Voetbal en geweld: op zoek naar beleid in balans

Voetbal en geweld: op zoek naar beleid in balans Voetbalgerelateerd geweld is een complex en veelzijdig verschijnsel. De vormen van collectief geweld tussen supporters, oftewel hooliganisme, variëren naar plaats en tijd. Het gaat hierbij niet alleen om tijdelijke constellaties, maar ook om meer duurzame processen. Hooliganisme is bij verscheidene voetbalclubs door de jaren heen geïnstitutionaliseerd geraakt en blijkt bijzonder lastig terug te dringen. Uit onderzoek van Ramón Spaaij blijkt dat de lokale werkelijkheid nogal eens afwijkt van het beleid zoals dat op papier is vastgelegd. In deze korte bijdrage maakt hij de balans van het huidige beleid op en schetst hij de contouren van een benadering die de drijfveren van hooliganisme tracht terug te dringen.


De balans van het voetbalvandalismebeleid

Het complexe en hardnekkige karakter van hooliganisme duidt erop dat er geen eenvoudige ‘oplossingen’ bestaan. Veel ingevoerde politiefunctionarissen zijn zich hiervan bewust. In een van mijn eerste interviews vroeg ik een politiecommandant naar zijn ideeën over mogelijke oplossingen. Hij antwoordde lachend: ‘Oplossingen, nou die oplossingen hebben al zoveel mensen proberen te roepen ... Het enige wat we kunnen proberen is dat je het beheersbaar houdt ... Vaak kun je zeggen, “ja, als ik maar veel meer agenten had”. Het enige voordeel wat dat heeft is dat je er kort op kunt zitten ... En in deze tijd waarin niemand zich meer meent van enig gezag iets aan te hoeven trekken, levert dat dus heel veel discussies en agressiviteit op. Dat maakt het gewoon heel moeilijk om hapklare brokken voor oplossingen te vinden.’

De woorden ‘beheersbaar houden’ komen opvallend vaak terug in mijn gesprekken met politiefunctionarissen en veiligheidscoördinatoren in binnen- en buitenland. Dit betekent echter niet dat er geen ‘progressie’ is geboekt. Binnen de stadions is het bij de meeste clubs vandaag de dag aanzienlijk rustiger dan enkele decennia geleden, ondanks het feit dat zich nog altijd met enige regelmaat geweldsincidenten voordoen op de tribunes. Ook is de omvang van hooliganisme, afgemeten aan het aantal gewelddadige confrontaties en de omvang van de harde kernen, bij meerdere clubs enigszins afgenomen (Spaaij, 2008).
Daar staat tegenover dat toegewijde hooligans thans doelgerichter opereren en dat veel geweldsincidenten plaatsvinden buiten het stadion of zelfs buiten wedstrijddagen. Ervaren hooligans opereren calculerend; zij schatten in wanneer zij zich beter gedeisd kunnen houden en hoe zij aanhouding kunnen voorkomen. Zij proberen de politie te ontlopen door alternatieve tactieken en onverwachte manoeuvres. Een voorbeeld hiervan is de hit-and-run-tactiek: gerichte, kortstondige confrontaties waarna hooligans zich snel uit de voeten maken. Hooliganisme is tevens verweven met uitgaansgeweld, lokale jeugdproblematiek en soms zelfs met georganiseerde criminaliteit. Het uit zich bij sommige clubs in hevig onderling geweld, waar het bestaande beleid meestal geen antwoord op heeft. Onderling geweld, in de vorm van geweld tussen supporters van dezelfde club, doet zich bij verscheidene clubs in binnen- en buitenland in zekere mate voor.
Daarnaast variëren de omvang en houding van hooligangroepen sterk, afhankelijk van de verwachte tegenstand en relkansen. De omvang van de groep en de bereidheid tot geweldgebruik zijn rond bepaalde wedstrijden en -evenementen beduidend groter dan bij wedstrijden die op hooligangebied minder interessant zijn of die zijn omgeven met grootschalig politietoezicht en allerhande veiligheidsmaatregelen. Hooligans anticiperen op hiaten in het beleid en slaan vooral ook toe op die momenten waarop de formele controle relatief beperkt is. Dit maakt het ‘beheersbaar houden’ soms bijzonder lastig, zeker wanneer de politie niet over actuele en accurate informatie beschikt.

