Vragen naar goed politiewerk: ontwikkelingsgerichte politiezorg als perspectief

Vijf jaar geleden verscheen mijn boekje over blauw vakmanschap. Inmiddels is er veel veranderd. Maar wat bleef is het besef dat de ontwikkeling van volwassen – niet verkleuterd - vakmanschap van wezenlijk belang is voor de kwaliteit van ons samenleven.

Blauw vakmanschap gaat over systematisch leren in de politiepraktijk. In essentie is het een zoektocht naar goed politiewerk.

Maar wat is ‘goed politiewerk?’  Welke criteria gebruik je bij de beantwoording van die vraag?’ 
In ‘blauw vakmanschap’  zijn deze vragen niet expliciet aan de orde geweest. In dit artikel wil ik daartoe een aanzet geven, als een opmaat voor een verder gesprek. Een gesprek dat vooral in de professionele praktijk gevoerd moet worden.
Het levend houden van de ‘vraag naar goed politiewerk’ zie ik als onderdeel en uitdrukking van professionaliteit. Ik hoop dat politieprofessionals en politieleiders dat ook zo zien

 

 ‘Ondergeschikt en toch zelf nadenken’
Het spreekt vanzelf dat in een rechtsstaat de politie ondergeschikt is aan het bevoegd gezag,  maar de politie moet wel nadenken over de zin en de juistheid van haar bijdrage. De politie is  instrument in die zin dat ze geen doel in zichzelf is, maar de politie is geen instrument in de zin  van willoos middel in handen van het bevoegd gezag. Het denken over ‘zin en onzin, ‘goed en  kwaad’ kan niet uitbesteed worden. De uiterste variant daarvan is immers ‘Befehl ist Befehl’.  Het lijkt mij beter als dat niet beschouwd wordt als afdoende legitimering van het eigen handelen. Dat geldt te meer voor beroepen waarbij disciplinerend naar anderen mag of moet  worden opgetreden en ook geweld mag worden toegepast.

 

Goed politiewerk dient het goede samenleven
Politiewerk is geen doel in zichzelf. De vraag naar goed politiewerk gaat in wezen over de vraag of het politiewerk een zinvolle bijdrage levert aan de kwaliteit van het samenleven. Dat stelt ons voor een lastige opgave. Want wat is het goede samenleven waaraan de politie dienstbaar zou moeten zijn?

Als we dit vraagstuk verkennen zouden we eenvoudig kunnen beginnen door aan te geven wat we in ieder geval niet willen: chaos, wanorde, willekeur, gewelddadige eigenrichting, het ongebreidelde recht van de sterkste. Het goede samenleven is tenminste geen gewelddadige wanorde. De orde bewaren en zonodig herstellen is een eerste buitengewoon belangrijke bijdrage van de politie aan de samenleving.
Maar er is meer. Orde, als uitdrukking van voorspelbaarheid, biedt een bedding voor het menselijk samenleven, maar is er niet de zin van. De zin is verbonden met vrijheid en het vermogen te creëren. In een dictatuur kan het met de orde uitstekend geregeld zijn, maar ‘je hebt er geen leven’.

De kerngedachte van het postmoderne denken is dat we leven in een pluralistische wereld die niet langer begrepen kan worden in het licht van één uiteindelijke waarheid. Veelvormigheid is kenmerkend voor het postmoderne leven. Niemand heeft de wijsheid of waarheid in pacht. Een streven naar unificatie – religieus of seculier - is  utopisch en riskant (Kunneman, Vattimo, Sacks).
We moeten leven op de tast. Het goede samenleven is work in progress, een veelvormig leerproces met een open eind.
 
Harry Kunneman stelt dat de moderne samenleving problemen oproept die binnen de   heersende logica van de technologische versnelling niet kunnen worden opgelost. De   kernthema’s zijn: uitsluiting, duurzaamheid, zingeving (Kunneman,  222). Ik hanteer daarvoor  de trits: (economische) uitsluiting, (ecologische) uitputting en (existentiële) uitholling. In het  publieke  anonieme intermenselijk verkeer leeft het van moreel gezag bevrijde autonome en  consumentistische ‘dikke-ik’  zich uit. De doorgeschoten assertieve levenstijl (van den Brink) verdringt daar de zwakkere-ander. Ook hier gaat het om (angst voor) uitsluiting, uitputting en  uitholling. Voor een gezonde ontwikkeling moet dus ingezet worden op een andere logica.

Het leren leven met verschillen, zodanig dat de verscheidenheid ook daadwerkelijk vitaal kan zijn, is makkelijker gezegd dan gedaan. Vitale verscheidenheid vergt verbinding, daar moet aan gewerkt worden.

