We kunnen niet zomaar terug naar de uitsluitend uitvoerende fase: Politie: een zorgelijke toekomst?
Waarom baart de toekomst van de politie zulke zorgen? De auteur ziet de (politieke) visie op de politie steeds meer verschuiven van decentraal naar centraal (de organisatie) en van pro-actief/preventief naar repressief (het handelen). Hij ziet een Openbaar Ministerie dat zich sterk wil profileren op het gebied van de opsporing. Hij ziet dat er voor het politiebestel keuzes worden gemaakt, richtingen worden ingeslagen op basis van onjuiste argumenten. Het wordt tijd, zegt hij, dat de politie zélf zich uitspreekt. Voor je het weet is veiligheid in de regio een zaak van het OM en moet de korpschef voordat hij tot actie kan overgaan, toestemming vragen aan de burgemeester.
Sinds de jaren negentig vormt de politie een aparte bestuurslaag, die losstaat van rijk, provincies en gemeenten. Deze ontwikkeling is in gang gezet door de toenmalige ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie Dales en Hirsch Ballin. Geleidelijk aan kreeg de organisatie het karakter van een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) en nog later van een concern. Dit was volstrekt in strijd met de opzet van en de toelichting op de wet.
De toenmalige ministers benadrukten dat de regio's als een decentrale organen hun eigen beleidsplannen moesten maken, gericht op de eigen regio.
Professionele organisaties
In de afgelopen (ruim) tien jaar zijn de politiekorpsen uitgegroeid tot professionele organisaties; het korps Amsterdam-Amstelland nadert volgens de INK-systematiek de systeemgeoriënteerde fase. Onze mensen zijn professioneler en veelzijdiger geworden, de bedrijfsvoering – inclusief de financiën en de investeringen – is op orde.
Maar het allerbelangrijkste is dat wij een rol van betekenis spelen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid. Dat is een groot verschil met vroeger. Toen deden wij van alles, maar waren niet geïnteresseerd in het resultaat/het effect van ons optreden, nu wel.
Die resultaatgerichtheid heeft ons kennis en inzichten opgeleverd over criminaliteit en onbehoorlijk gedrag. Hiermee kunnen wij gedrag beïnvloeden en wij kunnen er beleidsmakers en particulieren van laten profiteren: beleidsmakers kunnen met behulp van die kennis de effectiviteit van systemen en regels vergroten en particulieren kunnen zich beter beschermen.
Wij zijn niet langer van mening dat criminaliteit iets is dat je overkomt en waarmee je moet leren leven. Wij hebben ontdekt dat je er van alles aan kunt doen, ook in proactieve zin.
Die groei van mens en organisatie dreigt nu een probleem te worden. Maar we kunnen niet zomaar terug naar de uitsluitend uitvoerende fase. Dat is meer dan verkwisting van potentieel, het uitzicht op die verandering doet pijn.
Mission impossible
Wij zijn er nu achter dat strafvervolging iets anders is dan het veiliger maken van de samenleving. Straf leidt niet altijd tot gedragsverandering. De veelplegers van nu zijn het gevolg van het ontbreken van veiligheidsbeleid en het uitsluitend leunen op de strafrechtsketen.
Opsporen en vervolgen horen onlosmakelijk bij de rechtsstaat. Hoe vaak je dat moet doen is arbitrair, maar Nederland heeft er vanuit het opportuniteitsbeginsel voor gekozen niet alles te willen vervolgen en dat kan ook niet.
Wij sporen van harte veel op. Maar de ambitie om het zogenaamde (totale) handhavingsgat te dichten is een mission impossible, want:
– volgens slachtofferenquêtes zijn er 7 miljoen misdrijven (ik acht dit discutabel, maar met dit getal wordt wel gewerkt);
– er worden jaarlijks 1,3 miljoen aangiften gedaan;
– 300.000 hiervan worden door het OM behandeld; 50.000 gaan naar de rechter; nog minder worden ook veroordeeld.
Het verschil tussen het aantal aangiften en de OM-zaken is te verklaren door het ontbreken van een daderindicatie, onder meer vanwege het gebrek aan bevoegdheden, denk aan DNA, maar ook door de wijze waarop veel zaken van één dader worden vervolgd.
Onze veelplegeraanpak leidt wel tot het oppakken van de daders, maar niet tot het oplossen van alle individuele zaken.
Het valt volgens mij dan ook wel mee met het 'handhavingsgat'. Maar stel dat je het gat tussen 1,3 miljoen en 300 000 echt zou kunnen dichten, dan zouden OM en alles wat daar bij hoort, ZM, de cellencapaciteit, maar ook de recherchecapaciteit vier keer zo groot moeten zijn. Laat staan als je echt op weg wilt naar de 7 miljoen.