De aanpak van hooliganisme vergt een multi-institutionele benadering die meerdere sporen omvat. Het lijkt vooral zinvol om te investeren in een beleid dat bestaat uit een combinatie van pro-actie, preventie en repressie en dat de noodzaak tot intensieve samenwerking benadrukt, zoals Adang (1998:60) tien jaar geleden al opmerkte. De ketenbenadering, zoals vastgelegd in het Beleidskader bestrijding voetbalvandalisme en -geweld (2005), voorziet hier al ten dele in. De in het huidige beleid opgenomen strategieën hebben, zoals gezegd, wel degelijk enig resultaat gesorteerd, met name op het gebied van technopreventie, lik-op-stukbeleid (stadionverboden, boetes, vrijheidsstraffen, meldingsplicht) en een informatiegestuurde aanpak. Het gaat bij de laatstgenoemde strategie enerzijds om het vaststellen van de specifieke en actuele veiligheidsrisico’s van voetbalwedstrijden en anderzijds om het in beeld brengen van notoire hooligans en hun activiteiten. De daadwerkelijke toepassing van deze strategieën blijkt in de praktijk behoorlijk te variëren. Aan een consequente uitvoering en handhaving van maatregelen ontbreekt het nogal eens. Het Auditteam Voetbalvandalisme (2007:35) stelt in dit verband dat er ‘op het gebied van consequente toepassing en handhaving van regels het nodige valt te verbeteren’.
Binnen de multi-institutionele benadering dient een goede balans te worden gevonden tussen pro-actie, preventie en repressie. De weegschaal slaat thans te veel door in één richting, namelijk die van repressie. Het voorstel voor de invoering van een voetbalwet in Nederland, naar Brits voorbeeld, is hiervan een goed voorbeeld. Deze voetbalwet kan de lik-op-stukcomponent van het beleid misschien enigszins versterken (al hangt veel af van de daadwerkelijke toepassing en handhaving), maar zal het hooliganisme op langere termijn naar alle waarschijnlijkheid niet significant reduceren. Recent onderzoek wijst uit dat de specifieke maatregelen die zijn vastgelegd in de Britse voetbalwetgeving, de Football (Disorder) Act van 2000, lang niet zo effectief zijn als vaak wordt gedacht. Op langere termijn spelen zij een marginale rol in de algehele aanpak van voetbalgerelateerd geweld en sorteren zij beduidend minder resultaat dan beleidsaspecten die oog hebben voor de dynamiek van groepsinteracties, vooral politietactieken en supportersinitiatieven (o.a. Stott & Pearson, 2006:251; Spaaij, 2005). Binnen de politie is er in toenemende mate aandacht voor deze aspecten, bijvoorbeeld in de ontwikkeling van een friendly but firm of high profile, low friction politieconcept.
 

