Zedencriminaliteit in één bundel

Afgelopen 9 mei organiseerde de Politieacademie een drukbezocht congres rond het uitkomen van het boek ‘Facetten van zedencriminaliteit’. In 550 pagina’s komen 33 onderwerpen aan de orde over zedencriminaliteit. Het boek laat zien dat achter de term ‘zedendcriminaliteit’ een grote variëteit aan verschijningsvormen schuil gaat, bijvoorbeeld daderprofilering in verkrachtingszaken, verhoor van zedenverdachten, vrouwelijke zedendelinquenten, groepsdaders, loverboys, behandeling en monitoring van zedendelinquenten en prostitutiebeleid. Het leerboek is toegankelijk geschreven en bedoeld voor het (politie)onderwijs. Hieronder een impressie.

 

Publieke opinie
Over zedenmisdrijven bestaan veel misvattingen en vooroordelen. Het beeld dat erover bestaat wordt voor een groot deel bepaald door verontrusting in de samenleving en de vele publicaties en uitzendingen van de nieuwsmedia. De indruk bestaat dat het aantal zedenmisdrijven toeneemt en dat zedendelinquenten een onverbeterlijke groep recidivisten vormt die een groot risico vormen voor de maatschappij. Hulpverleners worden als naïef beschouwd en de politie is niet in staat om zedenmisdrijven op te lossen. Maar hoe zijn de feiten? En welke ontwikkelingen zijn van belang voor de politie?

 

Aangiften
Jaarlijks doen rond de 7000 mensen aangifte van een zedenmisdrijf. Het gaat vooral om aanranding en schennispleging en minder om verkrachting. Juist die ernstigere delicten worden wel meer opgelost, waarschijnlijk omdat het misdrijf zich heeft afgespeeld in de relationele sfeer. Daarentegen worden schennisplegers meestal niet gepakt. De aangiftebereidheid van zedenmisdrijven is waarschijnlijk toegenomen door de grote aandacht voor slachtoffers. In de jaren tachtig werden de richtlijnen De Beaufort van kracht. Er werd aandacht gevestigd op de specifieke belangen van het slachtoffer bij de overweging om de aangifte al dan niet door te zetten, tegenover het meer algemene belang van opsporing en vervolging.

 

Valse aangiften
Het afgelopen decennium is er sprake van toegenomen bezorgdheid over valse beschuldigingen. In 1999 werden door het College van proceurs-generaal twee instructies uitgevaardigd voor de opsporing van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Hierin staat vermeld dat er meer nadruk moet worden gelegd op waarheidsvinding. Daarnaast werd door het College de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) ingesteld. In bepaalde gevallen is de officier van justitie verplicht om een aangifte voor te leggen aan de deze groep deskundigen alvorens hij een beslissing neemt over de eventuele vervolging van de beschuldigde. Het gaat om aangiften met aspecten van ritueel misbruik, hervonden herinneringen en herinneringen van voor de derde verjaardag. Ook in andere gevallen kan de officier van justitie een zaak aan de LEBZ voorleggen. In de instructie uit 2005 worden genoemd beschuldigingen die zich afspelen binnen de context van een echtscheiding, groepsverkrachting door onbekende daders, en seksueel misbruik dan langer dan acht jaar gebeurd zou zijn. In ongeveer de helft van de voorgelegde zaken adviseert de LEBZ om het onderzoek te stoppen vanwege de geringe geloofwaardigheid. Soms gaat het evident om een valse aangifte. Het is onduidelijk om hoeveel ongeloofwaardige en valse aangiften het in totaal gaat, omdat consultatie van de LEBZ niet altijd verplicht is.

 

Echte zedendelinquenten?
Afgaande op de mediaberichten zijn alle zedendelinquenten levensgevaarlijk en moeten levenslang worden opgesloten. TBS’ers die in hun proefperiode opnieuw in de fout gaan door een kind te ontvoeren en misbruiken, versterken dat beeld. Veel studies wijzen er echter op dat het met de zedenrecidive meevalt en dat het zinvol is om onderscheid te maken naar verschillende typen zedendelinquenten. Zo hebben bijvoorbeeld incestplegers een gering recidiverisico en een pedofiel (iemand met een exclusieve voorkeur voor prepubertaire kinderen) een hoog recidiverisico. Als zedendelinquenten opnieuw in de fout gaan betreft het vaak een niet-zedendelict (vermogensmisdrijven). Het aandeel van zedenmisdrijven in de totale criminele carrière van zedendelinquenten is overigens beperkt, gemiddeld zo’n 25%. Het is de vraag of in alle gevallen kan worden gesproken van zedendelinquenten. Het lijken vaak vermogens- of geweldsdelinquenten die ook een zedenmisdrijf hebben gepleegd. In een deel van de gevallen blijft de criminele ‘carrière’ van zedendelinquenten beperkt tot één geregistreerd delict.

 

Profiling
Een rechercheteam kan in een zedenonderzoek gebruik maken van gedragskundige ondersteuning. Deze advisering kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het beoordelen van gegevens, de richting van het rechercheonderzoek of de aanpak van het verdachtenverhoor. Soms is het mogelijk om een daderprofiel op te stellen. Hierover is al veel geschreven en met name in Engeland is hiernaar de afgelopen jaren onderzoek verricht. Daderprofilering is gebaseerd op gegevens uit wetenschappelijk onderzoek en praktijkkennis. Er wordt onder meer gekeken naar verbaal gedrag van dader, de benaderingswijze, de modus operandi, de functie van het geweld en seksuele handelingen. Een daderprofiel is een opsporingsadvies en dat betekent dat een profiler aanbevelingen doet voor het rechercheonderzoek. Met het opstellen van een daderprofiel is tijd gemoeid. Een profiler moet schriftelijk rapporteren. In zijn rapport wordt vermeld welke gegevens hij heeft gebruikt en op welke veronderstellingen zijn uitspraken zijn gebaseerd.