 

Ontwikkelingsgerichte politie: OGP
Goed politiewerk is dienstbaar aan de doorgaande ontwikkeling van een open en veelvormige samenleving. Dat is niet eenvoudig. Een wereld in verandering en vol verschillen is een onvoorspelbare, spanningsvolle wereld die gemakkelijk als onveilig ervaren kan worden en ook feitelijk onveilig kan zijn. Zo’n wereld kan angstwekkend zijn. De mens ervaart zijn kwetsbaarheid en moet er mee leren leven.
Een wereld van verschillen is onvermijdelijk ook een wereld van conflicten, in mensen, tussen mensen, tussen groepen.
Het is het vak van politiemensen om de betekenis van de conflicten te begrijpen en te plaatsen in het perspectief van een veelvormige ontwikkeling. Daartoe moet de politie de biografie en het verhaal van het conflict in zijn context kennen en zich  kunnen verplaatsen in de bij de conflicten betrokken mensen; doorgronden wat hen drijft. Waar verwijst dit conflict, dit gedrag naar? Is er eigenlijk ‘niks aan de hand’ ; is het een uiting van verslechtering van leefomstandigheden; is het een bot uitgeleefde assertieve leefstijl; is het angst voor ‘het vreemde’ of bijvoorbeeld een – ongelukkige- uitdrukking van een gefrustreerde persoonlijke- of groepsontwikkeling?

Het is voor politiemensen de kunst om maatwerk te leveren vanuit de vraag: wat is er hier en nu nodig voor een leefbare ontwikkeling?

 

Interventiestrategieën: begrenzen, beschermen, bekrachtigen
Bij het ingrijpen, gericht op veelvormige, leefbare ontwikkeling, zie ik voor de politie drie belangrijke interventiestrategieën:
- begrenzen :  dat wil zeggen, het binnen de perken brengen of houden van    gedrag dat anderen de ruimte ontneemt Het ‘dikke-ik’ dat zich uit    in ongeremd ’hufterig gedrag’ moet desnoods met geweld     daadwerkelijk in toom worden gehouden. Bij het intomen     van dergelijke ontsporingen toont zich de sterke arm;
- beschermen: dat wil zeggen, het ruimte bieden aan mensen die weggedrukt    worden door intimiderende anderen en daardoor hun     mogelijkheden om mee te doen geblokkeerd zien; het gaat hier    om ruimte en veiligheid bieden aan ‘hen die hulp      behoeven’, zodanig dat zij weer verantwoordelijkheid voor hun    eigen leven kunnen en durven nemen. Hier toont zich ook de    sterke arm, maar nu in een beschermende functie;
- bekrachtigen: dat wil zeggen, het ondersteunen van gedrag dat het     samenleven met verschillen bevordert. Het is het –soms enkel    door aanwezigheid – bevestigen van geldende normen. Dat    vereist alertheid op  (de kans op) positief gedrag. Bekrachtigen    kan ook door bewust niet ingrijpen. Ingrijpen kan verlammen.    Niet handelen of terughoudendheid kan anderen activeren; dan    gaat het om werkzame waakzaamheid.


De kern van het vak is de ontmoeting
Tegenwoordig is het gebruikelijk om de politie een informatieverwerkend bedrijf te noemen. Ik begrijp wat daarmee bedoeld wordt, maar ik vind die aanduiding toch  misleidend. Natuurlijk moet de politie op een intelligente manier informatie verzamelen en verwerken, maar dat is niet de kern van het vak. Voor dat je er erg in hebt zet de taal je op het verkeerde been en zijn informatiesystemen en informatiedragers belangrijker dan mensen en de kwaliteit van hun samenleven.

Liever dan van informatiegestuurde politiezorg (IGP) zou ik spreken van ontwikkelingsgerichte politiezorg (OGP). De informatieverwerking ondersteunt de leefbare ontwikkeling. De kern van het vak is niet het verwerken van informatie, maar een betekenisvolle ontmoeting. Duizenden keren per dag krijgen politiemensen de gelegenheid om in ontmoetingen met anderen een bijdrage te leveren aan zinvolle ontwikkeling. Bij al die gelegenheden kunnen zij zich afvragen: wat kan ik hier toevoegen, wat helpt het samenleven van deze mensen, hier-en-nu, verder? Zal ik begrenzen, beschermen of bekrachtigen?