Een toekomstperspectief: aandacht voor de drijfveren van hooliganisme
De verplaatsingseffecten en aanhoudende populariteit van de hooligansubcultuur duiden erop dat collectief geweld tussen voetbalsupporters voorlopig niet zal verdwijnen. Toegewijde hooligans zijn bereid en in staat om bij tijd en wijle de veiligheidsmaatregelen en -controles te omzeilen en hevig geweld te plegen. Bij ten minste sommige voetbalclubs zullen ‘nieuwe’ jongeren de komende jaren aansluiting zoeken, en wellicht ook vinden, bij (een van) de harde kern(en). Het huidige beleid is niet in staat om deze ontwikkeling een halt toe te roepen.
De belangrijkste reden hiervoor is dat onvoldoende aandacht wordt besteed aan het terugdringen van de drijfveren van hooliganisme. We moeten ons daarbij niet blind staren op een universele ‘oorzaak’ zoals de vermeende maatschappelijke achterstandssituatie van hooligans. De maatschappelijke achtergronden van hooligans zijn enorm divers en kunnen variëren per club of stad (Spaaij, 2008). In sommige gevallen speelt de leefsituatie van individuele en groepjes jongeren wel degelijk een rol. In deze, maar ook in andere, gevallen is een belangrijke functie weggelegd voor sociaal preventief beleid. Dit beleid vereist intensieve samenwerking tussen alle betrokken partijen: de club, gemeente, politie, supportersvereniging, jeugdwelzijnswerk, Regionale Opleiding Centra en verslavingszorg. Sociaal preventief beleid kan de positieve binding van jonge supporters met de club versterken en hun sociale contacten, vaardigheden en (in sommige gevallen) leefsituatie verbeteren. Hierdoor kan op de lange en middellange termijn het geweld en de criminaliteit bij (potentiële) hardekernsupporters worden verminderd en de sfeer en veiligheid rondom wedstrijden worden verbeterd. Het gaat er daarbij vooral ook om te voorkomen dat jonge supporters aansluiting zoeken tot de harde kern.
Deze benadering verdient een veel prominentere positie op de beleids- en onderzoeksagenda. Sociaal preventief beleid moet worden toegesneden op de specifieke problemen waarmee een club (en de desbetreffende wijk of stad) kampt en integraal onderdeel uitmaken van de club- en supporterscultuur. Sociaal preventief beleid, toegesneden op lokale omstandigheden en behoeften, kan een belangrijke impuls geven aan het terugdringen van de drijfveren van hooliganisme op lange en middellange termijn. Een belangrijk voordeel van deze benadering is dat zij voetbalgerelateerd geweld niet los ziet van bredere sociale condities en meer oog heeft voor andere sociale instituties die de normen, waarden en het gedrag van jonge mannen mede vormen, zoals het gezin, de school, de buurt en leeftijdsgenoten.
In dit verband wil ik vooral ook het belang van agressieve masculiene normen en daarmee gepaard gaande, deels leeftijdsgebonden, geweldsopvattingen benadrukken. Deze normen en opvattingen vinden hun weerslag in de collectieve identiteitsvorming van hooligans en in de soms alomvattende wij-zijtegenstellingen en territoriumconflicten die zij creëren en benutten. Deze aspecten van hooliganisme kunnen niet los worden gezien van de dynamiek van club- en supportersculturen. Sterker nog, club- en supportersculturen kunnen een belangrijke rol spelen in het reduceren of ‘verzachten’ van de conflicten en wrijvingen tussen voetbalsupporters. Slechts een zeer klein deel van de supporters maakt zich schuldig aan gewelddadig gedrag of identificeert zich nadrukkelijk met de harde kern. Toch is het gedrag van de omringende supporters van groot belang: hun passieve of actieve ondersteuning en de afwezigheid van expliciete afkeuring van ‘ongewenst’ gedrag maken het ontstaan en de escalatie van geweld mede mogelijk (Adang, 1998:40). Het grotendeels afwezig zijn van informele controlemechanismen in en rond het stadion is een belangrijke factor in het ontstaan en escaleren van geweld. Juist waar dergelijke controlemechanismen en vormen van zelfregulering onder supporters ontbreken, lijken agressieve masculiene normen aan invloed te winnen onder jonge mannen die op zoek zijn naar avontuur, sensatie en sociale status. Informele sociale controle en expliciet niet-gewelddadige supportersnormen kunnen een belangrijke rem vormen op gewelddadig en agressief gedrag.
Deze observaties zijn bijzonder relevant tegen de achtergrond van de conclusie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): ‘[E]en zeer intensieve en alerte formele controle door de politie [is] vereist om het gebrek aan informele controle en het effect van geïnternaliseerde ‘supportersnormen’ te compenseren. Maar ook het stimuleren van semi-informele controle door supporters zelf (bijvoorbeeld in de vorm van stewards) in te schakelen bij het toezicht in het stadion zou een matigend effect op het supportersgeweld kunnen hebben.’ (2003:107)

Wat betreft het eerste deel van deze conclusie, de formele controle, is vooral ook een taak voor voetbalclubs weggelegd. Daar waar de club haar taken en verantwoordelijkheden in en rond het stadion niet naar behoren invult, is het beleid op lokaal niveau veelal niet meer dan een papieren tijger en overheerst een gevoel van straffeloosheid.
Het tweede deel van de conclusie is minstens zo relevant, en wel om twee redenen. Enerzijds erkent het de rol die supporters zelf kunnen spelen in het bevorderen van de veiligheid en sfeer in en rond de voetbalstadions. (Ik doel hierbij niet direct, zoals de WRR dat wel doet, op de inzet van stewards, omdat dit mijns inziens vooral onderdeel uitmaakt van de taken van clubs.) De huidige ketenbenadering schenkt slechts zeer beperkte aandacht aan de rol en belangen van supporters, ondanks het feit dat zij belangrijke stakeholders zijn en in veel gevallen goed zijn ingevoerd in de lokale problematiek. Anderzijds biedt het een aantrekkelijk langetermijnperspectief: meer (semi-)informele sociale controle kan de behoefte aan formele controle in en rond de stadions op termijn doen afnemen. Dit is alleen al vanwege de voortdurende discussie over de hoge kosten van politie-inzet een aantrekkelijk perspectief.
 