 

Verhoren lastig
Het verhoor van verdachten van zedenmisdrijven kan lastig zijn. Schaamtegevoelens over het (tenlastegelegde) feit kunnen bij de verdachte een rol spelen. Van de verhoorders wordt professioneel handelen en deskundigheid gevraagd. Het praten over seksualiteit en het zedenfeit kan moeilijk zijn voor zowel de verdachte als de verhoorders. Er zijn ook andere valkuilen waarop men bedacht moet zijn zoals herhaalde vragen stellen en het aangaan van een overdreven vertrouwensband met de verdachte. Ook de persoon van de verdachte kan het verhoor moeilijk maken. Denk bijvoorbeeld aan het verhoren van minder begaafde verdachten of psychisch gestoorden. Het is bekend dat sommige verdachten uit deze groep erg gevoelig zijn voor sturende vragen (suggestibiliteit).

 

Toezicht
Veel aandacht in de media gaat uit naar het toezicht houden op vrijgelaten of uitbehandelde zedendelinquenten. Het is eigenlijk een vorm van risicomanagement: welke risico’s is de samenleving bereid te lopen (op recidive) tegen welke prijs (hoe om te gaan met zedendelinquenten)? Waar in Nederland het belang van de privacy van de delinquent (nog) hoog in het vaandel staat, gaat men in Amerika zo ver dat persoonsgegevens, inclusief foto’s, van zedendelinquenten via het internet voor iedereen toegankelijk zijn. In Nederland bestaat er thans een speciaal politieteam dat zich bezighoudt met de opsporing van ontsnapte TBS’ers of delinquenten die niet terugkomen van verlof. Ook de groei van de zogenoemde long stay afdelingen zijn een indicatie voor de beveiligingswens. Op den duur gaan de meeste zedendelinquent na hun straf of behandeling weer onderdeel uitmaken van de maatschappij. De vraag is hoe hiermee om te gaan. Amerikaanse toestanden lijken hier een brug te ver. In Engeland zijn er goede ervaringen met het toezicht houden op zedendelinquenten die in reïntegreren in de samenleving. Een belangrijke rol is weggelegd voor de politie om een vinger aan de pols te houden. Toegepast op de Nederlandse situatie zou dit een nauwere samenwerking betekenen tussen politie en instanties als GGZ, reclassering en klinieken. Een noodzakelijke voorwaarde hiervoor is een goede en actuele informatiepositie en –uitwisseling.

 

Kinderporno
Zo’n 25 jaar geleden kon men zich waarschijnlijk niet voorstellen welke omvang en verschijningsvormen (kinder)porno anno 2007 zouden aannemen. Nieuwe technologische mogelijkheden genereren nieuwe vormen van zedencriminaliteit.  De politiële aanpak van dergelijke verschijningsvormen roept nieuwe vragen op.  De recente discussie over de aanpak van virtuele kinderporno in Second Life is hiervan een voorbeeld. Door het digitaliseren van afbeeldingen en het verspreiden via het internet, is de omvang van kinderporno een wereldwijd probleem geworden. Vanwege het grensoverschrijdende karakter en de betrekkelijk grote anonimiteit van producenten, verspreiders en gebruikers is de aanpak soms erg moeilijk. De afhankelijkheid van andere landen in het uitvoering geven van internationale politiesamenwerking en rechtshulpverzoeken blijkt in de praktijk nogal eens een struikelblok. De algemene teneur is dat de aanpak zich vooral moet richten op de producenten en minder op de individuele downloaders. Los van de vraag of deze laatste groep ook zelf kinderen zou misbruik, is het probleem dat zij door hun vraag de markt van kinderporno in stand houden. Recentelijk is een programma ontwikkeld waarmee in computerbestanden kan worden gezocht en automatisch kan worden vastgesteld of het oud of nieuw foto/filmmateriaal betreft. Voor rechercheurs betekent dat vermindering van de psychische werkbelasting.

 

Opleiding zedendeskundigen
Het politieonderwijs is de afgelopen jaren grondig herzien. De zedenopleiding is tegenwoordig een afstudeerrichting van de Leergang recherchemedewerker tactisch rechercheur. Er zijn kerncompetenties vastgesteld en de opleiding wordt afgesloten met een proeve van bekwaamheid. Een student die de opleiding met goed gevolg heeft afgesloten, is een gecertificeerd zedenrechercheur. De thematiek van zedencriminaliteit is complex en aan verandering onderhevig. Zedendeskundigen moeten  werken aan bijscholing. Dit vergt investeringen in opleidingen en deskundigheidsbevordering. Met het boek ‘Facetten van zedencriminaliteit’ is hiervoor een belangrijke stap gemaakt doordat het veel aspecten bij elkaar heeft gebracht. Dit wil overigens niet zeggen dat hiermee het laatste woord is gezegd en geschreven. Nieuwe ontwikkelingen zullen nopen tot het steeds weer actualiseren en wellicht herzien van opvattingen en bevindingen.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2007, jrg. 69, nr. 7-8, p. 26-28

1 Het boek is mede mogelijk gemaakt door financiële steun van de Politieacademie en het Ien Dales Fonds (namens de Raad van Hoofdcommissarissen).

Voetnoten

0 reacties

Reageer op dit artikel