruikt als vluchtheuvel om informatie niet uit te wisselen. Ik ben er nog niet aan uit of dit komt door een gebrek aan kennis omdat men denkt dat het niet mag of omdat men, om onduidelijke reden, niet wil. Privacy lijkt vooral een spook te zijn wat mensen angstig maakt om samen te werken.

 

Regiefunctie gemeente
Zoals hierboven beschreven zijn belangrijke factoren voor het succes van het Veiligheidshuis de duidelijke regie en de samenhangende aanpak. Het Openbaar Ministerie is hierin ook geaccepteerd en heeft de wettelijke bevoegdheden. Voor de twee fases buiten de handhavingfase, preventie en zorg, wordt vooral naar de gemeente  gekeken. Gemeentes worstelen met dit vraagstuk. Is regie, faciliteren, randvoorwaarden scheppen, kaders stellen of soms ook een beetje bepalen?
In Tilburg is lang gedacht dat we de oplossing voor de problemen vooral door professionals moesten laten bedenken. De gemeente zou dit subsidiëren. Daarom is gekozen voor een beleidsarme invulling. De professionals zijn aan zet.
Helaas moet ik constateren dat deze denkfout uit de jaren ´80 en ´90 veel problemen heeft veroorzaakt. Natuurlijk kent Tilburg professionele instellingen waarin uitermate professionele mensen werken met hart voor de zaak. Maar dit moet wel gebeuren onder een gemeenschappelijke visie en in samenhang vanwege de complexiteit van de problematiek, anders rendeert de inzet niet. Hierin heeft de gemeente de verantwoordelijkheid.

 

Conclusie
Tilburg is de zesde stad van het land en komt niet voor op de lijst-Vogelaar. Onze bestuurders en politici keken enigszins beteuterd op toen ze het nieuws hoorden. Kennelijk tel je dan niet echt mee als grote stad. Ik beschouw het als een groot compliment voor de Tilburgse aanpak vanaf 2004. Uit de laatste cijfers blijkt ook dat er sinds 2004 een constant stijgende lijn in veiligheid is ontstaan. De 6e stad van het land is van de 5e naar de 10e plaats gezakt als het gaat om onveiligheid.
Door de Tilburgse aanpak zien we ook dat het in onze probleemwijken niet meer “echt” gaat over veiligheid in enge zin. Het zijn nu vooral problemen die te maken hebben met welzijn (en een veilige wijk is een basisvoorwaarde voor welzijn), zijn het armoedeproblemen, zorgen om de toekomst van onze jongeren. Eigenlijk allemaal thema’s die bij een slechte aanpak leiden tot onveiligheid.
Vervang in de armoedenota van de gemeente Tilburg het woordje armoede door veiligheid en je hebt een nota waar bijna exact dezelfde aanpak in omschreven staat voor exact dezelfde gebieden en exact dezelfde mensen.
Onveiligheid (vooral overlast, drugsgebruik en veelvoorkomende criminaliteit) is vooral een uiting van onjuist preventief optreden.

Onveiligheid is ook het resultaat van het ontkennen van zorginstellingen dat zij een verantwoordelijkheid hebben in het voorkomen van onveiligheid. In dit verband moet ik onderwijs en ook de woningcorporaties een groot compliment maken omdat deze al veel eerder gezien hebben dat er in samenhang en onder regie veel te bereiken was. Onderwijs heeft zich in de afgelopen tientallen jaren ontwikkeld van onderwijs (met af en toe de schoolarts op bezoek), tot mede-opvoerder, tot vindplaats van intense en complexe zorgproblemen rondom kinderen en jongeren. Gelukkig heeft het onderwijs het niet bij die constatering alleen gehouden maar heeft het ook via zorgadviesteams etc. geprobeerd er iets aan te doen. Hetzelfde geldt voor de woningcorporaties die allang niet meer de “stenenstapelaars” en de "huisjesmelkers" meer zijn. De sociale kwaliteit van de woonomgeving staat bij de Tilburgse woningcorporaties met stip bovenaan. Dit mag minister Vogelaar zich gerust meer bewust zijn voordat ze ruzie gaat maken met diezelfde corporaties.

Het rapport-Fijnaut heeft als maatregelenprogramma absoluut zijn vruchten afgeworpen. Door het nemen van concrete en zichtbare maatregelen blijkt dat gemeente en instellingen er wel degelijk toe kunnen doen. De samenleving is misschien niet zo maakbaar als we zouden willen geloven maar zij is wel degelijk beheersbaar. "Fijnaut" was vooral een goed advies voor onze "brandbestrijding". Het onderzoek van de commissie-Tops heeft ons geleerd dat we het veiligheidsthema in enge zin (redeneren vanuit onveiligheid) moeten verbreden naar veiligheid als basisvoorwaarde in samenhang met andere thema´s. In de discussies over hoe nu verder is veiligheid voorlopig ook nog even de aanvliegroute. Dat betekent dat de sense-of-urgency t.a.v. veiligheid niet losgelaten moet worden maar dat in de keuzes op sociale terreinen ook steeds de afweging gemaakt moet worden of een maatregel ook een effect heeft op de objectieve en subjectieve veiligheid.

 

Hoe verder?
Mijn ervaring in Tilburg heeft mij geleerd dat regie en samenhang op dit moment de sleutelwoorden zijn en niet alleen binnen het veiligheidsvraagstuk. Dit betekent dat zorg en handhaving in elkaars verlengde moeten gaan werken en dat handhaving in de preventieve fase maar ook in de zorgfase van nut kan zijn. Net zo goed als dat we in puur repressieve trajecten nog blijven zorgen, moeten we aan de voor- en achterkant misschien iets meer en eerder gaan handhaven.
Wij denken graag in systemen waardoor problemen enkelvoudig en overzichtelijk worden. Problemen zijn echter complex, of het nu over veiligheid gaat, armoede of welzijn. Je moet deze problemen dan ook vanuit het complex te lijf gaan zonder dat je verzandt in het idee dat alles met alles samen hangt. Zet vanuit het complex de juiste middelen in en benader het probleem niet vanuit de instellingen. Ik weet dat dit effect heeft op het zorgstelsel en de financiering. Beloon om die reden de keten- of schilaanpak die daadwerkelijke oplossingen biedt in plaats van de taakgerichte financiering. Maar beloon in ieder geval de mensen beter, die er toch weer voor zorgen dat het schrobputje van onze maatschappij niet dichtslibt.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2008, jrg. 70, nr. 4, p. 4-8

0 reacties

Reageer op dit artikel