Het belang van tolerante, niet-gewelddadige supportersnormen
Maar er ligt ook een fundamentelere opdracht aan ten grondslag: het op systematische wijze terugdringen van de aantrekkingskracht van hooliganisme door tolerantere, niet-gewelddadige supportersnormen te stimuleren. Deze opdracht vergt een benadering die de collectieve identiteit van hooligans, met haar nadruk op agressieve masculiniteit en scherpe wij-zijtegenstellingen, openlijk ter discussie stelt en hier alternatieve, gematigder supportersidentiteiten en -normen tegenover zet. Deze identiteiten en -normen laten ruimte voor groepsidentificatie, groepsbinding en (zwakke, minder exclusivistische) wij-zijtegenstellingen (die inherent zijn aan het competitieve karakter van voetbal), maar benadrukken tegelijkertijd de positieve aspecten van het supportersschap, zoals liefde voor het voetbal en de eigen club, toewijding, humor, speelse rivaliteit en de overeenkomsten tussen en het gedeelde ‘leed’ van supporters van verschillende clubs. Deze supportersidentiteiten kunnen op langere termijn een reëel alternatief vormen voor de hooligansubcultuur voor jongeren die op zoek zijn naar avontuur en sensatie. Hierdoor kan zich uiteindelijk een gematigder harde kern ontwikkelen of kunnen hardcore hooligans in toenemende mate worden geïsoleerd en zullen zij uiteindelijk in omvang en prestige afnemen. Op deze wijze kan (op den duur) niet alleen de nieuwe aanwas worden teruggedrongen, maar tevens de aanwezigheid van vrouwen, en wellicht die van etnische minderheden, in de stadions worden bevorderd.
Het vooruitzicht van de geformuleerde opdracht hangt samen met een aantal omstandigheden en randvoorwaarden. In de eerste plaats kan zij niet los worden gezien van de andere, hiervoor genoemde beleidsmaatregelen. Het gaat er hierbij vooral om het gevoel van straffeloosheid weg te nemen door middel van lik-op-stukbeleid. In mijn onderzoek bij FC Barcelona stuitte ik op sprekende voorbeelden van supportersinitiatieven die in potentie een grote bijdrage hadden kunnen leveren aan de sfeer en veiligheid in het stadion, maar die door wanbeleid van de club juist een averechts effect hadden, namelijk toenemend geweld van hooligans jegens de eigen supporters. Het komt erop neer dat goedwillende supporters zich gesteund en gesterkt moeten voelen in hun gedrag; alleen dan zullen zij medesupporters durven aanspreken op hun gedrag. Dit vergt een correcte, consistente en kordate bejegening door de politie, clubbestuurders en andere betrokken partijen.
In de tweede plaats is een gerichte aanpak nodig om te voorkomen dat het veiligheidsbeleid dermate veel beperkingen oplegt aan supporters dat vooral fanatieke supporters zich minder zullen schikken naar dit beleid. Afname van het draagvlak kan leiden tot min of meer systematische regelovertreding of tot conflicten met beleidsmakers en -uitvoerders. Het komt er dus op aan niet alle supporters over een kam te scheren door middel van generalistische wij-zijopvattingen, maar juist de diversiteit en het sociaal kapitaal van voetbalsupporters te erkennen en te benutten. Deze benadering dient tevens oog te hebben voor de sociale betekenis van voetbal voor fanatieke supporters. Een goed voorbeeld is de discussie over spreekkoren. In alle ophef over kwetsende leuzen wordt nogal eens vergeten dat verreweg de meeste spreekkoren, circa 85 procent, positief, ludiek of opbouwend van aard zijn. Deze acties kanaliseren de behoefte aan groepsidentificatie, plezier, speelse rivaliteit en voor sommigen een stukje cultureel verzet. Dergelijke acties dienen, zolang zij de gestelde tolerantiegrenzen niet overtreden, aangemoedigd te worden als onderdeel van de geformuleerde benadering. Zij kunnen tegenwicht bieden tegen de gewelddadige rivaliteiten tussen hooligans.
Het belang van positieve supportersacties kan niet los worden gezien van de mediaberichtgeving over het gedrag van voetbalsupporters. De door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken ingestelde Working Group on Football Disorder wijst in haar aanbevelingen terecht op de rol die de media en andere actoren kunnen spelen bij het bevorderen van het imago en gedrag van voetbalsupporters. Het gaat hierbij in essentie om het stimuleren van positieve, niet-gewelddadige supportersacties en het transformeren van de dominante mediavoorstellingen van supporters als ‘tuig’ en ‘beesten’. Dit vergt onder meer het vergroten van de zichtbaarheid van supporters, die een positieve identiteit zoeken in hun supportersschap, in het publieke debat.
Het op systematische wijze terugdringen van de aantrekkingskracht van hooliganisme door tolerantere, niet-gewelddadige supportersnormen te stimuleren is uiteraard gemakkelijker gezegd dan gedaan. De aard van de problematiek varieert naar plaats en tijd. Ook kan hooliganisme niet los worden gekoppeld van de bredere maatschappelijke context. Bij bepaalde clubs bestaat er een verband tussen hooliganisme en de sociale problemen in de wijken, hetgeen deels verklaart waarom juist bij deze clubs de problematiek relatief hardnekkig is (zie hierover Spaaij, 2008). Bij sommige andere clubs is de geweldsproblematiek relatief beperkt en relatief eenvoudig te beheersen. Dit alles duidt op het belang van maatwerk, dat wil zeggen gericht beleid dat is toegesneden op lokale omstandigheden en waaraan alle partijen een actieve bijdrage leveren. De geformuleerde opdracht zal bij iedere club een eigen, specifieke invulling moeten krijgen, al kan men daarbij wel degelijk leren van good practices ontwikkeld bij andere clubs en in andere landen.
Voetbalgerelateerd geweld kan uiteraard niet los worden gezien van andere vormen van (publiek) geweld in de samenleving. Er is in bijna alle tijden en culturen een categorie adolescenten en jonge mannen die mogelijkheden zoekt om haar behoefte aan geweld te uiten. De verplaatsing van hooliganconfrontaties en de verwevenheid van hooliganisme met lokale jeugddelinquentie, uitgaansgeweld en soms zelfs georganiseerde criminaliteit geven aan hoezeer voetbalgerelateerd geweld is verbonden met (groeps)geweld in andere verbanden. Daarnaast kan de voetbal- en hooligancultuur niet worden losgekoppeld van bredere noties van mannelijkheid in de samenleving. Ik beweer dan ook absoluut niet dat het stimuleren van tolerante, niet-gewelddadige supportersnormen, in combinatie met de andere genoemde beleidsstrategieën, voetbalgerelateerd geweld en agressieve masculiene normen volledig kan ‘uitbannen’ (laat staan jeugdgeweld in andere verbanden!). Dit is, gelet op de invloed van andere sociale instituties op de normen, waarden en het gedrag van jonge mannen (bijvoorbeeld het gezin, de school, de buurt, het werk, leeftijdsgenoten, de media, het juridisch systeem), geen realistisch beeld.
De essentie van het geformuleerde perspectief is een andere. Voetbal, als een relatief autonome sociale institutie, vervult een belangrijke maatschappelijke functie in het bevorderen van sociale cohesie en solidariteit. Door een veilige en tolerante ambiance te stimuleren en de drijfveren van hooliganisme systematisch terug te dringen, kunnen supporters- en clubculturen een positieve invloed hebben op de sociale normen en het gedrag van mensen binnen en misschien ook buiten het stadion.