 

Legitimiteit en vertrouwen:niet partijgebonden en vakbekwaam; menselijke waardigheid als kernwaarde
Politieoptreden is coproductie; het gaat altijd om – al dan niet vrijwillige – samenwerking. De kans op effectiviteit van die samenwerking is groter als de politie daarin gezien en gewaardeerd wordt als een betrouwbare partij of partner.
Naar de mate dat verschillen en onderlinge spanningen in de samenleving groter worden, wordt de legitimiteit van de politie belangrijker en kwetsbaarder. Het vergt de erkenning van allen – ook van de zogenoemd onaangepasten - dat de politie vakbekwaam en niet partijgebonden dienstbaar is aan ieders belang en daarmee aan het gezamenlijke belang van leefbare ontwikkeling.
Dat klinkt voor de hand liggend maar het is niet vanzelfsprekend. In wezen is het gunnen van zo’n positie aan de politie een uitdrukking van een gemeenschappelijke morele bedding, namelijk de erkenning dat het eigen belang niet doorslaggevend is. Daar moet je zuinig op zijn. Als partijen of mensen zich niet gezien of gehoord voelen, ontstaat het risico van ‘uitstappen’ en eindigt het samen leven.
Een ieder zien en erkenning van ieders menselijke waardigheid is de kernwaarde van een ontwikkelingsgerichte politie. Het is ook de kern van een fatsoenlijke samenleving (Margalith).
    Denn die einen sind im Dunkeln
    und die andern sind im Lich
    und man siehet die im Lichte
    die im Dunkeln sieht man nicht
      -Bertolt Brecht-

Vertrouwen in de politie is cruciaal; zonder dat kan een ontwikkelingsgerichte politie niet functioneren. Het gaat er daarbij niet om dat  burgers erop vertrouwen dat de politie de veiligheid verzekert of de criminaliteit volledig uitbant. Dat is een onmogelijke en zelfs ongewenste opgave. Als dat de inzet wordt, loop je het risico dat het veiligheidsstreven het vrije leven smoort en de eigen verantwoordelijkheid van burgers doet verdampen. De paradox is dat de politie effectiever wordt naar de mate dat burgers meer bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor het goede –veelvormige - samen leven. De kans daarop vergroten is deel van het vak. De politie is een morele actor in het publieke domein die - binnen de grenzen van het recht - door haar voorbeeld anderen uitnodigt en aanspoort tot moreel handelen; dat wil zeggen handelen vanuit een relationeel perspectief (ik - de ander – de samenleving) en niet een egocentrisch (ik-ik-ik) perspectief.

Voorwaarde voor moreel handelen is dat je gezien wordt als moreel subject en als zodanig  wordt aangesproken. Als burgers wantrouwend tegemoet getreden worden, slechts   beschouwd als te disciplineren objecten, ondermijn je de kans op moreel handelen. De  intrinsieke motivatie om ‘het goede te doen’ wordt vervangen door de drijfveer ‘niet betrapt te  worden’ op een ongewenste afwijking van de afgekondigde normaliteit.

In voorkomende gevallen moet de politie geweld gebruiken om de orde te herstellen. Het inzetten van dit middel kan de legitimiteit van de sterke arm versterken, maar geweldgebruik kan de legitimiteit ook onder druk zetten.

Vanuit dit oogpunt is het belangrijk om het eigen handelen zichtbaar en kritiseerbaar te maken. Dat biedt ook de beste kansen voor de eigen professionele ontwikkeling. Transparantie is voorwaarde voor professionaliteit en legitimiteit.

 

Ontwikkelingsgericht politiewerk: lerend werken, op zoek naar goed politiewerk
Wie het politievak wil ontwikkelen, moet oog hebben voor de praktijk. Maar ook ‘hart’. Het ontwikkelen vanuit de praktijk kan alleen als uitvoerende politiemensen in de organisatie erkenning en verbinding ervaren.
Het is daarbij van belang dat de politieleiding erkent dat de uitvoeringslogica een andere is dan de beleidslogica. Het beeld dat uitvoering het ‘doe-werk’ is van daaraan voorafgaand ‘denkwerk’(beleid) klopt niet. De uitvoering heeft zijn eigen situationele, actiegerichte logica’. Dat is niet een afgeleide van de politiek bestuurlijke beleidslogica’, maar een andere (Tops, Hartman, 2005). Beleidslogica abstraheert van de concrete werkelijkheid en gaat over het toekomstig handelen van anderen, het gaat over ‘zij-daar-en-dan’. De uitvoeringslogica ontstaat in de concrete handelingssituatie zelf. Het heeft betrekking op het gedrag van directe betrokken, ‘ik en jij-hier-en-nu’.