Belrondje
Het huidige beleid is gebaseerd op een belrondje van een procureur-generaal, die wilde weten hoeveel zaken met daderindicatie er op de plank liggen. Dat bleken er 80. 000 te zijn. De beleidsintensivering is nu gericht op het inlopen van de achterstand van 80. 000 zaken. Maar wordt het daar ook veiliger van ?
Het korps Amsterdam-Amstelland heeft naar waarheid opgegeven dat er geen geen zaken op de plank liggen. Toch zijn wij aangeslagen voor een hogere bijdrage. Wij bezien nu hoe dat dan moet; technisch zouden wij misschien wel meer zaken kunnen leveren, maar niet meer daders.
En als het strafrecht nu het ultimum remedium is, zoals altijd gezegd wordt, wat is dan het remedium? Hoe dicht je het gat tussen 7 miljoen en 300.000 zonder dat iedereen dol draait en zodat het wel betaalbaar is? Op de manier van Docters van Leeuwen, die naar Amerikaans voorbeeld hardnekkige veelplegers 'uit de roulatie' wil nemen? Of moet misschien toch onze aanpak – 'tegenhouden' – een eerlijke kans krijgen?
Twee stromingen
Opsporen moet, strafrecht ook, maar in mijn ogen niet in het belang van de veiligheid, maar in het belang van de rechtsstaat. Veiligheid is een ander onderwerp. Een greep uit krantenartikelen die de afgelopen tijd zijn verschenen:
N minister De Geus komt tot een ladderverbod omdat er te veel ongelukken gebeuren (tegenhouden);
N de politie leurt met het keurmerk 'veilig wonen', maar boekt weinig succes. Er is geen minister die het oplegt om inbraak te voorkomen;
N de president van de rechtbank in Maastricht wil marihuanazaken niet meer vervolgen, omdat zij de rechtsgang verstoppen;
N vervolgens zegt minister Donner dat je beter kunt hozen in een lekke boot dan dat je de boot laat zinken (wél opsporen en vervolgen en dus congestie in de rechtsketen).
Er zijn dus twee stromingen in het kabinet. De justitiële stroming wijkt af van die van de andere departementen: alleen voor criminaliteit geldt niet dat voorkomen beter is dan genezen.
Het probleem is dat aan de top van onze bureaucratie niemand verantwoordelijk is voor integrale veiligheid. Maar als veiligheid, zoals ik denk, ook een kwestie van een systeem is, als je het integraal moet organiseren, is het een bestuurlijk vraagstuk, dat op regeringsniveau prioriteit verdient.
De politie doet niet mee in het debat. Er wordt vrijwel altijd gesproken vanuit het perspectief van het bestel, of vanuit het perspectief van de bevestiging van de rechtsstaat (repressie). De macht over het machtsapparaat is een belangrijk bestuurlijk gegeven maar raakt slechts indirect de inhoud. Wij stellen vanuit onze professie dat opsporen wel moet, maar dat de samenleving er niet veiliger van wordt. Maar als de besteldiscussie ertoe leidt dat het gezag over de politie naar Justitie verschuift, betekent dat een paradigmabreuk.
Deelbelangen
Overigens zijn wij zelf debet aan de hiervoor geschetste ontwikkelingen op professioneel en organisatiegebied. Onze besturen hebben hun eigen deelbelangen gesteld boven het algemeen belang van de korpsen. Een burgemeester verklaarde indertijd desgevraagd dat 'hij daar voor zijn gemeente zat'.
Er is – althans in onze regio – wel ruimte geweest voor de professionele ontwikkeling, maar die ontwikkeling stond vaak in relatie met andere bestuurlijke belangen. Ik denk hierbij aan het afstoten van oneigenlijke taken. Ook de discussie over mijn nieuwe districtsgrenzen, die in het belang zijn van een beter presterende politie, is vanwege bezwaren vanuit de stadsdelen nog niet afgerond.
Het Openbaar Ministerie vraagt van alles en merkt van alles op, maar draagt niets bij aan een hoger oplossingspercentage. Wel legt het OM beperkingen in de bevoegdheden op, en heeft het ons met een zeer omstreden richtlijn vrijwel uit het publieke beeld verdrongen. Het lijkt erop dat het OM ons uitsluitend als uitvoerend orgaan ziet en zelf actief wil zijn in de opsporing, terwijl zijn kerntaak en kerncompetentie in de vervolging liggen. Overigens vindt het OM het heel lastig om steeds met het bestuur te moeten overleggen over prioriteiten en capaciteit. De nationale recherche en de bovenregionale rechercheteams verlossen hen van dat probleem.
Gemeten naar de oorspronkelijke politiewet 1993 de toenmalige wetgeving van toen is er weinig over van een politie die ook vanuit zichzelf betekenis had of moest hebben: Den Haag vaardigt de ene richtlijn na de andere af.