 

Literatuur
Adang, O. (1998), Hooligans, autonomen, agenten: Geweld en politieoptreden in relsituaties, Alphen aan den Rijn: Samsom.
Auditteam Voetbalvandalisme (2007), Eindrapport Auditteam Voetbalvandalisme, Seizoen 2006-2007, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Spaaij, R. (2008), Hooligans, fans en fanatisme: een internationale vergelijking van club- en supportersculturen, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Spaaij, R. (2006), Understanding football hooliganism, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Spaaij, R. (2005), ‘Het succes van de Britse voetbalwet: kanttekeningen en best practices’, Het Tijdschrift voor de Politie, vol. 67, nr. 1/2, pp. 4-8.
Stott, C. & G. Pearson (2006), ‘Football Banning Orders, proportionality, and public order policing’, The Howard Journal, vol. 45, no. 3, pp. 241-254.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2003), Waarden, normen en de last van het gedrag, Amsterdam: Amsterdam University Press.

 

Over de auteur
Dr. Ramón Spaaij is verbonden aan de School of Political Science, Criminology & Sociology, The University of Melbourne, Australië. Hij is research fellow bij de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk onderzoek (ASSR). Zijn nieuwste boek, Hooligans, fans en fanatisme: een internationale vergelijking van club- en supportersculturen, ISBN 9789053568149, is uitgegeven door Amsterdam University Press en te bestellen via www.aup.nl.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2008, jrg. 70, nr. 1-2, p. 4-8

0 reacties

Reageer op dit artikel