Het handelen van politiemensen wordt beïnvloed door het beleid, maar zeker ook door de specifieke kenmerken van de situatie zelf en de zich in de interactie ontvouwende dynamiek. Dat is nu juist het vak. Om effectief te kunnen zijn moeten politiemensen de burgers ‘verleiden’ tot samenwerking. Politiewerk gaat over ‘co-creatie van veiligheid en leefbaarheid’. Het gaat er niet om wat ‘altijd en overal’ normaal en ordelijk is, maar om wat hier en nu normaal en ordelijk is.
In het ontwikkelen van blauw vakmanschap moet de reële praktijk zichtbaar worden, met alles erop en aan: de inzet, de context, de aanpak, de interactie, de sturende waarden en de verborgen bestuurders, menselijke overtuigingen, gevoelens en emoties. Het ontwikkelen van blauw vakmanschap betreft ‘heel de mens’, vakontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling zijn vervlochten processen.

 

De vraag naar goed politiewerk; verhalen van de praktijk als aangrijpingspunt
Praktijkverhalen bieden een goed aangrijpingspunt om het politievakmanschap te ontwikkelen. Anders dan in een ‘mutatie’ of ambtelijke rapportage’ kan in een verhaal zowel de buitenkant (de gebeurtenissen in hun chronologische samenhang) als de binnenkant ( de gebeurtenissen in hun zinsverband, de onderstroom van zin, motieven emoties e.d.) zichtbaar worden gemaakt. In het vertellen van een verhaal kan de essentie oplichten. Zo’n verhaal kan geanalyseerd worden om de uitvoeringslogica te begrijpen ( wat was er aan de hand, welke spanningen of dilemma’s worden zichtbaar; wat  ‘werkte’ hier, welke waarden worden tot uitdrukking gebracht in het handelen ?).
Vervolgens kan de reflectie zich richten op de vraag: wat leert ons dit in relatie tot de zoektocht naar goed politiewerk; met ander woorden: wat valt er te leren met het oog op het bevorderen van een vitale, veelvormige en veilige samenleving?

Het ontwikkelen van het vakmanschap is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van uitvoerende politiemensen zelf.  De praktijkverhalen kunnen een zinvol professioneel gesprek over goed vakmanschap voeden. Leidinggevenden kunnen dit ondersteunen en waar nodig uitlokken. Het zou ook bijzonder waardevol zijn als leidinggevenden kunnen aansluiten bij dat gesprek, zodat ook hun eigen leren gevoed wordt en hun verbinding met de praktijk kan worden getoond. Daarnaast zou het leerzaam kunnen zijn om de politieverhalen voor te leggen aan betrokken burgers en van hen te horen wat zij ‘goed politiewerk’ vinden.

Vanuit de verhalen en de reflecties daarop kan langzamerhand ook het moreel kompas waarop politiemensen koersen, verhelderd en geijkt worden. Dat is belangrijk omdat een ontwikkelingsgerichte politie onmogelijk kan koersen op een vooraf te bepalen eindsituatie. Het zichtbaar maken van het moreel kompas richt dan het handelen en maakt het voor jezelf en anderen ook kritiseerbaar.

 

De rol van politieleiders : visie, voorbeeld, voorwaarden en veeleisend
In mijn benadering is goed politiewerk, ontwikkelingsgericht. Ik zie het als een taak voor politieleiders om het huidige handelen van politiemensen te plaatsen in inspirerend perspectief op de toekomst. Het zou mooi zijn als politieleiders de bijdrage van de politie weten te verbinden met hun visie op het ‘goede samenleven’.  Dat is wat mij betreft een stap verder dan het huidige visierapport ‘Politie in Ontwikkeling’ doet. Ik hoop dat politieleiders  - in ondergeschiktheid maar met gezag -  zullen pleiten voor een samenleving waarin ruimte is voor verschil; voor vitale diversiteit omdat daarmee de kans op het hanteren van de toegenomen complexiteit toeneemt. (Sacks:leven met verschil ; 2005).
In het verlengde daarvan verschijnt het beeld van een ontwikkelingsgerichte politie.

Zo’n uitgesproken visie op de toekomst krijgt een wervende kracht als politieleiders er in hun gedrag levende voorbeelden van zijn. Dat betekent dat zij diversiteit verwelkomen, ruimte geven aan creativiteit, over de grenzen van hun domein kijken, de samenwerking met ‘de ander’ zoeken, zelf lerende leiders zijn en merkbaar geïnteresseerd zijn in de vakmatige en persoonlijke ontwikkeling van hun medewerkers, geïnteresseerd zijn in de praktijk en de reële werking van hun beleid.
Politieleiders zullen zich morele leiders tonen; zij zullen met het oog op een leefbare ontwikkeling begrenzen, beschermen en bekrachtigen en laten zien dat de menselijke waardigheid van iedereen de kernwaarde van hun politieleiderschap is; zij zullen zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn.