Het was in veel regio's al moeilijk op capaciteit te sturen, omdat die, los van prioriteiten, zat opgesloten in gemeenten, die er uiterst scherp voor waken dat er niets afgaat en er vooral naar streven dat er bijkomt. Er is nu een NR en er komen meer teams en er is een functioneel parket, waardoor ik minder invloed kan uitoefenen op de opsporing. Iedere flexibiliteit wordt uit het systeem gehaald.
De korpsbeheerder moet verantwoording afleggen aan de minister en de hoofdofficier is een soort districtschef geworden. Ik weet niet precies meer van welke betekenis een Regionaal College nu precies in dit krachtenspel is. Maar als mijn ruimte – en dus eigenlijk die van de korpsbeheerder – zeer beperkt is geworden, is die van het Regionaal College niet groter.
Als, wat in mijn ogen inderdaad dreigt, de landelijke politie bij Justitie wordt ondergebracht, zijn wij ook de maatschappelijk geïntegreerde politie kwijt, die kleinschalig is en dichtbij de burger staat. Dan gaat de burgemeester over openbare orde gaan, en nemen stadswachten onze taak in het publieke domein over.
OM-districten
De politie in Nederland is nog nooit zo goed geweest als nu. Het zijn vooral externe factoren die ons in de problemen hebben gebracht.
Het zou goed zijn als erkend wordt dat de in de Politiewet niet genoemde partijen (politie en korpschefs) het eigenlijke werk verzetten en verzet hebben. Het zou tegenwicht bieden aan het beeld dat die korpschefs er niets van gebakken hebben en dat daarom landelijk beheer moet worden ingesteld; dat zij slechts hun eigen belang dienden, hun koninkrijkjes overeind wilden houden.
En als er meer moet worden opgespoord of opgelost, zou het goed zijn als het OM verantwoording aflegt over de mate waarin het heeft bijgedragen aan een beter resultaat en een veiliger samenleving.
Ongetwijfeld komt er een bestel dat de burgemeesters passeert, en dat uitgaat van beheer door de minister van BZK en sturing door de minister van Justitie. Korpschefs worden dan, aangestuurd door een gezamenlijke generaal voor twee ministers, zetbazen van de ministers en krijgen de opdracht in hun planning rekening te houden met de lokale besturen. Waarschijnlijk houdt de burgemeester de supervisie over de openbare orde, zodat de korpschef toestemming moet vragen voor sommige acties. Dit zal niet zonder slag of stoot gaan en burgemeesters en andere lokale gremia zullen zeker weerwerk bieden. Het is tegen de wet van Thorbecke en het staat haaks op alles wat wij in Nederland aan openbaar bestuur en veiligheid hebben geleerd, maar ik weet haast zeker dat Justitie in het geheim Nederland al heeft ingedeeld in tien districten, zoals zij al tien parketten heeft. Veiligheid in de regio wordt dan een zaak van het regionale OM en niet langer van het openbaar bestuur.
Minister voor veiligheid
Maar wordt Nederland veiliger door zo'n ontwikkeling? In Parijs, waar de politie en de overheid de buitenwijken niet in durven, wil men juist naar ons model toe. Ook de Belgen willen ons model zo overnemen. Ik geloof echt dat onze geïntegreerde aanpak wel goed is en dat wij succesvol zijn. En dat het OM er is voor de harde symboliek van de rechtsstaat en het openbaar bestuur voor de veiligheid. Dat het belangrijk is op korpsniveau gezag en beheer niet te scheiden om relevante resultaten te kunnen behalen. Dat een korpschef ook echt baas van zijn of haar korps moet zijn om met overheidsgeld zo resultaatgericht mogelijk te kunnen opereren.
De consequentie hiervan is dat je duidelijk moet maken wat bereikt is, wat er nog moet worden bereikt en hoe dat langs twee lijnen kan. Maar dan zou er naast de minister van Justitie een minister voor veiligheid moeten komen, de minister van BZK. En op regionaal niveau zou er tussen partners overleg over veiligheid moeten blijven. Die moeten daar dan wel ruimte en geld voor hebben. Ik zou in een dergelijke situatie niet tegen een resultaatsverplichting zijn als die regionaal inhoud kan worden gegeven.
Belangrijk is wat de Raad van Hoofdcommissarissen zelf van de ontwikkelingen vindt. Misschien is dit het moment om de veranderingen die gaande zijn, in de openheid te brengen en een alternatief beeld te laten zien. Om duidelijk te maken dat opsporen wel moet, maar dat het ook veiliger moet worden en dat de politie zichtbaar moet blijven en de buurtregie behoudt.
De visie Politie op een kruispunt gaat uit van een integrale politie met een balans tussen bestuurlijke en justitiële accenten. In aanvulling op elkaar, niet ten koste van elkaar.
1 Dit artikel is een bewerking van de brief van de heer Kuiper aan de Raad voor Hoofdcommissarissen. Hierin vertelt hij zijn collega's in de Raad wat de achtergrond is van zijn reactie op de column van PG De Wijkerslooth.

Reageer op dit artikel