Naast visie formuleren en voorbeeld zijn, zullen leiders ook de organisatorische voorwaarden moeten scheppen waaronder een ontwikkelingsgerichte en lerende politie realiteit kan worden. Dat betekent dat systemen daaraan dienstbaar gemaakt worden. Managementinformatiesystemen, beoordelingsystemen, administratieve procedures zijn krachtige gedragsbeïnvloeders. Het zijn verborgen bestuurders die vaak veel meer invloed hebben dan door leidinggevenden uitgesproken wensen. De vraag die gesteld wordt is: helpen de systemen de gewenste ontwikkeling verder of wordt die juist – onbedoeld - door de systemen geblokkeerd?

Tot slot, zullen politieleiders ook veeleisend en verwachtingsvol moeten zijn. Politiewerk is een maatschappelijk belangrijk vak. Aan politiemensen is een belangrijke en eervolle opdracht toevertrouwd. Het past niet om vrijblijvend met die maatschappelijke opdracht bezig te zijn. Politieleiders mogen hoge eisen stellen aan de inzet en professionaliteit van hun medewerkers. Ik denk dat dat de beroepstrots ten goede zal komen. Het raakt en erkent de bezieling waarmee veel politiemensen hun vak (willen) uitoefenen. 

 

Ruimte voor lerende leiders; de gein van het leren
Hierboven zijn scherpe eisen gesteld aan politieleiders. Door dat zo te doen, loop ik het risico het beeld op te roepen dat goede politieleiders in mijn ogen onfeilbare alleskunners moeten zijn. Dat is natuurlijk onzin, en misschien zelfs gevaarlijke onzin.
Politieleiders hebben een verantwoordelijke functie en er mag veel van hen gevraagd worden, maar ik hoop toch vooral dat zij zichzelf gunnen om te leren en zich te ontwikkelen in en aan hun vak. Ook politieleiders kunnen leerzame verhalen vertellen over ambities, plezier, moeite, kwetsbaarheid, twijfel en angst. Ik denk dat het voor een gezonde ontwikkeling van politieorganisaties van groot belang is dat er ook ruimte is voor die verhalen. Het (zelf)beeld van politieleiders als onaantastbare alleskunners blokkeert die ontwikkeling en het doet onrecht aan de mens die bereid is politieleider te zijn. In dit verband vind ik de gein van het leren een belangrijke term. Gein verwijst naar plezier, maar ook naar genade. Het heeft iets moois om lerend onderweg te zijn.
Politieleiders moet de gein van het leren gegund worden en het is mooi als ze zich dat zelf ook gunnen. Dan blijft er ook ruimte voor de vraag naar goed politiewerk.


Geraadpleegde literatuur

Bos, R. Ten; Merkwaardige Moraal, Thema 1998

Brink, G. van den, Van waarheid naar veiligheid, Sun Amsterdam 2006

Buber, M. ; Ik en Gij, Bijleveld, Utrecht 1959, 1998

Denkers, F. (red. Paul van Beers) Moreel kompas van de politie; Politia Nova BZK, 2000

Elbertse C.M.C, Nieuweboer R.D;  Leren voor Politieleiderschap, School voor Politieleiderschap/ Berenschot, 2006

Hartman, C, Tops, P; Frontlijnsturing, Kenniscentrum Grote Steden, 2005

Hoorn, J. van, Nap.J.A.; Wat bezielt politiemensen, School oor Politieleiderschap, 2006

Kunneman, H; Voorbij het dikke-ik, Humanistics University/ Amsterdam SWP, 2005

Margalith, A; De fatsoenlijke samenleving, van Gennep, Amsterdam

Mertens, F (red).; Leiden is doen!, Politieacademie, 2006-12-11

Nap, J; Werken aan blauw vakmanschap, Politieacademie, 2001
Sacks, J; Leven met verschil, Meinema, Zoetermeer, 2005

Wierdsma, A; Co-creatie van verandering, Eburon, Deldt, 1999

Zwart, C; Tijd voor bezinning, Reeds Business Information, Den Haag, 2005

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2007, jrg. 69, nr. 1-2, p. 25-29

0 reacties

Reageer op dit artikel